IV.

Nu ik gereed sta, verder te gaan, gevoel ik steeds meer de zwaarte

van de taak, die ik op mij genomen heb, toen ik u uitnoodigde mij te

volgen naar het vatikaan. Was het niet al te vermetel, mij zelf de rol

van gids toe te bedeelen? Doch nu ik eenmaal die taak op mij genomen

heb, mag ik niet teruggaan: wat mij aan krachten ontbreekt, moge de

liefde voor mijn onderwerp zooveel mogelijk vergoeden!--Hoe meer ik

het vatikaan bezocht, des te beter kon ik begrijpen, dat bijna alle

mijne voorgangers er voor waren teruggedeinsd, om hunne lezers door

dezen onmetelijken doolhof rond te leiden, en hen bekend te maken met

al de schatten, hier in den loop der eeuwen bijeengebracht. Eer wij

den tooverkring der oude wereld binnentreden, waarvan wij niet zoo

spoedig kunnen scheiden, noodig ik u uit, nog een uitstapje te maken

naar eene kleine verzameling van schilderstukken, weinig in aantal,

maar bijna allen meesterstukken.

Deze galerij, in het jaar 1857 uit de appartementen Borgia naar de

bovenverdieping der loges overgebracht, bestaat uit niet veelmeer

dan omstreeks veertig stukken, maar allen van de grootste meesters

afkomstig.

Pius VII, die haar aanlegde, liet daar in 1816 de schilderijen

plaatsen, die door de franschen waren geroofd en na den val van het

keizerrijk weder werden teruggenomen; de opvolgende pausen hebben

deze verzameling eenigermate uitgebreid; meer dan eene parel dankt

zij aan de milddadigheid van Pius IX. Wij mogen deze galerij niet

met stilzwijgen voorbijgaan, zij verdient alleszins de aandacht,

niet enkel om de waarde der schilderstukken die zij bevat, maar ook

om hare beteekenis uit een historisch en archaeologisch oogpunt,

wat de studie van het kostuum en dergelijke aangaat. In de eerste

der vier zalen hangen slechts stukken van kleiner afmeting;

Raphaël, Beato Angelico, Leonard da Vinci, Garofalo; Crivelli,

Mantegna, Perugino, schitteren in deze zaal, waar, nevens hunne

fijne en zorgvuldig uitgewerkte paneeltjes, drie heerlijke doeken

van Murillo een zeer eigenaardigen indruk maken. Deze twee kleine

schilderijtjes, tooneelen uit het leven van Sint-Nicolaas van Bari,

bisschop van Myrra, zijn van de hand van fra Angelico, den engel van

Fiesole; ook zij werden mede naar Frankrijk gevoerd, en in den Louvre

opgehangen, waar ze waarschijnlijk louter als curiositeiten uit een

half-barbaarschen tijd werden beschouwd.--De fraaie predella der

_Wonderen van Sint-Hyacinthus_, vol van rijke kostumes, van sierlijke

gebouwen, van leven en beweging, wordt gezegd afkomstig te zijn

van Benozzo Gozzoli, den leerling van fra Angelico; het komt mij

waarschijnlijker voor, dat het stuk vervaardigd is door Francesco

di Giorgio, een bij ons onbekend schilder uit de school van Siëna,

die in 1524 stierf, en van wien men te Siëna nog enkele stukken

ziet.--Zie hier een _dooden Christus_ van Crivelli, den Venetiaan

uit de middeleeuwen; ook hij reeds uitmuntende door zijn koloriet,

maar te zeer op beweging gesteld in een tijd, toen men te Venetië nog

niet goed kon teekenen.--Welk een onderscheid tusschen deze naïeve

voorstellingen, waar de diep gevoelde uitdrukking dikwerf zondigt

door overdrijving, en deze _grisailles_, zoo zuiver van stijl, zoo

vol bevalligheid, waarin Raphaël de christelijke deugden symbolisch

heeft afgebeeld; deze meesterstukjes zijn door de gravure tamelijk

algemeen bekend. Vergeten wij ook niet, in deze zaal een oogenblik

te toeven voor een _Sint-Hieronymus_, niet meer dan eene vluchtige

schets, maar van de hand van Leonard da Vinci, wiens werk ge zoo

zelden het geluk hebt te zien. Omtrent deze schilderij verhaalt men

eene zonderlinge anecdote. De kardinaal Fesch, de oom van Napoleon I,

zou de onderste helft van dit paneel, dat blijkbaar in twee stukken

is gebroken, onder een hoop oude vodden hebben gevonden. Eenige

jaren later ontdekte hij toevallig de wederhelft van het paneel,

waarop het hoofd en het bovenlijf waren geteekend: de schoenmaker

van den kardinaal had die plank onder aan een zitbankje gespijkerd;

de beide stukken pasten juist op elkander.

Wij gaan een paar doeken voorbij, waarop wij nader terugkomen en

spoeden ons naar de derde zaal, waar onze aandacht wel in de eerste

plaats getrokken wordt door een prachtig portret van Titiaan, een doge

voorstellende. Vlak daarbij hangt een ander voortreffelijk stuk, dat

in der tijd mede naar Parijs werd gevoerd en in 1816 teruggegeven: de

_Opstanding_, van Perugino. In den jongsten der wachthoudende soldaten,

die bij het graf in slaap zijn gevallen, herkent ge het portret van

den jeugdigen Raphaël, 's meesters leerling: eene bijzonderheid, die,

ten onrechte trouwens, tot het vermoeden aanleiding heeft gegeven,

dat Raphaël zelf aan deze schilderij had medegearbeid. Het stuk is,

in meer dan een opzicht, zeer belangwekkend. Een der soldaten die

getuigen zijn van de Verrijzenis des Heeren, stelt den schilder zelf

voor: merkwaardig is de uitdrukking van dat strakke, onheilspellende

gelaat, van den duisteren, wantrouwenden blik, onafgewend op den

zegepralenden Christus gericht: uit die trekken, uit dien blik spreekt

twijfel, bijkans een verwijt.... Men weet, dat de groote kunstenaar,

na den droevigen dood van zijn vriend Savonarola, tot eene sombere

twijfelmoedigheid, welhaast tot een soort van stomme wanhoop verviel.

De nauwe verwantschap van Raphaël, bepaaldelijk in het begin zijner

loopbaan, met zijn leermeester, blijkt treffend in de _Kroning der

Madonna_, die Raphaël, in 1592, voor de Benediktijnen van Perugia

schilderde. Het is een Perugino, maar zonder dorheid; het is dezelfde

naïeveteit, maar hier veredeld door een instinktmatig gevoel voor

stijl; reeds in dit jongelingswerk herkent gij een streven, dat hooger

reikt dan waarvan Perugino zich bewust was. Dit neemt niet weg, dat

de schilderij van dezen laatste, de _heilige maagd op den troon_

omringd door vier biddende heiligen, met meer recht aanspraak mag

maken op den naam van meesterstuk: hier ziet ge voor u het werk van

den tot rijpheid gekomen man, die over alle hem ten dienste staande

middelen beschikt, om zijne gedachte volledig weer te geven. Dit

stuk, een der beste werken van Perugino, is misschien het schoonste

en volkomenste gewrocht der kunst, vóór het schitterend tijdvak van

de twee groote meesters der Renaissance.

Hoe triviaal schijnt, nevens deze naïeve mystieke scheppingen, die

_Piëta_ van Caravaggio; hoe koud en dood en onharmonisch van kleur,

die _marteldood van Sint Erasmus_, een van de kolossale vergissingen

van Poussin, wiens talent wel het minst voor de behandeling van

dergelijke onderwerpen geschikt was.--Merkwaardig, vooral uit

een historisch oogpunt, is de fresko van Melozzo van Forli, die

door Leo XII uit de bibliotheek naar de loges en vervolgens van

den muur op doek werd overgebracht. Het stuk stelt Sixtus IV voor,

zijn bibliothekaris platina ontvangende; het geeft ons de origineele

portretten van Girolamo Riario, heer van Porli van Jan De la Rovère,

van Bartolommeo Sacchi, bijgenaamd Platina, den schrijver van de

_Geschiedenis der Pausen_; van paus Sixtus IV, en van diens beide

neven, de kardinalen Pieter Riario en Juliaan De la Rovère: de eerste

bekend wegens zijne verkwistende levenswijze en jong gestorven; de

tweede, beroemd als paus Julius II. Deze figuren zijn met meesterhand

geteekend; ge herkent daarin het talent van een kunstenaar, dien

Raphaël Maffei een eerste plaats onder de portretschilders van zijn

tijd toekende. Wij mogen dus op de gelijkenis vertrouwen: en dan is

het inderdaad treffend, dit portret van Julius II te vergelijken

met latere. Hier zien wij een slank jonkman voor ons, bruinachtig

van kleur, eenigszins schuw en zedig van voorkomen; de uitdrukking

van zijn gansch niet onbevallig gelaat teekent verstand en vernuft;

Juliaan De la Rovère is hier voorgesteld zonder knevel of baard. Als

men deze beeltenis vergelijkt met het portret van paus Julius II door

Raphaël, waarvan het oorspronkelijke zich te Londen bevindt en eene

kopie in het paleis Pitti hangt, wordt men onwillekeurig getroffen door

de zeldzame verandering, die de ouderdom en de zorgen der regeering

in het gelaat van dezen krijgshaftigen opperpriester hebben gewrocht.

Met opzet heb ik tot dusver gezwegen van twee schilderijen, die,

naar het zeggen van alle cicerones en ook naar het oordeel van

zoovele kunstrechters, de kroon spannen boven alle anderen, en den

hoogsten roem van dit uitnemend museum uitmaken: de _Transfiguratie_

van Raphaël, en de _Communie van Sint-Hieronymus_ van Domenichino. Deze

beide schilderijen zijn tegenover elkander in dezelfde zaal geplaatst,

waar zich, op den achtergrond, ook nog een derde stuk bevindt,

de _Madonna van Foligno,_ mede van Raphaël, dat echter door de

meeste toeristen ternauwernood werd opgemerkt. En toch staat deze

Madonna, in hare aanbiddelijke reinheid, hare ideale naïeviteit, haar

onbeschrijfelijk teeder-harmonisch koloriet, naar mijne schatting

zeerveel hooger dan de zoo wijd beroemde Verheerlijking op den berg.

Buiten twijfel is de Transfiguratie eene voortreffelijke schilderij,

rijk aan overschoone détails, die de meesterhand verraden;--de

opmerking heeft eigenlijk geen pas, waar het een werk van Raphaël

geldt. Maar hoe menigmalen ik dit stuk ook heb gezien en bestudeerd,

steeds heeft het mij onbevredigd gelaten. Dit is wel in de eerste

plaats het gevolg van de samenkoppeling in eene zelfde schilderij van

twee episoden, die met elkander in geen verband staan. Het bovenste

gedeelte is geheel gedacht en uitgevoerd in dien mystieken, idealen

zin, dien Raphaël van de oude florentijnsche school had overgeërfd,

en die in hem zelf zijn hoogste en volkomenste uitdrukking vond. Die,

te midden der hemelsche heerlijkheid, in een lichtgloed zwevende figuur

van Christus, ter wederzijde omgeven door de bovenaardsche beelden

van Mozes en Elia; de apostelen, verzonken in de aanschouwing van

huns Heeren heerlijkheid; die knielende figuren van Sint-Laurens,

en Sint-Juliaan, de beschermheiligen van den kardinaal Giulio de

Medicis (later paus Clemens VII); voor wien Raphaël deze schilderij

vervaardigde: deze geheele voorstelling verplaatst u zoo volkomen in

eene hoogere ideale wereld, dat het u bijkans te moede is als zaagt

ge plotseling een der verheven visioenen van Dante in lichamelijke

werkelijkheid voor u.--Maar nu, daar vlak onder, aan den voet des

bergs waarop de hemel is nedergedaald, aanschouwt ge een gansch

ander tooneel: een groep mannen en vrouwen rondom een knaap, aan

heftige stuiptrekkingen ten prooi. Het is het bekende verhaal van den

bezeten knaap, dien de apostelen niet konden genezen. Nu is reeds, naar

mijne bescheiden meening, de samenvoeging, de nevens of liever boven

elkander plaatsing van twee zoo gansch verschillende voorstellingen

een kwalijk te verdedigen waagstuk, waardoor de eenheid van het

kunstwerk noodzakelijk moet verloren gaan. Doch het contrast wordt

hier nog scherper, omdat dit gedeelte der schilderij--na Raphaëls

dood door Giulio Romano afgewerkt--in een geheel anderen geest,

onder den invloed van geheel andere denkbeelden, is geschilderd. Niet

enkel verraadt zich in de teekening der figuren en in het koloriet

een realisme, dat hemelsbreed verschilt van de ideale opvatting der

eigenlijke Transfiguratie: maar er is iets ergers. In dit aardsche

gedeelte der schilderij geen spoor van dat verheven, naïeve gevoel,

dat zich alleen om de voorstelling zelf, om de uitdrukking bekommert,

en niet denkt aan de toeschouwers, aan het publiek. Integendeel, dit

geheele tooneel is blijkbaar aangelegd voor de toeschouwers; het is

gearrangeerd en in de eerste plaats op effect berekend. Ge bewondert

zonder twijfel het talent van Raphaël, zijn volkomen meesterschap

over de techniek der kunst: maar zijn ideaal dichterlijk gemoed,

zijne hooge ziel spreekt hier niet meer tot u. De sterksprekende,

welhaast melodramatische houdingen en standen en groepeeringen van al

deze figuren zijn opzettelijk aldus gekomen om indruk op u te maken;

al deze personen vervullen eene bijzondere rol, als de beelden in een

kunstig gerangschikt _tableau vivant_. Deze methode zal steeds meer en

meer de heerschende worden, en de andere, de naïeve, geheel verdringen;

de schilders der latere eeuwen zullen altijd in de eerste plaats

vragen, welk effect hun schilderij zal maken: en de kunst zal daarbij

die roerend teedere maagdelijkheid, die argelooze onbevangenheid

(vergeef het eenigszins vreemde woord; schreef ik voor Duitschers, ik

zou zeggen, _Unmittelbarkeit_) inboeten, die haar in vroeger eeuwen

eigen was. Maar bij Raphaël is men dit niet gewoon; en de bovenste

helft der schilderij is ook daarvan geheel vrij. Juist dit is het

stuitende in dit kunstwerk, dat eene mystiek-middeleeuwsche en eene

modern-realistische schilderij in hetzelfde kader zijn samengevoegd:

twee elementen, die elkander uitsluiten. Ter verklaring van deze

anomalie heeft men gewezen op de omstandigheid, dat de kardinaal

Giulio de Medicis, tegelijk met de Transfiguratie aan Raphaël, aan

Sebastiaan del Piombo een ander werk had opgedragen, de Opwekking

van Lazarus. Sebastiaan del Piombo nu was de beschermeling van Michel

Angelo, onder wiens leiding en in wiens geest hij arbeidde. Raphaël,

wel wetende wie zijn eigenlijke mededinger zou zijn, heeft nu naar

men meent, de eene helft zijner schilderij opzettelijk in dien zin

opgevat en uitgewerkt, om daardoor te toonen dat hij, ook op diens

eigen terrein, met Michel Angelo kon wedijveren. De gissing is

misschien gegrond, maar is toch eigenlijk geene verontschuldiging.

Dezelfde kunstrechters, die de _Transfiguratie_ als het beste

werk van Raphaël en de volmaaktste schilderij ter wereld hebben

geprezen, zijn ook onuitputtelijk geweest in den lof der _Communie

van Sint-Hieronymus_, het eenige stuk, dat, huns erachtens, met de

Verheerlijking vergelijkbaar was. Toch is deze reputatie, uit het

oogpunt der hoogste kunst, en voor wie vrij van vooroordeelen en

gemaakte traditiën oordeelt, niet gerechtvaardigd. Deze schilderij

mist leven, en laat u koel. Hare voornaamste bekoorlijkheid ontleent

zij aan haar schitterend koloriet, aan het prachtig schoone landschap,

dat den achtergrond uitmaakt. Maar hoe jammerlijk is de hoofdpersoon

mislukt! Dat blauwachtig vale lichaam van den stervende, niet zuiver

geteekend, met die kenteekenen van een conventioneelen ouderdom;

dat gelaat zonder uitdrukking en zonder aureool, waarop zelfs geen

schijn van bewustheid is te vinden van de heilige handeling die

voltrokken wordt, en evenmin in den adel der lijnen, een spoor van

hetgeen Sint-Hieronymus eenmaal was; de goedhartige, welmeenend vrome

uitdrukking op het gelaat van Sint-Ephrem, die met het sakrament

komt aandragen, als een ziekenoppasser met een drankje; die Arabier,

zoo koud en onverschillig, die, naar men zegt, het Oosten moet

voorstellen:--met één woord en om alles te zeggen, dit volstrekte gemis

van aandoening, van overtuiging, van waarachtig geloof in de gewijde

mysteriën, aan wier voorstelling men zich waagt:--dit alles laat u,

zoodra ge eenmaal den theatralen indruk der schitterende verschijning

overwonnen hebt, onverschillig en koel. Welk een onmetelijk verschil

tusschen stukken als dit, zoo blijkbaar vervaardigd zonder dat

het onderwerp zelf voor den kunstenaar eenige andere beteekenis

dan eene zuiver aesthethische had;--en de zielvolle, roerende,

mystieke scheppingen van een fra Angelico, gebeden in lijnen en

kleuren, lofzangen op doek of paneel! In waarheid, ware mij uit de

drie stukken dezer zaal de keuze gegeven: zonder aarzelen koos ik

die heerlijke Madonna van Foligno, de aanbiddelijke Moeder-maagd,

spelende met haar goddelijk Kind.

Het Vatikaan De Aarde en haar Volken, 1873 · 第 4 / 9 题