Daar zijn oogenblikken in het leven, waarop men waarlijk in verzoeking
komt om te wenschen, dat sommige sprookjens uit de kinderkamer
zich mochten verwerkelijken. Dat zijn wel het minst oogenblikken van
kortswijl en luim--meer van hoogen ernst, en verreweg de meesten onzer
hebben ze wel eens doorleefd. Het zij ge koopman zijt, en u een (want
ge zijt Hollander! [26]) rechtvaardigen mammon tracht te verwerven;
krijgsman, en de rust onzer dagen verwenscht, wijl ze u belet bloedige
lauweren te winnen; geleerde, en dus het recht hebt om aan alles,
soms ook aan u-zelf, te twijfelen; staatsman, en zoo doordrongen
van de voortreffelijkheid uws stelsels, dat ge des noods den throon
uws Konings zoudt ondermijnen, om u-zelf op het republikeinsch
presidents-kussen te plaatsen--ja, schoon ge dit alles te gelijk
waart--dan nog is er wel eens een oogenblik in uw leven geweest,
waarop ge gewenscht hebt:--»dat toch steenen eens konden spreken!"
Het was dan, wanneer ge u in de sombere, zwaarmoedige bouwvallen van de
eene of andere burcht bevond, en de geschiedenis daar de geheimen van
den voortijd zoo spaarzaam ontsluierde, dat ge die donkere wulfsels,
die holle gangen, die ledige hallen, die gewelflooze zalen, wel zoudt
hebben willen ondervragen, indien ge ook maar half verzekerd waart
geweest een enkel andwoord te zullen ontfangen.
Wien deze gewaarwordingen nog onbekend mochten zijn--zoo hy Holland
bewoont, ga hy naar de kollossale bouwvallen van Brederode; zoo
hy Stichtenaar is, wende hy zich naar de geringe overblijfselen
van het Kasteel te IJsselsteyn--en ik vrees niet, dat hy, van daar
wederkeerende, mijne stelling weêrspreken zal.
Intusschen, wat de geschiedenis ook maar met eenige zekerheid van
het eerste vermelden kon, hebben wy reeds getracht in het geheugen
te rug te roepen [27]; beproeven wy dit thands ook met betrekking
tot het laatste.
De oorsprong van het edel geslacht IJsselsteyn kan met redelijkheid
niet vroeger dan op het midden der dertiende eeuw worden gebracht,
en wijst op eene afstamming uit het toenmaals zoo machtige Huis van
Aemstel. Wel vinden wy melding gemaakt van een Heer van IJsselsteyn,
in den Grimbergschen oorlog, 1144, gesneuveld, maar dit moet eene
vergissing zijn [28], terwijl Jan van IJsselsteyn, wiens erfdochter
Bertrande met Aernout van Aemstel zou gehuwd zijn, moedwillig uit
de lucht gegrepen is, om tusschen de beide geslachten een verband te
brengen, dat door historische documenten geheel wordt weêrsproken.
Gaan wy de geschiedenis-zelve volgen, zonder langer stil te staan by
drooge verdichtselen, die niet eens, als zoo menige dichterlijke sage
of naïve volks-overlevering, een historischen grondslag hebben.
Heer Gijsbrecht (de Derde) van Aemstel, die in 1251 overleed, had,
behalven eene dochter Badeloch, die met Herman van Woerden gehuwd was,
nog drie zoons, waarvan de oudste, de schandvlek van zijn geslacht,
hem opvolgde, de jongste, Willem, Proost van St. Jan was, en de
middelste, Aernout of Arent, wellicht verstandig zou hebben gedaan,
indien hy zich aan de Erfdochter van een of ander rijk geslacht had
verbonden, omdat zijne erfgoederen, daar hy de tweede zoon was, niet
groot konden zijn. Hy raadpleegde evenwel zeker meer zijn hart dan
zijn hoofd, want hy huwde eene Jonkvrouwe van onbekenden stam, Janne,
of Joanna, van wie het vrij duidelijk blijkt, dat zy volstrekt geene
eigendommen bezat, en na den dood haars gemaals al heur inkomen trok
uit eenige goederen, die hy haar in lijftocht had na gelaten. In 1267
legde hy den grondslag tot de latere Heerlijkheid IJsselsteyn. Hy
pachtte namelijk in dat jaar, van het Utrechtsche Domkapittel,
eenige goederen aan den IJssel, ongeveer ter plaatse waar deze zich
toen reeds met de Leck vereenigde. Het voornaamste daarvan was het
oude Eyteren of Heteren, thands een gehucht, toenmaals een welvarend
en uitgestrekt dorp. Hier in de nabyheid stichtte hy vóor 1279 een
burch of stein, dien hy IJsselsteyn noemde, welke naam, vervolgends
op hem en zijn geslacht overgedragen, zoowel in de geschiedenis van
het Graafschap Holland, als in die van het Bisdom Utrecht, byna even
spoedig vermaard als bekend werd.
Aanvankelijk legde Aernout zich vooral op het vermeerderen en
inrichten zijner bezittingen toe. In 1278 kocht hy van den Abt van
Oostbroec eenige goederen in het naby gelegene Geyn, en in het laatst
des volgenden jaars pachtte hy de tienden over de landerijen rondom
zijn kasteel gelegen, die aan het Maria-kapittel te Utrecht behoorden,
voor vijf jaren, tegen 154 pond 's jaars. De vijandelijkheden over den
Vreelandschen tol, door zijn broeder Gijsbrecht eigenmachtig geheven
[29], hadden inmiddels een einde gemaakt aan deze rustige bemoeiïngen
van het landleven. Aernout, Gijsbrechts partij kiezende, en mede breed
opgevende van de grieven, hun door den Bisschop aangedaan, ontzegde
zijn leenmanschap aan het Sticht, en nam in zijns broeders plaats het
bevelhebberschap van Vreeland op zich. Graaf Floris, den 5en September
1278 met Utrecht een verbond gesloten hebbende, sloeg weldra het beleg
voor dat kasteel, maar zag zich door Aernouts wakkere verdediging tot
den aftocht gedwongen. Maar toen de strijd by Loenen voorgevallen,
en Gijsbrecht daarby door Costijn van Renesse gevangen genomen was,
werd Aernout onmachtig om zich alleen staande te houden, en leverde
Vreeland in 's Graven handen. Daarop werd hy met zijne broeders naar
Zeeland gevoerd, en moest daar blijven in eerlijke gevangenschap, tot
zy zich hadden onderworpen aan de voorwaarden van den strengen zoen,
die op den 27en Oktober 1285 bezegeld werd, waarby zy hunne goederen
ten volle aan Floris moesten opdragen, en ze slechts gedeeltelijk
weêr in leen te rug ontfingen.
Toen zy eenmaal het weerspannig hoofd gebogen hadden, zullen zy nogtans
den dag der bezegeling van de overeenkomst niet in 's Graven hechtenis
hebben behoeven af te wachten, maar wel onder verzekerden borgtocht
ontslagen zijn. Wy vinden Aernout ten minste in de voorhelft dier
zelfde maand reeds weder zorgende voor de goederen zijner Heerlijkheid:
Vrijdag na St. Victor (12 Okt.) 1285, werd de pacht der tienden
verlengd voor zestien jaren, en vergroot met het daaglijksch recht
en met de visscherij, om welke voordeelen het pachtgeld met 31 pond
en vijf zalmen verhoogd werd.
Hy smaakte zijne herkregen vrijheid niet zeer lang, en overleed reeds
in het laatst van 1290, of in het begin van 1291. Vrouwe Joanna
(die door Grave Jan in het tijdelijk bezit harer weduwgoederen
bevestigd werd) had hem twee zonen geschonken, waarvan de jongste,
Heer van Benscoep, eene treurige vermaardheid in de samenzwering
tegen Floris den Vijfde verkregen heeft, en de oudste, Gijsbrecht,
als tweede Heer van IJsselsteyn optrad.
Gijsbrecht van IJsselsteyn, Maarschalk van het Sticht, verbond zich
op den 25en Oktober, 1294, benevens tien andere voorname Utrechtsche
Edelen, met Graaf Floris, om dezen, ware 't nood, te dienen tegen elk
zijner vijanden, den Bisschop van Utrecht daar buiten gesloten. Hy
heeft zich echter niet kunnen vrijwaren van de verdenking van
meêplichtigheid aan de samenzwering, schoon hy niet handdadig was aan
den moord. Dat hy met den Heer van Zuylen zich voegde by Loef van
Cleve en de Hollandsche benden, die de moordenaars op Cronenburch
belegerden, bewijst overigens nog niets voor zijne onschuld: zijn
broeder Benscoep toch was mede daar binnen, en het liet zich reeds van
den beginne af wel aanzien, dat die ruwe dorpersvuisten, brandende om
toe te slaan, verpletterend en vermorzelend zouden nedervallen op die
adelijke verradershoofden, wie honger en gebrek tot overgave dwingen
moest. En schoon Arent van Benscoep geen beter lot verdiende dan
Willem van Zaenden--ter wille van Gijsbrechts broederhart is het ons
toch lief, dat Loef van Cleve den verrader nog heeft kunnen behoeden,
en Gijsbrecht hem in veiligheid te Kervenheym wist.
Maar weldra werd gijsbrechts toestand zelf hachelijk. Wolfaert van
Borssele, de heerschzuchtige staatsdienaar van den kinderlijken Jan den
Eerste, de bondbreukigheid van Bisschop Willem van Mechelen bemerkende,
begon het Graafschap te versterken, en trachtte vooral daartoe de
kasteelen op de Stichtsche grenzen te bezetten. Dat gelukte hem met
het slot van Ameide, door Dirc van Herlaer by overeenkomst daartoe
afgestaan. Wie zich niet zoo gemakkelijk liet vinden, was Gijsbrecht
van IJsselsteyn.
»Dat ware schande!" andwoordde hy op Borsseles aanzoek: »wanneer ik den
Grave van Holland mijn huis ruimde, daar ik Maarschalk van 't Sticht
ben [30], en de Bisschop mijn rechte Heere is. 't Bracht my oneere,
zoo ik dat toestond--des weiger ik, er moge van komen wat er wil!"
Verbitterd over dit mannelijk betoon van trouwe, zocht Wolfaert
nu langs den weg des gewelds zijn doel te bereiken. Den Maarschalk
werden buiten het kasteel lagen gelegd door zijne valsche geburen,
Hubrecht van Vyanen en diens verwanten, op aanstoken uit Holland; en
werkelijk gelukte het hun zich van hem meester te maken. Doch, schoon
men hem naar het Kasteel van Culemborch bracht, en aldaar in hechtenis
hield--dat van IJsselsteyn was daarom nog niet gewonnen: Bertrade,
of Baerte, van Heuckelom, Gijsbrechts gemalin, was een kloekhartige
vrouw, die den vijanden van haren echtgenoot zoo wel den intocht
weigerde als hy 't zelf had gedaan. Dat men hem geen leed zou doen,
daarvoor achtte zy zich ook gewaarborgd door een trouweloozen knecht
van Vyanen, die zich van zijns Heeren kind meester gemaakt, en het
op den IJsselsteyn gebracht had. En gelukkig voor haar, die kleene
gijzelaar! Wie weet aan wat zielestrijd een Wolfaert van Borssele
haar zou hebben overgeleverd, indien Vyanen niet in Gijsbrecht den
borg voor het leven zijns kinds hadde te beveiligen gehad.
Borssele deed 's Graven banier voor het Kasteel planten, en het
dicht en zwaar beleggen; daarop herhaalde hy zijn eisch om overgave,
op den forschen toon van stormtuig en staal:
Straks wordt het schaatrend aanvals-teeken
Van rij tot rij in 't rond gehoord,
En onder luid gejubel breken
De benden op en rukken voort.
Als golven die het strand beklimmen,
Door barsche winden voortgestuwd,
Zoo stormen ze aan. Een bui van vlimmen
En werpgesteente paart en huwt
Zich aan 't gedrang. 't Klaroengeschetter
En 't rofflen van de holle trom
Dreunt samen met het staalgekletter
En krijten van den strijdbren drom.
De hooge trans--de borstweer--'t kraakt
Van steenen, 't werptuig uitgebraakt.
De stormram beukt de poort.
Het rijs, in bergen aangebracht,
Bevloert welras de diepe gracht,
En stijgt er tot den boord.
De ladders worden saamgetast,
En hechten aan den muur zich vast;
De strijders dringen voort,
En klautren op, met sterke hand,
En klemmen zich met knie en tand
Aan stijl en sporten vast.
En stuift een dichte pijlenregen
Uit schietgat en kanteel hun tegen--
Het aantal groeit en wast.
En 't scherp en gierend strijdgeluid
Galmt boven gil en jammer uit,
Al valt er menig een.
En dondert ook een raatlend heir
Van keien langs de wallen nêer
En morselt hoofd en leên;
En storten krakend, splintrend daar
De ladders op en door elkaâr,
De klimmers onder een,
Verplet, verbrijzeld of verwond--
Wie kan, verrijst weêr van den grond,
Ten nieuwen storm gereed.
En steeds vergroot zich weêr 't getal
Dat opstijgt naar kanteel en wal,
Met luider oorlogskreet.
Maar Bertrade stond (om met Vondel te spreken) als eene heldin op de
haar toebetrouwde post, en iedere storm, hoe fel en langdurig, hoe
scherp en vernielend, werd afgeslagen; en de blyde-steenen mochten
een dak verbrijzelen, of een venster in stukken doen springen, of een
verdediger dooden--zy maakten geen bres in de muren, die niet werd
gedekt met trouwe in 't staal gehulde borsten, tot dat de opening
weer gevuld was.
Nogmaals beproefde Wolfaert den weg der onderhandeling, maar met geen
beteren uitslag. De trouwe gade wilde van niets hooren, tenzij men haar
eerst toestond met Gijsbrecht, haar gemaal, onbeluisterd te spreken,
opdat ze zijn eigen woord mocht hooren, en zijn raad innemen, dien
ze zekerlijk zou opvolgen. Maar of nu de belegeraars daar een list
achter zochten, of dat zy Gijsbrecht genoeg kenden om van zijn raad
geene verandering te wachten--hare voorwaarde werd niet aangenomen,
en--schande over het hoofd van een Edelman, die aldus eene vrouw
bestreed!--er werd besloten om haar door uithongering te dwingen.
Lang hield de heldin het nog vol: byna een jaar; toen had gebrek
aan voedsel de krachten verteerd; toen waren er slechts zeventien
weerbare mannen op 't kasteel--en in welken toestand nog!--Zoo de
vijand thands storm blies, was alles reddeloos verloren. Trachte zy
ten minste nu nog te behouden, wat behouden kon worden: zy bood de
overgave van het kasteel aan, op voorwaarde van vrijen aftocht voor
zich en de ingenoten.
Het moet wel een hatelijke, een onmenschelijke glimlach zijn geweest,
waarmeê Wolfaert dien voorslag ontfing. Dat Hubrecht van Vyanen,
die mede onder de belegeraars was, de uitlevering van den kinderdief
wilde bepaald hebben, daarin lag niets onbillijks; maar laaghartig was
het van Borssele, dat hy volstrekt weigerde om meer dan de helft der
verdedigers lijfsgenade toe te zeggen. Op de burcht werd over dien
harden eisch beraadslaagd.--»De helft die aan my komt, zal die vrij
zijn en van alles kwijtgescholden?" vroeg Bertrade.--»Dat zal zy,"
andwoordde men haar. Toen onderwierp zy zich aan den bangen nood,
die haar dwong om toe te geven. De poort werd geopend, en daar de
brug geheel vernield was, werden er horden gelegd, waarover 's Graven
leger binnentrok. Hubrecht van Vyanen sloot zijn kind ongedeerd in de
armen; over den verraderlijken knecht hield hy kort recht, en deed
hem op het rad leggen. Bertrade moest aanvankelijk hare burchtzaten
naar Dordrecht volgen, om getuige te zijn van een tooneel, waarin
Wolfaerts gemoed zijn volle gruwzaamheid uitsprak.
De verachtelijke Baljuw van Zuid-Holland, Aloud, Wolfaerts
oogendienaar, zat daar in den richterstoel, en er moest geloot
worden om dood en leven. Hy verdeelde de zestien mannen aan twee
zijden. Een uit hen zou beslissen welke acht de zaal slechts zouden
verlaten om te sterven, want er waren twee balletjens, even groot en
gelijk van kleur, maar het een besloot een Hollandschen penning die
ten leven--het ander een Leuvenschen die ter dood wees. Aloud maakte
Bertrade met dat doel bekend.--»Nu zie, minnelijke Vrouwe!" sprak hy:
»wien de Leuvensche penning ten deele valt, hebben 't lijf verbeurd;
wien de Hollandsche komt, zullen het behouden."--
Baljuw Aloud! zie wel toe op de gelaatstrekken dier zestien mannen;
zie vooral dáar heen, waar ze den vreeselijken angst der onzekerheid
verraden, want--nog weinige maanden, en dan zult gy zoo voor eene
woedende volksmenigte staan, die ook geen barmhartigheid kent! Als
ge dan de koord om den hals zult voelen, waarmeê men u hangen zal,
naast den beul--zult ge dan sterven als acht van dézen: met het
bewustzijn van uw plicht te hebben gedaan?...
Maar niemant voorzag dit nu nog; Aloud allerminst. Het lot besliste,
hoe de hand gesidderd moge hebben die de wreede keuze moest doen;
de verwezene helft der trouwe bezetting werd terstond onthalsd, de
andere volgde Bertrade naar Heuckelom, indien ten minste dit bericht
meer waarheid behelst dan de regelen van den kronijkdichter:
Dandre dedemen doe ghevaen.
waar hy in billijke verontwaardiging op laat volgen: