SAGE VAN DEN AMMERSODE.

Glad is de ijskorst van den winter, die den rug der waatren dekt,

En den helder-blaauwen hemel tot een blanken spiegel strekt;

Maar wie meldt het, wat daaronder in den schoot dier waatren huist?

Wat er in de donkre diepte langs den bodem woelt en bruist?--

Feest is 't op den Ammersode, schoon geen dartel looffestoen

Poort of brug omzwiert met bloemen, nis noch zuil met lachend groen.

Schoon geen zang der burchtgenoten klinkt met vrolijk maatgeluid--

Feest is 't op den Ammersode: Jonkvrouw Ada is de bruid.--

--»Dartle lijfknaap! hoe zoo somber? Waarom in uw oog die traan?

Aan het feestmaal zit uw Jonkvrouw; gy doolt eenzaam door de laan?

'k Ben een vergereisde zanger, vreemd in Arckels burchtgebied.

Sneeuwt het daar geen roode rozen? Is de bruid uw Jonkvrouw niet?"

--»Och! al sneeuwt het roode rozen, tranen reegnen daar door heen!

Maar ze duchten er geen jammer: Ik ben angstig, ik-alleen.

't Proefjaar is ten end geloopen; 't is heur laatst banket op 't slot:

Morgen volgt heur nonnenwijding... morgen, morgen! o mijn God!...

--»Maar waarom die siddrende angstkreet?--Lijfknaap! gy, nog half een kind!

Hebt gy dan uw schoone Jonkvrouw licht in 't heimelijk bemind?

Was ze u meer dan rijke bloeme, bloeiende in een vreemde gaard,

Waar gy slechts de zorg mocht deelen, die haar voor het

weêr bewaart?

--»Heb ik haar mijn hart geschonken--'t was, gebogen op mijn kniên;

't Was met kinderlijken eerbied, zoo ik tot haar op dorst zien.

Neen--dat drukt niet op mijn boezem... maar een geest waart om my rond,

Die in 't kleppren van zijn vlerken my een naamloos wee verkondt.

»Sints dees dag aan 't oosten lichtte, toeft een vreemde op 't slot als gast--

En mijn pols krimpt wech van vreeze, waar zijn aanblik my verrast.

Zeven knechten, even somber als hun meester, naar den schijn,

Hangen zwijgend aan zijn wenken; hy mag wel de Boze zijn!"...

En een huivring van verschrikking greep den vreemden zanger aan.

Blaauw scheen hem het zwijmend maanlicht in de dorre lindelaan.

Zwijgend week hy naar den landweg, die naar 't eenzaam klooster bracht,

Waar men hem geen maal zou weigren en geen schuilplaats voor de nacht.--

Feest is 't op den Ammersode. Buiten zwijmt de maanlichtstraal--

Binnen flikkren honderd toortsen door de hooge burchtslotzaal.

Buiten klaagt door 't naakt geboomte slechts het slepend uilgesteen--

Binnen klinken pijp en cymbel door de hooge welfsels heen.

Twintig Eedlen, hoog van wapen, tusschen Maze en Leek vermaard,--

Twintig Jonk- en Edelvrouwen, aan dien Ridderstoet gepaard,--

Veertig knapen, hooggeboren, dienende aan den rijken disch--

Wie nog vraagt er van dat feestmaal, of 't een Arckel waardig is?--

Aan de zij' des grijzen Burchtheers, Vrouw Joannaas plaats weleer,

Voor haar de englen tot zich riepen, zit de grijze Abdisse neer.

Aan de zij der teedre Jonkvrouw, wie nu 't waereldsch haast ontging,

Zit de gast van d' Ammersode, zit de sombre vreemdeling.

Ravenzwarte lokken rollen langs zijn bleeke wangen heen;

Ravenzwarte wimpers zoomen zijner donkere oogen leên;

Ravenzwarte knevels dekken 't plooien van zijn bleeken mond.

Affaytadies wapen voert hy--maar wie zegt het met wat grond?--

Goudblond worstlen nog de tressen aan de huif der Jonkvrouw uit;

Goudblond is de zijden wimper, die heur teêr-blaauw oog omsluit;

En heur zacht-gebloosde trekken ademen zoo kalm een rust,

Of er de engel van den vrede haar het voorhoofd had gekust.

Bleek zijn Affaytadies wangen, als daar buiten 't licht der maan.

Duister staan zijn donkere oogen, blikt hy soms de Jonkvrouw aan.

Heel een waereld van verlangen, van verlating, van verdriet,

Trilt er in dien neevlend' oogstraal, dien hy naar de Jonkvrouw schiet.

Hooger bruist de klank der pauken; vrolijk schettert de cymbaal.

Lust en leven, vrede en vreugde stroomen zonlicht door de zaal.

Luider klinkt de toon der gasten by hun levendig gebaar.

Affaytadi fluistert somber, of hem 't spreken moeilijk waar':

»Jonkvrouw Ada! Bruid des hemels! wilt ge luistren naar een droom?

't Was, als doolde ik in 't verleden, en aan d' oever van een stroom:

't Was de Maas, wier blonde golven vloeiden langs een eilandzoom,

En een oude grenssteen rustte er aan een grijzen wilgeboom."--

Bevend zag de Jonkvrouw opwaart, en heur fijne blos verschoot.

Affaytadies wangen kleurden langsaam tot een scheemrend rood.

»Luister, Jonkvrouwe! en blijf rustig," sprak hy met een kouden lach:

»Zoudt ge huivren om een landschap dat ik in mijn droomen zag?"--

Zwijgend zag ze voor zich neder. Fluistrend boog hy tot haar heen:

»'k Zag een jeugdig tweetal zitten op dien graauw bemoschten steen.

't Was een meisjen, blond van lokken, blaauw van oogen, zoet van leest;

't Was een knaap, met zwarte hairen, bleek van wangen, droef van geest."

Siddrend zag de Jonkvrouw opwaart, en thands bleeker dan de dood.

Affaytadies wangen kleurden tot een hoog en donker rood.

»Luister, Ada! en blijf rustig," sprak hy met een bittren lach:

»Zoudt ge voor twee kindren siddren, die ik in mijn droom slechts zag?"

IJzend zag ze voor zich neder. Somber fluistrend sprak hy weêr:

»Zy was dochter van den huize; hy--een vondling, en niets meer.

Maar toch zwoer ze hem heur trouwe, by den weedom van heur ziel

En der zielen van heure oudren, zoo ze van heur trouw verviel!"--

--»Maar dat was voor twalef jaren!" riep zy met gesmoorden kreet:

»En hy is van hier verdwenen--en vergeten is die eed....."

--»Maar hy is te rug gekomen!" sprak hy, met een oog vol glans:

»En de vondling van 't verleden--is Graaf Affaytadi thands!"--

--»Heere Jezus!" kreet ze rillend; maar dien kreet vernam men niet,

Toonloos als hy ging verzwonden in het schaatrend tafellied.

Half bezwijmd zonk ze in heur zetel; maar de woeling aan den disch

Bond den blijden geest der gasten--en daar was geen stoorenis.

--»'t Is te laat thands, Affaytadi!".... En 't vloot biddend van heur mond:

»Morgen treed ik in het klooster, morgen met den uchtendstond.

Affaytadi, Affaytadi!..... hebt gy ook mijn rust vermoord--

Geef my d' eed van trouwe weder, 't onbedachte kinderwoord!"--

--»'t Is te laat thands, Ada!" ruischte weer zijn sombre fluisterstem:

»By het welzijn van drie zielen! houdt ge uw eed--of breekt ge hem?

Laadt ge een eeuwigheid van jammer op 't onschuldig ouderhoofd--

Of bewijst ge een Affaytadi, wat ge een vondling hebt beloofd?"--

--»O! daar is, daar is geen redding!" riep ze met een luiden gil.

En het dischgedruisch verstomde, zang en feestmuziek zweeg stil.

Roerloos lag zy in heur zetel, als een offer van den dood.

Affaytadies oogen vlamden, en zijn wang was gloeiend rood.

Hy was ijlings opgesprongen; maar hy scheen het niet te zien

Wie er snelden tot den zetel, om der Jonkvrouw hulp te biên.

En hy achtte, half-gebogen in een diepe vensternis,

Noch op 's vaders handenwringen, noch op 't schreien der Abdis.

Bleek was weer zijn wang geworden, en zijn mond stond strak en kil.

»Nog gaat gy my niet verloren--daar is redding, als ik 't wil"....

Sprak hy momplend.--»En ik wil het!" sprak hy ijlings voor zich heen.

--»Waar is Affaytadi?" vroeg men.... In de zaal vond hem niet een.

En een droevige verwarring heerschte in die verlichte zaal.

Buiten was het stil en zwijgend: alles schaduw, alles vaal.

In de handen 't hoofd verborgen,--in het oog een stillen traan,--

Zat de Lijfknaap op een boomtronk, in de dorre lindelaan.

Ruischte daar geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgestamp,

Half gesmoord en gants verborgen in den vochten avonddamp?

Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtgeest niet voorby?

Angstig staart hy door het duister naar de onzichtbare overzij.

Hoe!.. ging reeds de nacht ten einde? Breekt de purpren uchtendgloor

Met een vloed van rossche stralen plotslijk dus de wolken door

En verlicht de kruin der linden?... Hy blikt om naar d' oosterkant--

En springt gillend overende, met den ijsbren kreet van »brand!"

Brand!... Als stof voor wervelwinden, breekt uit raam en torentrans

Gloeiend rood een wolk van vonken, met een schrikkelijken glans.

Zwarte rookkolommen rijzen om 't gevonkel, dicht in een--

En dan breken wilde vlammen door de rookkolommen heen.

Poort en valbrug staan in vuurgloed; 't water kookt er in de gracht.

»Redding! Redding!" is het gillen... maar hoe redding toegebracht?

Als een onverdoofbre krater spuwt de burch zijn vlammen uit,

En in 't kraken van de muren smoort het kermend angstgeluid.

't Raafgebroed, van 't nest verdreven, krijscht en krast om trans en tin,

En het kleppen van de noodklok valt er ijzingwekkend in.

Louter vuur is de Ammersode,--lucht en water louter vuur.....

God bewaar' de burchtgenoten! want de redding kost er duur.

En de Zanger uit den vreemde, die naar 't gintsche klooster trad,

Wendt ontzet en schuw zijn blikken, en houdt stand op 't eenzaam pad.

En hy stort er op de kniën; en hy bidt, met bang gemoed,

Voor zoo menig deerniswaarde, die een graf vond in den gloed.--

Rammelde er geen staalgekletter? Dreunde daar geen hoefgedruisch,

Toen hy neêr lag, innig biddend voor wie omkwam op het huis?

Gonsde 't van den kant van 't burchtslot als een nachtwind niet voorby?

Met een angstig voorgevoelen staart hy naar de kloosterzij.

En hy duizelt van ontzetting, en hy steunt zich aan een stam:

Is de jongste dag verschenen? Staat heel de aarde reeds in vlam?

Dreigend rees de kloostertoren als een donkre geest omhoog--

Maar te midden van een vuurgloed, barstende uit gewelf en boog:

Vuurgloed, die het nachtlijk donker van den zwarten hemel joeg,--

Die heel d' omtrek op deed waken, en het hart met siddring sloeg.

Raadloos woelt de ontzette menigt, waar geen redding mooglijk was...

En de burcht gaat op in vlammen; en het klooster zinkt in asch.

In de borst van welken duivel rijpte, met die gruwzaamheid,

Zoo afschuwelijk een denkbeeld tot zoo schrikkelijk een feit?

Waarom is die dubble moordbrand in de zelfde nacht geschied?

Huivrend gaat de vraag in 't ronde--maar een andwoord is er niet.--

Treurig werpt het uchtendzonlicht over 't rookend puin zijn glans.

Als een wrak, ter helft versplinterd, rijst er nog een enkle trans,

Rijst er nog een enkle toren, rijst er nog een enkle boog

Van de burcht der Ammersoden uit de laauwe gracht omhoog.

Snikkende, en met schreiende oogen, zag men 't bitter schouwspel aan:

Zooveel jeugd, en zooveel grijsheid--in den wilden gloed vergaan!

Snikkende, en met schreiende oogen, groef men lijken en gebeent

Uit de zwart-gerooste puinen--al te droevig grafgesteent!--

Menig nog herkenbaar teeken: wapentooi of pronkcieraad,

Dat van 't stofflijk overblijfsel nog geslacht en naam verraadt.

En toen 't al was opgedolven, wat zoo wreed begraven waar,

Miste men met stille ontzetting nog een enkel lijken-paar.

Waar bleef Affaytadi? waar de Jonkvrouw?--En een kille schrik

Deed er aller wang verbleeken by die vraag, dat oogenblik:

Spoorloos waren beiden henen; en geen teeken, dat verried,

Wat er, na dees nacht vol jammer, met die beiden zij geschied.--

Jaren kwamen, jaren gingen--en de burch rees uit zijn puin,

En het drietal zware torens hief er weêr de trotsche kruin.

Maar, wat ooit van verre of vreemde weêr op 't burchtslot werd gehoord

Nooit een woord van Affaytadi; van de Jonkvrouw nooit een woord.

Volgends eene overlevering op de plaats-zelve, spaarden de felle

vlammen nog een ronden toren, met een gering deel van het hoofdgebouw,

en den buitengevel eener poort, die thands nog, onder een wapenschild

dat in het laatst der voorgaande eeuw met gipskalk onkennelijk werd

gemaakt, het jaartal 1564 draagt.

Eene verklaring van den Secretaris Moll te Ammersode, 15 Augustus

1606 opgemaakt [57], zegt echter, »datter in timmeragie nauwelyx een

splinter en was overgebleven." En verder: »dat daer benevens d' Edele

Welgeboren Heere, Heere George van Arckel onze lieve weerden Heere,

wiens ziele God genadigh zij, ende met sijne Edele Huys off sloth

voors. ter selver tijt mede verbrant is worden en den sesden dagh daer

na deser weerelt over leeden, gelijk ook in den voors. brand te niete

gegaen ende tot assche gekomen is Zijne Edele huysraat, meubilen,

juweelen, boeken, brieven en papieren, als doen op den voors. Huyse

weesende, behalve dat eenig gout en zilver naderhand uyten assche

ende gruys wederom nog sijn bevonden, item dat dergelijke fortune

en ongeluk ook gevuelt hebben de nabuiren en inwoonders, die meest

alle hun gelt, goederen, huysraat, klederen, klijnodien, boeken en

brieven, overmits den pereyculeusen tijt, op het voors. sloth, als

ten eenre en ter andere zijde vrij zittende, gevlugt hadden, en niet

gewoon en waren in hun eygen huyse yet te behouden, dan 't geene sij

't allen uure ten eenemaal nodig hadden."

Nadat Heer Joris op zoo treurige wijze was omgekomen, werd hy opgevolgd

door zijn eenigen zoon Otto [58], die omstreeks 1600 de verwoesting

liet herstellen, het kasteel uit zijn puinen deed ophalen, en weder als

een waardig gedenkteeken van voorvaderlijke macht en aanzien herrijzen.

Deze Otto van Arckel was thands de eenige »overblijvelingh van manlijk

oir, van den Arkelsen stam, gesproten uyt de Heeren van Heukelem,

de xj in 't dalend getal van Heer Jan de Sterke, de tweede Heer van

Heukelem." In 1614 huwde hy met Jonkvrouw Francelina, dochter van Heer

Cosmo degli Affaytadi, Baanderheer tot Ghistelle, Hilst en Lavenacker

[59]; de bruid ontfing daarby als huwelijksgave van haren vader »vijf

honderd gulden 's jaars zuijvere renthe tot laste van de domeijnen

van Zeelandt." Zy overleefde haren echtgenoot, die zich in den strijd

met Spanje als een rechtgeaart Nederlander en wakker krijgsman kweet,

en by voortduring te velde trok. Hy liet drie dochters na en éen zoon,

Thomas Walraven, die Heer van Wordragen en Well, den Ipelaer en ter

Lucht wordt genoemd, en in 1641 met Ammersode beleend werd.

Thomas Walraven was gehuwd met Jonkvrouwe Joanna Barbara, Heer

Lodewijks dochter van la Kethulle, Heer van Rijhove en Tamers, Kolonel

te paard, Ritmeester over eene kompagnie kurassiers in dienst van den

Staat, en Gouverneur van Bergen-op-Zoom. De krijgshaftige voorbeelden

zijns vaders en schoonvaders schijnen echter op hem geen invloed

te hebben gehad: men vindt niet dat hy den Staat heeft gediend. Dat

kon hem evenwel niet immer een vreedzaam leven waarborgen: de inval

der Franschen in 1672 brachten hem menige moeielijkheid, waarvoor de

sauvegarde, hem door Prins Willem den Derde op den 29en Juni vereerd,

evenmin behoeden kon. Wel ontkwam de burcht het lot dat zoo vele

anderen in die dagen trof, en werd voor vernieling bewaard--maar

niet dan ten koste van groote opofferingen, evenzeer drukkende voor

de onderdanen als voor hun Heer, wien het verblijf op het kasteel

soms maar al te bitter werd gemaakt. Alleen in 1672 moest hy eene

schatting betalen van byna 7000 gulden aan geld, haver, gerst, hooi,

stroo, kapotten, en schoenen. De arme boeren werden geprest, om drie

maanden lang te arbeiden aan de versterking van het fort Crevecoeur. In

het volgende jaar waren de afpersingen in geen geringer mate, en by

de minste vertraging volgden er oogenblikkelijk brutale aanmaningen,

zoowel van den bevelhebber van Crevecoeur als van dien der sterkte

St. Andries, waarby gedreigd werd »het slot en de woningen der

onderhoorigen zonder genade aan de vlammen ter prooi te zullen

geven, indien de geëischte som of voorraad van voeder en vee niet

oogenblikkelijk werd opgebracht."

Waarlijk! de Franschen van 1672 gingen het die van 1795 waardig voor;

en de Luitenant-Generaal der Koninklijke Armee, Graaf de l'Orge,

behoefde voor den Generaal van Damme in onbeschaamdheid niet te wijken.

In die treurige dagen hield Heer Thomas Walraven niet altoos zijn

verblijf op het kasteel, maar was ook dikmaals te 's Hertogenbosch. Het

zal hem gewis geen rouwe hebben gebracht, toen de roemrijke lelievaan

eindelijk den Nederlandschen bodem ontwijken moest.

Op den 1en Juni 1683 gaf hy, ten behoeve van Willem den Derde, die

in een verschil over jachtrecht was met den Heer van Broeckhuysen, de

verklaring, dat hy toenmaals was »het laatste en eenighste mans-oir,

gesproten in wettigen huwelijk uyt het opgemelte Huys van Arckel,

wel willende ende begeerende dat de posteriteyt hier aff kennisse

hebbe." Hy bleef ook de laatste mannelijke nazaat van wettigen bloede,

en overleed kinderloos, op den 23en Oktober 1693. Drie jaren later

volgde hem zijne weduwe.

Nu kwam Ammersode in het geslacht der Baronnen van Lichtervelde,

door Renesse van Elderen aan Arckel vermaagschapt. Catharyne, Heer

Joris dochter, had namelijk de derde harer kinderen, hare oudste

dochter Anna van Renesse van Elderen, in 1626 ten huwelijk geschonken

aan Pieter van Lichtervelde, Heer van Beaurevant, Vellenaere, Croix,

Caeskerke, Vrijlandt enz., uit welk huwelijk Johan Ferdinand, Baron

van Lichtervelde, Heer van Vellenaere en Beaurevant geboren werd. Ten

gevolge eener bepaling van Heer Otto van Arckel, door Thomas Walraven

bekrachtigd, om »gene off gesubstitueerde erffgenaemen feudael, als

den oltsten en naeste van sijnen bloede, met seclusie van alle andere

aen te stellen," erfde deze Baron thands de heerlijkheid Ammersode,

Well en Wordragen, en werd er wettig meê beleend. Hy vestigde met zijne

echtgenote Maria Catharina de Belveer zijn verblijf op het kasteel,

en overleed er op den 22en Oktober 1711.

Zijne nog minderjarige dochter, Jonkvrouwe Maria Isabella Catharina,

werd er reeds het volgende jaar mede beleend, doch hare moeder,

vrouwe Maria Catharina, genoot tot in 1754 het vruchtgebruik.

De Jonkvrouw huwde vervolgends met den Vlaamschen Edelman Jacques

Joseph de Vilsteren, Baron van Laerne, wien zy, behalven eene

dochter, drie zonen schonk, waarvan de eerste, Jean Joseph François de

Vilsteren, na den dood zijner moeder den Ammersode met de Heerlijkheid

aanvaardde. De tweede zoon, Nicolas Joseph Guislain de Vilsteren,

Baron van Laerne, werd er daarna meê beleend, en eindelijk ook de

derde der broeders, Theodore Joseph François, Baron de Vilsteren van

Laerne, die in 1792 stierf.

Het scheen alzoo, als of het bestemd was dat Ammersode beurtelings in

handen van Jacques gantsche gezin moest overgaan: want nu met Theodore

ook de jongste der zonen overleden was, erfde de Heerlijkheid over op

hunne zuster Marie Theodore Genoveve Collette, Baronnesse de Vilsteren,

echtgenote van Lebert François Christien, Graaf de Ribaucourt.

Dus was de heerlijkheid weder in een nieuw stamhuis gekomen, waaraan ze

echter slechts twee geslachten bleef. Christien, Graaf de Ribaucourt,

die zijne moeder opvolgde, had by zijne gemalin, eene Baronesse du

Quarré, twee kinderen, een zoon, Prosper Christien de Ribaucourt,

gehuwd met eene Baronnesse de Thiennes de Lombise, en eene dochter,

Eugènie Françoise Sidonie Marie Guislaine. De laatste werd by het

kinderloos overlijden haars broeders, Vrouwe van Ammersode, Well en

Wordragen, en bracht daarmede de Heerlijkheid over op de familië van

haren echtgenoot, Jonkheer Louis Alexandre Alphonse, Baron de Woelmond,

in België verblijvende, die het thands nog in bezit heeft.

Het kasteel, dat tegenwoordig door een Rentmeester bewoond wordt,

heeft in den loop der tijden, en by zoo vele verschillende bezitters,

natuurlijk herstellingen en verbeteringen noodig gehad, maar is in

hoofdvorm weinig veranderd, en komt thands nog zoo goed als in alles

overeen met de hierby gevoegde afbeelding, waarvan echter de voeting

der torens, door onnaauwkeurigheid van den steenteekenaar, niet breed

genoeg uit het water der slotgracht oprijzen. Welke lotgevallen het

in den tachtig-jarigen oorlog heeft doorgestaan--daarvan is niets

in byzonderheden bekend. Men vindt alleen in 't algemeen vermeld,

dat het in den aanvang der onlusten te lijden heeft gehad. Dit was

echter vóor den brand, en bracht dus geene verandering in de gedaante

van den lateren bouw, die, zoo als wy reeds opmerkten, nog een gering

overschot van het oude kasteel in zich opnam. Die vleugel (zegt de Heer

Schotel) waarin zich de kapel en de archiven-kamer bevinden, sedert

menschengeheugen niet bewoond, schijnt, ofschoon inwendig hersteld,

in zijn oorspronkelijk muurwerk gebleven te zijn. De dikke muren,

de diep daarin uitgehakte vensters, de steenen vloeren, de verwulfde

vertrekken, heugen meer dan twee eeuwen. De bouwvallige staat, waarin

zich deze overblijfselen bevinden, doet ons vreezen, dat zy welhaast

een prooi van hamer en moker zullen moeten worden, waardoor het statige

voorkomen van den ridderlijken Ammersode niet weinig zoude verliezen.

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 13 / 17 题