De vatikaansche museums zijn zoo groot en zoo uitgestrekt, dat, zoo
ge niet in dien reusachtigen doolhof wilt verdwalen, het alleszins
wenschelijk is, bij uw bezoek met methode te werk te gaan, en niet in
het binnenste heiligdom den voet te zetten, voor ge u als het ware met
de voorhoven hebt vertrouwd gemaakt. Wij zullen een begin maken met
de LIBRERIA VATICANE.--Eene breede, ruime zaal, haast aan het schip
eener kerk gelijk, en midden in eene lange dwarsgalerij uitkomende,
werd op last van Sixtus V, door Dominico Pontana ingericht voor
de plaatsing van manuscripten; sedert 1840 is in de aangrenzende
vertrekken Borgia een groot gedeelte der gedrukte boeken geplaatst,
wier aantal tegenwoordig ruim honderd duizend-vijfhonderd bedraagt.
De vatikaansche bibliotheek munt boven alle anderen uit door het
groote aantal en de kostbaarheid harer handschriften: zij bezit er
niet minder dan vijf-en-twintig-duizend vijfhonderd-zeven-en-zeventig,
waarvan sommigen tot de vijfde eeuw opklimmen. Alle eeuwen, alle
beschaafde en half-beschaafde volken van Europa en Azië hebben hunne
bijdragen geleverd tot verrijking van dezen schat. Het is jammer, dat
Plinius ons geen inventaris heeft nagelaten van de eerste bibliotheek
van het oude Rome, die door Asinius Pollio werd gesticht: wij zouden
anders in de gelegenheid zijn, zeer leerrijke vergelijkingen te maken.
De inrichting is niet alleen grootsch en indrukwekkend, maar de aanblik
dezer zalen is betooverend: hier heerscht eene ideale pracht, waarvan
ge u moeilijk een denkbeeld maken kunt. Op het eerste gezicht zoudt
ge niet meenen in eene bibliotheek te zijn. Terwijl elders de boeken,
rij aan rij geschaard, u van alle zijden aanstaren, als wilden zij u
recht doen gevoelen hoe hopeloos een pogen het is, dezen oceaan van
letters te doorwaden, en hoe dwaas, nog maar steeds nieuwe boeken
te schrijven, alsof er nog niet genoeg waren:--bespeurt ge in de
vatikaansche _Libreria_ geen enkel boek, geen enkel manuscript. Al
deze schatten zijn zorgvuldig weggeborgen in gesloten kasten,
rijk verguld en met fantastische kleurenpracht beschilderd: een
feest voor de oogen. Daar worden de negenduizend handschriften van
Nicolaas V bewaard, en de rijke schatten, sedert daaraan toegevoegd,
als: de collectie van den geleerden Fulvio Orsini, die in zijn jeugd
liep te bedelen, en bij zijn dood een prachtig kabinet naliet; de
verzamelingen der Benedictijnen van Bobbio, zoo rijk aan palimpsesten;
die van het slot te Heidelherg, weleer door den keurvorst Maximiliaan
van Beijeren, het hoofd der katholieke ligue tijdens den dertigjarigen
oorlog, geroofd en sedert naar Rome gezonden; de collectiën uit de
boekerij der hertogen van Urbino, door Guid' Ubaldo de Montefeltro
bijeengebracht; de kostbare boekverzameling van koningin Christina
van Zweden; de _Libreria_ der Ottoboni, aangelegd door den ouden paus
Alexander VIII, die zijn onstuimigen ijver om zijne bloedverwanten te
verrijken, verontschuldigde met een beroep op zijn hoogen leeftijd,
zeggende: _"Son' già le venti-tre e mezzo"_; de collectie Capponi,
in 1746 aan de vatikaansche bibliotheek vermaakt door den markies
Alexander, die, in zijne hoedanigheid van _Foriere maggiore_, door
Clemens XII werd belast met de inrichting van het kapitolijnsche
museum; het rijke kabinet van den kardinaal Zelada; eindelijk de
grieksche manuscripten van het klooster Grotta-Ferrata, en die van
den kardinaal Maï, door Pius IX aangekocht.--Er zijn hier achttien
handschriften in het slavisch; tien, die uit China afkomstig zijn,
twee-en-twintig uit Indië, dertien uit Armenië, twee uit het land der
oude Iberiërs; tachtig in het koptisch, en een in het samaritaansch;
voorts een-en-zeventig uit Ethiopië, vijfhonderd-negentig van
hebreeuwschen oorsprong, en vierhonderd-negen-en-vijftig van syrischen
oorsprong; vier-en-zestig uit Turkije, zevenhonderd-zeven-en-tachtig
uit Arabië, en vijf-en-zestig uit Perzië, versierd met keurig
uitgevoerde miniaturen, waarin ge de fantastische figuren der
oostersche tooversprookjes, op hunne zwarte arabische paarden gezeten,
omfladderd door hun met goud gestikt zwierend gewaad, als in een droom,
voorbij ziet zweven.
Indien ge zoo gelukkig zijt vermogende voorspraak te hebben, dan zullen
nog andere schatten voor u aan het licht worden gebracht: de _Bijbel_
van den heiligen Gregorius den Groote, het romeinsche handschrift
van Terentius, en de oude palimpsest, waarop de kardinaal Angelo Maï
onuitgegeven fragmenten heeft ontcijferd van Cicero's redevoeringen
_Pro Scauro_, _In Clodium_, _Pro Flacco_, en van zijne verhandeling _De
Republica_, welke fragmenten hij in 1814 en 1822 heeft uitgegeven. Den
beroemden _Codex Vaticanus_, dat overoude handschrift der Evangeliën,
krijgt ge niet te zien; ge weet, dat zelfs de geleerde prefect der
Libreria niet dan met groote moeite de vergunning kon verwerven,
dezen kostbaren Codex te commentariëeren;--maar, onder de minder oude
_codici_ zult ge er toch nog genoeg vinden, die uwe aandacht trekken,
en die men u zonder bezwaar in handen geeft. Ziehier bij voorbeeld:
"DE HANDHAVING DER ZEVEN SACRAMENTEN _tegen Maarten Luther, door
den onoverwinnelijken Koning van Engeland en Frankrijk en Heer van
Ierland, Hendrik, de achtste van dien naam."_ Dit in het latijn
geschreven boek, dat in 1521 bij Pynson te Londen gedrukt werd,
heeft op de laatste bladzijde de volgende opdracht aan den paus,
door Hendrik VIII eigenhandig geschreven: _"Anglorum rex Henricus
Leoni Xo_, mittit hoc opus ad fideï testem et amicitae." De tegen
Luther gerichte _Assertio_ vewierf dezen strijder voor de katholieke
eenheid den titel van _Defensor fidei_, Verdediger des geloofs: een
titel, hem door den paus geschonken, en sedert door de schismatieke
souvereinen van Groot-Brittanje, door Hendrik VIII zelf in de eerste
plaats, als wapen tegen den paus gebruikt. Alle volgende koningen
van Engeland hebben--dwaas genoeg--tot heden dien titel, die toch
geen zin meer heeft, gevoerd.
Zal ik melding maken van de handschriften met miniaturen: van
de _Homeliën van Sint-Gregorius_, de _Dogmatica panoplia_, den
_Monoloog van Basilius II_ (elfde eeuw); van het _Boek van Josua_
(zevende eeuw); van den _Dante_, het _Missaal_ van Matthias Corvinus,
koning van Bohemen en Hongarije, meesterstukken uit de vijftiende eeuw;
van de overheerlijke pauselijke _Antiphonariën_, door de uitnemendste
geniën der onvergelijkelijke, diepzinnig-mystische school van Umbrië
geïllustreerd; van het _Jachtboek_ van keizer Frederik II; van den
_Virgilius_ uit de twaalfde eeuw, den _Terentius_ uit de negende;
van nog een anderen _Virgilius_, naar men zegt uit den tijd van paus
Pelagius.... Maar een boekdeel ware te vullen met de enkele opnoeming
dezer ongeëvenaarde kunstschatten, dezer historische schatten, hier
in zoo kwistigen overvloed bijeenverzameld.
Nog veel minder waag ik mij aan ook maar eene bloote vermelding van
het vatikaansche archief, in afzonderlijke zalen bewaard. Als men
zich ook slechts een enkel oogenblik voor den geest roept, welke
rol het pauselijk hof in Europa heeft gespeeld, en hoe, eeuwen en
eeuwen achtereen, alle draden van de geschiedenis der halve wereld
hier samenliepen:--dan zal men zich eenigermate kunnen voorstellen,
welke beteekenis deze archiven voor de geschiedenis, niet maar van
een of ander land of bijzonder tijdperk, maar voor de algemeene
geschiedenis der menschheid, hebben.
Doch al deze schatten, wier bewaking aan een gepurperden _Custode_ is
opgedragen, zijn uiterst moeilijk te genaken. In de bibliotheek is wel
eene kleine leeskamer, waar ge kopiïsten vindt voor zes verschillende
talen; maar deze zaal sluit om twaalf uren op den middag, en uithoofde
van de menigvuldige feesten, wordt zij stellig op honderd ochtenden
van het jaar niet ontsloten. Naar men zegt, bestaan er wel geschreven
catalogussen, maar ge krijgt die niet in handen, met uitzondering
van den inventaris der oostersche Codices, de eenige die tot dusver
gedrukt is. Eindelijk moet ge voor elk nieuw boek dat ge wenscht
te gebruiken, eene nieuwe vergunning hebben, en is die niet te
verkrijgen zonder tusschenkomst van een gezant. Ziedaar, voorwaar,
hinderpalen genoeg! En toch, daar blijft het nog niet bij. Eene met
eindeloos veel moeite verkregen vergunning wordt somwijlen, onder
het nietigste voorwendsel, eensklaps weder ingetrokken. Bovendien
kunt ge, zelfs met een vergunning gewapend, geen enkel manuscript
in handen krijgen, tenzij ge het met zijn nommer aanwijst: nu zijn,
van sommige afdeelingen, die nommers niet te vinden dan ten koste van
eindelooze en vervelende nasporingen in sommige oude en dikwijls nog
onvolledige compilatoren. Alles is er op aangelegd, om het gebruik
dezer bibliografische schatten zoogoed als onmogelijk te maken. Dit
is zeer kleingeestig en bekrompen; bovendien heeft deze onredelijke
gestrengheid dit nadeelig gevolg, dat daardoor eene gansche schaar
van geleerden en oudheidminnaars, die dit nutteloos begraven van
vijf-en-twintigduizend handschriften maar niet vergeven kunnen,
worden aangezet om mede hunne stem te voegen bij de vele stemmen der
aanklagers van de pauselijke regeering.
Maar zoo deze schatten hier als begraven zijn: het moet worden
toegegeven, dat men zich bezwaarlijk een prachtiger tombe
denken kan. Uit het bureau der afschrijvers treedt ge door eene
kleine ijzeren deur in de groote, onder Sixtus V gebouwde zaal:
en onwillekeurig verrast, staat ge een oogenblik als verbijsterd
stil. Daar ligt zij voor u, de reusachtige zaal, vijftig voeten breed,
en tweehonderd-twintig voet lang, in al hare wondervolle, fantastische
pracht: stralende van goud en kleuren, met schilderwerk overdekt,
schitterend versierd, prachtig gemeubeld. Zeven zware pilaren, met
kasten betimmerd, waarvan de paneelen met miniaturen zijn beschilderd,
deelen haar in twee schepen; op de lagere kasten langs de pilaren
prijkt eene collectie etrurische vazen. Viviani, Salviati van Florence,
Cesare di Nebbia, Salimbeni van Siëna, Guidotti, hebben de wanden,
de friezen, het gewelf der zalen met fraaie, levendig gekleurde, deels
zinrijke fresko's bedekt. Ge ziet hier, onder meer, eene gansche reeks
voorstellingen uit het leven van Sixtus V, den bouwheer dezer zaal;
tegen de pilaren zijn de afbeeldingen van de mythische uitvinders van
de verschillende alphabetten; op de kroonlijst boven ieder beeld zijn
de letterteekenen van het door hem uitgevonden alphabet aangebracht.
Aan het einde der zaal, waar zij zich aan de groote galerij aansluit,
staan twee kolossale, fraai bewerkte porseleinen kandelabres. Op
dit punt vooral is de aanblik van het geheel, van de rijke weelderig
versierde zaal achter u, en van de niet minder prachtige, in bonte
kleurenpracht stralende, geheel beschilderde galerij, die zich aan uwe
rechter- en linkerhand uitstrekt, inderdaad tooverachtig schoon. Ge
hebt moeite te gelooven, dat ge u in eene bibliotheek, en niet in
een of ander paleis uit de Duizend-en-eene-nacht bevindt.
Evenals op vele andere plaatsen, is ook hier de bibliotheek vereenigd
met een museum van zeldzaamheden en een kabinet van gesneden steenen,
cameeën en dergelijke kostbaarheden; maar terwijl elders, zooals ook te
Londen en te Parijs, deze verschillende zaken van elkander gescheiden
zijn, is hier alles in hetzelfde lokaal bijeen. Om echter de orde te
bewaren en verwarring te voorkomen, heeft men een eenvoudig middel
bedacht; in plaats van de zaal door houten beschotten te verdeelen en
het perspectief te bederven, heeft men de verschillende afdeelingen
door lage hekjes, zonder eenig versiersel, om de aandacht niet af
te leiden, afgescheiden; vrij en onbelemmerd dwaalt nu de blik,
langs de bibliotheek, aan de eene zijde tot in het kabinet, waar de
overblijfselen van de trireme van Tiberius worden bewaard, en aan de
andere tot in het museum van gewijde kunst.
In den rechtervleugel der groote galerij, wederom van boven tot
beneden met schilderwerk bedekt, vindt ge onder anderen, antieke
gebeeldhouwde zuilen van porfier; een antieke sarkophaag, in 1777
bij de Capeensche poort opgedolven, en waarin men het geheele kapsel
eener romeinsche dame gevonden heeft; eenige fraaie niëllo's in zilver:
de _Dood van Medusa_, de _Verslagen Titans_, wellicht van de hand van
Benvenuto Cellini; voorts eenige fijne mozaïeken uit de villa Adriana,
en vier beroemde borstbeelden: Nero, Balbinus, Septimius-Severus
en Octavius-Augustus, benevens een prachtige bronzen buste van een
jong meisje.
De linkervleugel brengt ons naar het museum van gewijde kunst, dat
zijn oorsprong dankt aan Benediktus XIV. Deze paus, de kostbare
verzameling gezien hebbende, met veel moeite en inspanning en na
jarenlangen arbeid, door Francesco Vettori bijeengebracht, kwam op den
gelukkigen inval om dien geleerde tot conservator van het vatikaansche
museum te benoemen. Toen de professor in 1770 stierf, liet hij zijne
verzameling natuurlijk aan het door hem beheerde museum na. Hij had
dus wel de eer verdiend, om, evenals de kardinalen-bibliothekarissen,
in buste te prijken op een der acht kasten, waarin zijne collectie
wordt bewaard: eene collectie, laatstelijk verrijkt door eene menigte
kleine voorwerpen, die in betrekking staan tot de christelijke
eeredienst der eerste eeuwen, en in zes groote platte glazen kasten,
op even zooveel tafels geplaatst, zijn ten toon gesteld. Men vindt
hier bisschopsringen, ivoren diptyken uit de achtste en negende eeuw;
lijkbussen; zoogenoemde _Lacrymae_, glazen flesschen, waarin, naar
men zegt, het bloed der martelaren werd bewaard; antieke lampen van
gebakken aarde, waarop de symbolen van het christelijk geloof zijn
afgebeeld; en een aantal kleine paneeltjes, even merkwaardig als
zeldzaam, van de mystieke meesters uit den byzantijnschen tijd. Deze
uitnemende verzameling sluit zich geleidelijk aan bij eene collectie
oude schilderstukken, door Gregorius XVI in eene der volgende
afdeelingen van de galerij bijeengebracht, en waar ge kostbare en
zeldzame werken vindt van Margariton d'Arezzo, van Cimabue, van Guido,
van Duccio van Siëna, van Giotto, van Massaccio, van Lorenzo Monaco
en van den eenigen Giovanni da Fiesole. Bij de keus dezer stukken is
men met groote zorgvuldigheid te werk gegaan: alleen wat zich door
werkelijke verdienste aanbeval, of uit een archaeologisch oogpunt
merkwaardig was, mocht hier eene plaats vinden.
Niet verre van daar is een kabinet, waar Pius VII de stempels van
gebakken aarde heeft doen rangschikken, die tijdens het romeinsche
rijk werden gebezigd om de pannen, de steenen en andere bouwmaterialen
te merken. De grondslag tot deze collectie werd gelegd door dien abt
Gaëtano Marini, die zoo ijverig de vatikaansche schatten tegen de
fransche roofzucht verdedigde, en die door Napoleon gedwongen werd
zijn verblijf in Frankrijk te vestigen, en daar de hand te leenen
tot het rangschikken van hetgeen uit het vatikaan was geroofd. Hij
stierf te Parijs, kort vóór den slag van Waterloo. De gedachte om eene
verzameling van zulke fabriekmerken aan te leggen, moest zeker in de
eerste plaats bij den oudheidkenner opkomen, die aan de beschrijving
van deze voorwerpen een gansch boekdeel heeft gewijd. Toch moet ge
niet, met een voornamen glimlach, de schouders ophalen, noch den
ijver geringschatten, dien de Paus tot uitbreiding en volmaking dezer
verzameling besteedde: deze stempels toch wijzen de juiste tijdperken
aan, waarop de thans in puin gestortte gebouwen zijn gesticht: eene
aanwijzing die te meer van belang is, daar de meeste antieke gebouwen
bij herhaling gedeeltelijk zijn gerestaureerd of herbouwd. In ditzelfde
kabinet bevinden zich ook enkele schilderijen, en daaronder een oud
portret van Karel den Groote, met een langen baard en de kroon op
het hoofd; men geeft u dit portret als echt: toch is dit ziellooze
gelaat met die starende oogen zeker niet ouder dan de twaalfde eeuw.
Het kabinet der papyrussen is een der rijksten: door den schitterenden
overvloed van porfier en verguldsel en kostbare steenen; door de
prachtige fresko van Raphaël Mengs, de Muze der historie voorstellende,
die hare rollen beschrijft, op de schouders van den voor haar
gebogen Tijd uitgespreid. Daar bewonderde ik de beroemde _Charters_
van Ravenna, origineele stukken uit de negende tot de twaalfde eeuw
afkomstig en op papyrus geschreven. Gaëtano Marini heeft ze in 1805
uitgegeven, in zijne PAPYRI DIPLOMATICI, _descritti ed illustrati_:
eene verzameling van honderd-zeven-en-vijftig stukken (bullen, diplomen
der vorsten, verschillende overeenkomsten en contracten), waarvan
het oudste tot het jaar 444 opklimt. Dit is het oudst bekende charter.
In het kabinet der antieke fresko's bevindt zich een der merkwaardigste
overblijfselen van oude schilderkunst, waarvan zoo weinig tot ons
gekomen is. Ten jare 1606 werd, op den Esquilijn, dicht bij den
_Arco di Galliano_, eene oude fresko-schilderij ontdekt, die sedert
algemeen bekend en beroemd werd onder den naam van de _Aldobrandinische
Bruiloft._ De kardinaal Aldobrandini, aan wiens familie dat kostbaar
gedenkstuk der antieke kunst behoorde en ook zijn naam ontleende,
verkocht het aan Pius VII voor 30.000 francs. Voor de opgravingen te
Herculanum en Pompeï bezat men geen enkel ongeschonden overblijfsel
der antieke schilderkunst, dan deze Bruiloft; en schoon in de
woningen der aanzienlijken, in de beide uit haar graf verrezen
steden, voortreffelijker werken der oude schilders zijn gevonden,
behoort toch de Aldobrandinische Bruiloft buiten kijf nog altijd tot
het opmerkelijkste en belangrijkste wat op dit gebied bestaat. De
geleerden hebben er lang en breed over getwist, of deze schilderij het
huwelijk van Thetis met Peleus, of wel van Bacchus met Cora, of van
de Julia van Catullus met Manlius, voorstelde. Hoogstwaarschijnlijk
heeft de schilder niets anders bedoeld, dan een familietafereel:
eene voorstelling van de bruiloft van den heer des huizes, in wiens
woning dit kostbaar monument gevonden werd. Ook nog andere fragmenten
van antieke schilderkunst zijn hier op de meest smaakvolle wijze
gerangschikt: vooral merkwaardig zijn daaronder enkele groote, zeer
licht geschilderde landschappen, met kleine figuren gestoffeerd,
eenige tooneelen uit de Odyssee voorstellende; zij werden opgegraven
in een krypt in de wijk der _Monti_. Het kost inderdaad moeite en
zelfverloochening, van een museum te scheiden, zoo rijk aan zeldzame
kunstwerken, zoo bevallig en boeiend door schikking en versiering: maar
de _Custode_ zorgt er wel voor, dat gij uw tijd niet verbeuzelt. Toch
kon ik, toen wij op onze schreden terugkeerden, niet nalaten nogmaals
stil te blijven staan voor de glazen kasten van het gewijde museum,
door Benediktus XIV gesticht, en waar zoovele, grootendeels nog
onbekende en onwaardeerbare schatten verborgen liggen. Daar ontdekte
ik, te midden van andere merkwaardigheden uit de christelijke oudheid,
ook een langwerpig medaillon, met de portretten van de Apostelen
Petrus en Paulus. Wanneer ik zeg de portretten, dan meen ik daartoe
recht te hebben. Immers, naar het oordeel der meest bevoegde rechters,
is dit medaillon uit het laatst der eerste of het begin der tweede
eeuw afkomstig; en bovendien dragen deze beide koppen onmiskenbaar
den stempel van naar het leven te zijn geteekend. Petrus heeft zwaar
kroezig haar, een gekrulden baard, en eenigszins grove trekken,
die echter zeergoed samengaan met de bewegelijkheid van een zielvol
gelaat; ge herkent in hem de type van den semiet, van den man uit
het volk, van den man ook der kloeke, snelle daad. Paulus vertoont
meer den denker, den geleerde, den redenaar: het gewelfde voorhoofd,
de diepliggende oogen, de gebogen neus, het peinzende gelaat, met eene
zekere uitdrukking van vermoeidheid: dit alles teekent den wijsgeer,
voor wien de wereld der hooge gedachten zijn waar vaderland is. Dit
kostbaar medaillon is ook daarom zoo hoogst merkwaardig, omdat wij
hier den oorsprong vinden der typen, die de beide apostelen sedert
in de christelijke kunst voortdurend hebben gedragen. Er bestaat dus
alle reden om aan te nemen dat deze typen, althans wat de hoofdtrekken
betreft, inderdaad aan de natuur zelf zijn ontleend.
Meer zal ik van de vatikaansche bibliotheek niet zeggen: het was mij
natuurlijk slechts te doen om u eenig denkbeeld van de uiterlijke
verschijning, van de inrichting en versiering der lokalen te geven,
niet om de bibliografische en andere schatten zelf aan te wijzen,
die hier opgehoopt liggen. Uitgezonderd eenige papyrussen, en hier
en daar een opschrift bij de schilderijen, had ik in die bibliotheek
geen regel schrift, geen enkel boek gezien! Het ware wel te wenschen,
dat de diplomatie eene wijziging trachtte te verkrijgen van de strenge
en bijkans onzinnige bepalingen, die het gebruik dezer boekerij zoo
uiterst moeilijk maken. Maar heel gemakkelijk zal dat niet gaan. Men
herinnert zich te Rome nog zeergoed de plunderingen, die de franschen,
tijdens de revolutie-oorlogen; hier op groote schaal hebben bedreven;
en de gebeurtenissen van den allerjongsten tijd zijn ook niet bij
uitnemendheid geschikt, om het pauselijk hof ten deze tot toegevendheid
te stemmen.