Op een mijl afstands van het oude Rome in eene smalle vallei,
aan de eene zijde begrensd door de westelijke hellingen van den
Janiculus, aan de andere door eene lage heuvelreeks, ontsprong
weleer eene kristalheldere bron, waar de herders hunne kudden
heenleidden om te drinken, en wier wateren zich welhaast verloren
in de ruischende rietbosschen langs haar zoom. Onder de regeering
van keizer Valentinianus II, liet paus Damasus het water dier bron,
langs onderaardsche buizen, naar eene plek in de nabijheid der
basiliek van Sint-Pieter voeren: eene plek, die in den loop der
eeuwen herhaaldelijk van voorkomen is veranderd, maar die toch nog
altijd, door haar naam en haar fontein, de herinnering bewaart aan
Sint-Damasus, den opvolger van Liberius op den roomschen stoel,
den vriend van den heiligen Hieronymus. Het groote voorplein, dat
uit de kolonnade van Sint-Pieter naar die verzameling van paleizen
en museums voert, welke te zamen den naam van het vatikaan dragen,
heet nog altijd het plein van Sint-Damasus.
Die fontein en die waterleiding--ziedaar de oudste sporen van eene
pauselijke woning in de onmiddellijke nabijheid der basiliek, die het
gebeente der apostelen Petrus en Paulus bevat. Het water van deze
fontein heeft Karel de Groote gedronken, toen hij als gast van Leo
III, in deze woning zijn intrek nam, eer hij het verlaten paleis der
Caesars op den Palentijn ging betrekken. Dat plein van Sint-Damasus,
door hoevele machtigen der aarde is het sedert betreden!
Naar men zegt, heeft het vatikaan elfduizend kamers: niemand zal
ze wel hebben geteld, en zeker zal geen enkele paus ze ooit hebben
bezocht. Toch zult ge u van de uitgestrektheid van dit paleis,
dat heugenis heeft van zoovele eeuwen, waaraan Barmante, Raphaël,
Ligorio, Fontana, Maderna, Bernini en zoovele anderen gearbeid
hebben, een denkbeeld kunnen vormen, wanneer ik u zeg, dat deze
groep gebouwen niet minder dan twintig pleinen of binnenplaatsen
omvat, en dat er voor eene behoorlijke gemeenschap tweehonderd-acht
verschillende trappen noodig waren. De rechtervleugel van het plein
van Sint-Damasus wordt ingenomen door eene dubbele reeks gebouwen,
waarvan de bovenverdiepingen, tegenover het plein Rusticucci,
bewoond worden door de hoogste dignitarissen van den staat. Om bij
monseigneur De Mérode, den minister van oorlog, te komen, moest men
tweehonderd trappen opklimmen; de alvermogende staatssecretaris,
kardinaal Antonelli, woont niet veel lager. De verdieping onder
deze bevat de vertrekken van den heiligen vader zelf, die uit zijne
hooge woning over de gekanteelde muren van den Borgo heen ziet. In de
eerste jaren der regeering van den tegenwoordigen paus, placht, op den
feestdag van Sint-Pieter, het landvolk uit den omtrek van Rome zich
bij de Porta-Angelica te verzamelen, om daar, van zoo nabij mogelijk,
den toen zoo gevierden Opperpriester toe te juichen, als hij zich
voor de vensters van zijn paleis vertoonde. Ze zijn sedert verstomd,
die juichkreten....
De gebouwen, die het binnenplein omringen, zijn ontworpen naar
teekeningen van Raphaël. Hij schetste het plan dier ronde booggewelven,
dier dorische pilaren op de eerste, dier ionische op de tweede
verdieping, dier saamgestelde kolommen, die den architraaf dragen. Van
de drie vleugels voltooide hij echter slechts den grootste; Gregorius
XIII en zijne opvolgers zetten het werk voort en volgden daarbij het
oorspronkelijke plan. Slankheid en bevallige eenvoud kenmerken deze
galerijen; maar meer dan door het gebouw zelf werd vroeger de aandacht
van den bezoeker getrokken door de wereldberoemde schilderijen van
den meester, die van beneden tusschen de bogen zichtbaar waren. Sedert
eenige jaren is dat evenwel niet meer het geval. Iemand--men beweert
kardinaal Antonelli--is op de ongelukkige gedachte gekomen om de open
bogen der _Loggie_ met groote vensterramen te sluiten, waardoor deze
galerijen iets hebben gekregen van een _serre_ of modernen wintertuin,
en de edele eenvoudigheid van het gebouw totaal verloren is gegaan. Des
zomers is het in de dus gesloten bovengalerijen, waar de kostbaarste
kunstwerken zijn, schier ondragelijk heet: men zegt dat deze verhitte
broeikasten-temperatuur voor de schilderijen nog veel nadeeliger is
dan de invloed van wind en weer.
Ter linkerhand voert een trap naar deze _Loggie_ (Loges), een galerij
van dertien bogen, vanwaar ge u naar de vertrekken kunt begeven der
voormalige pausen Nicolaas V, Sixtus IV, Alexander VI, Julius II,
Leo X, Clemens VII, enz. Deze vertrekken, tegenwoordig ontmeubeld,
getuigen nog van de heerlijkheid der pausen uit de huizen van La
Rovère en Medicis; zij worden thans alleen door kunstenaars en enkele
andere vreemdelingen bezocht, die ook wel iets anders willen zien,
dan waar het groote publiek prijs op stelt. Voor ditmaal zullen
wij niet verder gaan dan de eerste verdieping dezer gebouwen,
die voortdurend vergroot en uitgebreid zijn, sinds paus Celestinus
III ze in 1192 herbouwde, en sinds daar, na de terugkomst uit de
babylonische ballingschap van Avignon, voor de eerste maal, ten jare
1387, een conclave gehouden werd, waarin de Napolitaan Pignani werd
verkozen, die onder den naam van Urbanus VI den pauselijken stoel
beklom. Deze loges, waarvan het bevallige, sierlijke schilderwerk,
van de hand van Jan van Udine--bloemen, vruchten, vogels, arabesken,
enz.--onder de regeering van Pius IX zeer sterk is gerestaureerd,
voeren naar twee ruime, kostbaar versierde zalen, de _Sala Ducale_
(Hertogszaal) en de _Sala Regia_ (Koningszaal). Beiden munten veelmeer
uit door pracht dan door smaak; zoowel de stijl als de decoratie
van beeld- en schilderwerk is zwaar, drukkend, onbevallig. Ons wacht
zooveel uitnemend schoons, dat wij ons in deze zalen, waarvan ge de
wedergade overal zoudt kunnen vinden, niet behoeven op te houden.
Op zekeren dag dwaalde ik door de Sala Regia, zoekende naar
eene deur en een _custode_, om mij te begeven naar een weinig
bezocht heiligdom der oude kunst, vóór het schitterend tijdperk der
renaissance, door de twee groote mededingers, Michel Angelo en Raphaël,
beheerscht. Toevallig kwamen juist eenige franschen voorbij, begeleid
door een prelaat, die mij de poort van dit heiligdom ontsluiten
kon. Ik voegde mij bij hen, en volgde hen naar de _Appartementen
Borgia_, op last van Alexander VI, voor het grootste gedeelte door
Pinturicchio beschilderd.
Bernardino Betti, bijgenaamd il Pinturicchio, is wel de merkwaardigste
van een groep kunstenaars, die, met en nevens Raphaël, de nieuwe
richting der Renaissance volgende, toch meer hebben overgehouden
van dat naïeve, romantische, en meer teedere dan edele, dat diep
gemoedelijke, dat de kunst der middeleeuwen in zoo hooge mate eigen
was. In de stille gebergten van Umbria, in het afgelegen Perugia,
zuiverder dan elders bewaard, vond deze oude traditie, waaraan
ook Raphaël zelf een niet gering deel van zijne ongeëvenaarde
bekoorlijkheid dankt, vooral ook hare uitdrukking in de werken van
Pinturicchio, den medearbeider van den grooten meester van Urbino,
door wiens machtig genie hij zelf werd bezield. Maar Pinturicchio
staat veel dichter bij den ouden tijd: toen Raphaël geboren werd,
was hij bereids negen-en-twintig jaar oud; zijn eerste meesters
behooren nog tot de voorgangers van Perugino, tot wiens leerling men
hem ten onrechte gerekend heeft, en die maar acht jaren ouder was
dan zijn gewaande leerling. Beiden hebben hunne vorming te danken aan
Benedetto Buonfigli; beiden hebben, hoezeer op verschillende wijze,
denzelfden weg gevolgd; maar terwijl Perugino, als door eene soort
van verbijstering aangegrepen, den moed verliest en ondergaat, blijft
zijn mededinger, wellicht tot minder schitterende hoogte opgeklommen,
toch voortdurend vooruitgaan, en staat daar eindelijk als de laatste en
eenige vertegenwoordiger der zuivere traditie van de umbrische school.
Bernardino Betti heeft, op last van Alexander VI, in het vatikaan vier
zalen met de werken zijner hand versierd: werken, waarvan de eenigszins
schroomvallige liefelijkheid en de teedere frischheid van koloriet,
nog heden uwe aandacht trekken. Alvorens deze zalen te bereiken,
gaat ge door eenige vertrekken, die tot bibliotheek zijn ingericht,
en komt dan in eene zaal, die onder Leo X werd herbouwd en door Jan
van Udine en Perino del Vaga op nieuw gedecoreerd. In de volgende
zaal echter vindt ge het werk van Pinturicchio: tooneelen uit het
leven van den Zaligmaker en van de heilige maagd. De schilderijen,
waarvan vooral de aanbidding van het Kind door de heilige maagd en
Sint-Jozef uitmunt, komen voortreffelijk uit te midden der rijke
en eenigszins donkere, sombere decoratie der zaal. De volgende
zaal is nog prachtiger versierd: bas-reliefs wisselen hier het
schilderwerk af. De groote stukken dragen een eigenaardig kenmerk:
blijkbaar heeft de schilder er zich op toegelegd, om aan de gewijde
tafreelen een zooveel mogelijk behaaglijk karakter te geven:--het
is godsdienstige kunst voor het paleis van een groot geestelijk
heer. Op den achterwand, tegenover het venster, heeft de schilder
de legende van Sinte-Catherina van Alexandrië voorgesteld, die voor
keizer Maximianus verschijnt, en door hare geleerdheid eene gansche
vergadering van wijsgeeren beschaamt, opzettelijk bijeengeroepen om
met haar te redetwisten. Aan deze zegepraal dankt zij de eer, patrones
der scholen te zijn; maar terwijl de uit het veld geslagen wijsgeeren
naar den brandstapel werden gevoerd, onderging ook Sinte-Catherina
zelve den marteldood op het rad. In deze zelfde zaal ziet ge nog den
marteldood van Sinte-Juliana; Sinte-Barbara het huis haars vaders
ontvluchtende, eene allerliefst geteekende figuur, vol jeugd en
naïeve onschuld; eene Visitatie (het bezoek van Elisabeth bij Maria),
waarin de madonna, naar het schijnt, een portret is: eene profanatie,
die toen nog eene nieuwigheid was. Voorts eene afbeelding van de
kluizenaars Sint-Antonius en Sint-Paulus, het brood verdeelende, dat
een raaf hun aanbrengt, terwijl drie engelen en twee andere monniken
hen gadeslaan; eindelijk nog een Sint-Sebastiaan. Pinturicchio is
een der eersten, die zijne figuren op een wezenlijken achtergrond,
in de ruimte, heeft weten te plaatsen; zijne liefelijke landschappen,
de zachte, teedere, smeltende tonen zijner perspectieven geven aan
zijne schilderijen niet alleen een groote bekoorlijkheid, maar ook
eene hooge mate van waarheid.
De decoratie der zaal, die nu volgt, is ontleend aan de oude
wijsbegeerte der scholastiek. Zeven groote schilderijen stellen de
attributen der goddelijke en menschelijke wetenschappen voor: zeven
allegorische figuren, op tronen gezeten, en omstuwd door de mannen,
die zich in al deze vakken bijzonder beroemd hebben gemaakt. Wat
aan deze, anders zoo dorre en op zich zelf zoo weinig aantrekkelijke
voorstellingen eene bijzondere bekoorlijkheid geeft, is de uitnemende
kunst en treffende waarheid, waarmede al deze personen levend en
handelend, ieder naar den aard van zijne bekwaamheid en beroep
werkzaam, zijn weergegeven. De figuren zijn uit het leven gegrepen,
en hebben niets van die onnatuurlijke stijfheid en gemaaktheid,
dat gedwongene en gekunstelde, dat maar al te te vaak aan latere
symbolische of allegorische voorstellingen eigen is.
De volgende zalen zijn veel minder beteekenend, omdat Pinturicchio,
aan wien de versiering der kathedraal van Orvieto was opgedragen, zich
bij de beschildering dezer vertrekken door zijn ouden leermeester
Buonfigli liet vervangen. Toch vindt ge misschien nergens zoo
uitnemende gelegenheid om de eigenaardige traditie der umbrische
school, eene dochter der oud-florentijnsche, en vooral ook het talent
van een harer voortreffelijkste vertegenwoordigers, Bernardino Betti
genaamd il Pinturicchio, te bestudeeren, dan juist in de schilderijen,
die hij voor de woning der Borgia's vervaardigde. Juist daarom heb
ik eenigszins uitvoerig over deze bijkans onbekende en onopgemerkte
kunstwerken gesproken.
Het was mij, te midden dezer gewijde, ernstig-liefelijke
voorstellingen, allen aan de gewijde historie of legende ontleend,
en zoo vromen, naïeven zin ademende, wonderlijk te moede, als ik
mij herinnerde, wie hier eenmaal hadden geleefd en bedacht wat deze
rijk versierde wanden konden hebben aanschouwd, en beluisterd;
van welke tooneelen deze stemmige vertrekken wellicht getuigen
waren geweest. Deze Borgia's hebben toch een weinig eervollen naam
achtergelaten; paus Alexander VI, Lucretia, Francesco, Cesar Borgia:
eene duistere schaduw hangt over aller beeld, een onuitwischbare
vlek kleeft op aller nagedachtenis. Wel trachtte de jonge, blonde,
uiterst beleefde _Monsignore_, die ons vergezelde, ons een beteren
dunk te geven van paus Alexander, door telkens te wijzen op de
stichtelijke schilderijen waarmede hij zijne vertrekken versierde:
maar deze rehabilitatie van een zoo befaamd personage vond zeer
weinig ingang; en onze monsignore, wel opgevoed en fijn beschaafd
als al zijne collega's, was te wellevend om te blijven aandringen,
waar hij zag dat men niet dan onwillig luisterde. En toch--heeft de
moderne kritiek niet uitgemaakt, dat althans de grove beschuldigingen
van Guicciardini tegen paus Alexander VI niet zoo voetstoots mogen
worden aangenomen? Misschien zal men er in slagen om ook dit monster
der legende in een mensch te herscheppen, dien wij althans begrijpen
kunnen; zeker zal het nooit gelukken in dezen man een waardig dienaar
van Christus, laat staan het hoofd zijner kerk te doen herkennen. Ik
heb hier zijn portret gezien: die ronde, zwaarlijvige, plompe figuur:
die verwrongen mond, die valkenblik, die krom gebogen neus, die
gele gelaatskleur: dit alles geeft u den indruk van eene zinnelijke,
wispelturige, onrustige, eigenzinnige, sluwe natuur; een indruk, nog
versterkt door een blik op die korte, vette handen met dikke vingers,
die zoo recht passen bij de gemeenheid der geheele verschijning.