De arme dwaas!--

Ik erger my over hem, meent ge? Waarlijk niet: den man, die f 50.000

jaarlijksch inkomen bezit, en zich nog altijd misdeeld waant, omdat

hy geen f 500.000 heeft--beklaag ik slechts; en--in een zeer netelige

luim zou ik misschien zeggen, dat hy voor Meerenberg rijp is, als

zoo menige politieke Tinnegieter onzes tijds.

Nederland arm aan waarachtige natuurschoonheid!

»Zou het oord misdeeld zijn, waar de rivier tusschen bloemhoven

en lustwaranden kronkelt, waar de duinbeek onder het eikenloof

ruischt, en de nachtegaal uit de bloeiende meidoorn zingt!--Schaduw

en lommer is, ook na den val der oude bosschen, nog immer in Holland

overvloedig onder boomen van allerhande soort: want ook hier vertoont

zich de bevallige verscheidenheid, en onze herfst pronkt even zeer

met het late groen der eiken, als onze lente met het vroege loof van

olmen, beuken, linden. Waait ons van deze laatsten in den zomer een

welriekende balsemgeur toe--niet minder streelt ons in het voorjaar de

balsemgeur der voor den daauw zich openende berkenknoppen.--Naast de

hooggetopte boomen onzer dreven tiert weelderig het lager houtgewas,

met veelvuldige schakeering van elzen- en esschen- en berken- en

eikenloof, in bosschen, die voor de bijl der houthakkers niet vallen,

dan om blijder telkends weder uit te schieten. Tusschen deze bosschen

loopen rij- en wandelwegen in bochten en kronkelingen, zoo verscheiden,

dat Vondel ze eigenaardig by die van den Cretenzer doolhof vergelijken

kon. Op dezen rondgevoerd, zien wy nu dichte houtwallen, dan een open

plein; hier het geboomte schilderachtig tegen de duinen opklimmen, dáar

met abeelen- en berkenstammen aardig in het watervlak zich spiegelen,

gints met donker loof bevallig tegen het goud der akkervelden of

het malsche klavergroen der weiden afsteken.--Zoo groeien hier op

Hollands bodem duizenderlei bloemen in het wilde op, en vormen onze

weiden tot een veldtapijt, en onze bosschen en dreven, ja ook onze

wildernissen en duinen, tot geurige lusthoven. Op klei en veen,

op geest en duinzanden, op land en water, wassen hier in een kort

bestek de kruiden en heesters van ver uit een liggende landstreken:

de plant der Alpen en het zeewier, de boterbloem der moerassen en

het varenkruid.--Over de kelken dezer in het wild verspreide bloemen

zweven tallooze bontgewiekte vlinders, en dartelen en glansen in

de zomerzon.--Zoo leeft en tiert dan ook by ons het bosch.--Maar

als in de Hollandsche, door ons afgemaalde streken, op een schoonen

lentemorgen de leeuwrik klapwiekend en zingend stijgt van uit de weide,

waar het jonge lam by de moeder dartelt, en het runddier wellustig de

klaver afscheert; als de liefelijke waassem van het jeugdig groen en

van duizend lentebloemen ons verkwikkend tegenwaait; als in vaart of

vliet, tusschen waterlisch en geurige calmus, de visschen spartelen;

als uit elzen- en iepenloover het gekir van woud en tortelduiven,

het gefluit der meerels, en de zang der nachtegalen zich onderling

afwisselen--dan gebeurt het niet zelden, dat, by zooveel genot, ons

gevoel als overstelpt wordt, en ons hart te eng schijnt om tevens al

dien wellust te bevatten." [41]

Laat hem in den vreemde gaan reizen, die misdeeld genoeg is om

Hollands weelderigen rijkdom aan schilderachtig natuurschoon te

kunnen ontkennen; laat hem in den vreemde gaan reizen--hy zal 't

ook dáar niet vinden: zijn gemoed mist den open zin, den spiegel die

't weerkaatsen moet.

En valt er zooveel reeds in de natuur aan den Hollandschen duinzoom

te genieten--hoeveel meer dan nog in dat uitnemend gewest, dat

(door onze vervelende zucht naar vergelijking met den vreemde) den

naam van Neêrlands Zwitserland, of eener dergelijke Nederlandsche

vreemdigheid, draagt!

»O!" wordt er gezegd: »ook daar zijn we geen vreemdelingen; wy kennen

Arnhem en zijne verrukkelijke omstreken zeer goed!"

Maar ge zult toch in waarheid niet meenen, dat ge het oorspronkelijk

schoon van Gelderland dáar te zoeken hebt?--Zoo ge my toestemmend

andwoorden moet, dan bewijst ge daarmêe, dat ge genoegen smaakt in

wandelen tusschen groene bergen en fraaie dreven, onder prachtige

beuken zoowel als onder cierlijke acaciaas, door kunstelijk grotwerk

zoowel als langs klaterende fonteinen--maar uw gevoel voor de

natuur spreekt er nog volstrekt niet uit.--Zijt ge zoo gelukkig

dit te bezitten, en weet ge alzoo vruchtbaarheid van produktiviteit,

statigen ernst van eentoonigheid, vrije natuurschakeering van kunstige

afwisseling te onderscheiden--ga dan naar dat deel van Gelderland,

dat door een zijner eigene Hertogen [42] werd gekenmerkt als »een

wilt en bijster lant, daer veel overgrepen in geschiên plegen."--

Dáar, op de Hooge-Veluwe, zal de reiziger, die gewoon is in vreemde

gewesten de natuur te gaan bewonderen, zich met eigene oogen gaan

overtuigen, hoe rijk ook onze vaderlandsche bodem aan natuurschoon

is. Met welgevallen zal hy opmerken, welk eene bekoorlijke afwisseling

van land- en veldgezichten die landstreek oplevert; hoe ook daar de

kunst op eene bevallige wijze de hand reikt aan de natuur; hoe schoon,

hoe schilderachtig vele dorpen en gehuchten dáar zijn gelegen;

hoe ongelijk en golvend er de grond is, vooral aan den voet der

zoogenaamde Woldbergen; hy zal verbaasd staan over die uitgestrekte

heide, die zich over een lange keten van heuvels uitbreidt; in

die heide, waarop de veelsoortige erica met hare zacht en helder

purperen bloemen bloeit, eene plant, die slechts aan de eene zijde

van onze planeet, te weten in Jutland, Holstein, Hanover, Westfalen,

en Nederland, wordt gevonden:--en niet zonder belangstelling zal hy

die eeuwenheugende wouden aanstaren, die zich als ware het nog in

hunnen natuurstaat bevinden.

En hoe vele boeiende overleveringen zijn niet verbonden aan dien

belangwekkenden bodem; hoe vele herinneringen uit lang vervlogen

dagen doemen dáar op voor onze verbeelding; hoe wordt daar de geest

gestemd tot ernst en overdenking!-- [43]

En juist dáarom is die woeste, purperbruine, met donkergroen

geschakeerde Veluwe zoo dubbel aantrekkelijk voor den beschaafden

Nederlander (wie de geschiedenis zijns lands niet kent, zal men

natuurlijk niet beschaafd heeten!). En hoe eindeloos in getal, hoe

veelsoortig en afwisselend zijn hier de historische herinneringen! By

iederen voetstap: uit elken tijd: van toen de eerste Germaan er het

zand boven de urne zijner dooden ten heuvel opwierp, tot toen de

hervorming er de Sint-Jans Ridders uit hun rustig verblijf wechdreef;

van dat een Koning van Engeland er ter verpoozing van staatszorg zijne

valken opschoot, tot toen een Koning van Nederland, door staatszorg

vermoeid, er den scepter nederleî.--Hoe veel voor het hart; hoeveel

voor het hoofd! Hoe veel voor de wetenschap; hoe veel voor de poëzy!--

Wie onzer schilders zal nog eenmaal by zijne gave ook wetenschappelijk

genoeg gevormd zijn, om er ons de historische landschappen van te

schenken? Wie onzer dichters, om die landschappen met de handelingen

van het voorgeslacht te bezielen?

By zoo grooten rijkdom wordt de keuze van onderwerp zeker moeielijk;

maar niet alleen voor den dichter, of den schilder--ook voor den

geschiedschrijver, wanneer hy zich ten taak heeft gesteld om slechts

enkele onderwerpen te behandelen. Dus is het thands my, nu ik op de

Veluwe tusschen de eeuwen rondwandel, en niet naar eenig merkwaardig

overblijfsel zoek, maar deze zich by menigten aan my opdringen.

En wanneer ik dan den vinger zet op eene plaats, waar de herinneringen

zich ten naauwste aan het Huis van Oranje verbinden, dan vreeze ik

geenszins naar het minder belangrijke te hebben gegrepen.

Een halfuur noordwaart van het grijze Apeldoorn ligt eene heerlijke

plek gronds; niet, gelijk men ze wel eens heeft aangeduid, als een

Blinkende esmeraud, gevallen midden in het heidezand;

maar

Als in glansend goudgevonkel 't flonkren van den diamant.

Van heuvelige heide, en dichte, eeuwenheugende wouden omgeven, rees

daar in de 16e eeuw het jachtslot van den Hertooglijken Maarschalk

Johan Bentynck, uit de heldere gracht omhoog.

Heer Johan was een zoon uit het oud en edel Geslacht van Bentync, dat

reeds in de veertiende eeuw in groot aanzien stond. Zijne echtgenote,

Joanna, des Heeren dochter van Appeltern, ontsproot mede uit een der

edelste geslachten van het Gelreland. Zy schonk hem vier dochters,

waarvan de twee oudsten in den geestelijken staat--de beide jongsten

in het huwelijk traden; en vier zoons, waarvan drie ongehuwd, en de

eenige die gehuwd was, toch kinderloos overleed. [44]

Reeds in 1503 werd hy met de Heerlijkheid Arensberghe (thands

Berrinkhuizen) en de tienden in Engeland, op de Veluwe, beleend,

en omstreeks dien zelfden tijd verlijd met het Jagermeesterschap op

Veluwe en in het Nederrijkswald, waarin hy vervolgends in 1511 weder

bevestigd werd.

Wanneer, en door wie zijn huis het Loo gesticht was, en of het leven

zijner vroegere bewoners in rust of in onvrede was voorby gegaan,

daarvan weet de historie, noch de overlevering te spreken. Dat het

een lust- en jachtslot der Geldersche Hertogen zou geweest zijn,

is eene opvatting van lateren tijd, in den onze wederlegd, en voor

goed vernietigd.

Onder het toenmalig kerspel Apeldoirn gelegen, was het tot in 1537

een vrij, eigen goed, en werd den 31en Augustus van dat jaar door

Johan in leen opgedragen aan Karel van Egmond, zijn Hertog en Heer,

dien hy sints veertig jaren getrouwelijk gediend had.

De Hertog nam die opdracht willig aan, en maakte uit erkentelijkheid

voor dit en menige trouwe dienst, het ambt van Jagermeester op

Veluwe en in het Nederrijks-wald, »mit allen sijnen rechten, renten

ind toebehoir" erfelijk in het Geslacht van Bentynck. Te voren was

aan deze waardigheid ook het bezit van het Huis en de Heerlijkheid

Hoeckelom verknocht geweest; maar daar dit sedert 1481 met Herman van

Hoeckelom vervallen was, verbond Karel er andere, nieuwe voordeelen

aan, en regelde de inkomsten van het ambt voor goed; 31 Augustus

1537. Tevens bepaalde hy de erfopvolging in dezer voege:

»Ind nae sijner doet sall datselve Ampt erven ind vallen op

sijnen altsten soen Adolph Bentynck, in soe voirtaen then

euwigen daegen toe, soe lange dair mansgeboert is, van sijnen

Adolffs ind Kairls sijnen sone, van lijven gekoemen. Ind

ingevall die mansgebuert te eniger tijt gebreecke, soe sal

dat vurscr. onse meyster Jhegerampt erven ind vallen op

onsen diener ind lieven getrouwen Seger van Arnhem, ind op

sijne kynderen mansgebuert, die hij ind sijne huysvrouwe Anna

Bentynckx toe saemen verkregen hedden. Ind gebreck van den sall

datselve ampt weder aen ons, onsen erven ind naekoemelyngen

koemen ind vallen."

En de omstandigheid, by deze laatste bepaling geregeld, had weldra

plaats.

Johan Bentynck, die als eerste Edelman uit de Veluwe de overeenkomst

van 27 Januari 1538, omtrent de vereeniging van Gelder en Sutphen met

Gulick en Cleve mede bezegelde, bekleedde zijne waardigheid tot in

1543, toen hy op den 16en Oktober overleed, en ze, met het bezit van

't Loo, aan zijn oudsten zoon Adolf naliet.

Heer Adolf, nu Erf-Jagermeester van de Veluwe, werd terstond beleend

met de Heerlijkheden Arensberghe en Westerhof, en met de tienden

van Engeland. Het liep echter tot den 19en September 1547, eer hy

door Keizer Karel den Vijfde, sedert 1543 Hertog van Gelder, met het

Jagermeesterschap der Veluwe en de Heerlijkheid het Loo verlyd werd,

waarby het heergewaad, ook voor 't vervolg, werd vastgesteld op twee

witte windhonden en een jachthoorn.

Hy overleefde de bevestiging van zijn erfrecht niet lang, want

hy stierf reeds den 30en Mei des volgenden jaars, en liet zijne

kinderlooze gade, Margareta van Valck, als eene eenzame weduwe achter.

Daar nu zijn broeder Karel, gelijk wy gezien hebben, reeds ongehuwd

overleden was, viel het Jagermeesterschap, ingevolge de door Hertog

Karel van Egmond gemaakte bepalingen, op hun schoonbroeder Seger van

Arnhem, gehuwd met Anna Bentynck, na wier (mede kinderloos) overlijden,

het weder aan het Hertogdom te rug kwam. [45]

De Heerlijkheid het Loo bleef echter nog een wijle aan de vrouwelijke

zijlinie van het geslacht: Aleyde Bentynck, Heer Filips echtgenote

van Varick, bekwam het by erfenis van haren broeder, te gelijk met

de Heerlijkheid Westerhof.

In hoeverre het, nu wy dit alles met zekerheid weten, nog daarenboven

aan te nemen zij, dat Gelderlands meest beruchte Maarschalk, Marten

van Rossum, de bouwheer van het kasteel wezen mag, kunnen wy niet

meer verdedigen, al schijnt zijn wapen, met het jaartal 1538, op het

binnenplein boven den ingang van den linker zijvleugel [46] te staan.

En al moeten wy nu in de prachtige bosschen, of op de heuvelige

heide rondom het Loo, den forsch-gebouwden krijgsman en jager by

uitnemendheid, den ruwen brandstichter met zijn toch zoo open en

welwillend gelaat, missen--de Bentyncks en hunne verwanten en vrienden

(of wat Edelman, vroeger of daarna, het gezellige jachtslot moge

bewoond hebben) zullen de groene wouden en paersche heivelden niet

steeds eenzaam, en het ranke horendragend-, het knorrende tandmachtig-,

of het schuwe kleine wild, niet steeds in rust gelaten hebben. Daarom

willen wy ons dan ook eens geheel in de eigenaardige woeling rondom

een jachtslot verplaatsen,--den bezitters en hunne gasten in hun

geliefkoosd vermaak volgen, en ons daar in laten geleiden door twee

uitmuntende gidsen. Volgen wy eerst den Heer Haasloop Werner, wanneer

hy de jacht in 't woud vergezelt.

»Een prachtige stoet van jagers en jageressen, gezeten op statige

rossen en vurige telgangers, op de hand den afgerichten sperwer of

den vluggen valk houdende, doortrok toen meermalen deze foreesten. De

trein werd geopend door moedige en fraai gekleede edelknapen, aan

lederen leibanden de slanke hazewindhonden, de brakken en speurhonden

voorttrekkende, die zoo driftig en ongeduldig waren, dat het hunnen

geleiders veel moeite kostte, hen in hunne vaart te betoomen. Dan

weergalmde het anders zoo stille woud heinde en verre van hondgebas

en horengeschal; de grond daverde van het getrappel van paarden, en

onder dat alles mengde zich nog het geroep van mannen en jongens,

die met stokken op het kreupelhout sloegen, om het wild uit zijne

schuilplaats te verdrijven. Dan werd het majestueuze hert,--dat nog

op den morgen zijn dorst aan de bron gelescht, toen zijn fieren kop

opgeheven, en met een zekeren trotsch het veld (dat met heuvelen en

bosschen omringd, zich zoo aanlokkend voordeed) had overzien--opgejaagd

en vervolgd; zijn fijne reuk had hem reeds den naderenden vijand

voorspeld; éen oogenblik had het luisterend stil gestaan; was toen

met bliksemsnelheid door het geboomte gevlogen; maar de nog snellere

pijlen en jachtsprieten, soms afgeschoten door eene vorstelijke hand,

bereikten het meestal, en stervend zonk het ter aarde, om straks door

de bloeddorstige honden te worden afgemaakt."

Niet minder levendig was de hartstocht voor de valkenjacht, dat

voorrecht en lievelingsbedrijf der Edelen, in het genieten waarvan

de Heer Verster van Wulvenhorst ons geleiden zal.

»Naauwelijks heeft de rijzende zon de nevelen van den ochtendstond

voor zich heen gedreven, of alles is op het binnenplein van den

ridderlijken burg reeds vol leven en beweging. De knapen hebben

de fiere rossen opgetoomd, en de stallingen der ongeduldige honden

ontsloten; de valkeniers de valken uit het valkenhuis gedragen en,

van hunne fraaie kappen en schelklinkende belletjens voorzien, op het

raam geplaatst; terwijl de havikken hunne gewone plaats in de keuken,

voor de vuist van den rustigen weidman hebben verwisseld.

»Uit de hooge poort van het burchtgebouw treden nu de edele Vrouwen

en Jonkers, door de luidblaffende spagnoelen (oude naam der spaansche

honden, Espagneuls) omringd, in cierlijk gewaad te voorschijn. De

eersten bestijgen de fraaie hakkenijen, of telgangers, met eerbiedige

hulp der Jonkers, terwijl de geliefkoosde vogel de adelijke hand

verciert. Behendig werpen zich de Ridders in den zadel der moedige

rossen, en onder vrolijk jachtgeschal en het blaffen der honden trekt

de statige trein over de breede ophaalbrug in het vrije veld.

»Op de ruime vlakte hebben de yverige honden pas een reiger uit het

moeras opgedaan, of even spoedig stijgt de edele vogel met pijlsnelle

vaart van de hand der Burchtvrouw. Te vergeefs tracht de reiger in

eene bespoedigde vlucht zijn heil te zoeken. Een tweede opgeworpen valk

dwingt hem tot het opklimmen in het luchtruim. Immer hooger en hooger

stijgende, begint, onder het bemoedigend geroep der jagers, de felle

kamp. Met de scherpe neb verdedigt de reiger zich onverschrokken tegen

zijne machtige aanvallers, en de zege blijft onbeslist. Een daverend

gejuich van den jachtstoet kondigt het opwerpen van den derden vogel,

den ouden beproefden geervalk, aan. Een pijl gelijk, stijgt hy, terwijl

aller oogen op hem gevestigd zijn, boven den reiger en diens bekampers.

»In éen oogenblik heeft zijn geoefend oog het juiste punt gekozen,

en eensklaps stort de reiger, door een krachtigen stoot als verlamd,

van zijne overwinnaars gevolgd, uit het luchtruim. Ras ijlen de

Jonkers toe; bevrijden den reiger uit de scherpe klaauwen, en bieden

de buit aan hunne gebiedsters, terwijl een welgevallige blik van deze,

het edel jachtvermaak verhoogt."

En wilt ge, na de bywoning dezer beide jacht-dagen, nog die van een

derde, en wel de vervolging van den ever, dat grimmige dier, dat nog

lang op de Veluwe gevonden, en waarvan waarschijnlijk de laatste in

1826 door den Baron van Lijnden van Oldenaller geschoten werd--zoo

wil ik, by gebrek aan een anderen gids, zelf u voorgaan.

Het vochtige geboomt strijdt om zijn laatsten dosch,

En laat het nog zoo noô van twijg en stengel los.--

Alleen de krachtige eik draagt fier zijn bonte blâren,

Al dorden aan zijn voet de rimpelende varen,--

Al slaat de braamstruik, aan een purper-groene loot,

Zijn laatsten looverpronk van hel en gloeiend rood

Om 't bruin en vochtig mosch van tronk en wortlen henen.

Een borstlige ever ligt daar aan den tronk te lenen,

Op 't uur des dageraads, die met zijn zilverglans

Reeds opstijgt tegen 't blaauw van d' oostelijken trans.

De mistdrop kleurende aan de hooge en naakte takken,

Door 't windgeruisch verspat, laat zich door 't loover zakken

Op 't geelend woudriet en het hoog-gewassen kruid,

Dat, weeldrig saamgegroeid, des evers kuil omsluit.

Het zwart en ruige dier, half in dat groen verstoken,

Ligt in zijn volle lengte, en knorrend, neêrgedoken.

By wijlen steekt hy 't oor door 't nat gebladerte op,

En richt van 't laauwe mosch den borsteligen kop.

Hy wordt onrustig. Op de schrap gezette hoeven

Verheft hy 't bovenlijf, en blijft beweegloos toeven,

Met star gevesten blik, van grimmige angst vervuld,

Terwijl zijn vochte lip zich om den slagtand krult:--

Twee donkere oogen, door de lagere elzenstammen

Genaderd, blikken scherp de zijnen toe, en vlammen

Hem aan:--de speurhond is aan 't einde van zijn spoor;

Hy koos zijn richting goed--en is zijn vijand voor.

Het boschzwijn richt zich gants, en houdt de rollende oogen

Niet van den spie meer af. Daar komt hy toegevlogen,

Als tot den houw gereed. De rappe jachthond deinst,

En springt gestrekt te rug. Maar de aanval is geveinsd:

De listige ever schudt de borstels; wendt omzichtig

En schijnbaar traag zich af... en schiet dan, snel en schichtig,

Door struiken en struweel, en stormend op de vlucht...

Een blaffen schalt hem na--en plotslijk trilt de lucht

Van 't bassen van rondom, dat andwoordt. Kreten rijzen,

En rossen brieschen; schelle woudhoorngalmen wijzen

En seinen plaats en spoor. 't Gevogelt krijscht in 't rond.

Al 't wild, vervaard, schiet op van 't leger, langs den grond.

Het dorre loover kraakt beneden; ratelt boven;

De felle jachtstorm is de woudkrocht ingestoven--

't Is alles éen rumoer.

Voort, jaagt het boschzwijn, voort!

De dichtste struiken in; het ruwst, moerassigst oord,

De diepste wildernis en dreven om en over.

Het schaaft door 't reuzig riet; het sproeit het dorre loover

Met schuim; het streeft moeras en woudstroom in en door--

De drijvers marren niet, maar houden kloek het spoor.

Het dreunend hoefgestamp, het schallen van den horen,

Het schaatrend jachtgekrijt, klinkt altoos in zijne ooren:

Dan verre, en dan naby--maar immer onvermoeid,

En tot éen krijgskreet van verschrikking aangegroeid.

De trillende aadren zijn den vluchteling gezwollen.

Zijn gloeiende adem schijnt tot lillend schuim te stollen

Om d' opgestoken snuit. Zijn puilend oog, van bloed

Doorspat, wordt haast onzeekre leidsman voor zijn voet.

Zijn kracht schept voedsel uit zijn woede. Twee paar drijvers,

Hem tot op 't lijf genaakt in 't blinde vuur huns ijvers,

Zien zich besprongen van den vluchtling, snel gedraaid,

En hun op 't lijf gestort met bitse kracht. Hy zwaait

Den groven kop, en scheurt zijn houwers, fel en vlimmig

Gescherpt, met heesch gesnaauw, maar moordend snel en grimmig,

Den heeten honden dwars door buik en ingewand,

En werpt hen krimpend in 't met bloed gekleurde zand.

Maar 't spoor blijft ongewischt. En 't huilen der gewonden

Is slechts een lokkend sein voor nieuwe koppels honden,

Wier gretig bassen van hun komst reeds waarschuwt. Wild

Van woede en vrees, die in de ontstoken nieren lilt,

Schuimt de ever voort, en door de breedst-gewassen varen,--

Het rankrigst kreupelgroen,--de dichtste hazelaren,

En breekt een hollen gang door 't ruige struikgewelf.

Maar in zijn listig pad vermoeit hy slechts zich-zelf:

De veilige eenzaamheid is dáar ook slechts gedroomd.

Als drupplen in een straal, niet scheidbaar meer, zóo stroomt

De jachtstoet altoos na.

De felle drijvers winnen

Met ingespannen kracht, en louter vuur van binnen.

Zy naadren..... naadren..... Als een pijl schiet een hun vóor,

En 't hijgend zwijn ter zij. Het voelt in 't siddrend oor

De heete tanden. 't Rilt, en staat. Het rukt, en bukt zich

Ten doodelijken houw--maar thands vergeefs.

Daar drukt zich

Een tweede hondenmuil 't gebit in 't ander oor....

En heel de stortvloed volgt, hem nageschuimd in 't spoor,

En werpt zich op zijn leên. Het schijnt een berggevaarte

Van wriemelend gediert, hem plettrend met hun zwaarte.

Het zwarte bloed stroomt neer; het schuim vliegt op en om;

De zweetdamp walmt in 't rond; geblaf, gehuil, gebrom

Galmt schor en wild door een. De doggen slaan de tanden

In rug en schoft en zij.

Van dolle woede aan 't branden,

En trillende van pijn, houwt hy nog eenmaal rond,

En kwetst in 't wilde, en sleurt een enklen dog ten grond...

Maar krimpt zijn spieren saam, by de ijskoû van de rilling

Die hem naar 't harte schiet--en strekt met woeste trilling

De grove leden uit, voor immer:--

En nu toog

De jager 't staal, dat tusschen schouderblad en oog

Het hart getroffen had, te rug, en wischte 't rustig

In 't zweet der borstlen af.

Zulke tafreelen rijzen u onwillekeurig voor den geest, wanneer ge

in de ruime keuken, aan den rechter vleugel van 't gebouw, voor den

breeden met hertshorens vercierden schoorsteen staat, en nog half onder

den indruk ligt van het statig en geurig lommer, dat ge pas verlaten

hebt. Want, zoo als de dichter van den »Hollandschen Duinzang" zingt:

Nog is jacht hier genoeglijk, en 't weidspel in eer,

By wie rustig de leden wil reppen;

en de vergaderde buit wordt natuurlijk in de keuken saamgebracht,

thands nog zoo wel als in de dagen der Edelen van Arnhem, van Voorst,

van Isendoorn, van Stepradt, en van Dornick, die slot en Heerlijkheid

achtereenvolgend bezaten.

In het midden der zeventiende eeuw, trok het de aandacht van den

Prins-Stadhouder Willem den Derde, die, even als zijn vader, dikwerf

op de Veluwe de genoegens der jacht genoot. De toenmalige eigenaar

was Heer Johan Carselis van Dornick, met wien de Prins onderhandelen

deed over den verkoop, die in 1656 tot stand kwam.

Willem de Derde was een te voortreffelijk jager, om niet aan

de uitmuntende omstreken zijner nieuwe bezitting by voorkeur te

hechten. Maar ook als lustplaats trok ze hem aan, en hy besloot tot

de oprichting van een nieuw gebouw, in de nabyheid van het eerste,

'tgeen ook weldra onder het geoefend opzicht van zijn vriend Godart

van Reede, later Graaf van Portland, verrees, en naar den toenmaligen

bouwtrant schoon mocht genoemd worden, al kon men niet zeggen dat

die stijve bouwlijnen zoo goed met de weelderig-trotsche natuur daar

rondom samenstemden, als het oude jachtslot, dat met zijn bus- en

klokvormige torenspitsen zoo rustig tusschen het reusachtig geboomte

in de heldere gracht lag. Het was toen echter geen smaak om de kunst

met de natuur te doen harmoniëren: men waande het genialer, om de

natuur naar regelen, door de kunst voorgeschreven, te vervormen,

en zoo ging het ook hier. De tijdgeest vond dat schoon, vond dat

prachtig--en de grootste mannen der eeuw bogen hun fier hoofd voor

het corset en den hoepelrok.

En de rijke en weelderige lokken van het krachtige Veluw-landschap

vielen onder de spichtige vingeren van een Franschen kapper, die

ze besnoeide, verknipte, tot averechts krullen of sluik neerhangen

dwong--kortom: ze ten eenenmale tot een magere pruik vernielde--alles

volgends de dorre en ijskoude metriek van den vernuftigen

natuur-verminker le Notre, den toenmaligen wetgever in de hofbouwkunst.

In 1672 bedreigde echter de uitgebroken oorlog al dit kunstwerk met

vernietiging. Een bende Franschen kwam stroopende in de nabyheid

van het Loo, en scheen wel voornemens zich er meester van te maken,

toen zekere Jan van Sprang, achter boomen en struiken verborgen,

zoo wakker zijn trom roerde, dat de stroopers, geregelden weêrstand,

misschien zelfs wel aanval duchtende, ijlings aftrokken. Nog wijst

men er u zijn graf, op de zelfde plek, die eenmaal getuige zijner

kloekmoedige beradenheid was.

Toen de Prins later den troon van Engeland beklom, vormde hy al

spoedig het plan, om zijn princelijk lusthuis tot een echt koninklijk

buitenverblijf te verheffen.

De gebouwen, lusthoven, beplantingen, fonteinen en waterwerken

verkregen, naar den eisch des tijds, een nieuwen luister. De

gantsche plaats, met al de lanen en dreven, besloeg ongeveer eene

ruimte van 160 morgen lands. Drie tuinen, die de geheele breedte

van het hoofdgebouw met zijne zijvleugels besloegen, van elkander

afgescheiden door rechte, lommerrijke lanen, en allen omringd door

terrassen en beplantingen, volgden elkander achter het paleis op,

en verrukten den toenmaligen beschouwer door hunne regelmatigheid,

door hunnen rijkdom van watersprongen, marmerbeelden, grotwerken,

taxis-figuren, palm-pyramiden en andere hofcieraden--schoon ze ons

thands, ondanks hunne schaduwloosheid, zouden doen huiveren. En om

dat alles de kroon op te zetten, werd er besloten om van den Asselt,

een hoogen heuvel, door middel van steenen potten, een waterleiding

naar den tuin te brengen, om eene fontein te vormen, wier waterstralen

zich in den sprong boven het paleis zouden verheffen. Van deze potten,

die, den weg van een uur lang, in eene doorloopende richting onder

den grond zitten, wordt tegenwoordig nog menig een opgegraven.

De vorstelijke Stadhouder, op wiens schouderen zoo groote en zoo

moeielijke staatszorgen rustten, kwam byna jaarlijks naar herwaart

over, om er in zijn geliefkoosd jachtbedrijf eene verkwikkende

uitspanning te vinden; en de krachtige hand, die in die dagen

het evenwicht van Europa omklemde, en Frankrijks trotschen Koning

onverwrikt diens plaatse aanwees--schoot hier met vrolijke behendigheid

den valk op, of loste het jachtroer op den borsteligen ever of

het snelvoetige hert. Nog wijst men in het Gardersche bosch een op

zich-zelf staanden eik aan, den Konings-eik genoemd, waar Willem zijne

jachtmaaltijden hield, en die, naar het schijnt, ook wel eens voor

schijf moet hebben gediend: scheuren in de schors toch, doen hier en

daar menigen kogel bespeuren. Niet verre van daar, in het zoogenaamde

Heidendal, ligt ook nog de hertenbron, een schilderachtige waterkom,

waar, rustig en eenzaam, het statig geboomte zich weêrzijds van den

rand en uit de diepte verheft, en den vlakken spiegel met een verheven

lommer dekt.

De reigerjacht was het evenwel by uitnemendheid, die er door den Vorst

werd uitgeoefend, waartoe de ruime heivelden rondom de Udeler-meir zoo

gunstige en uitlokkende gelegenheid aanboden, terwijl het vischrijk

water-zelf de reigers uit het Soerensche bosch by menigte aan zijn

kalmen oeverzoom lokte.

De Staten van Gelderland gaven den Koninklijken jager intusschen een

bewijs hunner hulde, door het Loo en de buurschap Noord-Apeldoorn,

op de 10en December 1694, te verheffen tot eene hooge Heerlijkheid,

ten behoeve van hem en zijne nakomelingen.

Vroeger dan men vermoed had, viel deze verheffing weder in een. Zes

jaren later, in de eerste dagen van Maart, deed de Koning zijn

noodlottigen wandelrid naar Hamptoncourt; plotselijk struikelt

het paard,--de ruiter valt,--breekt het sleutelbeen--en reeds

op den 19en dier zelfde maand beweent Engeland het verlies zijns

Konings,--Nederland dat zijns Stadhouders, aan wien het zoo groote,

en niet altoos naar waarde erkende, verplichtingen had.

Daar Willem de Derde geen kinderen naliet, werd de hooge-Heerlijkheid

van het Loo ook terstond vervallen verklaard, en op den 4en April

1702 weder aan het Landdrost-ambt der Veluwe gehecht.

Nu behoorde het Loo, even als IJsselsteyn [47], onder de goederen

der nalatenschap, waarvan het bezit door de erfgerechtigden, Koning

Frederik van Pruissen en Johan Willem Friso, onderling betwist

werd. Na den dood des laatsten, 1711, geraakte het slechts tot eene

voorloopige bemiddeling; maar by de meerderjarigheid van Prins Willem

Carel Hendrik Friso kwam men op de zaak te rug, en deed moeite tot

eene bepaalde afdoening.

Baron Diederik van Lynden, Heer van de Park, 's Princen

Opperhofmeester,--Baron Hobbe van Aylva, Drossaat van 't Graafschap

Buren, 's Princen Opperstalmeester, en Johan Duncan, zijn gewone Raad

en Rekestmeester, en Raad en Rekenmeester zijner domeinen, werden als

gevolmachtigden naar Berlijn gezonden, en sloten er in 's Princen naam

eene overeenkomst, die zy vervolgends op den 16en Juni 1732 te Dieren

onderschreven, nadat de onderteekening van 's koningswege reeds den

14en der vorige maand te Berlijn had plaats gevonden.

By deze schikking geraakte het Loo gelukkig in handen van den Prins,

en werd alzoo weder het eigendom van den Nassauschen stam. [48]

Na 's Princen benoeming tot Stadhouder der geünieerde Provinciën,

beschonken de Staten van Gelderland nogmaals, en wel by besluit van

13 Januari 1748, het Loo met de rechten eener hooge Heerlijkheid, en

vergrootten er het gebied van, door de byvoeging van het geheele Ambt

van Apeldoorn en der Udeler-meir. Thands werd het weder levendiger in

de zalen, dreven, tuinen en pleinen der lustplaats; want ook Willem de

Vierde vertoefde er van tijd tot tijd, en deed verbeteren en verfraaien

waar hy dat noodig rekende. En toen de wakkere en bedrijvige Vorst

»die zich ook zonder den oorlog voor het Vaderland opofferde,"

onder zijn onvermoeiden arbeid voor het belang der Nederlanden,

op den 24en Oktober, 1751, bezweek, keerden stilte en eenzaamheid

op het Loo te rug, en hielden er weder gedurende eenigen tijd een

ongestoord verblijf.

's Princen eenige zoon, de goedaardige Willem de Vijfde, die reeds

op achttienjarigen leeftijd de waardigheden en--staatszorgen zijns

vaders erfde, verpoosde zich gaarne op het Loo, en deed er vooral de

diergaarde uitbreiden, waartoe het geschenk van den Admiraal van Braem,

na de verovering van Malabar, van twee schoone Aziatische olifanten,

hem uitmuntend te stade kwam. Zijne zachte geaartheid deed hem in

de jacht weinig aanlokkelijks vinden, zoodat hy die byna geheel ter

zijde stelde voor zijn meer geliefkoosd vermaak der visscherij, die

door de nabyheid der Udeler meir, met hare verbazend groote snoeken,

steeds uitlokkende bevrediging vond. Van deze vischpartijen wist

de geleider, die nog voor korte jaren den bezoeker van het paleis

en der tuinen vergezelde, veel te verhalen; en de goede Prins, wiens

verlangde komst telkens door hardloopers met hunne mytervormige mutsen

en geslingerde staven werd aangekondigd, en die zoo lieftallig en

gemeenzaam jegens allen was, stond hem, hoewel toen pas een knaap

zijnde, nog helder voor den geest.

Het bleven intusschen niet immer pleziertochten, die reizen naar

het Loo: Toen heerschzucht en vrijheidskoorts den Staten van Holland

dermate benevelden, dat zy het Stadhouderschap vervallen verklaarden,

en den Prins daarenboven het bevel over de Haagsche bezetting

ontnamen--waren het zeker geene genoeglijke denkbeelden van uitspanning

en verpoozing, die den edelen Vorst door het hoofd dwaalden, toen hy

de onstuimige hofplaats voor zijne stille lustplaats ontweek.

Dit was nog niet de treurigste slag die hem trof.

De tusschenkomst der Pruissische benden, onder den Hertog van

Brunswijk, herstelde het geschonden gezach slechts voor een tijd. Op

den 18en Januari, 1795, verliet de miskende Stadhouder het misleide

Nederland, en het Loo zag hem nimmer weder rustig en nadenkend door

de dreven dwalen.

En hoe het toen met Gelderlands prachtigst buitenverblijf

geschapen stond, blijkt uit de woorden van den Baron van Spaen, wier

aandoenlijkheid in hunne eenvoudigheid spreekt: »Thands heeft deeze

Heerlijkheid het lot van alle de goederen van het huis van Oranje

ondergaan; en de vriend van zijn Vaderland moet de eenzaamheid van

die uitgestrekte gebouwen, van die kunstige waterwerken, van die

aangename wandeldreven betreuren, dewijl die, door eene talrijke

Hofhouding in den zomer bewoond, vreemdelingen aanlokten en veel

vertier veroorzaakten; 'twelk voor de ingezetenen der schrale hooge

Veluwe een bron van welvaart was, die nu uitgedroogd is."

En die toestand van verlatenheid was nog de ergste niet; zelfs

niet de baldadigheden, door de Engelschen gepleegd, toen zy uit de

zuidelijke Nederlanden terug, en hier door trokken, brachtten er zoo

veel verwoesting, als de naar geld grijpende hand van het Bestuur der

eerlijke Bataafsche-Republiek: De zwaarste boomen werden omgehouwen,

het lood der daken en fonteinpijpen afgeworpen en opgegraven, en met

de prachtige meubelen, en wat door kostbaarheid van waarde was.... te

gelde gemaakt!

En indien dit geschiedde door den Staat-zelf--hoe kon men dan

verwachten, dat de vreemdeling minder dorre gevoelloosheid verraden

zou! Zeker--wanneer Johan Bentynck zijn fieren gebieder op zijn

jachtslot onthaalde, en alles daar wemelde van den rijkdom en de

pracht des Hertooglijken aanhangs--dan heeft hy wel nooit, ook maar

niet van verre, vermoed, dat het eenmaal tot een »armzalig hospitaal"

voor soldaten zou worden verlaagd. En wanneer Graaf Godart van

Portland de door hem aangelegde zalen en vertrekken voor Nederland

zag gewijd door de voetstappen van zijn vorstelijken vriend, dien

men thands erkent een der grootste Koningen van Groot-Britanje te

zijn geweest--toen heeft hy zeker ook nooit gedacht, dat eenmaal een

deel der armee van die zelfde Franschen, door een Willem den Derde

zoo nadrukkelijk in toom gehouden, de leden, met eene walgelijke

huidziekte overdekt, daar zouden neêrstrekken, en somtijds, door

verregaande onvoorzichtigheid hunne eigene krijgsgenoten, gevaar

zouden loopen om met het gebouw-zelf in vlammen te verteeren.

En toch--het jachtslot werd tot een hospitaal verlaagd; en toen het

getal der kranken tot byna zes duizend geklommen was, vervulde het

ook voor een groot deel de zalen en vertrekken van het paleis. En

toen eenmaal, nog steeds in 1795, Deventer, Zutphen, Doesburg en

Arnhem nalatig waren in het voldoen der vorderingen ten behoeve

van dat hospitaal, dreigde de Generaal van Damme, met de volmaakte

onbeschaamdheid van een Franschen veroveraar, dat hy een deel der

besmettelijke huidzieken van het Loo by de burgers dier steden zou

doen inlegeren.

De herschepping van de Noordelijke Nederlanden in een Koninkrijk

Holland, was voor het Loo eene weldaad. De goede Lodewijk--een andere

Willem de Vijfde, maar met minder begrip eener voormalige Hollandsche

deugd, die spaarzaamheid heette--had niet zoodra kennis met de

vernielde lustplaats gemaakt, of hy verlangde dat ze in beteren staat

gebracht, en weder tot een vorstelijk verblijf zou ingericht worden.

Op dien koninklijken last togen nu alle handen aan het werk; en

weder naar den toenmaligen, wel ietwat kleingeestigen, maar minder

onnatuurlijken, smaak ingericht--was het Loo weldra in staat, zijn

vroegeren roem te handhaven. Jammer slechts, dat Lodewijks bygeloovige

zwakheid het jachtslot (waar intusschen reeds voor 1730 de peer- en

klokvormige torendaken in de tegenwoordige spitsen veranderd waren)

een der grootste cieraden ontnam, door het doen dempen der gracht,

wijl hem gezegd was, dat hy zich in 't algemeen voor water zou

hebben te hoeden. Het voorkomen van het jachthuis is er merkelijk

door verminderd, en het maakt thands meer den indruk van een zware

en versterkte poort, dan van een klein kasteel. Op het paleis, weldra

door zijn bekwamen bouwmeester Tibault hersteld en verbeterd, deed hy

de eetzaal tot kapel inrichten; dit is later weder veranderd en op

den ouden voet gebracht, maar de gedempte gracht zal waarschijnlijk

wel immer in den tegenwoordigen toestand blijven. Onder Lodewijks

belangrijkste verbeteringen behoort voorzeker het aanleggen van den

straatweg, die de tot op dien tijd gebezigde mulle heibaan verving. De

koning, hoe wisselziek van aart ook, bevond zich dikwerf op het Loo;

en in den zomer van 1808 konden de omwoners zich elken zondag te goed

doen aan het vreemde en schitterende schouwspel, dat de parade van

de garde, de ruiterij, en het voetvolk hun opleverde.

Maar ook dit ging weldra voorby. Het jaar 1810 was daar; het Koningrijk

Holland werd by het Keizerrijk ingelijfd, en met Lodewijks vertrek

bleven van den voormaligen drokken en woeligen stoet in paleis en

jachtslot niet dan slechts weinige beambten over.

Toen echter de groote veroveraar Napoleon in het volgende jaar door

Gelderland trok, kreeg alles op het Loo weder voor korten tijd een

vorstelijk aanzien. In de maand Oktober was de Keizerin, vergezeld

van den Prins Neufchatel, de schoone Hertogin Monte-Bello, en geheel

een schitterenden hofstoet, aangekomen, en men verwachtte er ook

den Keizer-zelf. Deze, den 29e dier maand onder het geleide van

talrijke gewapenden van Zwolle vertrekkende, kwam nog dien zelfden

dag op het paleis aan, met den Maarschalk Duroc, Hertog van Frioul,

en een aanzienlijk gevolg, waarvan een deel hem op zijne wandelingen

door de lustplaats vergezelde, nadat alvorens de paden en lanen van

tuin en park door eene gewapende wacht van alle andere bezoekers

was ontruimd. Geen arbeider zelfs was dan het blijven vergund. »Zoo

bevreesd was de man, op wiens wenk duizenden zich in het stof

bogen, dat de Hollanders, dien hy onlangs de weldaad bewezen had,

van hen met het Groote Rijk te vereenigen, hem met ondank beloonen,

en wellicht door gehuurde moordenaars een aanslag op zijn leven

ondernemen zouden." [49]--In de nacht tusschen 30 en 31 Oktober kwamen

twee koeriers, met haastigen spoed, op het Loo aan, en de rust in de

koninklijke slaapkamer, waar slechts de wit-satijnen ledikant-gordijnen

Napoleons sluimer bespiedden, werd voor goed gestoord. Onverwacht gaf

de Keizer bevel om nog dien zelfden dag te vertrekken; en op den avond

sprak men er van zijne kortstondige verschijning, als van een bonten en

wonderlijken droom, die van eene zonderlinge rust was opgevolgd. Kort

daarna was de rust van geheel Europa weder gestoord, en werden alom

de geduchte toebereidselen gemaakt tot den tocht naar Rusland.

En deze tocht naar Rusland legde den grondslag tot de opeenvolging

van gebeurtenissen, die den oranjeboomen op het Loo weder eene

eigenaardige en vrolijke beteekenis gaven: in 1813 zette het Huis

van Oranje vasten voet op den Nederlandschen bodem, en Willem de

Eerste kende weldra geen uitlokkender oord tot ontspanning en rust,

dan de schepping van Willem den Derde.

»Sedert dien tijd werd het Loo de geliefkoosde lustplaats onzer

vorstelijke familië, die hier meer dan op het kasteel te Laeken

aan hare zucht voor eene burgerlijke levenswijze gehoor gaf." Nog

toont de gids die u er rond leidt »al de plekjens aan, waar Koning

Willem van zijne wandelingen door het park uitrustte, vooral aan den

grooten vijver, in de nabyheid van een zacht-ruischenden waterval,

en maakt u opmerkzaam op het kleine eilandjen, waar de Vorstelijke

familië dikwijls op schoone zomeravonden in de open lucht de thee

gebruikte. De regtschapen Vorst, die steeds het goede wilde, ook

schoon hy misschien dikwijls faalde in de keuze der middelen om het

te bereiken, zocht hier, vooral gedurende het laatste tiental jaren

zijner regeering, dikwerf verpoozing van de zorgen, die by voorkeur

de hooggewelfde paleizen omzwerven."

Voorwaar! Wie ook thands dat prachtige park doorwandelt, hy zal nog

het woord bestemmen, reeds in 1841 gesproken: Het is zoo aangenaam

er rond te dolen met iemant, die er zich thuis vindt, en nog iets

weet te verhalen van gintsche tijden, toen Princes Louize hier nog

haar geliefkoosd verblijf hield, en een dier bekoorlijke tentjens

bewoonde; toen onze Koningin met zooveel blijdschap hare rust genoot

in deze stille afgescheidenheid van de waereld; toen Princes Marianne

zich nog in het liefelijk hofjen verblijdde, dat ter zijde van het

paleis nog de dagen harer kindsheid vertoont; toen de boerderij, die

zoo vriendelijk door het groen bedekt is, haar een zoo beminnelijk

Nederlandsch karakter deed bezitten.--O, het Loo bevat een waereld

van gedachten, niet uit te spreken, maar die menigmaal een traan in

ons oog deed opwellen!--

Onder Willem den Eerste werden ook de ruime vijvers gegraven, wier

oevers zulk een prachtig gezicht opleveren, en die in onze dagen door

zijn kleinzoon aanmerkelijk werden verbeterd en verfraaid, zoodat zy

thands een der grootste cieraden van het trotsche park uitmaken.

Ook de oude en reeds lang vergeten valkenjacht werd er weder in

het leven terug geroepen, en met koninklijke vergunning aangelegd

door den Baron d' Offemont, Sir Charles Stuart Wortley, en de beide

Heeren Newcombe, en wel van den 1en Juni 1839, tot in den aanvang

der volgende maand.--Tot den jachtstoet behoorden 16 edelvalken en

2 tertsels, onder het opzicht der gebroeders Both, Valkeniers van

Valkenswaard. De heide rondom de Soerensche bosschen was ook weder de

streek die door de ervaren jagers gekozen was. Wanneer regen, of te

sterke wind, den valken het snel vliegen niet verhinderden, en de jacht

alzoo onbelemmerd plaats kon vinden, werden de terugkeerende reigers

op een kwartier afstands van het woud, en onder den wind daarvan,

opgewacht: gedurende het tijdsverloop van 2 ure in den namiddag,

tot aan het vallen van den avond. Telkens werden er twee valken naar

een reiger geworpen, waarvan er echter altoos éen hem ving, en nooit

beiden te zamen; somtijds werd er slechts een enkele valk opgeworpen,

die om zijne byzondere vlugheid en kracht Bulldog heette. Het getal

der gevangen reigers bedroeg in het geheel 104.

Ernstiger herinnering bewaart het Loo van het volgende jaar 1840. De

Koning, moede van de zorgen eener regeering, die sedert 1830 vooral

door de schandelijke trouweloosheid der Mogendheden verbitterd was,

en vergeefs worstelende tegen een tijdgeest, waarmede hy zich niet

vereenigen kon, kwam tot een besluit, zeldsaam onder gekroonde

hoofden: hy wilde van zijn kroon afstand doen. In het laatst van

September vertrok hy uit 's Gravenhage naar het Loo. En op Woensdag

den 7en Oktober daaraanvolgende, ten 12 ure op den middag, stond hy

in de groote receptie-zaal van het paleis voor de marmeren tafel,

omgeven van zijne kinderen en kleinkinderen, in tegenwoordigheid

van de Ministers, de Leden van den Raad van State, en die van den

Geheimen-Raad voor Luxemburg, en teekende er de acte van abdicatie,

ten behoeven van zijnen oudsten zoon, wien Nederland sints by voorkeur

zijn ridderlijken Koning noemt.

Zonderling is men te moede, wanneer men in die rijke zaal staat, en

zich dat belangrijk en plechtig oogenblik voor den geest stelt. Maar

als ge dan door de spiegelheldere glasschijven over het ruime met

acaciaas beplante voorplein, tusschen de zware eiken tegenover den

ingang, door de lange beukenlaan staart--dan gevoelt ge zoo levendig,

hoe de door zorgen beknelde borst vrij en ruim ademen moest, nu ze

het persende harnas had afgegespt.

Koning Willem de Tweede had eene voorliefde voor het door hem

byna omgeschapene Tilburg, en was derhalven niet zoo dikwerf als

zijn vorstelijke vader op de oude lustplaats der Oranjes te vinden,

schoon de valkenjachten nog eenigen tijd in wezen bleven. Toen echter

zijn onverwachte en te vroege dood hem wech nam van een volk dat hem

vereerde en liefhad; en dat diep en ongekunsteld rouwe droeg by de

mare van zijn spoedigen dood--toen werd op het Loo weder eene oude

herinnering als opgewekt met den naam van Willem den Derde.

Met dezen Vorst is ook werkelijk weder een nieuw tijdperk van

bloei voor het Loo aangevangen. Talloos zijn de veranderingen en

verfraaiïngen, door hem aan dit uitstekende landgoed aangebracht,

waarvan, behalven de reeds gemelde opluistering der groote vijvers

achter in het park, vooral de verbetering der wegen opmerking

verdient. Natuur en kunst gaan thands op de uitnemendste wijze hand

aan hand; en by het eenzaam omdwalen onder dat prachtig geboomte, die

trotsche beuken, die eerwaardige eiken, die statige linden, die donkere

dennen: allen reusachtige scheppingen der krachtige natuur, vergeet

ge haast, dat de kunst juist daar is geweest, om u dat alles in die

weelde te doen genieten. Byna 400 bunders grond zijn thands omperkt;

en de moestuin, die geen gelijke in Europa heeft, beslaat 7 bunders.

Een geheel nieuw schouwspel vertoonde zich op het Loo in 1851, door den

wedstrijd der Boogschutterijen, die op het ruime, daartoe opzettelijk

ten vorigen jare ingerichte grasperk by den ijskelder, de proeven

hunner behendigheid aflegden,--feestelijk werden onthaald, en uit de

Vorstelijke hand de hun toegezegde prijzen ontfingen. Later diende

dit perk voor de tentoonstelling, door de Geldersche maatschappij van

landbouw gehouden. In het zelfde jaar 1851, werd ook de smaakvolle

schouwburgzaal ingewijd, die onder 's Konings toezicht aan den rechter

vleugel der voorgebouwen is opgericht.

Alzoo is het Loo een kolossaal en prachtig gedenkteeken, dat de

geschiedenis van het Huis van Oranje omvat, van den eersten Willem

den Derde af, tot aan den tweeden Willem den Derde toe, van wien het

nageslacht eenmaal moge kunnen getuigen, als het thands van zijnen

grooten voorvader doet. En gaarne spreekt de rechtschapen Nederlander

den dichter na, die den Vorst uit de warmte zijns harten toebidt:

Een derde Willem stichtte 't Loo.

Wordt ook Uw naam niet dus gelezen?--

O Derde Willem! moge ook zoo

De naam Uws Vaders op U wezen!

Hy was het borstschild van Euroop--

Wees gy Oud-Nederlands beschermer!

En Gy, Oud-Nederlands Ontfermer!

Vervul door Willem Neêrlands hoop!--

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 11 / 17 题