Dat dochte mi onrecht ende mesdaen!--

Het kasteel en de landerijen van IJsselsteyn (met Benscoep en Woerden

daarby) gingen uit Bertrades handen in die eener andere Edelvrouw

over: Graaf Jan beleende ze, op Wolfaerts bede, aan diens gemalin

Sybille, die er zich toch niet lang Vrouwe van schrijven mocht: 1

Augustus, 1299, viel haar echtgenoot onder de moorddadige handen der

verbitterde Delftenaren, en den 21 Mei 1300 ontfing Gwy van Avennes

van zijn broeder Graaf Jan den Tweede in rechten leen al de goederen

op Stichtschen bodem [31] van diegenen, die met raad of daad schuldig

waren aan Grave Floris dood, en hiertoe werd ook Gijsbrecht gerekend.

Deze, die na de overgave van zijn kasteel losgelaten was, loerde

slechts op de gelegenheid, om zich van zijn wettig eigendom weder

meester te maken. De inval der Vlamingen in 1304, en de verwarring,

door de gevangenneming des Bisschops in den noodlottigen strijd op

Duveland, over het gantsche Sticht heerschende, kwamen hem daartoe

weldra te stade. Of hy het in vrede, dan wel met gewapender hand

weder in bezit nam, is onbekend. Stoke meldt alleen in twee regels

den uitslag, niet de handeling van het feit, en zingt, als nam hy de

slotwoorden van een volkslied over,

En Ghisebrecht is op IJselsteine,

Dat sine hadde geweest te voren.

Zeker is hem dat bezit niet betwist geworden, want reeds den 13en

Juni vinden wy hem rustig voor het belang zijner inkomsten zorgen,

en daartoe van het Kapittel van St. Maria voor twee jaren in pacht

nemen het laag gericht (om de opbrengst der boeten en breuken) van

IJsselsteyn, van Merlo, en van Marnedijc, met de tienden en visscherij,

tegen 126 pond 's jaars.

In Augustus daarop stierf graaf Jan de Tweede, en bekwam de dappere en

edelmoedige Willem de Derde den stoel van Holland. Gijsbrecht haastte

zich tot eenen zoen, en werd waarschijnlijk door den Graaf tot Ridder

geslagen: op den 11en Augustus 1305, by eene dagvaart te 's Gravenhage

tegenwoordig, werd hy onder de »Edele luyden, 's Graven lieve en

getrouwe mannen" genoemd, en by de Ridders geteld. En toen nu zijn

oudste zoon, Aernout, in 't huwelijk trad met 's Graven nicht Maria,

bastert-dochter van Bisschop Gwy van Avennes, ontfing Gijsbrecht-zelf

het kasteel van IJsselsteyn met de 32 morgen lands waar 't op stond,

een zeker stuk lands aan de noordzijde van de gracht te IJsselsteyn,

7.5 hoeven in 't Geyn, 60 morgen lands te Rypikerwaert, 44 morgen

te Benscoep, 75 te Polsbroec, 18 te Hoenscoep, en 12 te Bloclant, in

rechten leen. Wanneer wy nu hierby voegen de bezittingen en pachten

onder den eersten Gijsbrecht vermeld, benevens die op blz. 118

voorkomende, dan kunnen wy ons van de Heerlijkheid in haren oudsten

toestand, al een vrij duidelijk denkbeeld vormen.

Intusschen was het getal der houten en rieten arbeiders- en

dienstmanswoningen, rondom en in de schutse van het kasteel

neêrgeslagen, allengs uitgebreid, en hier en daar met de woning van

dezen en genen ambachtsman vermeerderd; menig bewoner van Eyteren

had die plaats verlaten, en zich onder den IJsselsteyn neêrgezet;

zoodoende was de buurt een gehucht geworden, en het gehucht tot de

uitgestrektheid van een dorp aangegroeid, waar men groote behoefte

begon te gevoelen aan eene kerk. Heer Gijsbrecht verplaatste daarom,

met toestemming van Bisschop Gwy, en onder erkenning van het recht

der Kanunniken van St. Maria tot de begeving, de Kerspel-kerk van

Eyteren naar zijn kasteeldorp, en bevestigde daarmede voor goed den

grondslag der tegenwoordige stad, die nog altijd zijn naam draagt,

schoon zijn wakker Geslacht reeds lang is uitgestorven.

By dit alles vergat hy de ridderlijke wapenoefening niet: nog in het

zelfde jaar, 1310, op het beroemd tornier van Bergen, waar omstreeks

190 Graven, Baanderheeren, Ridders, en Knapen, uit Engeland, Frankrijk,

Duitschland en de Nederlanden saamgevloeid waren, pronkte ook zijn

wapenbord: een gouden schild, beladen met een balk van sabel, alles

gedekt door een sint-andries-kruis, van zilver en keel geschakeerd

[32]. Hoeveel aanzien hy aan Graaf Willems hof genoot, blijkt daaruit,

dat deze hem in 1314 toestond om jaarlijks in het groene woud van

Haerlem een hert te mogen dooden, en dit voorrecht zelfs erfelijk op

zijn geslacht over te brengen. Ook werd hy tot 's Graven Raad verheven,

welke waardigheid hy tevens by den Bisschop schijnt bekleed te hebben;

en in Maart 1317 beleende de Graaf hem met het gerecht, de tienden,

de kerkbegeving, en eenige landerijen te Benscoep, met het gerecht en

de tienden van Polsbroec, en met de helft van het gerecht en van de

visscherij te Opburen. Deze bezittingen vermeerderde hy nog in November

1319 met de Cuyksche leengoederen, ook reeds door zijne ouders bezeten,

strekkende, langs deze zijde des IJssels, van Opburen tot Snadelenhoec,

aan gene zijde, van 't Geyn tot Fellenoirde, en verder bestaande uit

het hooge en lage recht in den IJssel, de putten en palen, waarden en

visscherijen aldaar, met alles wat tot eene Hooge Heerlijkheid behoort.

In 1326 verkocht de Heer van Cuyk al zijne eigendommen in het Sticht

aan Graaf Willem, en deze bevestigde het volgende jaar Heer Gijsbrecht

in het verlij; tot hiertoe was slechts het kasteel met eenige goederen

daar rondom Hollandsch leen geweest, thands kwam er ook het hooge

rechtsgebied der Heerlijkheid onder, want dit was uit de Cuyksche

leenen ontstaan.

In 1333 had hy het verdriet, zijn wakkeren jongsten zoon Herbarn,

Ridder, Heer van den Bussche, door eene noodlottige gebeurtenis

te verliezen. Herbarn was met Johan van den Zande in oneenigheid

geraakt, die zoo hoog liep, dat het tot een gevecht kwam, waarin

beide Edellieden sneuvelden. Het onrecht schijnt aan de zijde des

Heeren van den Zande geweest te zijn, want in den zoen, tusschen de

aanvankelijk verbitterde geslachten der gesneuvelden door den Proost

van Sint-Pieter gesloten, werd den verwanten van Johan opgelegd om een

altaar en vicary te stichten in de kerk van IJsselsteyn, met opdracht

van het begevingsrecht aan Herbarns zoon Gijsbrecht en diens nazaten,

en daarenboven tot het vestigen eener jaarlijksche rente van veertig

grooten tornois, op de Maria-kerk te Utrecht, voor het doen van

zielmissen ten behoeve van Heer Herbarn.

Gijsbrecht van IJsselsteyn overleed tusschen 1341 en 1344, en werd

opgevolgd door Aernout, den oudsten zijner drie toen nog levende zonen

[33]. Deze was, als wy weten, in 1308 gehuwd met Maria van Avennes,

en werd kort daarop tot de Ridderlijke waardigheid verheven, schoon

sommige Edelen er laag op neêr zagen, dat hy zich aan eene Jonkvrouwe

uit onechten bedde verbond. Hy voer er intusschen wel by; ontfing

van zijn schoonvader nog op diens onverwacht doodbed (29 Mei 1317)

de voogdij van het kasteel Goye; vermeerderde zijne inkomsten met

eenige dagelijksche gerichten en schout-ambten, en was reeds een

gezien Edelman, toen hy de Heerlijkheid van zijn geslacht beërfde,

waarmede hy zich niet alleen door Gravin Margareta deed beleenen

(1346), maar ook nog daarenboven door Bisschop Jan van Arckel, voor

zoo ver deze te eeniger tijd in het bezit dier goederen mocht komen;

ten opzichte van den Bisschop verbond hy zich daarentegen om te

zorgen dat een verlangd huwelijk tusschen diens broeder Robbrecht,

den Ruwaard van 't Sticht, en Aleyde [34], Heer Otto van Arckels

Erfzuster van Asperen en Hagesteyn, tot stand kwam, hetgeen ook

werkelijk geschiedde. De goede verstandhouding tusschen hem en den

Kerkvoogd ging echter in de oneenigheden tusschen den laatste met het

Beiersch Gravenhuis van Holland ten onder: Aernout die de Hollandsche

zijde hield, verkreeg daarvoor wel van Hertog Willem het belangrijk

voorrecht om Utrechtsche ballingen tot poorters van IJsselsteyn te

mogen toelaten, maar de uitoefening daarvan duurde niet lang, want

toen zijn bestand met Bisschop Jan ten einde geloopen was, terwijl

deze zich te Rome bevond, trok de Maarschalk van het Sticht op maandag

na beloken Paschen voor IJsselsteyn en sloeg er zijne tenten om heen.

Vijf weken lang werd de plaats met allerlei stormtuig aangetast,

en toen zag Aernout zich gedwongen tot de overgave, en genoodzaakt

om met eede te bezweren, dat hy en de zijnen in 't vervolg goede

en getrouwe Stichtsmannen zouden blijven, en nimmer weder tegen den

Bisschop of de stad oorlog voeren. Hy hield echter zeer slecht woord,

voegde zich spoedig weder aan de Hollandsche zijde, en werd door Hertog

Willem, die hem »zwager" [35] noemde, met gunsten overladen, ja zelfs,

met den tytel van Baanderheer, tot Hertooglijken Raad benoemd.

De Bisschop was over dit alles niet weinig verbitterd, maar te

vergeefs; en in Holland was Aernouts aanzien zoo gestegen, dat hy,

met Heer Jan van Drongelen en de stad Dordrecht, in 1358 gemachtigd

werd tot het waarnemen der regeering, tijdens de afwezigheid van

Hertog Aelbrecht.

Zijn ouderdom en langdurige ervaring moeten hem een groot vertrouwen

verworven hebben, want dikwerf werd hy in belangrijke geschillen

als scheidsman geroepen: onder anderen in 1359 tusschen Eduard, des

Hertogen broeder van Gelre, en Hertoge Aelbrecht; tusschen Hertog

Aelbrecht en Jan, den Heere van Arckel; tusschen den Heer van Arckel

en Jan, Heer van Polanen en van de Leck. Ook schijnt er tusschen hem

en den Bisschop eene volkomene verzoening tot stand gekomen te zijn:

toen hy in 1360 eenige goederen aan de kerk te IJsselsteyn schonk,

en de Bisschop dit goedkeurde en bevestigde, noemt deze hem »onzen

bloedverwant en Baanderheer."

Hy stierf, hoog bejaard, in 1362 of 1363, en werd in het volledig bezit

der Heerlijkheid en alle goederen opgevolgd door zijne Erfdochter

Guyotte of Gwyda [36], die sedert 1330 gehuwd was met den rijken,

machtigen, en onvertsaagden Jan van Egmond, van wiens daden reeds

by de behandeling der Egmonder burcht gesproken is, en die, nevens

zijne echtgenote, in 1366 door Hertog Aelbrecht met de Heerlijkheid

verlijd werd.

Ook hunnen oudsten zoon en opvolger, Aernout, behoeft hier slechts

herinnerd te worden. Als Heer van Egmond en IJsselsteyn bewees hy,

in 1380, Bisschop Floris van Wevelichoven groote diensten by den

oorlog met den overmoedigen Ridder Everaert van Essen, en het beleg

van diens kasteel van Eerde. Ook werd onder zijn bestuur de stad in

1390 merkelijk versterkt, nadat ze in 1374 door de plundering van

Heer Willem van Rees, Krijgsoverste van Bisschop Aernout van Hoorn,

veel geleden had.

Heer Aernout stierf in 1409, en liet twee zonen na, waarvan de oudste,

Jan, Heer van Egmond werd, terwijl de tweede, Willem, in het bezit

van IJsselsteyn geraakte.

Willem van Egmond van IJsselsteyn, gehuwd met Jacob van Borssele van

Brigdammes weduwe, Anna van Hennin, eene dochter van Gauthier, Heer van

Bossu, werd weldra in de oneenigheden gewikkeld, die tusschen zijnen

broeder en Willem den Zesde ontstaan waren, en reeds onder Egmond door

ons vermeld zijn [37]. Toen namelijk Jan van Egmond onder vrij geleide

voor den Hoogen-raad van Holland was gedaagd, maar niet verscheen,

werd hy ten gevolge daarvan gevonnisd als schuldig aan hoog verraad,

en, met verbeurtverklaring zijner goederen, uit den lande gebannen. Hy

achtte zich daarop in Holland niet langer veilig, maar vertrok ijlings

naar IJsselsteyn, en zocht er by zijn broeder eene schuilplaats. De

Graaf-Hertog zond, zonder lang te toeven, zijne gezanten derwaart,

en deed kasteel en stad opeischen, maar ontfing een weigerend

andwoord. Hierop verzamelde hy een deel zijner Ridderen en knechten,

en zond ze, omstreeks Sint-Maria Magdelena, 1416, met een groot aantal

poorters uit de Hollandsche steden naar de weêrspannige plaats, om die

te belegeren. Egmonds vrienden en verwanten, waaronder voornamelijk

Heer Jan van Vyanen, Jonker Jacob van Gaesbeec en Heer Hubrecht van

Culenborch, maakten zich nu over zijn lot bezorgd, wel inziende dat

hy op den duur geen tegenstand zou kunnen bieden, en gevaar liep om,

wanneer hy den Graaf-Hertog als gevangene in handen viel, als een

landverrader het lijf te verliezen. Zy besloten om eene poging tot

verzoening te wagen; begaven zich in allerijl naar Schoonhoven, waar

Willem van Beieren nog vertoefde, en werkelijk gelukte het hun hem te

verbidden, mits de Egmonders zich onderwierpen. Zoo terstond lieten

deze zich echter niet vinden. De bemiddelaars reden menigmaal over

en weêr, dàn naar den vertoornden Landsheere, dàn naar de oproerige

broeders, en brachten het eindelijk tot een vergelijk. Zeker hebben zy

den overmoedigen Ridders het wanhopige van een gewapenden weêrstand,

en het noodlottig einde eener dwaze volharding, doen inzien, want de

voorwaarden der bevrediging waren zoo goed als verkoop hunner rechten

en goederen:

»De Heer van Egmond en Heer Willem zijn broeder zouden rijden uit

IJsselsteyn, en behouden hun reede have, die zy daar binnen hadden,

en blijven uit den lande van Holland en Zeeland, en daar niet weder

in komen, ten zij by wille en meêweten van Hertoge Willem. En de

Heer van Egmond zou overgeven en afstaan alle recht en toezeggen,

dat hy had aan den huize en aan der stede van IJsselsteyn, en aan

der Heerlijkheid, tot 's Hertogen Willems behoef. En de Hertog zou

jaarlijks doen uitreiken aan den Heer van Egmond, hem en den zijnen,

ten eeuwigen dage, tweeduizend oude schilden; aan Heere Willem, zijnen

broeder van IJsselsteyn, zeshonderd kroonen, en hun beider moeder,

Vrouwe Jolande van Linningen, achthonderd kroonen tot haren lijftocht."

De brieven dezer voorwaarden werden opgemaakt en van wederzijde

bezegeld, en de beide broeders verlieten daarop met hun gevolg en

tilbare have de stad en het kasteel van IJsselsteyn, die onmiddellijk

overgingen in handen van den Graaf-Hertog, en van zijnentwege bezet

werden. De inwoners ontfingen hem voor hunnen Heer, en beloofden hem

hoû en trouw te zijn, »en swoeren dat ten Heyligen."

Den 31en Mei, 1417, stierf Willem de Zesde te Bouchain--en toen

bleek het weldra, dat de IJsselsteyners hunnen eed, schoon zelfs op

geheiligde overblijfselen gedaan, als gedwongen beschouwden, en zich

niet gebonden achtten om hem te houden.

Naauwlijks was den Egmonders de doodsmare ter oore gekomen, of zy

verzamelden in korten tijd een bende gewapenden, waarmeê Heer Willem

naar IJsselsteyn toog. Op Sacramentsnacht, by het krieken van den

dageraad, kwam hy voor de stad; en zijne aanhangers daar binnen,

die reeds van zijn aantocht verwittigd waren, openden hem terstond

eene poort, zoodat hy er zonder slag of stoot meester werd, pas elf

dagen na des Hertogen dood. De slotvoogd, die het kasteel voor de

Hertogin Jacoba bewaarde, was echter getrouw aan zijn eed, versperde

allen ingang, en wachtte beleg en bestorming af, hoewel het aantal der

mannen van de bezetting niet groot was. Het duurde evenwel niet lang,

of hy kreeg vaste hoop op ontzet.

Jan van Montfoort en Walraven van Brederode, de natuurlijke vijanden

van IJsselsteyn en Egmond, vernamen niet zoodra der broederen feit,

en daarby te gelijk des slotvoogds trouw, of zy stelden alle andere

zaken ter zijde, om het kasteel te ontzetten en de stad weder te

winnen. Montfoort, de voormalige Domdeken, begaf zich oogenblikkelijk

naar Utrecht, waar hy den volksgeest by uitnemendheid kende, en stelde

den Raad voor, om zich het belang van Jacoba in deze aan te trekken,

hem van manschap en krijgsvoorraad te voorzien, en zonder marren tegen

IJsselsteyn op te trekken; hy stelde zich borg, dat de Hertogin zou

goedkeuren om kasteel en stadsmuren ten bodem te werpen en geheel

te slechten. Dat was een te groot lok-aas voor de goede mannen van

Utrecht, om het te kunnen weerstaan: IJsselsteyn was hun te lang

een zwaard in de zijde geweest, om zich niet hoogst gaarne eene

opoffering te getroosten, wanneer zy er spoedig van verlost mochten

worden. En alzoo trokken de Sint-Maartens-mannen reeds op Vrijdag na

Sacraments-dag voor de thands zooveel onrust barende plaats.

Toen Montfoort hunne aankomst vernam, spoedde hy zich ijling mede

derwaart, en sloot zich met zijne eigene wapentuurs by hen aan. Daarop

zonden zy eene goed gewapende bende vooruit naar 't kasteel, om den

slotvoogd by te springen, maar--het vaandel van den trans woei hun

eene slechte tijding tegen: Heer Willem had in dien tusschentijd

mede niet stil gezeten, en, wel peinzende wat er volgen mocht, zich

meester van zijn voorvaderlijke burcht gemaakt.

Dit viel den verbondenen zeer tegen; maar nu zy eenmaal ter plaatse

waren, besloten zy, na korten raadslag, om niet onverrichter zake het

veld te verlaten, maar daar by voorraad te blijven liggen. Het duurde

niet lang, of ook Brederode kwam met de zijnen aan, en sloeg zich by

hen neder; en toen nu weldra ook de benden der Hollandsche steden en

de poorters van Amersfoort verschenen en zich by hen voegden, werd

het inderdaad een insluitings-leger, waarover IJsselsteyn zich wel

verontrusten mocht. Want wanneer hy van den slottoren staarde, zag hy

zich ingesloten door een zee van tenten en paviljoenen, waarvan slechts

vijandelijke wimpels en banderollen woeien; en wanneer in de verte een

oprijzende stofwolk, of het flitsen der zonnestralen op stormkappen

en speerpunten, de aannadering van krijgsknechten vermeldden, dan

moest hem dit een verdrietelijk en onrustbarend gezicht zijn:--hy had

geen machtige bondgenoten, met wier hulp tot ontzet hy zich vleien

mocht, en zijn broeder van Egmond, hoe ridderlijk en onvertsaagd hy

was, mocht een storm helpen afslaan, en de tuimelende vijanden doen

vloeken op »Jan met de bellen."--hy vermocht toch geen gantsch leger

te vernielen, al deden dat ook zijne nobele voorbeelden: de Paladijnen

der Arthur- en Karel-romans. Ook werd er yverig aan het beleg gewerkt;

de Utrechtenaars vooral, »dien menich leet uyt Ysselsteyn gedaen was,"

werkten onvermoeid aan loopgraven en bolwerken, zoodat zy al spoedig

een der laatsten zoo naby de stad opwierpen, dat de afstand op sommige

plaatsen geen boogschot ver meer was.

Een deel der stede-bannelingen van Utrecht, met den Domdeken Herman van

Lochorst, Johan van den Spiegel, en eenige vijanden van het sticht,

hadden zich intusschen by Heer Willem gevoegd, en waren de bezetting

van het kasteel komen versterken; maar ook de belegeraars kregen een

nieuwen bondgenoot in Jan van Beieren, die, als mede zorg schijnende

te dragen voor de belangen zijner nicht, zich ten spoedigste had

uitgerust, en het getal der bespringers kwam vergrooten.

Heer Willems kans werd meer dan hachlijk, en hy zag dit zeer wel

in. Een vergelijk-alleen kon hem van gevangenschap of dood ontslaan--en

hy neigde tot het eerste. De onderhandeling, door bemiddeling van Heer

Jan van Heynsbergen gevoerd, duurde kort, want het was als overmacht

tegen onmacht.

En veertien dagen na den aanvang van 't beleg trokken de broeders,

met hunne meêgebrachte goederen, en met hun gevolg en aanhang,

waaronder ook de Utrechtsche ballingen, uit burcht en stede, en werden,

ingevolge de voorwaarden van het verdrag, uitgeleid tot Nyendam, van

waar zy, altoos buiten de landen der Hertoginne, een goed heenkomen

moesten zoeken.

De arme poorters intusschen, die met een nieuwen eed van hulde

waanden vrij te komen, werden, zoodra de overwinnaars binnen waren

getrokken, gevangen genomen, en ter beschikking van Jacoba gesteld, met

uitzondering van een gedeelte, waarover de Elect zich meester stelde.

Toen de Hertoginne kort daarna in Holland kwam, herinnerden de

Stichtschen Montfoort aan zijne belofte omtrent de vernieling van

IJsselsteyn; en werkelijk wist de Burchtgraaf door tusschenkomst

van Brederode het daarheen te brengen, dat Jacoba, die nog weinig

blik in 's Lands toestand had, aan de willekeurige voorwaarde hare

goedkeuring schonk. Vervolgends kwam Heer Walraven op Sint Pieter en

Pauwels daarna te Utrecht, en nam een hoop volks van daar met zich

naar IJsselsteyn, om den arbeid der verwoesting aan te vangen. Nu

speelden moker en houweel een spel, dat den sloopers uit onze dagen

zoû doen watertanden: de eene toren na den andere stortte in; de

eene poort na de andere viel te zamen; het eene muurvak na het andere

bedekte den bodem; en dat alles onder het woest en spottend gejuich

der baldadige poorters van Utrecht, die in hunne dwaze en hoovaardige

vreugde aan niets dan aan het koelen van hun wrok dachten--zonder er

zich over te bekommeren of het Geslacht, dat zy zich op deze wijze ten

doodvijand maakten, niet te eeniger tijd by machte van weêrvergelding

zou kunnen komen. Zy arbeidden, naar hun eigen inzien, als goede

en verstandige Sint-Maartens-mannen, voor de eere en het welzijn

hunner stad, onvermoeid als onbevreesd, en zetteden, na alle steen

tot puin gestort te hebben, hun werk de kroon op, door de geschonden

plaats aan de vlammen ter prooi te geven, waarvan slechts de kerk en

het klooster verschoond werden. Op beide deze gebouwen na, was het

IJsselsteyn van 1417 het Egmond van 1315 gelijk geworden.

Heer Willem van Egmond van IJsselsteyn overleed op den 31en December

1451, nalatende twee natuurlijke kinderen, eene dochter, Belia,

gehuwd met Berthout van Rietwijc, en een zoon, Aernout van IJsselsteyn

genoemd, die in den echt trad met Barbara van Borssele, en in wien

wy den schraapzieken Slotvoogd van Woerden hervinden, wiens vrekkige

aart het der kloekheid van Johan van Montfoort zoo gemakkelijk maakte,

om hem op tweede kersnacht, 1488, te verschalken.

Na Heer Willems dood viel, by gebrek alzoo van een wettigen telg,

de Heerlijkheid op zijn neef en naamgenoot Willem, tweede zoon van

den vurigen Jan van Egmond, dien wy nu reeds herhaaldelijk als den

krijgshaften »Jan met de Bellen" hebben leeren kennen.

Willem van Egmond was reeds door zijn ouderen broeder, Hertog

Aernout van Gelder, beschonken met de goederen van Willem van Buren,

in 1430 ontzet, en voerde den tytel van Heer van Buren, Leerdam,

Schonerwoert en Haestrecht, en des lands van Mechelen. In den slag

met Hertog Gerhard van Berg, 10 November, 1444, die vooral door de

lafhartigheid van Geraert van Culenborch verloren ging, toonde Willem

van Egmond een ridderlijken en onvertsaagden moed, maar zag zich,

door de overmacht gedwongen, eindelijk met zijn getrouwen Drossaat

tot de overgave genoodzaakt. De onbescheidenheid van zijn aartsvijand

Willem van Buren, sints 1430 Veldheer van den Hertog van Berg, was

gelukkig oorzaak van zijn bespoedigden loskoop. Hy was reeds een vol

jaar krijgsgevangen, en Hertog Aernouts geldelijke toestand had het

betalen van den losprijs nog niet gedoogd, toon Buren hem op den 13

November, 1445, een brief zond, waarin hy hem gelastte zich over acht

maanden na Sint-Jacob, toen volgende, naar de stad Berchem te begeven,

er leisting, of verblijf om schuld, te houden in het huis van zijn

tollenaar Koenraed van Boelendorp, en niet van daar te vertrekken

buiten zijne bewilliging, of hy zou hem met woorden en schandbrieven

voor de gantsche waereld als eerloos en meineedig verklaren.

Eene dergelijke leisting had voor Geldersche Ridders niets vreemds,

maar de wijze waarop zy nu gedaagd werd, was krenkend voor Egmond

en Gelder beiden. Hertog Aernout nam daarop zijne maatregelen, en de

loskooping volgde eerstdaags.

Toen de laaghartige Adolf, Hertog Aernouts zoon, in verbond met zijne

onnatuurlijke moeder Catherine van Cleve en een deel verraderlijke

Edelen, zijn vader in 1465 te Grave gevangen nam, deed hy ook den

niets kwaads vermoedenden Frederic van Egmond, Heer Willems zoon, in

hechtenis nemen. Vergeefs trachtte Heer Willem, die ter goeder trouw

maar al te dikwijls Adolfs voorspraak by diens vader was geweest,

thands voor broeder en zoon te spreken: hoe zou hy, die de vaderlijke

weldaden met den gruwelijksten ondank vergold, herinnering hebben

voor de weldaden van den oom!

Het duurde zelfs niet lang, of Adolf, die de wederspannigheid

der Roermonders aan heimelijk opstooken van zijn oom toeschreef,

liet al diens leenen in Gelderland aanslaan, en viel hem met

allerlei betichtingen lastig. Graaf Vincent van Meurs, Heer Willems

schoonbroeder, wist voor hem nog vrijgeleide te verkrijgen; maar toen

Willem te Arnhem kwam om zich te verandwoorden, en daartoe met Vincent

naar 's Hertogen hof ging, keerde de woesteling hun den rug toe en

liet hen staan. En toen de Graaf in een afzonderlijk gesprek er op

aan drong, om te weten hoe het dan toch met Heer Willems zaak gaan

moest, voer Adolf toornig uit: »Wy beboeten hem voor 20000 Rijnsche

goudgulden--tenzij hy de inkomsten van den tol te IJsseloord zal

betalen, of dien tol laten varen."

Toen de Graaf dit woord overbracht, sprak Willem met bitterheid: »Zie,

dit is dan de dank, dat ik zijn vader zoo dikwerf heb verbeden, en de

verschillen tusschen zijne steden beslecht: hy, die my mijn lieven

broeder (zijn eigen vader!) en mijn zoon ontroofd heeft, dreigt my

thands ook van mijne inkomsten te berooven."--En nadat hy den Grave

gemachtigd had om met den overweldiger nader te onderhandelen, wierp hy

zich netelig in 't zaal, en reed, van een enkelen dienaar vergezeld,

naar zijn Slot van Baer, waar hy zich terstond maatregelen nam,

om Hertog Jan van Cleve, de stede Wageningen, en eenige anderen,

met de meineedige handelwijze en onverdraaglijke trotschheid van

Adolf bekend te maken.

Gedurende den daarop gevolgden oorlog met den Clevenaar, zond Adolf

eene bende krijgslieden onder Otho van Weeren naar IJsselsteyn,

waar men allengs weder was beginnen aan te bouwen, maar nog altoos

zonder beschutting van muren lag. Het viel den Geldersman derhalven

niet moeielijk de plaats te overrompelen. De kerk en het klooster,

door de Stichtenaars nog gespaard, werden thands met de herbouwde

woningen en hutten mede aan de vlammen overgegeven, en de weerlooze

menigte werd schandelijk en laaghartig mishandeld. Deze boosaartigheid

bleef niet gants ongestraft: vijfenveertig der plunderaars op hun

keertocht toevende binnen Gorcum, waar zy zich veilig waanden [38],

werden onverhoeds gevangen genomen en in de ijzers gezet. Negentien

hunner, uit den stok brekende, zochten deels in het Minoritenklooster,

voor een ander deel in de H. Geesthuiskerk een toevlucht. Maar te

vergeefs: de stadhouder van Holland deed hen van daar en naar 's

Gravenhage voeren, waar zy op den 26en en 29en Mei, 1466, ondanks

alle smeekingen en voorbeden hunner verwanten en betrekkingen,

onthalsd en geraderd werden.

Jonkheer Frederic was intusschen zijne gevangenis door list ontsnapt,

en by zijnen vader aangekomen, waarop zy-beiden hunne volgers gewapend,

en zich by het leger des Hertogen van Cleve gevoegd hadden, van waar

zy hunnen vijandelijken bloedverwant menige schade toe brachten,

en zelfs Arnhem verrasten.

Na den vrede van Gent, 1469, begon de roekelooze Adolf weder de oude

treken tegen zijnen oom. Heer Willem, evenzeer verontwaardigd als

verraderij duchtend, begaf zich onmiddelijk naar Hertog Karel van

Borgondië, door wiens ernstige tusschenkomst eindelijk de rollen werden

verwisseld: Adolf in hechtenis geraakte, en Aernout op vrije voeten

kwam. De oude Vorst erkende de trouw en gehechtheid van zijn broeder

en diens zoon: Hy beschonk den eerste met de tollen van IJsseloort en

Arnhem, en begiftigde den tweede met de stad en het kasteel van Buren,

geheel en al, met tollen, dorpen, inkomsten, en rechten; daarenboven

benoemde hy hem later tot Slotvoogd van het kasteel te Grave, waar

hy, na zijn afstand van het Hertogdom aan Karel, gewoonlijk verblijf

hield en ook, op den 23en Februari 1473, overleed.

By het verzet der Gelderschen tegen Hertog Karel, sloot Heer Willem

zich der partij van den laatste aan, en verscheen met zijne drie zonen

en hunne wapenknechten zelf in 't Hertooglijk heir, waar hy groote

diensten bewees, en in het beleg van Nymegen, 1473, zijne tenten

opsloeg aan de overzijde van de Waal in 't dorp Lent, aan de zijde van

zijn ouden vriend den Hertog van Cleve, met wien hy de overmoedige stad

zeer in de engte bracht. Hertog Karel toonde hoezeer hy de diensten

en bekwaamheden van Willem op prijs stelde, en stelde hem, na de

onderwerping van Gelderland, tot zijnen Ruwaard over dat gewest aan.

De dood van Karel den Stoute, 5 Januari 1477, bracht Willem in

ongelegenheid met de Gelderschen, die hem wantrouwden, en Catharyne

van Gelre, op verlangen van heur geslaakten broeder Adolf (kort

daarna echter voor Doornic gesneuveld) als Voogdesse aannamen. In

de vijandelijkheden, hieruit metterdaad ontstaan, werden zijne beide

jongere zonen Frederic en Willem door de poorters van Nymegen gevangen,

en drie jaren lang in den zwaren toren tegen over het Valkhof in

hechtenis gehouden.

De Aarts-Hertog Maximiliaan, in deze zaak gemoeid, wierp zelf een oog

op het bestreden Hertogdom, en nam Heer Willem, om hem aan zich te

verbinden, in 1478, te Brugge, onder de Ridders van het Gulden-vlies

op. De grijze Ridder, in wien wy thands moeielijk den ranken Edelman

met de zwarte krullende hairen kunnen herkennen, dien wy in 1451

op het kasteel te Egmond aantroffen [39], droeg het vorstelijk

onderscheidingsteeken nog byna vijf jaren op de fiere borst. Toen

overleed hy op het kasteel van Grave, 19 Januari 1483, en werd aan

de zijde van zijnen broeder Aernout begraven.

Frederic van Egmond, zijn opvolger als Heer van IJsselsteyn, en

gehuwd met Jonkvrouwe Aleyde, Heer Geraerts dochter van Culenborch,

had intusschen reeds overvloedig van zich doen spreken. Ook wy hebben

hem reeds ontmoet by de Utrechtsche onlusten, waarin de Burchtgraaf

van Montfoort, zijn erfvijand, zulk een overmoedige rol speelde [40],

en Frederic als Opperbevelhebber het leger des Bisschops aanvoerde.

Hy begon de vijandelijkheden met het verbranden van eenige huizen aan

de Catrynepoort buiten Utrecht, het rooven van vee uit de landerijen

aan den Rijn, en het gevangennemen van eenige Stichtschen, die hy

deed uitschudden en naar IJsselsteyn voeren, dat door hem reeds onder

Karel den Stoute, en met diens goedkeuring, opgebouwd en versterkt

was geworden. Een inval der Montfoorters onder Jan van Middachten werd

door den IJsselsteynschen Bevelhebber Lambrecht Myllinck gekeerd. In

de nabyheid van het steedjen had een hevig gevecht plaats, waarby

Middachten met negen ruiters en zeven poorters gevangen genomen werd,

terwijl Myllinck, zijn behaald voordeel vervolgende, de landen van

Montfoort en Utrecht met vuur en staal verwoestte. Eene onderneming

der IJsselsteynschen in het volgende jaar gelukte volkomen. Van het

kasteel Oudegein, aan de vereeniging van Lec en IJssel gelegen,

en wel op den noordelijken oever der laatste rivier, werden een

tijd lang de hinderlagen bespied, die de ruiters van IJsselsteyn

langs den vaartschen Rijn legden, wanneer zy den voorraad, die van

tijd tot tijd naar het blokhuis aan de Vaart werd gevoerd, wilden

onderscheppen. Zoodra men de loerende krijgsknechten bespeurd had,

werd het sein gegeven aan het kasteel Vronesteyn en aan de Vaart,

en de vaartuigen die beladen waren zetteden hunne reis niet verder

voort. Te vergeefs mochten die van IJsselsteyn zich een poos afmatten,

wie hun dezen trek speelde. Eindelijk ontdekten zy de ware toedracht,

en besloten zich van den steenen spie te ontdoen. Op zondag,

16 Juni 1482, overvielen zy den Oudegein, verjoegen de bezetting,

plunderden en verbrandden de burcht, en keerden met de behaalde buit

triomfantelijk in hunne stad te rug. De Stichtschen leden door dit

verlies grooten last, want van nu aan legden Heer Frederics mannen

hunne hinderlagen weer onbespied, en maakten zich zoowel van de

vijandelijke krijgslieden, als van mond- en krijgsvoorraad meester.

De bebouwde en bloeiende vallei van het Sticht werd door deze

onophoudelijke en wederkeerige invallen een woestenij, waar netel en

klisbloem welig tusschen de zwartgebrande puinhoopen opschoten, en

het rijpe koren den paarden der vernielzuchtige ruiters tot voedsel

diende. En zoo mocht de geplaagde Stichtenaar van 1482 wel met den

verdrukten Kennemer van 885 klagen:

»Des vlegels maatslag op den dorschvloer,--op de velden

Het vrolijk arbeidslied by spade of zeis--hoe zelden

Wordt meer hun volle galm, hun heldre toon gehoord!

Ach! 't land brengt doornen meest en ruige distlen voort!"--

Toen de Burchtgraaf van Montfoort eindelijk meende den oorlog

op grootere schaal te kunnen voeren, besloot hy om zich in de

eerste plaats meester te maken van den zetel zijner doodvijanden,

de Heeren van IJsselsteyn. Met allen spoed, maar te gelijk met ernst

en naauwlettendheid, werden de toebereidselen daartoe gemaakt--en

zoo zagen de poorters der stad op dingsdag den 27en Augustus 1482,

ten 4 ure in den namiddag, een leger van ongeveer 4000 man voor hunne

wallen. Zeventien schouwen voerden groote en kleine donderbussen,

stormtuigen, en andere krijgsbenoodigdheden aan; en alles deed zien,

dat het Cleve en Montfoort met de bestorming ernst was. Het leger

werd in drie hoofdbenden verdeeld, waarvan de eerste achter langs

den IJsseldijk de tenten opsloeg, de tweede den kruisweg die naar

Lopic voerde bezettede, en de derde zich in en rondom het klooster der

Cysteriënsen vestigde. Ofschoon er met bestormen werd getoefd, totdat

Reynier van Broechusen met de Cleefsche hulpbenden zou zijn aangekomen,

liet men evenwel de stad niet met rust. De groote donderbussen, die

reeds in de nacht tusschen dingsdag en woensdag by het klooster waren

opgericht, wierpen spoedig een aantal vuurkogels in de stad, hoewel

de schade die zy aanrichtten niet groot was, en slechts weinigen er

het leven by verloren.

De wakkere IJsselsteyners, vertrouwende op ontzet van den kant huns

Heeren, lieten zich mede niet onbetuigd: hun geschut brandde van

de wallen rusteloos op de belegeraars los; en te midden van dezen

sulferdonder deden zy eenen heftigen uitval, die door de Stichtschen

niet minder stout weerstaan werd, zoodat het tot een scherp gevecht

kwam, waarin de laatsten natuurlijk wel den boventoon behielden, maar

toch ook een niet onbeduidend verlies aan dooden en gekwetsten leden.

Intusschen was Broechusen met zijne Clevenaars den 31en Augustus

over Utrecht naar IJsselsteyn getogen; en het leger alzoo voltallig

geworden. Montfoort naderde dus eindelijk tot het vurig gewenschte

uur, waarop hy de stad zijns vijands met eene vinnige bestorming zou

kunnen overmeesteren--maar toen het er nu op aan kwam om dien storm

te regelen, weigerden de aangekomen krijgsbenden volstrekt om een

praam te bestijgen of een leer te beklimmen, ten zij de stad eerst

gewonnen ware, »want," zeiden deze eerlijke Duitschers, »wy zijn

herwaart gekomen om strooptochten te maken en te plunderen, niet om

steden te bestormen."

En de geest die in de afdeeling der Stichtenaars heerschte, was

mede niet opwekkend: in die weinige dagen die het beleg nog maar

duurde, had menig goede poorter der Bisschopsstad van de duisternis

der regenachtige najaarsnachten gebruik gemaakt, om in alle stilte

zijn warm bed binnen de veilige muren van Utrecht weder op te zoeken,

zoodat de Stedelijke Raad genoodzaakt was, op dergelijke desertie reeds

den 1en September eene boete van 10 pond te zetten, en dit, slechts

4 dagen later, te verhoogen op 100 pond, en 10 jaren ballingschap.

De onwil der Clevenaars maakte nu aan het gantsche beleg een einde,

want de Burchtgraaf wist zeer wel, dat Frederic te Schoonhoven

lag, met een reeds niet onaanzienlijk leger, en slechts nog eenige

versterking wachtte, om tot ontzet uit te rukken. Een snelle storm

alleen had de stad in zijne handen kunnen brengen. Nu de gelegenheid

daartoe voorby was, werd een langer vertoef zelfs gevaarlijk, en,

hoe hem het hooge hart ook van verbittering moge geklopt hebben--een

spoedige terugtocht was de beste handeling waartoe de fiere Johan

van Montfoort thands besluiten kon.

En nu dat besluit eenmaal genomen was, werd het ook ten spoedigste

uitgevoerd; maar juist die spoed werkte noodlottig: de krijgsknechten,

die de oorzaak daarvan waarschijnlijk in eene mare van aanrukkenden

vijand zochten, braken ten bestemden tijde (9 ure in den avond van 6

September) met zooveel overhaasting op, dat het wel eene halve vlucht

scheen, en er eene menigte van krijgs- en stormtuig achtergelaten

werd, waartoe het felle busvuur uit de stad, waar men van bet vertrek

bespeurd had, mede niet weinig bydroeg. De Stichtschen verloren by

dezen vruchteloozen aanslag, alleen aan dooden, 150 man, verwijl het

verlies der Clevenaars nog meer bedroeg.

Die van IJsselsteyn maakten zich terstond van het achtergelaten

krijgstuig meester; en daar zy het Cysteriënsen klooster nu als een

al te voordeelige legerplaats voor den vijand hadden leeren kennen,

lieten zy er den rooden haan kraaien, d. i.: zy staken het in den

brand, waarna zy het vervolgends met al de daarby behoorende gebouwen

ten gronde toe vernielden, en den monniken eene plaats binnen de

stad inruimden.

Van omstreeks dezen tijd dagteekent waarschijnlijk de aan een der

wallen van IJsselsteyn ingemetselde steen, die tot aan het einde der

vorige eeuw nog aldaar gezien werd, en waarop men las:

Wech, Uytersen met uw tuten en blasen,

Doet uyt twee leuwen en set twee hasen,

Want doe die van Ysselsteyn quamen in tfelt,

Hebbent die van Utrecht op een loopen gestelt.

Tijdens de omwenteling van 1795 werd deze steen door een hoop

Utrechtenaars uitgebroken en in de gracht geworpen, waar hy misschien

nog ligt.

Heer Frederic, hoewel voor het verlies zijner stad thands niet meer

bevreesd, brandde van verlangen, om zich op het stoutmoedige Utrecht

te verhalen. Nog altoos had de Bisschop er aanhangers, en dezen, in

eene herberg »de Sleutel" samenkomende, vonden daar in de dienstboden

gewillige briefdragers voor hunne samenspanning met den Hollandschen

Veldheer. Het naauwlettend toezicht van den stedelijken Raad voorkwam

echter de uitvoering van het plan; verschillende personen werden

gevangen genomen, en, als verdacht van meêplichtigheid aan het verraad,

ter stad uit gebannen.

Even ongunstige uitslag volgde in 1491 op zijne poging, om de door

de stedelingen herwonnen en bezette Catheryne-poort te heroveren. Hy

zag zich genoodzaakt om met verlies weder te rug te trekken, en de

poorters koelden hunne verbittering op negen zijner krijgsknechten, die

zy gevangen hadden gemaakt: zy deden hen door beulshanden onthalzen, en

hingen daar na de lichamen en hoofden aan den toren der poort ten toon.

De Geldersche oorlog, waarin zijne stad Buren overweldigd, en het

kasteel vernield werd, gaf hem daarop de handen te vol, om dezen

hoon te wreken; maar in 1493 maakte hy zich van de voorstad de Weert

meester, en sloot Utrecht zoo naauw in, dat het weldra gedwongen werd

om vrede te sluiten, zich genoodzaakt zag tot de betaling van 25000

goudgulden, en de overblijfselen der onthoofden, die nog altijd een

afschuwelijk schouwspel aan de poort maakten, oogenblikkelijk te

doen begraven.

Een jaar te voren waren des wakkeren Ridders diensten reeds openlijk

erkend door Keizer Maximiliaan, die de Heerlijkheid Buren tot een

Graafschap verhief, zoodat de broeders van Egmond nu beiden den

Graven-tytel voerden.

Frederic van Egmond van IJsselsteyn, Graaf van Buren en Leerdam,

Heer van IJsselsteyn, Sint Maertensdijc, Cortgene, Cranendoncq,

en Jaersvelt, overleed in 1500, en werd in het choor der kerk van

IJsselsteyn bygezet aan de zijde zijner echtgenote, die hem reeds

op den 26en Juli, 1471, in de dood was voorgegaan, en boven wier

stoffelijk overschot hy een verheven tombe, die heur beeld in liggende

houding draagt, deed oprichten.

Hun oudste zoon Floris, gehuwd met Margareta van Zevenberghe, volgde in

het bezit van het Graafschap Buren en Leerdam. De jongste, Wennemaer,

kwam aan de Heerlijkheden IJsselsteyn, St.-Maertensdijc, Cortgene,

Cranendoncq, en Jaersvelt; maar daar hy weldra overleed, zonder

andere kinderen dan een natuurlijken zoon, Willem van IJsselsteyn,

zoo gingen de gantsche bezittingen weder onverdeeld op Floris over,

die daardoor de zelfde tytels voerde als zijn vader weleer droeg,

en nog daarenboven onder de Ridders van het Gulden-vlies opgenomen was.

In 1510 trachtten de Stichtschen zich van IJsselsteyn meester te maken,

't geen hun echter mislukte. Niet beter voer Floris van zijnen kant

in den winter van 1511: Met den aanvang van dat jaar zocht hy zich

een bondgenoot in de felle vorst, en dacht de stad over het ijs te

verrassen; maar eenige Geldersche ruiters, die zich op het platte

land van 't Sticht onthielden, overmeesterden de wagens waarop de

stormtuigen werden aangevoerd, en verijdelden dus den aanslag.

Toen Hertog Karel van Egmond daarop als Beschermheer van Utrecht was

aangenomen, werden nog dat zelfde jaar de vereenigde Geldersche en

Stichtsche wapenen tegen IJsselsteyn gekeerd. Drie weken lang duurde

het beleg, en 1600 voetknechten, 300 ruiters, en 2000 poorters van

Utrecht lagen gedurende dien tijd onder den standaart van Karel

rondom de stad gelegerd. De Lekdijk, naar den kant van Schoonhoven,

staken zy door, om van die zijde voor overval beveiligd te zijn, en

de schade, door de hieruit ontstane overstrooming in de omstreken en

den Crimpenerwaert veroorzaakt, kostte Holland meer dan honderdduizend

kroonen. Onderhandelingen van de zijde dezer provincie aangevangen,

waren vruchteloos, en middelerwijl viel ook het kasteel Jaersvelt,

aan de Lec, in handen der Stichtschen. Toen was het geduld van

Floris ten einde. Hy vereenigde zijne vaandels met die van Graaf

Henric van Nassau, en noodzaakte den vijand, op den 1en Juni 1511,

tot het opbreken van 't beleg. In die zelfde maand overviel hy,

in vereeniging met den Heer van Wassenaer, aan het hoofd van 200

ruiters en 600 voetknechten de vijandelijke bezetting van Jutfaes,

die hy tot aan de poorten van Utrecht voor zich uit dreef, er velen

van deed neêrsabelen, en omstreeks 400 gevangen nam.

Onder dit alles had hy dikwijls met geldgebrek te worstelen, daar

de Landvoogdes niet altijd in staat was, om ten behoorlijken tijde

zijne krijgskas te voorzien, zoodat hy genoodzaakt was, om met de

opbrengsten der Utrechtsche bezittingen in IJsselsteyn de soudeniers

te betalen. Misschien is het aan deze geldelijke ongelegenheden

te wijten, dat hy in de wandeling Floortjen Dunbier werd genoemd,

schoon 't ook zijn kan, dat hy dezen schimpnaam aan de Stichtenaren

te danken had, die alles behalven ingenomen waren met den Hollandschen

Kapitein-Generaal, wiens oorlogzuchtige aart hem zijne lastbrieven wel

eens te buiten deed gaan, en die, wanneer de bevelen van Hertog Karel

van Oostenrijk of van Margareta niet met zijne zienswijze strookten,

stoutmoedig verklaarde, dat hy een man des Keizers was, en in diens

belang handelde.

Des niettegenstaande stelde Karel van Oostenrijk een groot vertrouwen

in den bekwamen Ridder, die zijn Stadhouder in Holland was, en zond

hem in 1515 naar Friesland, om in zijnen naam de hulde te ontvangen

van dit Gewest, dat de Gelderschen meer dan moede begon te worden. En

hier was Floris vastheid van karakter de oorzaak, dat de Friezen,

hoe lang zy ook tegenstribbelden, eindelijk genoodzaakt waren om den

Oostenrijker als Erfheer en Erflandvoogd des Heiligen Roomschen Rijks

in Friesland te erkennen en aan te nemen.

De huldiging geschiedde op den 1en Juni, 1515, met veel plechtigheid te

Leeuwarden. Floris vertegenwoordigde er zijn hooge Heer: Voorafgegaan

door den Herout (wiens dalmatiek Karels wapens droeg) en gevolgd

door een stoet van Edelen, trad hy met het zwaard in de hand naar

den Sint-Veits dom, waar hy de mis hoorde, daarna voor het choor

de gelofte van onderdanigheid der Geestelijken, vervolgends ook

den eed van hulde en manschap der Edelen en poorters ontfing, en

eindelijk zelf de bevestiging van der Friezen privilegiën en vrijheden

bezwoer. Na deze plechtigheid deed hy gouden en zilveren penningen

onder het volk rondstrooien, en sloeg vier voorname Friesche Edelen

tot Ridder, waarvan hunne vijanden schimpend zeiden, dat de vlierboom

den koolstruik tot ridder geslagen had!

Belangrijke diensten bewees hy daarna in de Stichtsche oneenigheden,

en droeg er veel toe by, om Karel, die inmiddels (1519) de Duitsche

Keizerskroon droeg, het waereldlijk bestuur over het Sticht te doen

verkrijgen.

Niettegenstaande zijn onrustig en zwervend leven, bereikte Floris toch

den gunstigen ouderdom van 70 jaren, waarvan hy de laatsten in rust

schijnt te hebben doorgebracht. Hy overleed den 20en Oktober, 1539,

nalatende drie kinderen, een zoon, Maximiliaen, en twee dochters, Anna

(die door heur huwelyk met Jozef van Montmorency moeder was van Floris

en Filips van Montmorency, zoo bekend in onze historie) en Walburga.

Maximiliaen van Egmond van IJsselsteyn, thands Graaf van Buren en

Leerdam, Heer van IJsselsteyn, Jaersvelt, St.-Maertensdijc, Cortgene

en Cranendoncq, Ridder van het Gulden-vlies, werd een jaar na zijns

vaders dood door den Keizer in de plaats van den overleden Joris

Schenck van Tautenborch, benoemd tot Stadhouder en Kapitein-Generaal

van Friesland, Overijssel, Groningen, en Groningerland, waar hy

rustig bestuurde en zich zeer bemind maakte. Hy deelde in hooge

mate de gunst van Keizer Karel, dien hy in verschillende oorlogen

volgde, en met onkreukbare trouw aanhing, zoodat hy zelfs nooit met

een protestant dronk, niet uit geloofshaat, maar omdat hy in den

afgewekene van de kerk den vijand zijns meesters zag. De Keizer,

zegt men, wilde uit ingenomenheid met den dapperen en trouwen Graaf

diens Graafschap Buren tot een Hertogdom verheffen--zonder echter

daarby ook de inkomsten te kunnen verhoogen; maar juist dit laatste

bewoog Maximiliaen tot eene dankvolle afwijzing: »Liever," sprak hy:

»wil ik een rijke Graaf, dan een arme Hertog zijn."--

Eene plotselijke ongesteldheid aan de keel werd, kort nadat hy uit

Engeland in een gezantschap van 's Keizers wege was te rug gekeerd,

oorzaak van zijn dood, die hem in de kracht zijns levens te Brussel

overviel. Zijn vriend, de keizerlijke lijfarts Andries van Wesel

(Vesalius), het gevaar ziende rijzen en het oogenblik van sterven

naderen, achtte het zich ten plicht hem daarvan niet onkundig te laten,

en verklaarde dat hy nog vijf of hoogstens zes uren leven kon. Dat was

op den 22en December, 1548, tegen middernacht. De groothartige Ridder

hoorde dit bericht met rustige bedaardheid aan, zond oogenblikkelijk

om zijne twee gemeenzaamste vrienden, de Heeren van Ligne en van

Granvelle, en regelde met hen zijne belangrijkste zaken.

Nu heerschte er een droevige onrust door het gantsche huis. Het

onheilvol gerucht had reeds zijne dienaren, en vele aanzienlijke

bekenden bovendien, in de groote zaal samen doen vloeien, om naar

zijnen toestand te vernemen. Het verschijnen der priesters, die naar

het slaapvertrek gaan en hem het laatste sacrament zullen toedienen,

voorspelt het noodlottigste. Allen staan in angstige verwachting, en

ziet, daar wordt gezegd, dat de Graaf zoo aanstonds in hun midden zal

komen. En werkelijk, de deuren worden geopend, en, eene eerbiedige

huivering bevangt hen--Maximiliaen van Egmond, geheel in 't harnas

gegespt, in plechtgewaad getooid, en met den keten van het Gulden-vlies

omhangen, wordt binnen gevoerd. Hy spreekt allen vriendelijk toe;

beveelt zijne bedienden aan zijner vrienden zorg, bespreekt zelf

hun eene gedachtenis, en reikt hun de hand ten afscheid. Nu verlangt

hy nog eens den gulden beker, waaruit hy gewoon was op feestmalen te

drinken; en nadat hy met korte trekken zijn leven geschetst, en daarin

met warmte van de ontfangen weldaden en gunsten des Keizers gesproken

heeft, reikt hy den Heer van Ligne zijn Ordeteeken over, om het den

Keizer te rug te geven, en brengt vervolgends, door twee lijfknapen

ondersteund, zijn laatsten dronk aan zijnen Heer en Meester. Het was

een plechtig, een roerend oogenblik; mannen weenden.

Toen dankte hy zijne beiden vrienden voor hunne dienst, sprak allen

voor het laatst een hartelijk vaarwel, omarmde den getrouwen arts,

en deed zich naar zijn leger voeren. Maar de sponde ontfing alleen

zijn zielloos stof: toen men hem neder legde, had de fiere geest het

lichaam reeds verlaten.

Zijne weduwe, Françoise, Heer Hugoos Erfdochter van Lannoy, overleefde

hem nog lang: zy stierf in 1562. Maar voor haren dood had zy het

geluk, hun eenig kind en erfdochter op achttienjarigen leeftijd

door het huwelijk verbonden te zien aan een edelen jongeling van

gelijken ouderdom, van Vorstelijken Huize, en sinds zijn elfde jaar

aan het Keizerlijk hof te Brussel opgevoed: in 1551 huwde Willem

van Nassau-Dillenburg, Prins van Oranje, Baron van Breda en Diest,

met Anna van Egmond van IJsselsteyn, Erfdochter van Buren en Leerdam

en der overige uitgestrekte goederen heurs vaders.

Al te kort was zy met hem gelukkig. Zy overleed reeds in 1558, nadat

zy hem twee kinderen had geschonken, een zoon, Filips Willem, in 1554,

en een dochter, Maria, in 1556, die later de echtgenote des Graven

Filips van Hohenlo werd.

Hierdoor kwam IJsselsteyn alzoo in handen van het doorluchtig Huis van

Oranje-Nassau, waarin het ook tot aan Willem den Derde bleef, zonder

dat er gedurende al dien tijd iets merkwaardigs van werd opgeteekend,

dan alleen een enkel voorval tijdens den driedubbelen oorlog van

1672. In den namiddag van 12 Juli van dat jaar rukte een groot aantal

dragonders van de Fransche bezetting uit Utrecht naar IJsselsteyn, om

het te bemachtigen. Zy kwamen er in de nacht, en waarschijnlijk zeer

onverwacht aan, maar werden er door de zeesoldaten zoo wel onthaald,

»dat de meeste part het weder-komen vergaten"; de overige helden

spoedden zich ijlings weder naar Utrecht, »blasende en trommelende voor

de Poorte Alarm, waer op in haer Wachten groote alteratie ontstondt."

De kloekmoedige mariniers schijnen er echter slechts tijdelijk verblijf

gehouden te hebben, want reeds binnen een week daarna waren kasteel

en stad, zonder eenigen weêrstand, in 's vijands handen overgegaan,

en werden niet weder ontruimd, dan met het vertrek der Franschen

uit Utrecht.

Na Koning Willems plotselijke en onvoorziene dood in 1702, ontstond

er tusschen Frederik den Tweede, Koning van Pruissen, en Johan Willem

Friso, een langdurig verschil over zijne nalatenschap, dat eerst door

hunne erfgenamen in 1732 by overeenkomst geschikt werd. IJsselsteyn

kwam toen aan Willem Carel Hendrik Friso, destijds Stadhouder van

Friesland, Groningen, Drenthe en Gelderland, en in 1747, als Willem

de Vierde, Stadhouder der Vereenigde Provinciën. Zijne moeder, de

beminnelijke Maria Louisa van Hessen-Cassel, die, na gade en zoon

overleefd te hebben, eerst in 1765 te Leeuwarden overleed, hield

zich van tijd tot tijd in het kasteel op, dat zy als douairie bezat,

en de IJsselsteyners spraken nog in het begin dezer eeuw met dankbare

herinnering van de edele Vorstin.

Gemeenlijk werd het in dien tijd bewoond door den Drost van

IJsselsteyn. By de dwaze omwenteling van 1795 werd die waardigheid

bekleed door den Heer de Beaufort, die er toen afstand van moest doen,

en het kasteel verlaten, dat onder de in beslag genomen goederen

des Stadhouders behoorde, en als zoodanig aan de fraaie Republiek

werd gebracht.

Nu moest het, dàn als hospitaal--dàn als kazerne dienen, en speelde

de ruwe soldaat er den meester, natuurlijk niet ten voordeele van het

eerwaardig gebouw, dat veel van die bewoners te lijden had. Vervolgends

werd het eenige jaren lang aan zich-zelf en den tijd overgelaten,

en stond geheel ledig, toen Mevrouw de Weduwe van de Capelle als

huurderesse optrad, en er met een aanverwant van den Heer van der

Duin van Maasdam heur verblijf vestigde.

Eindelijk werd het, na het overlijden van Mevrouw van de Capelle, in

1812 door het Rijk verkocht, en ging toen over in handen van Jonkheer

Mr. Nicolaas Hendrik Strick van Linschoten, Heer van Bunnik en Vechten,

wiens Geslacht het nog steeds in bezit heeft.

Intusschen heeft de uitwendige vorm van den IJsselsteyn natuurlijk

veel in stoutheid en rijkdom verloren. Eene afbeelding van den

tegenwoordigen toestand wordt gevonden in Robidé van der Aas

»Oud-Nederland," en geeft de hoofdvormen nog kennelijk te rug. Men

kan zich een denkbeeld maken van de voormalige sterkte dezer burcht,

wanneer men ziet, dat de dikte van den overgebleven voormuur meer

dan eene Ned. el bedraagt, terwijl de muur des torens, zelfs wel 1.5

N. el dikte heeft.

De nog bestaande onderaardsche gangen zijn, door de stiklucht die zich

daarin ontwikkelt, nooit geheel onderzocht, hoe wenschelijk dit ook

ware. Men verhaalt elkander, dat zy weleer hebben gediend »om, onder

het water door, de gemeenschap met de stad en het aldaar gevestigde

klooster te onderhouden." De ondervinding heeft evenwel reeds dikwerf

geleerd, hoe zeldzaam dergelijke verhalen, die in menigte van kasteelen

en bouwvallen voorkomen, by onderzoek op waarheid gegrond zijn.

Waarlijk, ook by het overschot der IJsselsteynsche burcht, mag men

met den dichter spreken:

Wel, zeker, wie 't herdenken mint

Van lang voorleden, schooner dagen--

Wie een weemoedig-zoet behagen

In de eeuwig groene Erinring vindt,

Heeft slechts die muren te ondervragen,

Die 't merk van koninklijke pracht,

Van oude--eilaas! verlamde--kracht--

In reuzenschrift aan 't voorhoofd dragen.

o, Fluisterstem van dat Voorleden,

Hoe heeft mij dáar uw klank bekoord,

Die, als een zangrig harpaccoord,

Ter helft geraden, half gehoord,

Den avondwandlaar langs gegleden,

De stilte van den bouwval stoort!

Hoe woei mij dàar de Erinring tegen

Van Liefde en Haat, van Zwakte en Kracht,

Van Riddereer en Riddermagt,

Van Lust en Last, van Ramp en Zegen!

Dan rijst voor mijn verwonderd oog

Op nieuw het burggewelf omhoog,

Zoo als 'et prijkte in vroeger dagen;

Dan krijgt die slotpoort als weleer

Zijn ijzren vleugeldeuren weêr;

Dán wappert van den hoogen toren

Op nieuw de slanke baanrol uit;

Dan is 't, of 't avondzonnegloren

Op 't blankgeslepen borstschild stuit,

En blikkert op de stormhelmetten,

En 't flikkrend staal der krijgsgenetten,

Die zich verdringen in het krijt

En joken naar den strijd!

Dán treedt een sleep die hallen binnen

Van Edelvrouwen, jonk en schoon,

Van Ridders, vurig in 't beminnen,

Van Knapen, vrij en hoofsch van zinnen,

En Minstreels, die den zang beginnen

Voor Vrouwengunst en Minneloon!

Waar is uw luister heêngevaren,

En, sombre Puinhoop, wáar uw praal?

Gij spreekt de vreeselijke taal

Van moeilijke Opkomst, vroeg Verderven,

Van korten Bloei en langzaam Sterven;

Gij zingt het slepend grafgezang

Van eeuwgen, eeuwgen Ondergang!

Doch neen, geen Dood!

De geest blijft leven,

Die, eens dier stichting ingedreven,

Nog scheemrig in den bouwval gloort.--

Want wat des menschen vinding stichtte,

Want wat de kracht zijns wils verrigtte,

De daad die is duurt altoos voort!

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 9 / 17 题