Korten tijd na den dood van Sixtus IV, liet een paus van grieksche
afkomst en geboortig van Genua, Innocentius VIII, zich binnen den
omtrek van het vatikaan een landhuis bouwen, dat door het penseel
van Mantegna en Pinturicchio, beiden geholpen door hunne leerlingen,
werd getooid. Uit deze villa zond deze paus, naar alle koninkrijken
der christenheid, zijne heftige bullen en dreigende brieven tegen
de Turken; en daar ook ontving hij geregeld het jaargeld van
veertigduizend kroonen, hem door sultan Bajazet toegelegd voor het
bewaren van zijn broeder Zizim, dien de sultan voor zijne rust en
veiligheid gevaarlijk achtte.--Maar de oudheid, die meer en meer het
gansche vatikaan inneemt, heeft, reeds sedert de regeering van Clemens
XIV, de landelijke woning van den natuurminnenden Innocentius in beslag
genomen. De villa werd in een museum herschapen, dat reeds onder Pius
VI moest worden vergroot, en weldra bevolkt werd door eene gansche
schaar van goden- en heldenbeelden. Deze prachtig versierde galerij,
met haar marmeren wanden, haar met arabesken getooide gewelven, hare
bas-reliefs, haar fresko's, haar mozaïekvloer en haar dubbele reeks
van meesterstukken, is door geheel de beschaafde wereld bekend als
de galerij _Pio-Clementina_.
Ook hier is het onmogelijk, aan al deze kunstgewrochten ook maar de
helft te schenken der aandacht en belangstelling, die zij zoozeer
verdienen. Er schiet niets anders over, dan vluchtig te midden dier
monumenten rond te wandelen, en slechts nu en dan een oogenblik stil
te staan. Al bezoekt ge deze galerij voor de tiende of twaalfde keer,
telkens zult gij nieuwe ontdekkingen doen; het aantal opmerkelijke
gewrochten bedraagt stellig twee- a driehonderd. Ziehier een paar
navolgingen naar Praxiteles: een torso van Eros, met die fijne,
geestige uitdrukking op het schoone gelaat; en de Apollon-Sauroktonos
(hagedissendooder), waarvan ge eene andere, nog wel zoo fraai
bewerkte kopie in de galerij Borghèse kunt vinden.--Ik ga vele andere
meesterstukken voorbij, aangetrokken door die twee zittende figuren aan
het eind der galerij: Posidippus en Menander, twee dichters, aan wier
roem de nijdige kritiek niet knagen zal. Van den tweeden bezitten wij
niets dan eenige korte fragmenten uit twee of drie zijner tweehonderd
blijspelen; Posidippus, van wiens geboorteplaats en leeftijd men niets
weet, zou ons wel geheel onbekend zijn gebleven, indien de _Anthologie_
niet een vijftiental zijner epigrammen had overgenomen, en indien
hem niet daarbij het zonderlinge voorrecht ware te beurt gevallen
der onsterfelijkheid, door eene afbeelding, die eene eervolle plaats
inneemt onder de meesterstukken der eeuwen. Het hoogst eenvoudig
bewerkte beeld is bekleed met de tunika; het pallium is over den
linkerschouder geworpen. De dichter--een echt akademische kop, met
de zichtbare sporen van ouderdom, maar met eene fijne en geestvolle
uitdrukking op het peinzende gelaat--houdt een rol in de hand; zijne
vingers zijn met ringen versierd. Menander is jeugdiger van voorkomen:
trouwens hij stierf op omstreeks vijftigjarigen ouderdom. Aan de
gelijkenis met het beroemde portret in de Farnesina, herkende Quirinio
Visconti dezen griekschen blijspeldichter, die waarschijnlijk vóór
Posidippus heeft geleefd. De houding is levendiger; de dichter rust
met den linkerarm op den rug van zijn zetel; zijn hoofd is een weinig
voorover gebogen, als om scherp waar te nemen wat om hem voorvalt;
hij heeft geheel het voorkomen van een man naar de wereld, die het
leven heeft genoten en daarvan ten volle verzadigd is. Vroeger zag
men deze beide figuren aan voor de portretten van Marius en Sylla.
Wij keeren op onze schreden terug, na een blik te hebben geworpen
op dat eenigszins koude beeld van Jupiter, zittende op zijn troon,
met den schepter in de hand; en gaan eenige andere opmerkelijke
gewrochten voorbij, om die reusachtige badkuip van oostersch
albast te bezien, die hier zulk eene gelukkige uitwerking doet;
zij werd onlangs, bij het herstellen van een waterbuis, op de piazza
Santi-Apostoli opgedolven;--de grond van Rome bergt overal schatten
in zijn schoot. Vlak tegenover, nabij een Esculaap, een standbeeld
van Hygieia, de godin der gezondheid; eene allerliefste figuur, maar
die als kunstwerk ver moet onderdoen voor gindschen prachtigen Faun,
tegen een boomstam geleund, eene kopie naar Praxiteles. Daar ginds,
tusschen twee zuilen van geelachtig marmer, geflankeerd door twee
prachtige marmeren kandelabres, lokt u reeds het beroemde beeld
van de verlaten Ariadne, vroeger voor eene Cleopatra gehouden. Hoe
verwonderlijk schoon ligt die figuur daar, met den arm boven het
hoofd gevouwen, op de rots van Naxos neergezonken; de half losgewoelde
tunika, de droevige, vermoeide uitdrukking van het gelaat, de van het
hoofd afvallende sluier, de kunstige en toch zoo geheel natuurlijke
wanorde der kleeding: dit alles teekent volkomen de half wezenlooze
smart, die op de heftige aandoeningen volgt. De sarkophaag, die tot
voetstuk van dit prachtig beeld dient, en waarop strijdende reuzen
zijn afgebeeld, die in slangen en draken worden veranderd, is van
later tijd en veel minder kunstwaarde.
Ik moet, hoezeer onwillig, de galerijen, waar de kunstschatten der
oude wereld zijn bijeengebracht, verlaten: nog zooveel schoons en
heerlijks van later tijd wacht ons. Ik weet zeer goed, dat ik veel,
zeer veel heb overgeslagen, dat mijn overzicht hoogst onvolledig is,
en ik u niet dan een zeer gebrekkig denkbeeld van den rijkdom dezer
vatikaansche museums gegeven heb: maar het kan wel niet anders. Het
vatikaan is eene wereld op zich zelve; om deze wereld eenigermate
naar den eisch te beschrijven, zou een gansch boekdeel noodig zijn:
en ik mag slechts over enkele bladzijden beschikken. Daarom--geen
woord over de prachtige galerij der kaarten, met hare reusachtige
afbeeldingen der italiaansche gewesten, op de wanden geschilderd; over
de galerij der tapijten (_Arezzi_), waar de tapijten bewaard worden,
oorspronkelijk voor de Sixtijnsche kapel, naar kartons van Raphaël,
te Atrecht vervaardigd; over de zoogenaamde galerij der Kandelabres,
met haar vazen en beelden, haar bas-reliefs en sarkophagen, allen
antiek; geen woord ook over de heerlijke tuinen van het vatikaan,
in den oud-italiaanschen smaak aangelegd, met hun rijkdom van
standbeelden, urnen, vazen, sarkophagen, marmeren paviljoenen,
terrassen, ruischende fonteinen, geurige hagen, ondoordringbare
berceaux: een waar paradijs, waar de kunst zoo gelukkig der natuur de
hand biedt. Geen woord over dit alles, en over nog zooveel meer. Eer
wij onze schreden elders richten, volg mij nog even naar de ronde
zaal, zekerlijk eene der schoonste en merkwaardigste van geheel het
vatikaan, zoowel om haar bouwstijl, als om de kunstgewrochten, die
zij bevat. De _Sala Rotonda_ verplaatst u geheel in den tijd van het
romeinsche keizerrijk: zoo moet de kunstgalerij van een Maecenas,
een Cicero, een Agrippa, een Titus er hebben uitgezien. En dit is
geen wonder: de schepper van dit heerlijk monument, de eerwaardige
en kunstlievende paus Pius VI, heeft het voorbeeld gevolgd der
tijdgenooten van Augustus: hij heeft de schatkamer opzettelijk
doen opbouwen voor en in overeenstemming met de schatten, die hij
bijeenverzameld had. Bij ons--ik merkte het reeds vroeger op--doet
men juist het tegenovergestelde: men stopt de kunstwerken in de eerste
de beste ledige ruimte, of richt hoogstens een of ander karakterloos
gebouw op, dat even zoogoed voor verkoophuis of leeszaal of kolfbaan
als voor museum dienen kan.--De paus bezat acht fraaie groote beelden,
tien bustes, een reusachtig bekken van rood porfier, en den mozaïeken
vloer van eene antieke rotonde. Gevolgelijk richtte hij een koepel
op, gedragen door tien gegroefde pilasters van carrarisch marmer;
tusschen deze welfde hij groote nissen, waarin de standbeelden,
op voetstukken van grieksch marmer, konden worden geplaatst; vóór
de pilasters vonden de borstbeelden, op schachten van rood porfier,
hunne eigenaardige plaats; de mozaïekvloer beantwoordde op nieuw aan
zijne aloude bestemming; het kolossale bekken van een-en-veertig voet
in omtrek, in de baden van Diocletianus opgegraven, nam het midden in
der zaal, voor deze kunstwerken gesticht. Zoo vormt alles te zamen een
harmonisch geheel, waarin niets uwe aandacht stoort, niets den indruk
verzwakt of vervalscht: de zaal en de kunstwerken schijnen natuurlijk
bij elkander te behooren, en allen uit denzelfden tijd te zijn.
De illusie is zoo volkomen, ge gevoelt u zoo geheel in de oude wereld
verplaatst, dat ge niet zonder een gevoel van godsdienstigen eerbied
nader treedt om de buste te bezien van Jupiter, _Optimus_, _Maximus_,
den zeer goede en zeer groote--zeer groot bovenal, want geene woorden
kunnen de majesteit wedergeven, die over dit gelaat ligt uitgespreid,
die het als met een aureool omstraalt. Het is de beroemde en bekende
_Zeus van Otricoli_--aldus genoemd naar de plaats der opgraving--die
bijna als type der Zeuskoppen gelden kan. Ongetwijfeld hebben wij hier
slechts eene kopie voor ons, waarvan het origineel waarschijnlijk zelfs
niet tot het schitterendste tijdperk der grieksche plastiek behoorde:
maar toch mogen wij veilig aannemen, dat in dezen heerlijken kop nog
iets althans is overgebleven der goddelijke inspiratie, die Phidias
bezielde, toen hij zijn olympischen Zeus schiep, waarvoor de gansche
oudheid als in aanbidding nederknielde. Onvergetelijk inderdaad is de
indruk, dien de aanschouwing van dit gelaat op u maakt. Dat machtige
voorhoofd, die sterk vooruitspringende wenkbrauwen, waaronder de
groote oogen als lichtend te voorschijn treden, de oogen, die met
een enkelen blik de gansche wereld omvatten; de kalme, mannelijke
schoonheid van dat eeuwig bloeiende gelaat; die volle, een weinig
geopende lippen, waarom een glimlach schijnt te zweven en die niet
anders dan orakels kunnen spreken; die ontzaglijke haardos, in breede
lokken ter wederzijde het gelaat omlijstend: dat alles vervult
u met ontzag en wekt onwederstaanbaar de gedachte aan een groot,
bovenmenschelijk wezen, vreemd aan alle aandoeningen en hartstochten,
en voor wien de menschen niets meer zijn dan de wormen des velds. Er is
in deze bovenaardsche, onbewogen, zich zelf bewuste, ideale schoonheid
toch iets huiveringwekkends; uit die trekken--hoe heerlijk ze wezen
mogen--spreekt geen hart; wij voelen het, tusschen dien Zeus Olympios
en ons, arme, zwoegende, worstelende stervelingen, is weinig of niets
gemeens; wij kunnen bewonderend, aanbiddend, huiverend van eerbied
tot hem opzien: maar hij, zal hij zich in zijn olympische rust ooit
laten storen, om zich tot ons neder te buigen? Plaats naast dezen
Zeus een crucifix of een Ecce-Homo:--er ligt een afgrond tusschen
beiden, niet waar? De afgrond, die de oude wereld van de moderne,
de antieke wereldbeschouwing van de christelijke scheidt.
Nog onder den indruk van deze wonderschoone buste, hebt ge nauwelijks
aandacht voor gindschen kolossalen Bacchus, voor dien Hermes,
voor die beelden en busten van keizers en keizerinnen, ook hier,
als in de andere vatikaansche museums, broederlijk met de goden en
godinnen vereenigd;--en waarom ook niet: was niet de Caesar in het
eind de eenige god, in wien de oude wereld nog geloofde, omdat zij
zijn ijzeren voet op haar nek gevoelde? Maar ge moogt van hier niet
scheiden zonder een laatsten blik te hebben geworpen op dat prachtige
Juno-beeld, onder den naam van Juno-Barberini beroemd, dat zeker tot
de uitnemendste kunstgewrochten van de vatikaansche galerijen behoort;
en vooral ook op het beeld van Muemosyné, de godin der herinnering,
half-levensgroot, een meesterstuk van echte kunst, ten volle deze
eereplaats waardig.
En nu gaan wij de prachtige zalen en galerijen verlaten, waar de
kunst der oude wereld zich in hare rijkste weelderigheid, in hare
hoogste heerlijkheid bijna, voor ons vertoonde; waar zich, in deze
weergalooze scheppingen, eene wereld voor ons openbaarde, ons zoo
nabij en toch wederom zoo ver; ons zoo machtig aantrekkend, met wondere
toovermacht ons beheerschend, en toch wederom ons afstootend en haar
diepst geheim noode en niet dan langzaam voor ons ontsluierend. Zoo
menigmaal als ik door deze galerijen dwaalde, en deze marmeren goden
en godinnen, deze heroën en caesars in het aangezicht staarde, kwam
de gedachte bij mij op: weten zij wel wat zij doen, zij, die in onzen
tijd deze ondergegane wereld weder in het leven trachten te roepen;
zij, die te midden der ontzaglijke beweging dezer negentiende eeuw,
de geschokte en geslingerde, de doodkranke maatschappij onzer dagen
trachten te redden door haar het ideaal der klassieke schoonheid, als
het hoogste doel van haar streven, voor te houden?.... Ach, dit middel
is beproefd, meer dan eens beproefd; en met welke uitkomst? En de oude
wereld zelf--heeft deze eredienst van het schoone, dit streven naar het
aesthetisch ideaal, haar kunnen behoeden voor de verzinking in den poel
der afzichtelijkste verdorvenheid? Nu dan, wat deze oude wereld zelf,
ondanks een zoo bijzonder gunstigen samenloop van omstandigheden,
als niet meer te verwachten is, ondanks al de frischheid en kracht
der jeugd, der naïeve oorspronkelijkheid;--wat haar toch niet baatte,
hoe zou het ons kunnen baten, ons, voor wie deze dingen immers nooit
meer de beteekenis kunnen hebben, die zij voor haar hadden? Want,
vergeet het niet--en al poogt ge het voorbij te zien, loochenen kunt
ge het niet, en wegnemen nog minder:--tusschen haar en ons staat nu
eenmaal, op dien somberen heuvel, dat kruis geplant, dat voor immer
scheiding maakt tusschen oud en nieuw; dat--ge moogt het erkennen
of niet, roemen of betreuren--eene andere wereld in het leven heeft
geroepen, anders in denken en gevoelen, anders in zin en leven en
streven. Ge kent de zinrijke en schoone woorden van Lenau, die mij
hier zoo dikwerf in de gedachte kwamen:
Die Künste der Hellenen kannten
Nicht den Erlöser und sein Licht;
D'rum scherzten sie so gern und nannten
Des Lebens tiefsten Abgrund nicht.
Dasz sie am Schmerz, den sie zu trösten
Nicht wusste, leicht vorüberführt,
Erkenn' ich als der Zauber grössten,
Womit uns die Antike rührt.
Zij wisten niet beter, al zagen ze smachtend naar iets beters en
hoogers uit; maar wij, die beter weten, althans behoorden te weten,
wat bedoelen wij met onzen terugkeer naar dit machteloos gebleken
ideaal....