Gorden wij ons thans aan tot een bezoek in de talrijke galerijen,
waar de meesterstukken der antieke kunst worden bewaard, en
beginnen wij die lange reis, naar chronologische volgorde, met
de oudste tijden. Gregorius XVI heeft het vatikaan verrijkt met
twee verzamelingen, die ons lange reeksen van eeuwen terugvoeren,
verder zelfs dan den tijd, waarvan de historie heugenis heeft tot den
oorsprong der kunst in het verre Oosten en in het alaude Latium. Ik
bedoel het egyptische museum en het etrurische museum, beiden door
dezen geleerden en kunstlievenden paus gesticht.
Wij begeven ons eerst naar de egyptische verzameling.
Ik weet niet, of het vatikaansche museum, evenals dat van den
onderkoning van Egypte te Boulak, afbeeldingen bezit uit den tijd van
Chephren, den Pharao van de vierde dynastie, die de tweede pyramide
heeft gebouwd, en wiens peinzend gelaat heugenis heeft van misschien
vijftig eeuwen. Maar het museum bezit toch enkele monumenten van
het zoogenaamde nieuwe rijk, te beginnen met Amasis, den stichter
van de achttiende dynastie; dat wil zeggen omstreeks 1700 jaren
vóór Christus. Tot dit tijdvak behoort de voortreffelijk bewaarde
mummie--al te goed bewaard, want haar aanblik is afschuwelijk--van
een priester van Ammon, op wiens borst de naam Amosis geschreven
staat. In de groote zaal vindt men een standbeeld van graniet,
dat, naar men zegt, de moeder voorstelt van dien beroemden held en
veroveraar der negentiende dynastie, van dien Ramses II, dien de
Grieken Sesostris noemden, en wiens zoon Menephtha getuige was van
den uittocht der Israëlieten. Dit beeld is opgegraven in de tuinen
van Sallustius; het merkwaardige kapsel, met den sperwer versierd,
en de fijne bearbeiding prenten de herinnering aan dit kunstwerk
in uw geheugen. De kolossale sarkophagen in den vestibule zijn
misschien niet ouder dan het begin der acht-en-twintigste dynastie,
toen Egypte, voor eene korte poos van het perzische juk ontslagen,
onder den eersten Nectanebos zijne onafhankelijkheid herwon: uit dezen
tijd zijn een aantal fraaie sarkophagen bekend. Een daarvan is echter
stellig ouder, die namelijk van een priester, Neith-Mah genoemd, die
ten tijde van Psammetichus leefde, toen, volgens Herodotus, de stad
Saïs het middelpunt werd eener nieuwe beschaving, die zich niet langer
stelselmatig van alle aanraking met vreemden afsloot. De Egyptenaren
knoopten betrekkingen aan met de Grieken; ook is de helleensche
invloed, reeds lang vóór het macedonische tijdperk, in hunne kunst
zeer merkbaar. Uit de laatste tijden van het dusgenaamde nieuwe rijk,
dus nog altijd vóór de perzische verovering, dagteekenen waarschijnlijk
de twee fraaie leeuwen die langen tijd de fontein van _Acqua-Felice_
hebben versierd, en in 1443 nabij het Pantheon werden opgegraven. Tot
dienzelfden tijd behooren waarschijnlijk twee vrouwenbeelden, in halve
grootte; de eene is gehuld in een fijn en nauwsluitend gazen gewaad,
hare trekken hebben eene zonderlinge, geheimzinnige uitdrukking:
het is of hare lippen zich zullen openen, om u een of ander geheim
toe te fluisteren. De andere, met een sluier om het hoofd, en in een
soort van _peplum_ gedrapeerd, draagt een hoorn des overvloeds in hare
hand; ook in dit beeld is het egyptische karakter niet te miskennen,
maar toch veel minder sterk uitkomende.
Van de Papyrussen heb ik alleen te spreken om de voortreffelijke
schikking van deze collectie te roemen, en om uwe aandacht te
vestigen op een menigte kleinere voorwerpen, in de zalen, die naar de
Papyrussen voeren. Daar vindt ge, emailwerk, bronzen versierselen,
beeldjes van hout en gebakken aarde, afgodsbeelden, dieren, vazen,
huisraad, enkele mummies van katten, en dergelijke meer. Ik herinner
mij vooral een grooten kever van jaspis, gedagteekend uit het twaalfde
jaar der regeering van Amenophis III, uit de achttiende dynastie; uit
het opschrift op dezen kever blijkt, dat te dier tijde (omstreeks 1600
jaar vóór Christus) het rijk zich uitstrekte van Mesopotamië tot aan
het land van Karo, bij het tegenwoordige Abessinië. Het egyptische
museum van het Vatikaan kan, bij voorbeeld, met dat in den Louvre
niet op eene lijn worden gesteld, vooral wat betreft de monumenten
van zeer ouden tijd; maar het munt uit door grooter verscheidenheid
en vergunt u beter, een blik te werpen op het intieme leven van dit
merkwaardige en geheimzinnige volk. Ook is de schikking der voorwerpen
minder streng wetenschappelijk misschien, maar zeker veel bevalliger
en uitlokkender. Zelfs hij, die uit bloote nieuwsgierigheid deze zalen
doorwandelt, zal zich toch telkens door het een of ander aangetrokken
gevoelen.
Gregorius XVI heeft de zeer gelukkige gedachte gehad, de egyptische
_pastiches_, dat wil zeggen de navolgingen van egyptische kunst,
die tijdens het keizerrijk en vooral onder Hadrianus, zeer in de
mode waren, in eene afzonderlijke afdeeling bijeen te brengen. Eene
vergelijking tusschen deze gewrochten en de monumenten van echte
oud-egyptische kunst is uiterst leerzaam. Al deze beelden hebben eene
zaak gemeen: zij missen dat onbedriegelijke _cachet_, dat alleen ware,
oorspronkelijke kunst eigen is, evenals de geur der natuurlijke bloem
niet kan worden nagebootst. Deze beelden zijn stom en dood, en wekken
geene enkele gedachte bij u op; hun gelaat, hunne houding, alles
verraadt toeleg en berekening. Deze beelden zijn niet waar. Gezwegen
nog van de verschillende wijzen van bewerking, waaraan men meestal
niet denkt en die toch van zoo overwegenden invloed zijn op het geheele
karakter van het kunstwerk, moeten wij niet vergeten dat deze Osiris-
Ptah- en Horusbeelden van Hadrianus niet meer de type teruggeven
van een bepaald ras; hetgeen de oude Egyptenaars, zelfs onbewust,
wel deden. Het zijn dus niet veelmeer dan poppen, fraai bewerkt
somwijlen, zonder twijfel, maar wier waarde toch eigenlijk afhankelijk
is van de kostbaarheid der stof en de moeilijkheden van uitvoering,
die de kunstenaar te overwinnen had. Eigenlijk behooren zij tot de
rubriek der voorwerpen van de industriëele kunst, de dienares van
mode en smaak, wier werken met deze voorbijgaan. Maar hebben wij,
bij een blik op onze eigene kunstwerken, wel het recht zoo laag op
deze pastiches neer te zien?
Na een vluchtig bezoek aan het egyptische museum, waar wij de
overblijfselen voor ons hebben eener kunst, ten deele ouder dan
de geschreven overleveringen en historische berichten, willen
wij een blik werpen op de monumenten der etrurische kunst, weinig
minder merkwaardig. Ook dit volk der Etruriërs of Etrusken is voor
ons--eigenlijk nog veelmeer dan de Egyptenaars--in ondoordringbaar
duister gehuld. Wij weten weinig van zijne herkomst, vermoedelijk
uit aziatisch Griekenland; bijna niets van zijne geschiedenis,
dan alleen waar zij in aanraking komt met die der Romeinen, die
de Etrusken onderwierpen; niets van hunne taal, waarvan ons geen
andere gedenkstukken zijn overgebleven, dan enkele kleine, nog niet
ontcijferde opschriften. Alleen weten wij dat de Etrusken, voor de
historische tijden, in het tegenwoordige Toskane en een deel van
het oude Latium waren gevestigd; dat zij een betrekkelijk hoogen
trap van beschaving, blijkbaar door grieksche invloeden beheerscht,
moeten hebben bereikt; en dat hunne kunst ook bij de Romeinen in eere
is gebleven, tot zij door de hoogere grieksche verdrongen werd.
Op onzen weg van het egyptische naar het etrurische museum kunnen wij
reeds een blik werpen op de grieksche wereld, hier zoo schitterend
vertegenwoordigd. Hoe gehaast ge ook zijn moogt, het zal u wel
onmogelijk wezen niet eenige oogenblikken te toeven in eene zaal, die
als het ware een vestibule vormt, aan bijna alle kanten open is; en
met een prachtige driedubbele trap prijkt, die naar de bovengalerijen
voert. Naar welke zijde ge hier uwe blikken richt, overal schemeren u
wonderen tegen. Maar ik dien u wel eene meer volledige beschrijving
van deze zaal--bij uitnemendheid schoon onder de vele verwonderlijk
schoone zalen van het vatikaan--te geven.
De zaal heeft den vorm van een grieksch kruis, waaraan zij ook haar
naam ontleend: het is een dier meesterstukken van bouwkunst, zooals
de achttiende eeuw ze bijwijlen wist te scheppen, en die volkomen
beantwoorden aan de voorstelling, die wij ons van de antieke paleizen
vormen. De veelkleurige mozaïek in het midden; de kolommen van koralijn
en groen porfier, die het gewelf en de zijwanden der marmeren trappen
dragen; de bas-reliefs ter wederzijde van den middelsten boog; de groen
granieten vaas op den architraaf, die de hoogere gewelven zoo goed doet
uitkomen; de eenvoudig smaakvolle versiering van de fries; de sphinxen
aan den voet der trappen; die gelukkige verdeeling en inrichting, die
u vergunt, onder verschillend licht, drie verdiepingen wedijverende
in pracht met een enkelen blik te omvatten; die veelkleurige, met
zoo juisten takt aangebrachte marmers; de wondervolle harmonie en
rustige beweging van het geheel, waar alle deelen samenstemmen: dit
alles maakt een onbeschrijfelijken indruk. Ge kunt u hier inderdaad
in eene klassieke godenwoning, een voorhof van den Olympus, denken:
en het zou u bijna niet verwonderen, indien eene of andere grieksche
gestalte, een Alcibiades of eene Phryne, u tegentrad. Dit uitnemend
kunststuk werd onder Pius VI, door Camporese en Simonetti gebouwd.
Na hier onze oogen verkwikt te hebben, bestijgen wij de trappen,
die naar het etrurisch museum, mede eene schepping van paus Gregorius
XVI, voeren.
Deze verzameling is misschien nog wel zoo merkwaardig als de
egyptische. De etrurische kunst, wier oorsprong en ontwikkeling zich
in den nacht der tijden verliest, heeft slechts eene verwijderde
verwantschap met de kunst van het oude Egypte. Voor deze etruskische
scheppingen staat ge niet in stomme verbazing als voor een onbegrepen
raadsel, stil, zooals voor de beelden van Thebe en Memphis; men heeft
hier niet meer te doen met goden en menschen van een ander geslacht,
die ons altijd vreemd blijven, en in hunne strenge afgeslotenheid,
als met zeker medelijden, op ons schijnen neer te zien. De Etrusken,
uit Azië afkomstig en op italiaanschen bodem overgeplant, staan
ons nader; de beweging, de uitdrukking waarnaar hunne kunstenaars
streven, zijn aan onzen eigen smaak, aan ons eigen begrip van kunst,
verwant; de onderscheidene gelaatstrekken zijn voor ons begrijpelijk:
wij herkennen daarin onze eigene gemoedsbewegingen en aandoeningen.
De opgravingen hebben eene menigte voorwerpen aan het licht gebracht,
die in het gewone dagelijksche leven werden gebruikt: daardoor is dit
museum voor onze kennis der Etrusken ongeveer van dezelfde beteekenis,
als het pompeïsche museum te Napels voor die der romeinen uit de
eerste eeuw. In de kleinere beeldhouwwerken, zooals bas-reliefs,
bronzen, voorwerpen van terracotta, lijkbussen en dergelijke,
schijnt mij de eisch der ideale schoonheid ondergeschikt te zijn
gemaakt aan de uitdrukking van het gelaat, aan de uiting van zekere
gedachte, evenals wij dit in de middeleeuwsche kunst opmerken; bij
de versiering der vazen schijnt men zich daarentegen meer te hebben
toegelegd op het heroïsche in den stijl, altijd met behoud van eene
zuiver opgevatte en weergegeven handeling. Dit eigenaardig karakter
valt vooral in het oog, wanneer zooals hier is geschied, etrurische
vazen naast grieksche ten toon worden gesteld.
De inscripties onder de beelden zijn, zooals ik zeide, tot dusver
nog niet ontcijferd. Daar ook de catalogus van dit museum nog niet
verschenen is, zullen wij ons bepalen tot eene vluchtige aanteekening
omtrent sommige voorwerpen, die meer bijzonder mijne belangstelling
hebben opgewekt.
Reeds dadelijk bij het binnentreden in de galerij wordt uwe
opmerkzaamheid getrokken door vier groote sarkophagen, waarvan twee uit
steen zijn gehouwen. Op het deksel van de eene tombe ligt het beeld
van den doode, door zijne vrouw en kinderen omgeven; het bas-relief
langs den wand verbeeld een menschenoffer. Op den tweeden sarkophaag
rust een priester, door de teekenen zijner waardigheid omringd. De
beide anderen, van gebakken aarde (terracotta) vervaardigd, prijken
insgelijks met liggende figuren. Door den stijl, door de schikking,
maar vooral door den omtrek der beelden, herinneren deze monumenten
aan de kunstwerken der middeleeuwen; men zou bijna denken, dat,
in het midden der twaalfde eeuw, de bewoners van Chiusi, Arezzo,
Cornetto en de zuidelijk gelegen streken, plotseling de traditie
der Grieken en Romeinen ter zijde zettende, als bij instinkt, de
oud-vaderlandsche etruskische kunst tot hun model hebben gekozen. De
borstbeelden boeien u vooral door de uitdrukking van het gelaat,
ik herinner mij er met name twee van terracotta, die men bijna voor
de portretten van blond engelsche _misses_ zou aanzien. Zie ginds
dat bronzen standbeeld te Todi opgegraven; doet die krijgsman,
met zijn gevleugelden helmkam en zijn borstharnas, met zijne fiere
houding en gebiedenden blik u niet denken aan een of anderen baron
of kruisridder? De beelden van goden en genieën dragen daarentegen
een zoo echt oostersch karakter, dat ge in uwe verbeelding plotseling
naar het hart van Indië wordt teruggevoerd. Vergeet vooral gindsche
_Biga_ niet, een op twee wielen rustenden wagen, van hout met koper
overtrokken; de as der wielen is met baviaankoppen versierd. Zulk
een antiquiteit is niet alleen zeer merkwaardig, maar ook uiterst
zeldzaam. Deze wagen, waaraan zelfs de dissel niet ontbreekt, is
ongeschonden opgedolven.--Voortdurend treft ons, bij het beschouwen
der monumenten van etruskische kunst, dat eigenaardig karakter van
oorspronkelijkheid gepaard aan eene groote mate van ontvankelijkheid
voor vreemde invloeden. Staat in de oudste perioden deze kunst meer
onder den invloed van de oostersche, met name van de egyptische, in
later tijdvakken is de heerschappij van het grieksche kunstideaal, in
zijne verschillende ontwikkelingen, onmiskenbaar: in die mate zelfs,
dat vele echt etruskische werken herhaaldelijk voor grieksch zijn
aangezien. En toch blijft er, ondanks die zeer zichtbare navolging,
in deze kunstscheppingen iets eigenaardigs, iets oorspronkelijks, dat,
uit een zuiver esthetisch oogpunt, hare waarde dikwerf niet verhoogt,
maar haar daarentegen dubbel merkwaardig maakt als openbaringen van
den eigenlijken geest van dit volk, welks geschiedenis en leven nog,
in zoo menig opzicht, voor ons in duister is gehuld.
Dit museum is rijk aan allerlei huisraad en voorwerpen van dagelijksch
gebruik: zetels, bedden, spiegels, vazen, wapenen, potten, komfooren
en gereedschap van allerlei aard. De opgravingen van Cerae, van
Tarquiniës, van Volsci, van Bolsena, hebben boven verwachting een
rijken oogst opgeleverd: te beginnen met de wel leesbare, maar in
eene onbekende taal vervatte opschriften, tot de schoonste vazen
uit het oudste tijdperk der etruskische kunst. Te Cerea heeft
men in eene enkele grafkamer behalve aardewerk en een volledig
stel keukengereedschap, ook al de sieraden van eene waarschijnlijk
aanzienlijke familie gevonden: eene vondst, waaraan in den jongsten
tijd, het ontstaan der mode van etrurische sieraden is te danken. Om
den bezoeker een zoo volledig mogelijk denkbeeld van deze grafkamers
te geven, heeft men hier, in het museum, de grafkamer van Cerae
nagebootst. De juweelen en sieraden zijn in groote glazen kasten
geplaatst, die beweegbaar zijn, en die ge zoo kunt draaien, dat ge
alles onder een behoorlijk licht zien kunt. Eene zoo doelmatige
inrichting zoekt men tot dusver, buiten de vatikaansche museums,
vergeefs: hier is alles in de eerste plaats berekend voor het genoegen
van den bezoeker, om een aangenamen, bevredigenden indruk te weeg te
brengen; elders moeten dergelijke overwegingen in den regel wijken
voor de onverbiddelijke eischen van eene of andere wetenschappelijke
classificatie, indien al de voorwerpen niet, als in een winkel, op
elkander zijn getast en door de opeenhooping zelve onzichtbaar worden.