HET KASTEEL AMMERSODE.

Voor wie de geschiedenis van zijn land lief heeft,--voor wie beseft,

dat groote handelingen en bewegingen zich in duizend kleinere splitsen,

daarvan zijn voorafgegaan, daarmeê samenhangen, daardoor gevolgd

worden,--voor wie alzoo begrijpt dat elke uiting eener eeuw, niet

alleen in het openbaar--, maar ook in het huisselijk leven en wat

zich daaraan vasthecht, eene historische belangrijkheid bezit, die

vooral dáar in waarde klimt, waar vele dier enkele verschijnselen nog

zijn samengebleven in een groot geheel, dat het eigenaardig kenmerk

van zijn bepaalden tijd draagt--voor hem is het meer dan een bloot

genoegen, nog eens rond te wandelen in de zalen en vertrekken en

gewelven van een dier weinige kasteelen, die in ons vaderland aan de

geduchte handen des tijds en der sloopers ontkomen zijn: voor hem is

het wetenschappelijk genot.

En wie nu dit genot nog eens in ruime mate wenscht te doorleven, wende

den voet naar dat gedeelte van het aloude Teisterbant, dat thands den

naam van Bommelerwaard draagt, en wel dáar heen, waar aan den rechter

Maas-oever het dorp Ammerzode zich in het welige geboomte verbergt,

en niet verre van de rivier een kasteel ernstig en statig oprijst.

En wie zich nu, ondanks zijn goeden wil, tot dien tocht belemmerd

vinde--hy vergezelle met ons den Heer van Engelen, waar deze

kennisrijke en smaakvolle verhaler, wien wy reeds op het Loo eenige

voetstappen ter zijde gingen, zich naar den Ammersode richt:--

Een diepe gracht, nog voor een gedeelte van een aarden wal voorzien,

omgeeft het kasteel. Een brug verleent den toegang, eerst op een

uitgestrekt voorplein, van oude, thands grootendeels onbewoonde

nevengebouwen omringd, waaraan slechts een talrijke duivenslag leven

byzet. Vervolgends komt men door eene poort op een binnenhof; en

thands het hoofdgebouw betredende, treffen al aanstonds de verbazende

dikte der muren en de buitengewone omvang der hooggezolderde

vertrekken de opmerkzaamheid des bezoekers. De uitstekende netheid

die overal heerscht, en talrijke voorwerpen, tot de hedendaagsche

huishouding behoorende, mogen al voor een oogenblik het denkbeeld

aan vroegere eeuwen, door de eerste beschouwing van het gebouw

opgewekt, verwijderen--toch zullen spoedig de vele overblijfselen

van een huisraad, dat een geheel ander tijdperk aanduidt, en dat te

midden van meer moderne voorwerpen verspreid is, den eersten indruk

hernieuwen. Vooral zullen de fraai gestikte tapijten langs den wand,

vercierd met de wapens van het stamhuis van Arckel, dat in de zestiende

en zeventiende eeuw de Heerlijkheid bezat,--de groote spiegels met

hunne blinkende stalen lijsten, een cieraad van vroegere tijden,

dat al te zeer in vergetelheid is gekomen,--de met kunstig snijwerk

voorziene schoorsteenranden, en de ouderwetsche stoelen, met hooge

ruggen en lage zittingen--den bezoeker telkens herinneren aan een

tijd die lang voorby is.

Tot vóor korten tijd waren, behalven het belangrijk archief in

een onbewoond gedeelte van het slot, ook nog eenige oude wapenen

en een aantal familië-portretten hier aanwezig. Dit een en ander

was echter door den tegenwoordigen eigenaar der Heerlijkheid, den

Baron de Woelmond, Lid der Provinciale Staten van Limburg, en aldaar

woonachtig, meerendeels van hier wech gevoerd. Intusschen waren er

nog enkele familië-stukken achter gelaten, meestal vrouwenportretten,

in de stijve kleederdracht van een vroeger tijdperk, benevens een

groot familië-tafreel, eenige spelende kinderen voorstellende. Men

vermaande my, toch vooral den hoofdtoren van het slot te beklimmen,

boven welke zich een zoogenaamde peer of pijnappel verheft, die

een keurig vergezicht over den omtrek aanbiedt. De wind, die vrij

hevig woei, deed dit hoogste gedeelte van het kasteel eene gedurige

schudding ondergaan, hetgeen my echter niet verhinderde, een geruimen

tijd mijne blikken door de kleine torenvensters over deze vruchtbare

landstreek te laten rond weiden. Aan de eene zijde vertoonden zich

de breede Waal-stroom en de statige toren van Bommel, schijnbaar

in de onmiddelijke nabyheid; terwijl aan den anderen kant de stad

's Hertogenbosch zich met hare vestingwerken en forten, torens en

kerkspitsen uitbreidde. Den geheelen Bommelerwaard, met zijne talrijke

dorpen, korenrijke akkers, weiden, en boomgaarden, kon men van hier

met een enkelen blik omvatten. Na my met moeite aan dit gezicht

onttrokken te hebben, voerde men my uit de hoogte naar de diepte:

in de verbazend ruime overwelfde kelders van het slot namelijk,

thands tot dienstbodenvertrekken, provisiekamers, enz. ingericht,

maar in vroeger tijden voor een gedeelte tot een kerker dienende,

gelijk men nog een blok, waaraan de gevangenen gekluisterd werden,

als eene rariteit bewaart.-- [50]

Staat ons alzoo nu het ernstig en kolossaal gebouw in deze duidelijke

omtrekken levendig voor den geest--werpen wy dan den blik te rug,

en zien wy, welke historische herinneringen zich daaraan verbinden,

welke feiten aan die muren zijn verknocht, welke lotgevallen hunne

bewoners of eigenaars hebben ondergaan.

Wanneer, en op wiens last, hier de spade in den grond werd gestoken,

om de rooiïng der grondslagen in vasten steen te verwerkelijken, is

onbekend. Zeker weet men echter, dat de sterke burcht in het laatste

gedeelte der dertiende eeuw in eigendom behoorde aan Johan van Herlar

(uit het oud en edel geslacht van Lo), daarna op zijn zoon Dirc,

en vervolgends weder op diens zoon Gerard overging.

Gerard, die het in 1351 bezat, was een aanhanger van den Hollandschen

Graaf Willem den Vijfde, wiens kleederen hy droeg; en dat hy Jonker

Eduard van Gelre genegen was boven diens broeder, den Hertog,

blijkt uit het aandeel dat hy nam in 't verzet van eenige Edelen

tegen Reynald, ten behoeve van Eduards verkort recht, in 1353. Na

zijn kinderloos overlijden kwam het kasteel, by magescheid of

broederdeeling, in handen van Johan van Herlar, Heer van Ameyde, die

er zyn jongsten broeder Arndt meê verlijdde, wiens Erfdochter het door

huwelijk weder aan Arnold van Hoemen, Heer van Hoemen en Midlar bracht.

In den oorlog tusschen den Gelderschen Hertog Willem van Gulich

en Joanna, de Hertogin-weduwe van Brabant, koos Heer Arnold, met

voorbyzien van zijn leenmansplicht, de partij der laatste, en yverde

zeer voor hare zaak. Hy was er echter niet gelukkig in. Op den 24en

Juni, 1386, krijgsvoorraad en levensmiddelen van 's Hertogenbosch naar

zijn kasteel van Midlar geleidende [51], werd hy by het uitkomen van

een bosch, zuidwaart van Grave, door Gerard van Oyen aan het hoofd

eener talrijke bende Gelderschen overvallen, en met zijn zoon Reynald

en eenige Brabantsche ridders gevangen genomen. Hertog Willem, hiermede

zijn voordeel trachtende te doen, deed den gevangene voor zich brengen,

en gaf hem de keuze tusschen de oogenblikkelijke overgave van den

Ammersode, of--de dood. Maar ook in dien nijpenden oogenblik begaf

den heldhaftigen Ridder zijne fierheid niet:--»Moet ik sterven,"

gaf hy onvertsaagd ten andwoord: »ik zal het met eere weten te

doen--maar de bezworen trouw aan mijn Vrouwe van Brabant verbreek ik

niet."--'s Hertogs scherp voorstel bleef toen een bloote bedreiging,

't zij hy getroffen was door de moedige taal des Edelmans, of dat

hy wellicht diens dood nooit in den zin had gehad, maar slechts op

deze wijze de bemachtiging van 't kasteel wilde beproeven. Thands

schoot hem hiertoe niets anders over dan een beleg. Hy liet Heer

Arnold het leven, maar wendde zich met de wapenen voor den Ammersode,

die, niettegenstaande een kloekmoedigen weêrstand, na weinige dagen,

in Augustus gewonnen, en met het kasteel Midlar, dat in de volgende

maand het zelfde lot onderging, verbeurd verklaard werd. En schoon hun

dappere eigenaar later by Hertog Willem in aanzien geraakte--hy ontfing

zijn fraai goed aan de Maze, zoo min als zijn schoone Heerlijkheid in

Bommelerwaert weder te rug [52]. Evenmin kwam ze in handen van Gherit

van Bruechem, die er aanspraak op maakte (waarschijnlijk uit hoofde

van bloedverwantschap), maar in 1391 afstand van deed, behoudens zijn

recht op eenige morgen lands, die zijner moeder behoorden.

Toen de Hertog zich in 1392 tot zijn derden tocht naar Pruissen gereed

maakte, stelde hy het kasteel in hoede van zijn oversten rentmeester

Godart van Stamprade, die zich daartoe verbond »mit op gerichten

vingheren ende mit ghestaefden eden ten heiligen gheswoeren."--En

toen hy, in Januari 1402, zijn einde voelde naderen, en de verdeeling

zijner bezittingen by testament regelde, schonk hy slot en Heerlijkheid

Midlar, met uitzondering van den tol, aan zijn oudsten bastertzoon

Willem van Cuyc; en den tweeden, Johan, begiftigde hy met Ammersode,

onder voorwaarde dat dit, in geval van kinderloos overlijden, weder op

's Hertogs rechte erfgenamen zou te rug komen,--ten allen tijde voor

hen open staan,--en tegen uitkeering van 1000 Rijnsche guldens steeds

losbaar zou zijn.

Men vindt echter niet, dat Johan ooit in 't bezit der hem beschikte

heerlijkheid gekomen is. Waarschijnlijk heeft hy zich daaromtrent

verstaan met zijn oom Reynald, die ten minste in 1405, tegen ruiling

met het kasteel ter Knype, en het hoog en laag gericht van Beecke

en van Sterckerode, aan Johan Steck van Beecke, Heer van Beecke, en

Hertooglijk Raad, overlevert: »slot, borch ende herlicheit Amersoyen,

mit hogen gerichte ende degelixschen gerichte, mit mannen, mit

dyenstmannen, horigen luden, wastijnsigen luden, coirmetschen luden,

eygenen luden, mit hoenren, capuenen, gansen, mit renthen, mit paichte,

mit theenden, mit tijnse, mit gulden, mit jairgulden, mit wijnde,

mit watere, wijhere, mit busschen, mit broeken, mit artlande, mit

beemde, visscherijen, forefeyten, mit allen opkomyngen, mit heyden,

mit weyden, hoge ende lege, ende mit allen anderen goiden ende

erven, tot der voirscr. herlicheit van Amersoye gehoirende." [53]

Zeven jaren later deed Heer Johan er weder afstand van, tegen een

bepaalde som. Het moet hier echter aan een of andere voldoening van

's Hertogs wege gehaperd hebben; want Meralda Steck van Beecke,

Johans erfdochter, gehuwd met Heer Goossen van Rossem, deed zich na

heurs vaders dood met de Heerlijkheid beleenen, schoon zy overigens

evenmin in 't bezit getreden schijnt te zijn, als Willems Johan.

Een andere Bastert van Gelre werd er meê beschonken, en wel Hertog

Reynalds zoon Willem van Wachtendonc, die op den 25en April 1424, in

overeenstemming »mit Hermanna van Batenborch, sijn echte huysvrouw,

Johan Heer tot Broeckhuysen ende tot Weerdenburch verkocht 't slot

van Amersoyen, mit den voorburchte ende graven, mit der heerlijcheyt

van Amersoyen, mit den dorpe" enz., verder gelijk reeds in Hertog

Willems brief van ruiling werd omschreven. Hertog Reynald keurde

dezen overgang goed, en gaf het in 't volgend jaar aan Broeckhuysen

en diens erven tot een onversterfelijk leen, te verheergewaden met

éen pond goed geld. De goede luiden van Ammersode hadden reden om

zich over dezen verkoop te verheugen: hun nieuwe Heer toonde zich

hunnen belangen niet onverschillig, en gaf hun in 1428 landrechten

en keuren, met die van Tielre- en Bommelerwaert overeenstemmende,

terwijl hy de ingenoten van het kasteel meer gemaks verschafte,

door er eene slotkapel te stichten.

Heer Johan van Broeckhuysen van Waerdenburch overleed vervolgends

in 1443, en liet zijn eenigen zoon Gerard, die met Walravina, Heer

Walravens dochter van Brederode [54], gehuwd was, en de waardigheid

van Erf-Hofmeester des Hertogen van Gelder bekleedde, den Ammersode.

Wanneer zijne onderzaten met goede hope hem zijne goederen hebben zien

aanvaarden--zy zagen die hoop niet verwezendlijkt: reeds het volgende

jaar viel de bekende slag van Sint-Hubert voor, waarin Willem van

Egmond van IJsselsteyn gevangen genomen werd [55], en in dezen strijd

sneuvelde Heer Gerard, die, edeler dan zijn lafhartige naamgenoot van

Culemborch, dus zijn ridder-eer en leensmans-trouwe met zijn dood

staafde. Hy mocht sterven in het vertrouwen dat zijn bloed zich in

zijn kroost niet verloochenen zoû: slechts weinige uren te voren,

vóor den aanvang van 't gevecht, zag hy zijn oudsten zoon Johan op

het slagveld ridder geslagen, en alzoo tot de hoogste waardigheid

van den adel verheven.

Het geluk was den jongen held echter niet gunstig: strijdende werd hy

krijgsgevangen gemaakt, en moest zich eenigen tijd het gemis zijner

vrijheid getroosten.

De listige Jan van Rossem, dien Sweder van Culemborch later »die

alde cat" noemde, had de laagheid om zich met dit dubbel onheil te

bevoordeelen. Hy zond, eensdeels misschien op grond der verouderde,

aanspraak van zijn vader Goossen, anderdeels uit wraakzucht, omdat

Heer Johan hem zijn verloofde ontvrijd had, zekeren Jacob Ottens,

om den Ammersode te vermeesteren. De aanslag gelukte, maar zijne

vreugde daarover was slechts van korten duur. Heer Jan van Culemborch,

een verwant der vrouwe van Broechuysen, Elisabeth van Haeften, had

naauwelijks het feit vernomen, of hy besloot om de weduwe, die wellicht

van hare vier jongere zonen nog geene hulp verwachten kon, in dien

nood by te springen.--Vóor het kasteel stond een rosmolen, en in de

deur der kasteelpoort schijnt geen winket of tralievenster geweest

te zijn; op deze toevallige omstandigheden bouwde de naauwlettende

Ridder zijn plan tot herovering.

Op eenen dag in 1445, zeker niet laat in den morgen, komt er een bode

van Culemborch, met de bus, het teeken van zijn ambt, op de borst,

voor 't kasteel aan, en klopt er op de poort. Den poortier, die hem

te woord staat, verzoekt hy een brief te willen ontfangen, om dien

zijn Heer, by diens komst op 't huis, te overhandigen. De thands

geen kwaad vermoedende poortwachter opent de deur ten deele--maar nu

brengt de bode er vaardig zijn arm tusschen, en weert de sluiting;

en daarop schieten Culemborchs krijgsknechten, heimelijk in den

rosmolen verborgen en op de loer liggende, haastig toe, stormen de

poort binnen, vermeesteren het kasteel, en brengen het op deze wijze

weder in handen der rechtmatige bezitters.

In hoeverre nu Ammersode, dat, blijkends Schotels onderzoek, den

tweeden zoon, Walraven, »aenbestorven ende toegeleeghen was van doode

Gerits sijnen vader," nu nog door den oudsten, Johan, op hem verlijd

moest worden, is duister; maar in elk geval zijn de stukken daarvan nog

voor handen, en de bepalingen der broederdeeling, van 20 Januari 1457,

worden bevestigd door den leenbrief van acht dagen later, waarby Johan

van Walraven »beleent ende verlijt die leenweer mit allen rechts ende

toezeggens, dat hij gehadt heeft oft hebben mochte aen dat slot tot

Amersoyen metter heerlijcheyt, leenmannen, renten, gueden, bezegelde

brieven ende allen zijnen toebehoiren, nyet daer van vuytgescheyden, te

houden tot eenen rechten onversterffelijken erffleen, met al dusdanige

voorwaarden, oft saecke waer dat Walraven voirs ofte sijne kinderen

storven, sonder wettelijcke blijvende geboorte after hem te laten,

dat Godt verhueden wil, soo sal dese voirs. heerlijcheit mit allen

horen toebehoiren voirs. wederom besterven aen Jan voirs. oft sijnen

rechten leenvolgeren, in der tijt, in levende lijve wesende."

De onverhoopte omstandigheid, in de gevolgen waarvan deze laatste

bepaling voorzag, vond werkelijk plaats: Heer Walraven overleed

kinderloos, in 1480. Ammersode ging toen over op Johans zoon Gerhard

van Broechuysen van Weerdenburch, wiens Heerlijkheid van den laatsten

naam, benevens de dorpen Hiern en Neerijnen, door den Aartshertog

Maximiliaan in 1481 verheven werd tot eene Hooge-heerlijkheid, met

het recht van galg en put. Heer Gerhard, een getrouw aanhanger van

Hertog Karel van Egmond, by wien hy de waardigheid van Hofmeester

bekleedde, stierf in 1494, zonder ooit gehuwd geweest te zijn,

waardoor Weerdenburch en Ammersode by erfenis overgingen op zijne

zuster Walravina, die ze in het geslacht der Arckels bracht.

Zy was namelijk in 1480 gehuwd met Otto van Arckel, een Edelman voor

't overige, die den beroemden naam van zijn Huis tot weinig eere

was, en zijn eigenen te schande maakte. Samenspannende met Gherit

van Culemborch, zijn oom van moeders zijde, had hy zijn vader

gevangen genomen, en op het kasteel van zijn oom in verzekerde

bewaring gebracht, terwijl hy-zelf dat van Heuckelom bezet hield,

en van daaruit zijne soudeniers roovende en ruitende door gantsch

Zuid-Holland zond. Maar--een andere Adolf van Egmond, trof hem weldra

ook gelijke straf. De Graaf van Charlois, deze strooperijen moede,

deed zijn Drossaart Valckesteyn Heuckelom overmeesteren, en dwong

Otto tot afstand der Heerlijkheid, waarvan hy zich-zelf tot Heer liet

huldigen. Later, volgends sommigen nog by des Borgondiërs leven,

ontfing de onwaardige zoon zijne goederen te rug. Hy stierf op ver

gevorderden ouderdom, in het jaar 1505; Vrouwe Walravina huwde twee

jaren later weder met Heer Herman van Wachtendoncq, en overleed

in 1511.

Heur oudste zoon uit het eerste huwelijk, Johan van Arckel, Heer

van Heuckelom, bekwam toen den Ammersode, maar overleed reeds ten

volgenden jare, en zijn huwelijk met Adriana, des Heeren van Alsten

dochter, was kinderloos gebleven.

Op den 24en Juni 1513 werd het kasteel door Henrick van Nassau voor

Hertog Karel van Borgondiën gewonnen, maar schijnt niet lang in

diens bezit gebleven te zijn, want weldra vindt men het weder als

een eigendom van Johans broeder, hoewel niet van den tweeden broeder,

maar van den jongsten, Walraven, wien Hertog Karel van Egmond in 1514

ook met Weerdenburch beleende; blijk van eene gunstige gezindheid,

die niet immer duurde. Hy viel by den argwanenden Prins in ongenade,

waarop eene verzoening volgde, die, 25 Augustus 1520 bezegeld,

hem weder in het bezit stelde van alle breuken, wapenschouwing,

waakzetting en waakschouwing, verder alle rechten en privilegiën,

met uitzondering van lijfgoed en klokkenslag, om ze te genieten tot

wederopzeggens toe. Intusschen--ter zelfde maand van het volgende

jaar weder, dwong de Hertog hem tot afstand aan zijn ouderen broeder

Gerhard, van Weerdenburch met het dagelijksch gericht, van Ammersode

met het hoog en laag gericht, en van de tienden van Rossem, Driel

en Herwaerden, met bepaling, dat Weerdenburch altijd aan den rechten

stam versterven, en nimmer overgebracht worden zou.

Toch bleef hy 's Hertogen dienst houden. Ten minste in den oorlog met

Bisschop Henric van Beiëren, was hy met den Stadhouder van Meurs binnen

Utrecht, en aan diens zijde, toen hy by de overrompeling van 1528 de

stad ontweek; maar zy werden, te gelijk met den Hertooglijken Raad

Wynand van Arnhem, »van het boerengespuys aen de Vecht bekend, en weder

naer de stad gebraght," waar hun echter verder geen leed, dan dat der

gevangenschap weêrvoer. Na het treffen van den vrede werden zy weder

ontslagen. Vier jaren later, en wel op den 27 September 1532 verbond

hy zich in den echt met Jonkvrouwe Catharyne van Gelder, natuurlijke

dochter van Hertog Karel en Anna van Merwijc, die hem acht kinderen

schonk, vier zonen en vier dochters, waarvan drie ongehuwd overleden.

Intusschen bezat zijn broeder Gerhard, Heer van Heuckelom en

Weerdenburch steeds ook den Ammersode, en ontfing van het laatste

in 1539 de bevestiging van Keizer Karel den Vijfde, »met bedingh,

dat het zelve altoos voor den Keyser zoude open staen, als zijnde

niet alleen Hertogh van Braband, maer ook van Gelder."

Gerhard, sedert 1512 gehuwd met Margareta, Erfdochter van Heer

Daniel van Praet van Moerkercken, Heer van Merwede, en Baliuw van

Zuid-Holland, bleef zonder kinderen, zoodat by zijn dood, die in 1547

plaats vond, de vaderlijke erfgoederen weder te rug vielen op Heer

Walraven, die ze nu tot op zijn sterfdag, in 1557, behield.

Zijn oudste zoon, Otto, erfde Heuckelom, en stierf in 1567 door een

noodlottigen val met het oor in zijn zwaard, toen hy met een wagen by

Herwynen omstortte [56]. De tweede zoon, Karel, bekwam Weerdenburch;

de derde, Joris of George, de Heerlijkheid Ammersode.

Joris van Arckel was nog een kind, toen zijn vader overleed,

waarom Goirt van Gellekom zijne plaats bekleedde by het doen der

leenhulde. Later, in 1569, legde Heer Joris persoonlijk den leen-eed

af, en werd toen namens Filips den Tweede, als Hertog van Gelderland,

met de Heerlijkheid verlijd, en alzoo bevestigd in het bezit van

zijn vaderlijk erfgoed. Hy trad in 't huwelijk met Anna, Heer Johans

dochter van Lockhorst, waardoor hy de Heerlijkheden van Heemstede en

van Lockhorst verkreeg. De beide echtgenoten verzekerden elkander,

by testament van 24 Februari 1581, »in lijftochte duysent guldens

siaers, wt elcx haer respective goederen haer leven lanck gedurende

van lancst leven." Vrouwe Anna overleed vóor haren echtgenoot, die

in 1590 stierf; maar de oorzaak van zijn noodlottigen dood is zoo

zonderling, en van zoo veel raadselachtigs en onverklaarbaars omweven

en doorvlochten, dat de tastbare vormen der historie zich hierby in

de zwevende gestalten der overlevering verliezen, en de gloed der

poëzy vereischt wordt, om een meer helder licht te werpen op die

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 12 / 17 题