VI.

De vatikaansche beeldengalerijen tellen eene bevolking, welke met

die van eene onzer kleinere provinciesteden gelijk staat: dit alleen

zal voldoende zijn om u te doen beseffen, dat, in dit overzicht,

allerminst van eene eenigszins volledige beschrijving dezer geheel

eenige verzameling sprake kan zijn. Dit zult ge nog te meer gevoelen,

als ge bedenkt dat niet alleen de meesten dezer beelden en groepen eene

afzonderlijke beschrijving ten volle verdienen, maar dat er daaronder

ook velen zijn, die in den letterlijken zin eene eigen litteratuur van

niet onbelangrijken omvang bezitten. Van eene eigenlijke beschrijving

kan dus geene sprake zijn, veel minder van beschouwing en kritiek,

die alleen zulk eene eenvoudige beschrijving tot iets meer dan eene

dorre opsomming, een vervelenden catalogus, zou kunnen maken. Wij

zullen er ons alzoo toe bepalen, u door deze museums rond te leiden,

en slechts nu en dan op enkele zeer uitnemende of karakteristieke

monumenten vluchtig uwe aandacht vestigen.

Dit weergaloos museum is het werk van eeuwen. Alle vorstelijke

geslachten, wier zonen den heiligen stoel hebben bekleed, hebben hunne

schatting bijgedragen tot verrijking dezer verzameling; ondanks de

toenemende ongunst der tijden, is de offervaardige ijver in de laatste

eeuw veeleer verdubbeld. Bovenal mogen wij niet vergeten, met dankbare

hulde de namen te noemen van vier pausen uit den laatsten tijd, die,

niettegenstaande tegenspoeden en hinderpalen van allerlei aard,

het groote werk hunner voorgangers waardiglijk hebben voortgezet,

en bekroond en zich reeds alleen daardoor aanspraak hebben verworven

op den dank en de bewondering van allen, die kunst en waarachtige

beschaving liefhebben. Deze pausen zijn Pius VI, Pius VII, Gregorius

XVI en Pius IX. Nevens hen verdient ook Clemens XIV genoemd te worden,

al heeft deze ook bij de stichting der mede naar hem genoemde galerij,

meer gehandeld op aansporing van zijn schatmeester, den kardinaal

Braschi, die weldra zelf, als Pius VI, den apostolischen stoel zou

beklimmen.

Den toegang tot de beeldengalerijen vormt een lange overwelfde gang

of corridor, door Bramante gebouwd, en door Pius VII tot museum voor

de opschriften ingericht. Ter wederzijde van deze galerij, waarvan

de wanden geheel met inscripties zijn bedekt, prijkt eene lange reeks

van lijkbussen en sarkophagen: evenals ge, om Rome zelve te bereiken,

den Appischen weg volgt, aan beide zijden door graftomben omzoomd, zoo

treedt ge ook langs eene reeks van grafmonumenten naar het binnenste

heiligdom der vatikaansche stad. Deze corridor is meer dan zeshonderd

voet lang; de monumenten zijn gerangschikt naar tijdsorde, naar de

eerediensten, naar hunne bijzondere bestemming. Aan de eene zijde ziet

ge de grafschriften der familie boven elkander geplaatst; dan die van

vrienden en bekenden, van consuls, leden der consulaire geslachten, van

de patricische huizen, aan de keizerlijke dynastieën verwant; eindelijk

van de leden der verschillende bedrijven en ambachtsvereenigingen. Die

allen behooren tot het heidendom. Daar tegenover, aan uwe linkerhand,

vinden de sarkophagen en grafschriften uit de eerste eeuwen der

christelijke kerk eene plaats; zij zijn genoegzaam allen uit

de katakomben afkomstig; de opschriften zijn in het grieksch of

latijn, somwijlen in eene gemengde taal, en versierd met symbolische

teekeningen; meestal zijn zij kort maar vol uitdrukking en door toon

en inhoud zeer kennelijk van de heidensche grafschriften onderscheiden.

Als ge aan het eind dezer galerij gekomen zijt, treedt ge door een

fraai ijzeren hek, in eene honderdvijftig el lange, breede zaal,

die door vijftien vensters in het hooge, met fresko's versierde

gewelf haar licht ontvangt en ter wederzijde is bezet met eene dichte

reeks van groepen, busten, beelden, bas-reliefs: deze laatsten deels

op de voetstukken aangebracht, deels in de muren gemetseld. Deze

eerste galerij van het museum Chiaramonti, aldus genoemd naar den

geslachtsnaam van den stichter Pius VII, bevat meer dan achthonderd

kunstwerken: beelden van goden en helden, busten van keizers,

veldheeren, redenaars, vorstinnen, graftomben, urnen:--eene ideale

geschiedenis van Rome, maar in het grieksch geschreven. Geen dezer

werken is eigenlijk oorspronkelijk romeinsch: wat de romeinsche wereld

aan beeldhouwkunst heeft opgeleverd, is, men mag welhaast zeggen zonder

uitzondering, van griekschen oorsprong. De kunstenaars, die in den

keizertijd de uitmuntende gewrochten schiepen, waarvan wij er hier

zoovelen bijeen zien, deels oorspronkelijk, deels in navolging van

oude echtgrieksche modellen, waren Grieken. De Romeinen hadden weinig

aanleg en zin voor kunst, uitgenomen architektuur; hunne roeping

was eene andere: zij moesten de wereld veroveren, organiseeren,

bewoonbaar maken, den bodem bereiden waarop eene latere, hoogere

ontwikkeling ontstaan en bloeien kon. Zij waren bij uitnemendheid

praktische lieden: het echt aesthetische leven der Grieken bleef hun

altijd vreemd ook al namen zij, bij toenemenden rijkdom en beschaving,

voor het uiterlijke den schijn aan van zin en liefde voor de kunst.

Ter herinnering aan deze galerij wijzen wij u op een paar

monumenten. Zie hier een borstbeeld van Julius Caesar, in het

plechtgewaad van _pontifex maximus_ (opperpriester). Caesar is

hier voorgesteld in de laatste jaren zijns levens; zijn mager, van

diepe rimpels doorploegd gelaat teekent vermoeidheid, uitputting,

levenszatheid: de koude uitdrukking van een man naar de wereld,

die alles heeft genoten wat het leven bieden kan en de ijdelheid

van alles geproefd. Het is onmogelijk, den indruk te beschrijven,

dien de aanschouwing van dit strenge, verheven, en toch wederom zoo

vervallen gelaat op u maakt: die verplettende majesteit, gepaard

aan zedelijk verderf, die hooge adel nevens zelfzucht en een zweem

van pedanterie. Bij een blik op dezen prachtigen kop gaat ons een

helderder licht op over het eigenlijke karakter van den zeldzaam

grooten man, dan de lezing van vele geschiedwerken ons kan geven.--Wij

gaan een gansche reeks van beelden, sarkophagen, busten voorbij--hoe

gaarne wij ook bij de meesten afzonderlijk verwijlen zouden--en

staan voor een beeld van Tiberius, blijkbaar uit het begin zijner

regeering. De keizer is zittende voorgesteld, in grieksch kostuum;

de chlamyde is op den rechter schouder vastgehecht, zijn hoofd

is met eikenloof omkranst; in de rechterhand houdt hij een langen

schepter. Ge herinnert u de huiveringwekkende karakterschets, die

Tacitus van dezen Caesar geeft: en met verbazing slaat ge een blik op

dat schoone, echt aristokratische gelaat, waarover eene uitdrukking

van welwillendheid en vroolijke geestigheid zweeft; en onwillekeurig

vraagt ge u af, of wellicht de romeinsche geschiedschrijver aan de

waarheid ontrouw is geworden. Heeft Tacitus, de vertegenwoordiger

en uitnemendste woordvoerder der oude aristokratisch-republikeinsche

partij, ons de daden der keizers, wier zwaard de republiek had gedood,

inderdaad naar waarheid, onpartijdig medegedeeld? Aan de zeldzame

kunst, waarmede deze meester zijne portretten geteekend heeft,

valt niet te twijfelen: ook niet aan de getrouwheid? De vraag is

geoorloofd; ja, meer dan dat: aan een onvoorwaardelijk bevestigend

antwoord zullen, geloof ik, weinigen zich wagen. Doch het is hier

de plaats niet, daarover uit te weiden; al dringen die gedachten

zich telkens bij ons op, bij het aanschouwen dezer portretten, die

toch ook eene openbaring zijn.--Toeven wij nu nog een oogenblik voor

deze groep, het sieraad dezer galerij: _Ganymedes_, door den adelaar

weggevoerd. Dit voortreffelijk kunstwerk, dat u onwederstaanbaar

boeit, is eene kopie naar den griekschen beeldhouwer Leochares, een

tijdgenoot van Praxiteles. De schoone herdersknaap is voorgesteld op

het oogenblik, dat de arend van Zeus hem van de aarde opheft om hem

naar den Olympus te dragen; de figuur zweeft reeds boven den grond,

gedragen door de klauwen van den machtigen vogel, die hem in de zijde

heeft gevat. Zulk eene voorstelling nadert de grenzen der plastiek,

overschrijdt ze bijna: maar juist daarom bewondert ge te meer de

uitnemende kunst, waarmede deze groep bewerkt is, zoodat niets den

indruk stoort, niets zelfs de rust verbreekt, die aan elk beeldwerk

behoort eigen te zijn. Van de fijne, meesterlijke behandeling dezer

liefelijke, voortreffelijke groep kan echter geene beschrijving, kan,

bij gebreke van eigen aanschouwing alleen eene getrouwe afbeelding

u een denkbeeld geven.

Na de galerij Chiaramonti ten einde te hebben doorwandeld, keeren

wij op onze schreden terug, gaan op nieuw het hek door en treden den

_Bracchio Nuovo_ (nieuwen vleugel) binnen, door Pius VII gebouwd. Wat

aan deze galerijen eene eigenaardige bekoorlijkheid schenkt, is dat

zij opzettelijk gebouwd zijn om tot museum voor antieke beeldwerken

te dienen, en dat wel door mannen, die de ouden niet alleen uit

de boeken, maar ook uit de overblijfselen hunner werken kenden. De

conceptie van den _Bracchio Nuovo_ is hoogst eenvoudig: een zaal van

vier-en-twintig voet breed en tweehonderd-acht voet lang, met een klein

dwarsschip in het midden: alzoo eenigszins de gedaante van een grieksch

kruis. Maar toen hij met zijn bouw aanving, wist Raphaël Stern dat hij

voor drie-en-veertig hoogst belangrijke standbeelden eene waardige

plaats moest bereiden: hij verdeelde dus zijne lange galerij in

acht-en-twintig nissen, en zijn dwarsschip in vijftien. De standbeelden

konden alzoo geplaatst worden in een zuilengang van sierlijke arcaden;

voor de pilaren, die deze bogen scheiden, plaatste hij borstbeelden,

op voetstukken van rood graniet. In de vakken tusschen de bogen zijn

wederom busten, op consoles geplaatst; daarboven zijn bas-reliefs

in de muren gevat. Een breede, sterk vooruitspringende kroonlijst

dient tot basis voor het rijk gebeeldhouwde gewelf, dat voorts

gedragen wordt door twaalf korinthische zuilen van het schoonste

marmer. Boven iedere der breede vleugeldeuren prijkt een fronton,

door kostbare zuilen gedragen; het van boven stralende licht spiegelt

in den veelkleurigen vloer van mozaïek; in het midden der galerij

prijkt, op een voetstuk van rood graniet, een grieksche vaas van

zwart basalt. In zulk eene galerij schijnen de standbeelden slechts

de natuurlijke decoratie der zaal te zijn. Van hoeveel belang, voor

de juiste beoordeeling dezer kunstwerken zelf, zulk eene omgeving is,

kan alleen hij beseffen, die de heerlijke vatikaansche museums heeft

gezien en alzoo den afstand kan meten tusschen deze betooverend schoone

galerijen--kunstgewrochten op zich zelf--en de naakte, holle ruimten,

de ontmeubelde kamers of zolders, waarin men ten onzent de monumenten

van kunst en historie pleegt weg te stoppen.

Een van de merkwaardigste standbeelden van deze galerij is dat van

keizer Augustus, eerst voor eenige jaren opgedolven en door den

paus ten geschenke gegeven. Het lichaam is misschien oorspronkelijk;

maar het hoofd verraadt eene andere hand, en schijnt mij toe eerst

in later tijd, onder Trajanus, te zijn af- of bijgewerkt. Plinius

verhaalt ons dat bij Augustus de oogbol zeer groot en zeer licht was,

hetgeen aan zijn groenachtige pupil eene zoo vreemde uitdrukking gaf,

dat men niet kon nalaten, bij het aanspreken, hem strak in het gelaat

te zien, hetgeen den keizer onaangenaam aandeed. Deze bijzonderheid

is in het marmer zoo getrouw mogelijk weergegeven. De mantel en de

wapenrok zijn met meesterhand bewerkt; de symbolische versiering van

dezen laatsten is waarschijnlijk aan het heldendicht van Virgilius

ontleend.--Opmerkelijk vanwege hun kras realisme, zijn de beelden

van Titus en zijne dochter Julia. De keizer is een dik, kort man,

die er zeer welgedaan uitziet, met een gelaat waarop goedmoedigheid

en zinnelijkheid om den voorrang strijden; zijn geheele voorkomen,

dat bij uitnemendheid den stempel der individualiteit draagt,

teekent iemand van zeer gewone natuur, die zijn bijnaam van Wellust

des menschelijken geslachts misschien alleen of hoofdzakelijk aan

zijn vroegen dood te danken heeft, waardoor zekere zijden van zijn

karakter niet tot ontwikkeling zijn kunnen komen. Zijne dochter Julia,

die sprekend op haren vader gelijkt, is zeer leelijk; beiden dragen

den stempel van te behooren tot eene dier familiën van lager afkomst,

die hare fortuin in de eerste plaats gebruiken om zich recht te goed

te doen.--Wederom gaan wij een aantal beelden en busten voorbij, en

werpen ten slotte nog een blik op het standbeeld van Demosthenes,

eene figuur vol karakter en uitdrukking. Die diepliggende oogen,

dat hooge, gerimpelde voorhoofd, die fijnbesneden mond, die lippen,

waarop het woord schijnt te trillen; die eenvoudige, natuurlijke

houding: dit alles teekent u den denker, den redenaar. Ge gevoelt

dat dit portret echt moet zijn.

Nogmaals doorwandelen wij de lange galerij en bestijgen een trap,

die ons naar het groote museum, naar zijn voornaamsten stichter Pius

VI, het Pio-Clementijnsche museum genaamd, voert, waar ge echter

tot uwe verrassing aanvankelijk niet anders vindt dan eene reeks

kleine vertrekken: kapellen, die ieder haar eigen patroon hebben. Ge

betreedt een vierkanten, rijk met fresko's versierden voorhof, waar uwe

aandacht al dadelijk getrokken wordt door de graftombe van Cornelius

Lucius Scipio-Barbatus, overgrootvader van den beroemden Scipio den

Afrikaan. De vierkante sarkophaag is van gewonen albaanschen steen en

hoogst eenvoudig van bewerking: maar de strenge, grootsche afmetingen

geven aan het werk een eigenaardigen edelen stijl. Toen deze sarkophaag

ten jare 1780, in een _vigne_ nabij de poort Sint-Sebastiaan, de

oude Capeensche poort, werd opgegraven, vond men het geraamte van

Scipio-Barbatus nog in zijn geheel; aan een der vingers zat een ring,

dien Pius VI aan lord Algernon Percy ten geschenke gaf.

In het midden van dezen voorhof staat de zoo algemeen bekende

en beroemde _Torso_, het kolosaal fragment van een standbeeld

van Herkules. De held zit op een rots, met het lichaam eenigszins

voorovergebogen; waarschijnlijk leunde hij op zijn knots. Het hoofd,

de armen en de beenen zijn verloren geraakt. Toen dit uitnemend

gewrocht van oud grieksche beeldhouwkunst, ten tijde van Alexander VI,

opgedolven werd, waren monumenten uit de eeuw van Pericles nog uiterst

schaarsch: de echtheid van dit stuk viel niet te betwijfelen, want

het draagt nog de naamteekening van zijn vervaardiger, Apollonius,

zoon van Nestor den Athener. Geen wonder dat dit brokstuk van een

standbeeld de algemeene aandacht trok, en zelfs eene omwenteling in

de kunst bewerkte; Michel Angelo dweepte er zoo zeer mede, dat hij

zich zelf een leerling van den Torso noemde, en zich ook werkelijk

naar dit voorbeeld vormde. Maar hoe groot uwe bewondering voor dit

kunstwerk ook wezen moge, toch spoedt ge u naar gindsch balkon, om

van daar een blik te werpen op het onbeschrijfelijk schoone panorama:

een gedeelte der vlakte van Rome, met de omringende heuvelen, den

kronkelenden loop van den Tiber, en de Sabijnsche bergen in het

verschiet: een panorama, waaraan dit gedeelte van het vatikaan den

welverdienden naam van het _Belvedere_ dankt.

Wij komen aan den zoogenaamden achtkantigen hof: een salon in de

open lucht, omringd door sierlijke portieken, rustend op zestien

kolommen van rood graniet en grijs oostersch marmer. In het midden

springt eene fontein: de frontons prijken met acht groote Maskers,

uit den tijd van Agrippa; tusschen de zuilen prijken acht bas-reliefs;

langs de wanden zijn standbeelden en sarkophagen geschaard; en onder de

bogen der galerijen schemeren weder andere standbeelden. Daar, in eene

reeks afzonderlijke kabinetten, zijn enkele meesterstukken geplaatst,

die ieder althans bij name heeft hooren noemen, en meestal ook uit

afbeeldingen kent. Ik spreek niet van den griekschen sarkophaag met

de dansende Bacchanten, nabij de Sint-Pieter opgedolven; noch van den

beroemden sarkophaag van Varius-Marcelles, den vader van Heliogabalus;

noch ook van den Perseus en de Worstelaars van Canova, aan wien

hier--niet geheel onverdiende eere--een eigen kabinet gewijd is. Zie,

daar straalt in al zijn glans, te schitterender uitkomende tegen den

grijsachtig groenen achtergrond van het kabinet, waarin hij alleen

staat, de wereldberoemde _Apollo_ van Belvedere. Ge kent dat beeld,

zoo oneindig vele malen nagebootst:--en toch ge kent het niet, zoo

ge niet het oorspronkelijke--trouwens zelf wederom eene kopie naar

een grieksch model--hebt aanschouwd. Sedert ons de oorspronkelijke

werken uit het beste tijdperk der grieksche kunst zijn bekend geworden,

moge dit beeld niet meer voor het ideaal der plastiek kunnen gelden,

toch blijft het een der edelste kunstgewrochten, ons door de oudheid

nagelaten. Men weet nu, wat de figuur eigenlijk voorstelt, het is

de god, uit zijn tempel komende en de ontzaglijke Aegis opheffende,

waarmede hij de aanstormende Galliërs, die zijn heiligdom te Delphi

plunderen wilden, op de vlucht drijft. Met wat wonderbaar geluk,

of liever met wat onbedriegelijken kunstenaarstakt, is die houding

weergegeven: met vluggen, snellen tred schrijdt de god voorwaarts,

langs zijn vluchtende vijanden heen, die hij zijn ontzaglijk wapen

tegenhoudt. Wat ligt er op dat wonderschoone gelaat eene uitdrukking

van kalme majesteit, van vreugde over de zegepraal, vermengd met een

fiere minachting voor de ruwe barbaren, die het wagen durfden zijn

tempel te naderen! Alles is hier in de volkomenste harmonie; het eenige

wat ons belet dit beeld onder de hoogste gewrochten der zuiverste

kunst te rangschikken, is een zeker streven naar gemaaktheid, iets

gezochts, dat manier verraadt: een gebrek evenwel, dat nu eigenlijk

alleen kenbaar wordt door vergelijking met de ongeëvenaarde scheppingen

van het Parthenon.

In een ander kabinet prijkt de niet minder bekende en beroemde groep

van _Laokoon,_ het werk van drie rhodische beeldhouwers, Agesander,

Polydorus en Athenodorus. Deze groep werd in 1506 onder de ruïnen van

het paleis van Titus gevonden, juist ter plaatse waar zij, volgens de

beschrijving van Plinius, stond. Wij zullen ons hier niet begeven in

een onderzoek naar den tijd der vervaardiging van dit meesterstuk,

al kunnen wij, op innerlijke gronden, ons niet vereenigen met

de meening van hen, die, zich op eene eenigszins dubbelzinnige

uitspraak van Plinius beroepende, beweren dat deze groep onder de

regeering van Titus zou vervaardigd zijn. Evenmin kunnen wij in eene

uitvoerige beschrijving of beschouwing treden, waartoe anders de

Laokoon zoo ruimschoots gelegenheid geeft. Een enkel woord slechts

over de voorstelling. De legende verhaalt hoe Laokoon, de priester

van Poseidon, zijne stadgenooten de Trojanen had gewaarschuwd tegen

het inhalen van het noodlottige houten paard, door de Grieken, bij

hun geveinsden aftocht, in het kamp achtergelaten. Daardoor haalde

Laokoon zich den toorn van Apollo op den hals, die, om hem te straffen,

juist toen hij met zijne beide zonen gereed stond te offeren, twee

reusachtige slangen, boden van den toornenden god, op hem afzond,

die den priester met zijne kinderen doodden. De kunstenaars hebben

nu het oogenblik gekozen, waarop de vreeselijke slangen den vader en

de beide jongelingen in hare afschuwelijke kronkels hebben gevat;

de jongste zoon heeft den doodelijken beet reeds ontvangen, en

zinkt stervend achterover; de oudste is eerst even gevat, en heft de

hand op naar den vader, die zich vergeefs poogt te ontdoen van de

hem omkronkelende slang en in den zielsangst der nijpendste smart

het hoofd ten hemel wendt en eene laatste klacht uitstoot. Dit is

slechts eene koude schets: maar onmogelijk is het, de aangrijpende,

zielroerende uitdrukking van deze, ook uit een technisch oogpunt

zoo wonderschoone groep weder te geven, die niet ten onrechte eene

tragedie in marmer is genoemd.

Eer wij de andere galerijen bezoeken, willen wij ons even gaan

vertreden in den _Plantentuin_, en daar een blik werpen op de rijke

menagerie, die de oudheid ons heeft achtergelaten. Deze verzameling

heeft ter wereld hare wedergade niet. Zij bestaat uit niet minder dan

honderd-vijftig beelden en groepen van dieren van allerlei soort. Ook

deze zaal is rijk versierd met prachtige ionische zuilen van rood

graniet, terwijl de vloer met heerlijke mozaïeken is ingelegd, waarop

gevogelte en wild is afgebeeld.

De verzameling, die haar ontstaan dankt aan Pius VI, en door zijn

opvolger werd voortgezet, is met groot talent gerangschikt en in

orde gebracht door den zeer bekwamen beeldhouwer Francisco Franzoni,

die zich vooral door zijne voortreffelijk geslaagde restauraties een

welverdienden naam beeft verworven. De zeer eigenaardige collectie

trekt u onwillekeurig aan: de meest alledaagsche dieren krijgen

hier een zeker ideaal voorkomen; terwijl daarentegen de griffioenen,

de hippogryphen, de minotauren, de sphinxen en andere fabelachtige

monsters zulk eene uitdrukking van waarheid dragen, dat ge bijna aan

hun bestaan zoudt gaan gelooven. Voor sommige diersoorten, met name

voor het paard en den hond, is het ook merkwaardig, na te gaan welke

type de ouden hebben gekend of bij voorkeur aangekweekt. Ziehier

eene zeer fraaie groep: een hert door een bulhond aangevallen. De

dog is zeer sterk gebouwd en bezit blijkbaar groote spierkracht; het

is een prachtig dier, met een minder afgeknotten snuit dan onze dog;

de ooren zijn afgesneden, even als men nog tegenwoordig doet. Vlak

daarnaast staat een andere, niet minder fraaie groep; een gevecht van

een beer met een stier. Voorts ziet ge hier jacht- en hazewindhonden,

in verschillende standen; wolven, koeien, hazen, geiten, eenden,

kippen, hanen, ganzen, watervogels, fazanten, pelikanen: eene gansche

menagerie.

Schenk eenige oogenblikken uwe aandacht aan deze groep: de wegvoering

van Europa, en bewonder de kunst, waarmede de beeldhouwer aan dien

stier als het ware het merk van zijn goddelijke natuur heeft weten

in te drukken. Zie dat prachtige, levensgroote, loopende hert, van

half doorschijnend, gestreept en gevlakt albast, met sneeuwwitte

hoornen: een meesterstuk, aangrijpend van leven en waarheid. Ziehier

Herkules, den gedooden leeuw van Nemea achter zich voortsleepende;

met hoe voortreffelijke kunst is de slappe inertie en machteloosheid

dier van leven beroofde ledematen weergegeven.... Eigenlijk zou ik

alles moeten noemen, want deze galerij is zoo belangrijk en heeft

eene zoo bijzondere aantrekkelijkheid. In den regel verplaatsen de

antieke beelden en groepen ons in eene ideale wereld, welke, hoezeer

zij door hare uitnemende schoonheid ons boeien moge, ons toch altijd

in den grond vreemd blijft, om dat zij het gewrocht is eener gansch

van de onze verschillende wereld- en levensbeschouwing. Maar hier

omringen ons bekende gestalten en beelden, ontleend aan eene wereld,

waarin wij zelf ons bewegen; en bij uitnemendheid leerzaam is het na

te gaan; hoe de dieren zich voor den blik der antieke kunstenaars

vertoonden, en hoe die kunstenaars het aanlegden om ook het dier,

met behoud zijner karakteristieke eigenaardigheid, binnen den

tooverkring der ideale kunstwereld op te nemen. Ook hier, evenals

bij het menschenbeeld, beijverde men zich niet in de eerste plaats om

getrouw al de bijzonderheden, al de toevallige trekken van het individu

weer te geven, maar het werkelijk kenmerkende, het vaste en blijvende

in de soort. Men gaf, over het algemeen en in den besten tijd, niet

zoozeer portretten, dan wel typen; en evenmin als ge in de goden- en

heldenbeelden van Griekenlands uitnemendste kunstenaars, menschen in

den gewonen zin des woords hebt te zien, evenmin moet ge u voorstellen,

dat, bij voorbeeld, de paarden van het Parthenon nu inderdaad getrouw

gevolgd zijn naar die, welke in de straten van Athene te zien waren.

Eer wij deze zaal verlaten, staan wij nog even stil voor een

merkwaardig bas-relief, eene _Reiniging_ voorstellende: eene

godsdienstige handeling, die de Romeinen waarschijnlijk van

de Etrusken hadden overgenomen en die blijkbaar verwant is aan

soortgelijke gebruiken bij de Semitische volken, met name bij de

Joden. Deze reiniging of zuivering geschiedde door middel van water,

vuur of reukwerk; niet alleen de vrouwen, na hare bevalling, maar ook

de dieren, die jongen geworpen hadden, werden, evenals deze jongen

zelf, op deze wijze gereinigd. Men besprengde hen met gewijd water,

terwijl welriekende kruiden, met zwavel gemengd, werden gebrand; de

herders gingen driemaal in plechtigen omgang rondom de schaapskooi

en offerden vervolgens aan Pales wijn, zuivere melk en een koek van

gerst. Ons bas-relief stelt nu de zuivering voor van eene jonge koe,

die haar kalf zoogt: een even fraai als zeldzaam kunstwerk. Men ziet

den tempel en zijne omwalling, de gewijde fontein onder den boom,

het watervat en den kwispel: een olijftak; aan den staf van den

herder hangen twee ganzen, zijne offergave. Terwijl alles zich voor

de plechtige handeling gereed maakt, steekt de koe rustig haar kop in

het watervat en lescht haar dorst met het gewijde vocht. Het geheele,

echt landelijke tafereel maakt een hoogst weldadigen, verkwikkenden

indruk: het is als eene episode uit Homerus, in marmer gebeiteld.

Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 6 / 9 题