--»Gy Heeren! maakt u reê ten tocht,"
»Wy zoeken Holland weer."
Zoo sprak in 't hof van Engeland
Graaf Willems Edele Gezant,
Volyvrig voor zijn Heer.
Maar ijlings trad, met biddend oog,
Een jonker hem ter zij.
Die droeg in 't oog een vurig hart;
Een wapen, wit en rood en zwart,
Gestikt op zijn kleedij.
--»Ter wille van uw Edelvrouw
»Die gy in 't hart vereert--
»Twee enkle dagen nog getoefd,"
Zoo bad hy: »schoon 't mijn ziel bedroeft--
»En dan--naar gy begeert."
--»Die bede zy u toegestaan
»Mijn Jonker van Montfoort!"--
En ijlings was de Jonker heen,
Te paard, en voort, en gants alleen;
Men wist niet naar wat oord.--
Aan Medways blaauwen waterstroom
Daar rijst een landkasteel.
Daar staart een Jonkvrouw van den trans.
Heur lieflijk aanzicht blinkt van glans,
Als ducht zy 't lot niet veel.
Nu wuift zy snel ten toren af,
Met hoog-gebloosd gelaat:
Een ruiter nadert, gants verhit...
Zijn wapen, zwart en rood en wit,
Gestikt op zijn gewaad.
Hy stijgt van 't paard--en ijlings op,
En zy daalt ijlings neer.
Hy klemt haar vrolijk aan zijn hart,
En zy, van zoete vreugd verward,
Zy stelt zich niet te weer.
Hy sprak: »Een tijding droef--en blij:
»Ras keer ik naar mijn land.
»Nu zeg my, Ellen! dierbre Maagd!
»Van wat geslacht den naam gy draagt,
»En 'k spoed my om uw hand."
Zy bloost--zy siddert--zy ontzet--
Zy slaakt een droeve kreet;
Zy meldt met diepe droefenis:
»Ik weet niet wie mijn moeder is,
»Noch hoe mijn vader heet!...."
--»Ik ben van onbetwijfeld bloed!"
Zoo borst hy angstig uit:
»Mijn vader is een Hooge Heer....
»Toch, Ellen! toch--ik zie u weêr,
»En als mijn dierbre bruid!"--
Straks joeg een strijdros langs den weg
Die recht naar Londen gaat.
Zijn Ruiter reed met rustloos hart;
Een wapen, wit en rood en zwart,
Gestikt op zijn gewaad.
En later reed er, eer de schaaûw
Nog heenkroop naar het oost,
Een droeve Jonkvrouw langs die baan.
Toch blonk er door zoo menig traan
Een stille hoop van troost.
Zy wisselde in de ruime stad
Met niemant woord of taal;
Maar waar 't arduin paleisbordes
't Blazoen droeg van de Rijks-princes,
Daar steeg zy uit het zaal.
Zy vroeg geen lijftrawant den weg,
Geen knaap of kamervrouw:
Zy ging er tot in 't rijk klozet,
En boog zich neêr, als ten gebed,
Alleen met de Edelvrouw,
Zy bad met woorden uit de ziel,
Maar diepe eerbiedenis:
»O zeg, Mevrouwe! hoog van staat,
»Die my steeds gunstig gade slaat,
»Zeg wie mijn vader is?"
De Rijksprinces verschoot van blos,
En siddrend boog ze saâm:
»Wat raadslen, Ellen! vraagt ge my...
»Wat weet ik wie uw vader zij?
»Wie noemde me ooit zijn naam?"--
En zichtbaar greep het Ellen aan
Met zielsontroerenis;
En dieper, dieper boog ze neêr,
En schreide, en smeekte naamloos teêr:
»Zeg wie mijn vader is."--
Dat brak het hart der Rijksprinces:
Zy snikte op schellen toon:
»Weet!..." maar toen duizelig en dof:
»Aan Hollands machtig Gravenhof
»Daar draagt hy-zelf de kroon!..."
En Ellen brak in jubel uit,
En viel haar aan de borst.
--»Dat andwoord, Vrouwe! loone u God:
»Dat spelt me een eindloos zoeter lot
»Dan ik ooit hopen dorst.
»Neem nu mijn droef en blij vaarwel:
»Ik trek naar ander oord;
»En zoo gy ooit my wederziet,
»Dan is 't in Hollands rijksgebied,
»En Vrouwe van Montfoort!"
Toen scheen de hooge Vrouwe een lijk;
Maar zy verhief zich ras:
»Gy gaat, gy gaat, met vrolijk hart...
»Maar wat dan..." en zy kreet van smart:
»Zoo ik... uw moeder was?..."
En Ellen trad versteend te rug:
»Mevrouw! wat zegt ge my?
»Gy, die steeds aan mijn eigen haard
»My goedig--maar als vreemde waart,
»Myn moeder, moeder gy?"--
Toen kromp het moederhart in een:
»U afstaan!..." rilde zy:
»Neen, Ellen! spreek dat woord niet weêr:
»Al kostte 't my mijn rang, mijn eer--
»Kies tusschen hem en my!..."
--»Ik heb... gekozen..." sprak zy zacht
(Van smart bestierf heur stem):
»Mijn moeder... heeft my... nooit bemind:
»Zy was een vreemde voor heur kind.
»Mevrouwe!... ik ga met hem."--
Wie vraagt gehoor by Hollands Graaf?
De Jonker van Montfoort.
--»Al wat ik Uw Genade breng,
»Wanneer ze 't my in gunst geheng,
»Dat is een luttel woord:
»Een groete van de Rijksprinces,
»Een vorstelijke groet;
»Daarby een bede, koen en stout:
»Een Jonkvrouw, twintig jaren oud,
»Die drukt ze u op 't gemoed.--"
Graaf Willem sloot zijn kind aan 't hart,
Geroerd en blij te moê:
»Nu spreek, mijn dochter! gul en rond:
»Ik zie, een beê zweeft om uw mond;
»'k Zweer u verhooring toe."
Wie vraagt nog, wat de Jonkvrouw bad
Na 's Graven plechtig woord?
Daar gingen luttel weken om,
Toen was zy bruid; de bruidegom
Was Sweder van Montfoort.
Maar wie, wie schepen flux daarna
In 't heimlijk zich aan boord,
En houden koers naar 't Britsche strand?
Het wapen, schittrend aan het want,
Is 't wapen van Montfoort.
Men vraagt, met hoofsche plechtigheid,
Der Rijksprinces gehoor;
Maar als geheel den gang bewust,
Treedt de Edelvrouw van Hollands kust
Heur eedlen gade voor.
Zy knielde voor de Rijksprinces,
Wel kinderlijk gezind:
»Doof niet aan 't Hof uw gloriekrans,
»Maar, moeder! wees in 't heimlijk thands
»Gelukkig met uw kind!"
Sweder van Montfoort gingen de weldaden vergeten, die zijne ouders van
den Bisschoppelijken stoel hadden ontfangen, en die den grond tot zijne
eigene grootheid hadden gelegd. By de oneenigheden tusschen Bisschop
Willem van Mechelen, die het algemeen leenrecht zeer goed kende, het
byzondere onderzocht, en zijn vasallen zoowel op den fulpen als op den
ijzeren handschoe zag, koos Sweder de partij van Hubrecht van Vianen,
Jan van Linschoten, Jacob van Lichtenberch, en andere samenspannende
Edelen, en was onder hen, die zich gerechtigd meenden den strengen
Leenheer een halfjaar lang in zijne eigene stad gevangen te houden. De
Bisschop ontkwam evenwel, en zocht zich, op Pauselijken last bygestaan
door den Aartsbisschop van Keulen, en nog veel meer vrijwillig
door zijne getrouwe Overijsselaars, weder van zijne ongehoorzame
stad Utrecht, waar de Burgemeester Jacob van Lichtenberch thands
het hoogbewind in handen had, meester te maken. Eenige Hollandsche
Ridders, Diederic van Wassenaer, Henric, Burchtgraaf van Leyden,
Filips van Duvenvoirde, Simon van Benthem, en Jacob van der Woude,
rukten daarop hunne dienstmannen by een, om Lichtenberch ter hulp te
komen. Het gevolg daarvan was een vinnig gevecht op de Hooge-woerd,
eene vlakte, omstreeks den oever des Ouden-Rijns. Met schetterende
klaroenen en wapperende banieren was de Bisschop zijns vijands helpers
tegen getrokken; reeds richtte hy er een geduchte slachting onder
aan; reeds was een deel der tegenstanders te rug gedeinsd, en reeds
vleide hy zich met eene volkomene overwinning. Toen klonk er op nieuw
een trompet van de zijde van Montfoort, en de banier, weldra boven de
aanrukkende bende zichtbaar, vertoonde het schaakbord en de molenijzers
gekwartileerd. Een juichkreet ging by de Hollanders op: er naderde een
nieuwe bondgenoot met versche krijgers, »en daar begonste van niwes een
groote strijt, want die vechters sloegen elc anderen ter neder, harde
manlicken, om den seghe te vercryghen." Maar de moedige Bisschop gaf
het nog niet verloren: tweewerf reed hy dwars door het Hollandsche
heir, als Bisschop kenbaar, als Ridder strijdende, en om zijne
waardigheid door allen ontzien; maar toen hy het ten derdemaal waagde,
viel hy als een offer zijner roekeloosheid, en werd verslagen. Deze
strijd geschiedde op den 12en Juli, 1301. Sweder van Montfoort had
de overwinning aan de zijde der Hollandsche Ridders gebracht.
In de eerste dagen des jaars 1353, terwijl Bisschop Jan van Arckel voor
het kasteel Woudenburch, en zijn Maarschalk voor dat van Ruwiel lagen,
zonden de Ridders Jan van Culemborch en Gijsbrecht van Vianen hem een
ontzegbrief, vielen roovende in zijn land, en verbrandden zijne dorpen
en kasteelen. Burchtgraaf Sweder deed daarin dapper meê, zonder dat wy
weten of hy er oorzaak toe had; maar Jan van Arckel was geen Bisschop
om het ongestraft toe te laten. Zoodra hy den overmoed des Jonkers
van Woudenburch gebogen, en het kasteel ten gronde toe vernield had,
ordende hy op nieuw zijn leger, en trok op Sint-Pancraes voor de stad
en het kasteel Montfoort, beide door Sweder bezet en verdedigd.
De Bisschop had een geweldige stormkat met zich gebracht, en de
bloedige bestormingstooneelen van 1280 gingen zich vernieuwen. Wakker
en hardnekkig was de verdediging van den Burchtgraaf, maar by het
beschouwen van de maatregelen des Bisschops, die zoowel van moed als
van volharding getuigden, werd het hem evenwel een weinig angstig:
hy begon de onmooglijkheid in te zien van een duurzaam verzet tegen
een Opperheer van zoo krachtigen wil. Daarom zocht hy een algeheelen
ondergang door onderwerping te voorkomen, en verzocht vrede en
lijfsgenade; en de voorwaarden, waarop de Bisschop hem deze verleende,
getuigen maar al te zeer van zijn benarden toestand. Dat hy, dien men
om zijne groote goederen Sweder den rijke noemde, eene belangrijke
som gelds moest betalen, was in zich-zelf niet moeielijker dan het
doen van een nieuwen eed van trouw, al stond beide hem tegen; maar
het zwaarst van allen viel hem den gedwongen afstand van het hooge
recht in de Heerlijkheid Montfoort, voor altoos, terwijl hy het lage
recht niet als eigendom, maar slechts als leen van den Bisschop weder
ontfing. Ook trad de staatkundige Prelaat, zichtbaar tot verkleining
van des Burchtgraven aanzien en gezach, in een afzonderlijk verdrag
met Schout, Schepenen en gemeene buren van Montfoort, waarby deze
beloofden de stad nimmer op eigen gezach te zullen omwallen, en met
niemant, wie 't ook zijn mochte, tegen hunnen rechten Landsheere, den
Bisschop van Utrecht, samen te spannen, op verbeurte van goed en eere.
Het zij nu dat Sweder edel genoeg dacht, om ook eene door den nood
afgeperste belofte gestand te doen, het zij de krachtige hand van den
geduchten Bisschop hem zijns ondanks in toom hield--het blijkt niet,
dat hy meer in eenig verzet is gekomen, en hy schijnt zich rustig
te hebben gehouden tot aan zijn dood, die ook niet veel later kan
zijn voorgevallen.
Dat valt niet te getuigen van zijn oudsten zoon Henric [16]. Deze
Burchtgraaf, die zich den tytel van Heer van Montfoort aanmatigde,
verbond zich omstreeks 1379 met den Maarschalk van Abcou, Heer Willem,
tegen Bisschop Floris van Wevelichoven, en eigende zich met kracht
van wapenen de tienden van het Bisdom toe, terwijl hy zich daarby
het hoogste recht over de ingezetenen toekende. Dat kon de Bisschop
niet dulden. Hy begon met den wederspannigen Vasal van diens steun te
berooven, en belegerde het slot van Abcou; toen hy dit overmeesterd,
en den Maarschalk tot onderwerping gedwongen had, wendde hy zich tot
Henric van Montfoort, en daagde dezen voor den rechterstoel van het
Sticht. Te vergeefs beriep de onberaden Burchtgraaf zich thands op den
verdragsbrief van 1297: Bisschop Floris wilde, als een voorzichtig
Staatsman, een arm knotten, die hem in het midden van zijn eigen
gebied meer dan gevaarlijk werd, en thands de machtigste zijnde,
maakte hy, als 't gewoonlijk gaat, van die macht misbruik.
Voor het generaal Kapittel verschenen, dat uit vertegenwoordigers van
de Geestelijkheid, de Ridderschap, en de Steden van het Sticht bestond,
werd de Burchtgraaf door den Bisschop beschuldigd, dat hy zich binnen
de banne van Montfoort meer gezach aanmatigde dan hem toekwam; dat hy
er het hooggerecht uitoefende; de lieden placht te dwingen, om in de
stad Montfoort te komen wonen, en van daar niet weder te vertrekken;
en dat hy zich schuldig maakte aan meer andere zaken, strijdende
tegen de bisschoppelijke leenheerschappij. Henric verdedigde zich
met kracht. Zijne voorouders, zeide hy, hadden reeds sedert honderd
jaren en langer het betwist rechtsgebied van de Bisschoppen en de
stad Utrecht in leen ontfangen en uitgeöefend; dat kon men bewijzen
uit de opene brieven, daarvan zijnde, waarin alles breedelijk stond
uitgedrukt. Wat men hem in betrekking daartoe aantichtte, was valsch,
en hy-zelf derhalven onschuldig. Daarom was hy met de meeste gerustheid
voor het Kapittel verschenen, en vorderde nu ernstig, dat zijne zaak
zou worden uitgesproken volgends het Landrecht van Utrecht, door den
Bisschop, by diens komst aan het bestuur, bezworen, en ten gevolge
waarvan deze gehouden was een iegelijk recht en vonnisse te doen,
en niemant aan lijf of goed te vervolgen, dan na schuldig verklaring
volgends recht en oordeel. Naar dit landrecht, of naar het algemeen
Keizerlijk recht, verlangde de Burchtgraaf gevonnisd te worden;
maar daarmeê ging onderzoek gepaard, dat, misschien, niet geheel ten
nadeele des beklaagden leiden zou, en het blijkt uit alles, dat men
niet voornemens was te onderzoeken, maar wel te oordeelen. De Bisschop
bracht ten minste, zonder van eenige inzage van brieven te reppen, daar
tegen in: dat de Burchtgraaf zich het hooge rechtsgebied willekeurig
had aangematigd, en in meer andere zaken boven zijn gezach was gegaan,
waarover voldoening gegeven moest worden. Heer Henric verklaarde die
gaarne te willen geven--mits zijn schuld uit het onderzoek blijken
zou. Toen geliet zich de Domdeken van het Sticht, alsof hy onpartijdig
bemiddelaar wilde zijn, en vroeg den Burchtgraaf, of deze de uitspraak
wilde stellen in handen van het algemeen Kapittel. Maar Henric was
te goed Ridder, om een slag verloren te willen geven eer er nog
gestreden was: hy bleef bestendig by zijn beroep op het landrecht,
of op dat des Keizers, en bood den Bisschop zelfs duizend Fransche
schilden, indien hem »lantrecht geschien mogt, gelyk den minsten en
den meesten van den lande." En daar hem zulks niet werd toegestaan,
verliet hy de vergadering, protesteerde openlijk, en klaagde dat men
hem opzettelijk zijn recht onthield.
Vertoonde de Bisschop zich hier in een niet volkomen gunstig licht,
nog ongunstiger verschijnt hy ons in zijne volgende daden. Hy-zelf
had Heer Henric verlijd met het Dijkgraafschap »tusscen den nywen-Dam
ende Sevenhoven, die Lecke langens, ende tusscen den nywen-Dam ende
Haestrecht, weder die Ysel langens," gelijk dit van ouds Stichtsch
eigendom geweest, en steeds door de Montfoorts al van over honderd
jaren en meer, bezeten was; thands echter nam hy het weder zonder
eenig vervolg van recht te rug, deed hem in den ban, en begon de
Montfoortenaars op allerlei wijze te kwellen en te benaauwen met
brandstichting, plundering, en gevangenneming. Hy dwong zijne Edelen,
Leenmannen en Steden van 't Sticht met den Burchtgraaf te breken;
en al gehoorzaamden hem niet allen, hy wist toch op deze wijze een
bondgenootschap te voorkomen, en zijn Leenman machteloos te maken. Toen
naderde hy zijn doel; en als nu het kwade jaargetijde van 1387 voor
goed geweken was, en de zachte aprils-dagen welhaast de naderende
meimaand verkondigden, trok hy, den dag na Sint-Joris (23 April), met
een sterk leger voor Montfoort. Daar deed hy eene reusachtige blyde
oprichten, die steenen van wel dertienhonderd pond wierp, en stelde
er zestien groote steenbussen, waarvan de minste honderd pond zwaarte
schoot; de kleine bussen, hoewel zy wel degelijk in werking werden
gebracht, telde men niet eens. Bovendien had hy zich voorzien van een
aantal tuimelaars of schanskorven, van teenen gevlochten, om by de
bestorming te dienen; twee katten echter, die hy mede had doen bouwen,
deden weinig werking. Intusschen blijkt uit dit alles de geduchte
sterkte van het kasteel, dat, niettegenstaande het daaglijks werd
gebeukt en beschoten, met bussteenen geteisterd en met blydesteenen
gepletterd, toch zestien weken lang de felle aanvallen weerstond, en
een veilige toevlucht bood aan de verdedigers, die van hunne zijde
niets onvergolden lieten, maar insgelijks, zoo wel met steenbussen
als met klein geschut, hunnen vijanden groot nadeel toebrachten. Het
gebrek zou evenwel datgene hebben bewerkt, waartoe zelfs de overmacht
te onmachtig was, toen nog ter goeder ure de voormalige Utrechtsche,
thands Luyksche, Bisschop Aernout van Hoorn, oom van Heer Henrics
gemalin, tusschen beide kwam, met voorstel om eene verzoening te
bewerken. Dit werd door beide partijen aangenomen; maar de harde
voorwaarden, waaronder de verdreven Burchtgraaf gedwongen werd het
hoofd te buigen, spreken ook weder hier luide het wanhopige van zijnen
toestand uit. Hoofdzakelijk komen zy hierop neder:
Daar het hooggericht in de Heerlijkheid alleen mag geoefend worden
door den Bisschop, zoo zullen de Burchtgraaf en zijne nakomelingen
zich nimmermeer Heeren, maar Burchtgraven van Montfoort schrijven. De
stad en het kasteel zullen ten allen tijde voor den Bisschop en
diens opvolgers opensta an, zoo dikwijls het hun gelust, daar
te komen. Het zenden van indaag- en banbrieven, en al wat tot
het geestelijk gericht behoort, zal vrij en ongehinderd in het
Burchtgraafschap plaats vinden. De Burchtgraaf mocht de tienden niet
meer stellen naar zijn goeddunken, maar hy moest ze verpachten,
of doen mijnen; hy zou ook niemant meer dwingen zich te Montfoort
neêr te zetten. Met betrekking tot het Dijkgraafschap zou nader
uitspraak worden gedaan, maar de Burchtgraaf moest het huisgeld en
andere belastingen, die hy in de Heerlijkheid ontfangen en nog niet
verandwoord had, terstond uitbetalen; ook moest hy de oirconde van
Bisschop Jan van Nassau aan den Luykenaar in handen geven, waarvoor
hy een andere van Bisschop Willem zou ontfangen, inhoudende de nieuw
gemaakte bepalingen. Vervolgends moesten de wederzijdsche gevangenen
uitgeleverd, door onbetaalde rantsoenen een streep gehaald, en dooden
tegen dooden, roof tegen roof, brand tegen brand kwijtgescholden
worden.
Hiermede was echter nog niet alles afgedaan: de Burchtgraaf moest
zich nog persoonlijke vernedering onderwerpen, wilde hy eenmaal weder
hoogen staat voeren. Met twintig van zijne mannen moest hy komen,
blootshoofds en in 't openbaar, dragende in zijne hand de sleutels
van het kasteel en van de stede, om die den Bisschop over te geven,
daarby vergiffenis biddende voor zijn verzet, of een nieuwen eed
van trouwe doende [17]. En totdat deze zoen geheel geregeld was,
mits binnen den tijd van zes weken, zou hy zich met vijfentwintig
man in Utrecht legeren, terwijl gedurende dien tijd de banieren van
den Bisschop van Utrecht en van Amersfoort zoo wel op der stede als
op des kasteels wallen bleven waaien, en zes Bisschoppelijke Edelen
dit laatste zouden inhouden. Zoo ik nu den loop der hier verhaalde
gebeurtenissen, in verband met de geslachts-opgave, wèl vat, dan
komt het my voor, dat de Bisschop inmiddels tot Burchtgraaf benoemde
Henric van Montfoort, Heer Henrics neef, die daarom van zijne anders
denkende verwanten, of misschien van de verontwaardigde burchtzaten,
den toenaam »de Rover" ontfing. Wy lezen ten minste: »dese Heer Henric
de Rover, Heer Willems soon, bleef doot in het besit van Montfoort,
t'welck Godt geklaegt moet syn, in het jaer doe men schreef 1387. des
Vrydaechs nae Pinsterdach."
Was nu eenmaal de zoen gesloten, dan kon de Burchtgraaf weer huiswaart
rijden, frank en vrij, en zijn leengoed te rug nemen, maar bleef dan
nog gehouden om, zoo hy werd opgeroepen, den Bisschop van Utrecht te
dienen, deszijds den IJssel met 25 speeren [18], op eigene kosten,
en, des gevorderd, tot drie verschillende reizen toe.
Op zoodanige voorwaarden verzoende zich de Burchtgraaf met zijn
»lieven, geminden Heer", en werd de oirconde daarvan bezegeld »dynsdags
na S. Laurentius-dag (10 Aug.) 1387." Nogtans verklaarde hy, en
wel, zonderling genoeg, tevens in 't volle kapittel, by zijn eed en
ridderschap, dat hy 't alleen deed uit bedwang en noodzakelijkheid,
vreezende anders lijf, goed en onderzaten te moeten verliezen. Ook
schijnt het werkelijk, dat er met betrekking tot het bovengemelde
Dijkgraafschap een onrechtvaardig vonnis is geveld, blijkends
des Ridders sterke bewoordingen in 't kapittel.--»Daarmeê neem ik
geen vrede," sprak hy: »dat men het Dijkgraafschap den Bisschop,
en niet my toe wijst. Zulk eene verklaring kan my in mijn recht
niet benadeelen:--omdat allen, die hierover moeten zitten, niet
tegenwoordig, en ook niet beroepen zijn geweest; omdat ik het onder den
vorigen Bisschop reeds heb bezeten, zoo als mijne getuigen (maar die
men niet gehoord heeft!) kunnen bevestigen; omdat vele Baanrotsen,
Ridders, Schildknapen, Vasallen en Dienstmannen van het Sticht
verklaard en gevonnisd hebben, dat mijn recht tot het Dijkgraafschap
beter gegrond is dan dat des Bisschops, duidelijk thands blijkende,
daar verschillende Baanrotsen, Ridders, en anderen, die hier ten
oordeele hebben gezeten, ziende dat niet alle gerechtigden waren
beroepen, het kapittel hebben verlaten, zonder vonnis te spreken;
omdat, eindelijk, zelfs de openbare roep der gemeente my gelijk geeft,
en erkent, dat mijne voorouders en ik sedert honderd jaar en langer in
't bezit van het Dijkgraafschap zijn geweest."
Zijne verdediging blijkt echter niet te hebben gebaat; en in zoo
knellende kluisters geprangd, moest hy, schoon van een hoog gemoed
en onrustigen aart, zich wel onderwerpelijk houden: hy had de klaauw
van den leeuw op zijn schouder gevoeld, en de lust tot terging was
hem voor goed vergaan. De Bisschop daarentegen toonde by de eerste
gelegenheid de beste, dat hy ernstig bedacht was, om zijn verkregen
recht te handhaven: Nog in het zelfde jaar werd er binnen Montfoort,
door zekeren Jan Jans van Boemel, een manslag gepleegd op eenen Arent
den Schermer; de Maarschalk van het Sticht trok de stad binnen, en
maakte er zich meester van den moordenaar, die, naar Utrecht gevoerd,
daar werd gevonnisd, en zijn schuld met het hoofd boette.
Van Henrics twee zonen, Sweder, Ridder, en Jan, Domdeken en Proost te
Utrecht, volgde de oudste hem na zijn dood niet terstond op, als toch
wel billijk ware geweest. Bisschop Frederic van Blanckenheym weigerde
dezen Edelman aanvankelijk met het leen te verlijen, en verklaarde in
't openbaar, dat hy hem het recht, waarop hy aandrong, niet schuldig
was, en dat het goed en leen verwillekeurd waren. Echter, 't zij nu dat
deze ongunstige beschikking van den Bisschop werkelijk gegrond was op
zijn geloof aan zijn goed recht, het zij dat hy ze alleen voorwendde,
ter strengere handhaving van zijn gezach--hy liet zich eindelijk door
bidden en dreigen van Sweder en diens vrienden bewegen, om hem met het
Burchtgraafschap te beleenen, maar--op de zelfde voorwaarden, waarop
Heer Henric dat ontfangen had. Heer Sweder bleef geen andere keuze,
en hy onderwierp zich; men legde hem den zoenbrief zijns vaders voor,
waarin die voorwaarden werden uiteengezet, en hy hing er zijn zegel
aan, ten blijke dat hy ze bevestigde, 26 Mei 1405. De Bisschop,
thands te vreden, beleende hem toen ook met het Dijkgraafschap, en
hield verder het woord, waarby hy beloofd had »hem sonder sorge van
gewelde" te zullen laten.
Toen Sweder, kort daarna, ongehuwd overleden was, hernieuwde zich de
zelfde strijd. Zijn broeder Jan, de Utrechtsche Domdeken, had de kap
aan den wand gehangen, en begeerde nu verlij der Heerlijkheid; hy kon
echter niets meer verkrijgen dan de beleening van het Burchtgraafschap,
waarmede hy eindelijk (1413) wijs genoeg was vrede te nemen, hoewel
almede onder protest van zijnen kant. Weldra rees er dan ook verschil
tusschen hem en Bisschop Frederic, over het verbreken der overeenkomst
van 1387, waarin Graaf Willem van Holland, als scheidsman, hem echter
in 't gelijk stelde.
De goede verstandhouding werd sints niet weder verstoord; integendeel
werd zy versterkt, toen in den aanvang van 1420 de oneenigheden
tusschen Utrecht en den slinkschen Jan van Beieren tot dadelijken
krijg overgingen, en de Montfoorters des Bisschops partij kozen. In
dezen oorlog maakte een van des Burchtgraven verwanten, Heer Lodewijc
van Montfoort, zich door een wakker feit van wapenen vermaard:
By een inval van die van Oudewater in 't Sticht, trok Lodewijc
in der haast te Montfoort zoo vele manschappen samen, als er uit
de verdedigers van slot en stede gemist konden worden, en voerde
deze luttele bende, alleen uit voetknechten bestaande, den vijand
tegen. En, zegt de Bisschoppelijke kronijkschrijver Van der Beke,
toen Heer Lodewijc met de zijnen hen ontmoette, gedroeg hy zich als
een onvertsaagd Ridder, die den moed van een leeuw bezat, en reed op de
vijanden in; en zijne voetknechten deden als heerlijk stoute mannen, en
streden vromelijk nevens hem. Ook de vijanden weerden zich mannelijk en
stout, of zy Jonkers waren, en zoo werd er, niettegenstaande het getal
volks aan beide zijden slechts klein was, kloek en wakker gestreden,
want elk wilde gaarne het veld behouden. Maar die van Oudewater moesten
't eindelijk opgeven, en ruimden met een verlies van omstreeks 70 man
aan dooden en gevangenen het veld, terwijl de Montfoorters in triomf
met de buit binnen hunne stad keerden, »ende dancten Gode ende sinte
Martyn, dat si mit sulker eeren ende mit sulcken gewin ontstaen waren."
Ook de Burchtgraaf-zelf deed de zaak der ongelukkige en trouwloos
behandelde Jacoba van Beieren zoo menig goede dienst, dat zy hem
uit erkentelijkheid de toezegging deed tot het verlij met drie
Heerlijkheden, palende aan het Land van Montfoort, namelijk: Linscoten,
Hekendorp en Snelrewaerd, die hy later, schoon eerst onder Filips
van Borgondiën, 1440, ook werkelijk bekwam. Vóor dien tijd had hy
ook bezittingen in Holland verkregen: de Heerlijkheid Purmerende,
die hy in 1431 van den Ridder van Sijl had gekocht.
Onder hem raakte ook de verhouding van den Leenheer tot den Leenman,
van den Bisschop van Utrecht tot den Burchtgraaf van Montfoort, in eene
omgekeerde verhouding van wat zy te voren geweest was. De aanleidende
oorzaak hiertoe rees uit den strijd om den zetel, tusschen Rudolf
van Diepholt en Sweder van Culemborch. De Burchtgraaf, by het verdrag
tusschen Bisschop Frederic en Jan van Beieren buiten gesloten, vond
zich deswege verongelijkt en beleedigd, en dit was wellicht de oorzaak,
waarom hy de zijde des door den Paus beschermden, maar door 't groote
meerendeel der Stichtenaars gehaten, Bisschops Sweder koos. Hy leende
dezen, op zich-zelf onwaardigen, Prelaat de belangrijke som van 12000
Hollandsche Wilhelmsschilden [19], en ontfing daarvoor ten jare 1430
in pandschap de hooge Heerlijkheid van Montfoort, met uitdrukkelijke
voorwaarden, dat de bepalingen van den ouden zoenbrief, die zoo
dikwerf aanleiding tot twist en tweespalt hadden gegeven, nietig en
krachteloos bleven, zoolang de voorgeschoten penningen niet werden te
rug betaald. Van die aflossing kwam niet, en de Burchtgraven konden
zich dus voortaan met volle recht betytelen: Heeren van Montfoort,
wat in onze ooren minder fraai moge klinken, maar destijds ongelijk
hoogere aanspraken gaf, en veel minder afhankelijkheid vooruitstelde.
Heer Jan van Montfoort had alzoo door zijne rijkdommen verworven,
wat zijne voorgangers zoo dikwerf te vergeefs door het zwaard hadden
getracht te vermeesteren. Zijn verdere levensloop was daarom niet
gelukkiger, maar werd integendeel verbitterd door een leed, dat te
feller griefde, omdat het de hand van een kind was, die het sloeg.
Uit zijn huwelijk met Cunigonde van Bronchorst waren hem drie
zonen geboren, Henric, Willem, en Sweder. Henric, een heethoofdig
en onberaden jongeling, had eene vurige genegenheid opgevat voor
Agnes van IJsselsteyn, zeer tegen den zin zijns vaders, omdat het
huwelijksgoed der Jonkvrouwe van zoo weinig beteekenis was: hare
bezittingen bestonden slechts in twee hoeven, de eene boven aan
Blocland, de andere in Benscoep. Dat was te luttel om hun, nu zy,
ondanks de bestaande bezwaren, zich toch in den echt verbonden hadden,
een inkomen te geven naar hunnen stand; en de Burchtgraaf wilde van
geene ondersteuning zijner zijds iets weten, en schijnt niet vreemd
geweest te zijn aan het voornemen om zijnen ongehoorzamen zoon te
onterven.
De gevolgen waren droevig. Geperst door zijne bekrompene
omstandigheden, kwam Henric tot het gruwzaam besluit, om zijnen grijzen
vader te dwingen. Gants in 't heimelijk bracht hy zyne aanhangelingen,
waaronder voornamelijk de verwanten van zekeren Jan van Naerden,
poorters van Woerden, worden genoemd, allengs in zoo grooten getale
op het kasteel, dat hy er eerlang geheel meester werd, alle dingen
naar zijne hand zettede, en zijn vader »jammerlycken en deerlycken"
gevangen hield. Zyn broeder Willem, wien dit verdroot, begaf zich, daar
de Bisschop door verdeeldheid met diens eigene onderdanen machteloos
was, naar Holland, en klaagde Filips van Borgondiën wat er te Montfoort
plaats greep. De Hertog begaf zich daarop, in het belang van den
ouden Burchtgraaf, dien hy in 1439 zijn getrouwen Raad en Kamerling
noemt, derwaart, en bracht de schandelijke zaak tot een vergelijk,
waarby Johan in het bezit zijner goederen hersteld en bevestigd werd,
onder voorwaarde, dat hy Jonker Henric noch onterven, noch ook maar
een deel van diens toekomende goederen vervreemden zou. Leest men
echter daarby op eene andere plaats: »deselve Heer Johan Voorsz. sterf
daer nae in de gevangenis, Anno 1448, op sanct Anthonis dach," dan
heeft men zeker niet ongegronde reden om te gelooven, dat Henric in
zyn onwaardig gedrag is voortgegaan, en, op zijn zachtst gesproken,
het gezach over 't Burchtgraafschap in handen gehouden heeft, zonder
zich aan de gemaakte bepalingen te storen.
In geen gunstiger licht komt verder ook het karakter van zijn
broeder Willem voor. Deze had zich door dorperlijke aanslagen te
Utrecht zoo gehaat, en te gelijk bevreesd, gemaakt, dat de Raad dier
stad in 1445 een prijs uitloofde van duizend Borgoensche schilden
voor die hem dood, van drie duizend voor die hem levend in hunne
handen stelde; daarby werd der burgerij tevens op lijf en goed
verboden, om in eenige verstandhouding met hem te zijn. De listige
staatkunde evenwel van Filips den Goede, die in de toekomst alreeds den
opengevallen bisschopszetel door zijn bastertzoon David zag bekleeden,
sloot zich den Montfoorters aan, en maakte hen, door een verbond
van onderlingen bystand met hem en de Edelen van Mynden, Zuylen,
Cronenborch en anderen, waarby zich ook de Stad Amersfoort voegde,
zoo machtig, dat zy weldra eene geduchte partij vormden, en Bisschop
Rudolf de hand konden bieden, om hem weder in 't bezit zijner met hem
in oneenigheid geraakte stad te brengen, en op deze wijze zelf invloed
op de Stichtsche zaken te erlangen. De Utrechtenaars verfoeiden den
slechten zoon; de Bisschop echter schold hem de schuld jegens zijn kort
te voren overleden vader kwijt, en onthief hem van den ban, maar deed
hem toch eene belangrijke boete betalen. Willem van Montfoort hield,
na de bevrediging door Filips, geheel de zijde zijns broeders, en
beproefde, door zich met eenige speerruiters naby de wallen van Utrecht
te vertoonen, eene opschudding binnen de Stad ten voordeele van Rudolf
te verwekken, wat echter door de waakzaamheid van den Raad mislukte.
En toch verkreeg de Bisschop reeds het volgende jaar wat hy zocht.
Zaturdag voor St. Blasius, 1449, was, volgends jaarlijksche
gewoonte, het bestuur binnen Utrecht veranderd, en de poorters
hielden, almede naar oud gebruik, vrolijken avond, met feestmalen en
drinkgelagen. Wie daar evenwel niet in deelden, waren de aanhangers van
den Bisschop. Onder bedekking der luidruchtigheid van het feestrumoer,
waarby de zorgvuldigheid der wacht veronachtzaamd werd, brachten zy
eenige moddervletten in de buitengracht, tusschen de Wittevrouwenpoort
en den Plompentoren, wel wetende wat de Bisschop, dien zy in 't
heimelijk verwachtten, daarmede zou aanvangen. De nacht kwam--en,
in hare duisternis verborgen, ook Bisschop Rudolf. Met hem waren zijn
neef Proost Coenraad van Diepholt, de Domproost Sweder van Culemborch,
Burchtgraaf Henric, en andere Edelen en Geestelijken, benevens eene
bende krijgsvolk. Allen naderden in de grootste stilte. Een deel der
krijgers stak in de vaartuigen de gracht over, en drong door eene
ijlings in den muur gegravene opening de stad binnen, brak daarop
de Wittevrouwenpoort open, en gaf den Bisschop met diens volgers
den toegang. De Utrechtenaars, door 't gerucht en de kreten thands
gewekt, klepten de noodklok, liepen ondanks het nachtelijk donker
te wapen, en verzetteden zich met kracht. Een onstuimig gevecht
greep plaats in de Schoutensteeg; en, waren de Amersfoorters die
van Utrecht niet in den rug gevallen--de Bisschoppelijken hadden de
stad waarschijnlijk niet behouden. Rudolf behaalde de overwinning,
maar werd zwaar aan het been gekwetst, zoodat hy sints altoos mank
ging. Ook de Burchtgraaf bekwam eene kwetsuur, die echter niet van
belang schijnt geweest te zijn, en niet in aanmerking kwam by de
voordeelen, die uit zijne verzoening met den Bisschop voortvloeiden,
en waarin natuurlijk zijn broeder Willem deelde, wiens banvonnis door
den Stedelijken Raad terstond herroepen werd.
Na den dood van Bisschop Rudolf schijnen de broeders minder eenstemmig
geweest te zijn: Heer Willem wordt gevonden op de lijst dergenen,
wien, als tegenstanders van Bisschop Gijsbrecht van Brederode, in 1456
by klokkeslag de stad werd ontzegd; terwijl de Burchtgraaf in dat
zelfde jaar voorkomt onder de Edelen, die zich, hoewel vruchteloos,
met Reynout van Brederode en Johan van Cleve naar Leyden begaven,
om Hertog Filips met den Bisschop en diens stad te bevredigen.
Twee jaar later, 1458, overleed Henric, en werd opgevolgd door zijn
zoon Johan den Tweede, bekend onder den naam van Johan de Rijke,
thands Heer van Montfoort, Lynschoten en Purmerende, en, door zijn
huwelijk met Willemyne, Erfdochter van Naeltwyc, na 1496 tevens Heer
van Naeltwyc, Cappelle en Wateringhe, en Erfmaarschalk van Holland. Het
verlij met Montfoort, dat in 1461 plaats vond, geschiedde weer geheel
en al op de oude voorwaarden, volgends »alle punten ende articulen,
die inder zoenen, die tusschen den eerwaerdigen in Goide Heren Florens
van Wevelkoven, Bisscop te Utrecht an die een zyde, ende Heeren
Henrick Borchgrave tot Montfoirde an die ander zyde, gededingt was,
begrepen syn." Intusschen was hier het hoogheerlijkheidsrecht niet
onder begrepen, en bleef de Burchtgraaf altijd een der machtigste
vasallen van het Bisdom, en van grooten invloed op den loop der
Stichtsche zaken. Aanvankelijk liet hy zich daar echter niet veel
meê in, en onttrok zich zelfs eenigen tijd geheel en al aan zijn
vaderland, door een tocht naar het Heilige Land, van waar hy in 1469
te rug keerde. De oversten der gilden te Utrecht gaven hem toen,
met goedkeuring der Magistraat, een bewijs van hunne vreugde over
zijn behouden wederkomst, door hem een maaltijd aan te bieden, die
door den Domproost, door Heer Jan van Renesse, en andere voorname
leden van Adel en Geestelijkheid, benevens onderscheidene leden
van den ouden en nieuwen Raad der stad werd bygewoond, en waarvan
de onkosten aan spijzen, gebakken, confituren, geleien, en wijn,
eene som van 10 rijnsguldens (f 13.) en 14 stuivers beliepen.
Bisschop David van Borgondiën, die niet zeer by zijne poorters
gezien was, mag uit hunne goede gezindheid jegens den Burchtgrave wel
eenige achterdocht geraapt hebben [20]; hy vond ten minste goed om hem
naauwer aan zich te verbinden, en ontfing van hem eene verzekering van
trouwe als vasal en onderdaan, by gezegelden brieve van 1474. Johan
gaf die verklaring toenmaals misschien gants in oprechtheid en ter
goeder trouwe; maar de Bisschop had wijzer gehandeld, wanneer hy,
in plaats van zich op dergelijke verbindtenissen met zijne Edelen te
steunen, zijne onderzaten in 't algemeen minder van zich verwijderd,
en zijn Borgondische willekeur meer ingetoomd had; hy deed dit
evenwel niet--en het gevolg daarvan was eene openbare breuke met
zijne stad Utrecht, die in 1477 den Burchtgraaf tot haren Hoofdman
verkoos. Johan was voorzichtig genoeg, om zich niet terstond binnen
Utrecht te vestigen, maar liet zich eindelijk overhalen, en was
er toen ook ten eenenmale meester, zoodat de Raad niets ondernam
dan met zijn voorkennis en medeweten, hetgeen zelfs op de zaak der
Hoekschen in Holland, die hy ten sterkste toegedaan was, gunstig
inwerkte. Toen Reynier van Broechusen in 1481 de stad Leyden voor die
partij niet langer behouden kon, maar heimelijk in de nacht vertrok,
spoedde hy zich over Woerden naar Montfoort, wel wetende daar eene
goede ontfangst te zullen vinden. Hy bedroog zich niet, hoewel de
Burchtgraaf afwezig was, en de trouw der Montfoorters terstond op eene
zware proef werd gesteld. De Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk
zette hem, met ongeveer 600 krijgsknechten, byna op den voet na,
kwam voor de stad, eischte vrijen ingang, en daarby de uitlevering
van Heer Reynier met diens manschap. Hy ontfing nogtans een ander
andwoord dan hy verwacht had: die van Montfoort stelden zich te weer,
en deden hunne donderbussen en serpentynen dapper op de Hollandsche
benden spelen, zoodat Maximiliaan zelf byna door een serpentijnkogel
gekwetst werd. Vertoornd trok hy daarop, schoon 't Palmzondag was,
te rug, maar niet zonder op dien keertocht eenige dorpen en gebouwen,
tot de eigendommen van Montfoort behoorende, aan de vlammen te hebben
opgeofferd. Ook was hy naauwelijks weder in den Hage, of hy vaardigde
tegen Broechusen, Henric van Nyevelt en anderen, waaronder ook Johan
behoorde, een banvonnis uit, daarby hunne goederen, voor zoo ver zy
onder zijn gebied lagen, verbeurd verklarende. Den Burchtgraaf kwam
dit op het verlies zijner Heerlijkheid Purmerende te staan, met wier
inwoners hy trouwens reeds sedert 1470 op onaangenamen voet stond.
Maximiliaans maatregelen van ontzeg en in beslagneming strekten
zich ook over de Stichtenaars uit, die zich thands ernstig ongerust
maakten, en den Bisschop gezanten zonden, om diens voorspraak by den
Aartshertog af te bidden. David stelde ter voorwaarde de uitdrijving
van den Burchtgraaf, 'tgeen den Raad in groote ongelegenheid en
tweespalt bracht, en ten gevolge had dat Johan, die in den laatsten
tijd steeds van een twintigtal lijftrawanten omringd was, allen
verzamelde die hem getrouw waren, met hen en zijn neef Henric van
Zuylen van Nyevelt voor het stadhuis trok, waar hy de stads banier
plantte, en de poorters op het kleppen der buurkerkklok te wapen
deed snellen. Terstond openbaarden zich twee partijen; het kwam
tot handdadigheid; het staal besliste--de Burchtgraaf verdreef zijn
tegenstanders, en werd volstrekt meester van de stad.
Thands was de oorlog zoo goed als verklaard. De Bisschop trok, half
genoodzaakt, de zijde van Maximiliaan, stelde Frederyc van Egmond
van IJsselsteyn, die zich met 200 man tot hem begeven had, als
Legeroverste aan, ontfing uit Holland, behalven 400 wapenknechten
onder Jan van Cats en Jacob van Boshuzen, den bekenden Ridder
Petit Salisart, met 34 Biscaysche boogschutters, en deed al het
mogelijke, om zijnen ongehoorzamen onderdanen afbreuk te doen en
hen te verzwakken. Onderhandelingen, door deze laatsten met den
Aartshertog aangeknoopt, leidden zoo weinig tot bevrediging, dat een
Hollandsch heir van ruim 8000 man, onder opperbevel van den Stadhouder
La Layng, in October 1481 het Sticht binnentrok, en den 10en dier
maand het beleg sloeg voor het blokhuis te Vreeswijc aan de vaart,
dat op des Burchtgraven last gesticht was. Zoodra die van Utrecht
de noodvuren der belegerden hadden bespeurd, deed de Burchtgraaf
terstond de reizige-ruiters [21] en voetknechten uit Montfoort en
Amersfoort lichten, voegde daar soudenieren en poorters by, en trok,
met zijn oom Sweder van Montfoort, Henric van Zuylen van Nyevelt,
Dirc van Zuylen van der Haer, Vincent van Swanenburch, en Willem van
Wachtendonck, aan het hoofd van 3500 man den belegeraars tegen. Nadat
het leger by Engelenburch was gerangschikt, werden Vincent, Willem,
en Dirc (Henric weigerde die eer) Ridder geslagen, en trok men de
vijanden stout en welgemoed tegen. Deze meenden aanvankelijk dat
het de Bisschop met zijne afgesprokene versterking was, maar zagen
weldra hunne misvatting in, en stelden zich haastig te weer. Eene
achterwaartsche beweging hunner eigene reizige-ruiters by den
eersten aanval reeds als wijken aanziende, werden zy echter door
een plotselijke schrik bevangen, en sloegen ijlings in de grootste
verwarring op de vlucht. Op de wegen naar Schoonhoven, Oudewater,
Woerden, en IJsselsteyn, stoven de vliedenden voort, en wierpen hunne
wapenen van zich; velen vloden de uiterwaarden op, en verdronken in
de Leck; de krijgshoofden, wie bidden noch dreigen om hen tot staan
te brengen hielp, werden medegesleept. Van tien ure des morgens tot
in het duister van den laten avond zettenden Montfoort en de zijnen
hen na, en bekwamen een belangrijke buit aan wapenen, krijgsvoorraad,
geld, en gevangenen. Met een honderdtal dezer laatsten, en de veroverde
vanen van Dordrecht, Delft, Rotterdam, en Heusden, trokken zy in triomf
hunne stad weder binnen. Des Burchtgraven gezach was er merkelijk door
gestevigd, hoewel de bedaarden zich door dezen aanvankelijken voorspoed
niet lieten misleiden, maar zeer goed inzagen, dat drie Utrechtsche
steden niet tegen de Nederlandsche Hertogdommen en Graafschappen, de
Burchtgraaf van Montfoort niet tegen den Aartshertog van Oostenrijk,
op den duur bestand waren. De inmiddels nog hangende onderhandelingen
over den vrede werden thands door de stoutere eischen der Utrechtenaren
afgebroken; want de Burchtgraaf, zegt men, verklaarde: dat hy liever
de velden verwoest, en de ploegschaar door de grondvesten der stad
zou zien gaan,--dat hy en zijne aanhangers liever den nood van
honger, pest, en andere kwalen wilden ondergaan, ja lijden dat alle
poorters met hen werden verdelgd, dan dáarin toe te geven, dat Utrecht
ongeschonden onder de heerschappij van Bisschop David zou te rug komen.
Een listige aanslag tegen Naerden, 8 Dec. 1481, met goed gevolg
bekroond, maar door toeval zonder ondersteuning gebleven, werkte
meer kwaads dan goeds, daar de Hollanders terstond daarop de plaats
bezet hielden, en van daar uit herhaalde strooptochten deden. Ook
hielp het Eemnes weinig, of een honderdtal Stichtsche krijgers het
kwam versterken:--de bloeiende plaats werd door het Hollandsch leger
ingenomen en zoo deerlijk verwoest, dat zy zich nooit weder heeft
kunnen herstellen. Evenmin baatte het Baern en Soest, dat hunne
inwoners beroemd waren om heldenmoed zoowel als om bekwaamheid
in het voeren van den boog:--beide dorpen werden overvallen, en de
gloed hunner vlammen lichtte tot op den Amersfoortschen berg, vanwaar
Engelbert van Cleve ze aanschouwde, juist toen hy naar Utrecht trok om
het hem aangeboden ruwaardschap over het Sticht te aanvaarden. Tot
die aanbieding was men overgegaan op raad van den Burchtgraaf,
die de noodzakelijkheid van een machtigen bondgenoot al te wel
inzag, sedert hy zich overtuigd hield, dat de vrede met Maximiliaan
zonder herstelling van den Bisschop onmooglijk werd. Engelbert-zelf
was slechts negentien jaar, zijn broeder, Hertog Jan, een machtig
Heer.--Waarlijk! de vroede, maar al te heerschzuchtige Burchtgraaf
had geen beter bondgenoot kunnen kiezen.
De Stichtsche zaken werden er evenwel niet gunstiger door. Die van
Utrecht, by een uitval in eene hinderlaag gelokt, verloren 150 dooden
en 100 gevangenen [22]. Dat gaf eene droevige verslagenheid binnen de
stad, waar de lagere klasse alreeds gebrek, de kleine burger behoefte
begon te lijden, en de meer-gegoeden en rijken de toekomst beängst
gingen inzien. Montfoort ging onwankelbaar zijn weg: hy versterkte de
wallen, deed scherpe wacht houden, en de landstreek rondom onder water
zetten. Den 15en Januari 1482 verscheen de Stadhouder van Holland met
zijn leger naby Utrecht, maar trok, na eene vruchtelooze opeisching,
drie dagen later weder te rug. Twee maanden verder, 18 Maart, deed de
Burchtgraaf, door Vincent van Swanenburch, Vianen innemen en bezetten;
maar den Raad der Bisschopsstad was dit weinig naar den zin, en hare
burgers droegen er eerder meer dan minder oorlogskosten om: beiden
morden in stilte, en de wolken, die boven de kim van Montfoorts gezach
oprezen, werden hoe langer hoe zwarter en dreigender. Een mislukte
toeleg op Dordrecht, in April, beterde daar niet aan. De Burchtgraaf
meende zelfs op het spoor eener samenzwering te zijn, deed eenige
burgers de stad ruimen, en haalde er verscheidene vroegere ballingen
weder in; een burger, die kwalijk van hem gesproken had, werd openlijk
onthalsd. In kleine, afmattende strooptochten en schermutselingen
(by een van welke Jan van Schaffelaer die grootheid van ziel toonde,
die wy nog met eerbied bewonderen) ging de oorlog steeds voort,
meestal met verlies aan de zijde der Stichtschen. Eindelijk meende
men dat de tijd voor groote handelingen aangebroken was: de Cleefsche
hulpbenden zouden weldra opdagen, en in afwachting daarvan, om tot eene
bestorming over te gaan, sloeg de Burchtgraaf het beleg voor de stad
IJsselsteyn. Maar zelfs hierin maakten onvoorziene omstandigheden zijne
kloeke maatregelen weer te schande: toen de Cleefschen nu ook werkelijk
waren aangekomen, verklaarden zy gezonden te zijn om te stroopen, niet
om steden te bestormen, en weigerden volstandig alle meêwerking. Hy
moest dus met bittere teleurstelling weder aftrekken, daar zijne
eigene manschap te weinig in getal was. Beter integendeel dan deze
onderneming slaagde die der Hollanders, in de maand September, op het
blokhuis Gildenburch aan de vaart: de tijding van de overmeestering
en volkomen vernieling dezer sterkte baarde te Utrecht weder nieuwe
angst en bekommering.
De roem van des Burchtgraven persoonlijke dapperheid leed toch
volstrekt niet onder de gedurige mislukking zijner kloekberaamde,
maar door anderen slecht uitgevoerde of ondersteunde plannen. De
koene Ridder Jan van Egmond [23], wiens gebrek aan den voet door
eene dubbele mate van kracht in de borst meer dan opgewogen werd,
voelde begeerte om zich met den Montfoorter, man tegen man, in
het strijdperk te meten. Hy zond hem daarom eene uitdaging tot een
ridderlijken tweekamp; de overwinnaar zou van den overwonnene een
losgeld van 1000 kroonen erlangen. De Burchtgraaf liet zich echter
niet overhalen. Misschien achtte hy het ongeraden, om het vertrouwen
op zijne dapperheid aan den onzekeren uitslag van zulk een strijd prijs
te geven, vooral in een tijd, waarop hy het getal zijner aanhangelingen
met den dag verminderen zag. Zelfs Engelbrechts gezindheid te hemwaart
nam af, blijkends diens goedkeuring op de verkiezing van Aernt Ram tot
Schout en Schepen-Burgemeester der stad, 12 Nov. 1482, in de plaats
van den overleden Jan de Coningh:--Rams goed-hoekschgezindheid was
niet buiten verdenking.
De volkomen nederlaag deed zich niet lang wachten. Op den 4en April van
het volgende jaar, terwijl de Ruwaard zich te Amersfoort bevond, brak
er eene omwenteling uit, die Bisschop David in de stad, en Johan van
Montfoort met eenigen der zijnen in de gevangenis bracht. Gelukkig
voor den Burchtgraaf was Henric van Zuylen van Nyevelt nog in
vrijheid. Deze wakkere bondgenoot (dien de kronijk »een cloeck,
stout, vroom man" noemt) verzamelde met den Ruwaard en Gijsbrecht
Baes een deel gewapenden, overviel de stad op Hemelvaartsdag, en
verloor er wel het leven, maar sprak nog stervende zijnen volgers zoo
vurigen moed in, dat zy werkelijk boven des Borgondiërs aanhang meester
bleven. De Bisschop, in 't onzekere over den afloop, had intusschen den
Burchtgraaf voor zich doen brengen, en was met dezen overeen gekomen,
dat de een des anderen lijf zou schutten, wiens partij ook overwon. De
Burchtgraaf hield woord: hy beschermde het leven van den Kerkvoogd,
die naar Amersfoort gevoerd en aldaar gevangen gehouden werd.
Nu begreep men in Holland om tot afdoende maatregelen over te
moeten gaan--en de stad Utrecht zag zich weldra door eene sterke
belegering onder Maximiliaan geheel ingesloten. Vergeefs waren alle
onderhandelingen, en de Aartshertog was eindelijk oneerlijk genoeg, om
de afgezonden onderhandelaars, Engelbrecht van Cleve en Burgemeester
Gerrit Soudenbalch, gevangen te houden. De Burchtgraaf, die met hen
was, ontkwam by geluk. Door een heimelijken vriend gewaarschuwd, nam
hy den schijn aan als of hy, ter uitbreiding van hunnen lastbrief,
spoedig naar de stad moest gaan, en terstond te rug zou keeren; zoodra
hy echter in 't zaal zat gaf hy zijn ros de spooren, en rende heen in
volle vaart. Dat mag achterdocht verwekt hebben: eenige reizige-ruiters
zetteden hem terstond na, en waren hem dicht op den voet, toen hy
gelukkig naby de boomgaarden was, van 't paard sprong, en dwars door
't geboomte, over slooten en greppels, langs bypaden en heimelijke
wegen voortsnellende, behouden de poort bereikte. Zondag daarop werd de
stad heftig bestormd door de Hollandsche benden, maar de Burchtgraaf
sloeg ze wakker af. By eene volgende bestorming werd de voorstad de
Waard verloren, waar de vijanden zich nestelden, en vooral geschut
plaatsten. Op het einde neep het gebrek in de stad gevoelig; men kwam
tot een verdrag, en op den 6en September 1483 trok Maximiliaan als
overwinnaar, door eene gemaakte bres in de wallen, Utrecht binnen. De
tot overmoed aangegroeide heldhaftigheid van Johan van Montfoort had
niet geholpen: in genade aangenomen, vertrok hy naar zijne eigene stad,
maar peinzende hoe hy den Cabiljaauwschen toch verder afbreuk zou doen.
De gelegenheid daartoe kwam.
Een klein uur zuidwaart van Montfoort hief steeds het zware kasteel van
Woerden de grijze spitsen boven het geboomte. De Burchtgraaf vernam,
dat de Hollandsche Slotvoogd Aernout, bastaart van Ysselsteyn, een
schraapziek Ridder was, die, bouwende op de sterkte der burcht, de
door hem genotene inkomsten niet, gelijk het zijn moest, ten deele
tot het uitrusten en in standhouden eener goede bezetting besteedde,
maar ze geheel voor zich-zelven behield, zoodat er slechts éen man
de nachtwake deed en ieder uur éenmaal de wallen rond ging, om onraad
of kwaden aanslag te verspieden. Toen was zijn plan gemaakt.
De lange nacht na den tweeden Kersdag, 1488, hing met hare doodsche
stilte op het kasteel van Woerden, toen Heer Aernout door wapenklank en
staalgekletter werd gewekt. En eer hy nog zijne echtgenote opmerkzaam
kon maken, ging de deur van het slaapvertrek open, vertoonden zich de
Burchtgraaf met diens oom Sweder en eenige andere Hoeksche Edelen, in
volle harnas en met getrokken zwaard, voor den ontstelden Kastelein,
en verklaarden hem hun gevangene. 's Morgens zagen de omwoners van
het kasteel met verwondering en schrik, dat er niet meer de liebaart
van Holland, maar de banier van Montfoort in de koude Decemberlucht
wapperde. Zoo onverwacht en ijlings was de burcht in de nacht beklommen
en overmeesterd geworden.
De Burchtgraaf zorgde beter voor eene goede bezetting, en hield
er zich dikwijls op, zendende zijne gewapende knechten tegen de
Hollandsche dorpen uit. »Ende dair geschieden veel rovingen, branden
ende brantscattingen ende andere dingen, alsmen in zulken feiten
van orlogen plach te gebruiken: van scepen ende scuiten, die na der
Goude ende Utrecht voeren te beroven ende te bescadigen. Ende alle
dye dorpen, ghelegen tusschen Leyden, Hairlem, ende Amstelredamme
mosten allegader meest brantscattyngen gheven: dair hy alten groten
swaren goet of creech."
Een aanslag op Leyden, met den uit Rotterdam afgezonden Heer van
Naeltwijc beraamd, mislukte, even als later een op Naerden. Maar
in dien tusschentijd overmeesterde de Burchtgraaf het blokhuis by
Woerden, en verwoestten zijne krijgslieden, op een helderen Oktoberdag
in het natte najaar van 1489, het versterkte Bodegraven. Kort daarna
overvielen zy Stolwijc, en legden het mede in de asch; ja zy trokken
door de veenen tot Nyeberch, en plunderden het, niettegenstaande de
dorpelingen aan den Burchtgraaf brandschatting betaalden.
De klachten, over dezen onophoudelijken moedwil gerezen, deden
eindelijk den Stadhouder-Generaal, Hertog Aelbrecht van Saxen,
gehoor geven aan het verlangen van Edelen en steden, om Montfoort,
het brandpunt dezer verzengende stralen, te belegeren. In het laatst
van Mei, 1490, kwam hy met vele Ridderen, Heeren, en knechten, in 't
geheel een groote macht volks, en sloeg zich om de stad en het kasteel
neder. Terstond werden de donderbussen en andere schietwerktuigen
opgericht, en weldra dreunde de grond onophoudelijk van den donder des
geschuts niet alleen, maar ook van de vallende steenklompen van muren,
poorten, en torens: het geschut werd goed bestierd, en richtte geduchte
verwoestingen aan. In 't begin van Juli werd tot den storm besloten,
en de Henegouwsche knechten deden den eersten aanval; maar daar zy door
de Duitsche benden niet behoorlijk werden ondersteund, en de wakkere
Montfoorters zich hunnen Burchtgraaf waardig toonden en hen vromelijk
te lijf gingen, werden zy met verlies te rug geslagen. De Hertog liet
zich echter door eene eerste mislukking niet ontmoedigen. Nog in het
laatst der zelfde maand gelastte hy eenen tweeden storm--maar die
niet beter afliep: de brug, door de bestormers met groote moeite over
de gracht gelegd, begaf hun en zonk; daar ontstond groote verwarring;
zy werden nogmaals afgeslagen, en verloren een groot aantal gekwetsten
en dooden. Onder de laatsten telde men den Grave van 'Tsoorle, wiens
broeders reeds in den Utrechtschen oorlog waren gevallen.
De moed van den Burchtgrave en der zijnen werd door den gelukkigen
uitslag van hunnen weerstand niet weinig gestijfd. Herhaaldelijk
deden zy onverwachte uitvallen in het Hollandsche heir, sloegen er
menigen vijand neder, en keerden gemeenlijk met buit en gevangenen
te rug. Zeker, de Hertog mocht al de overtuiging hebben, dat stad
en burcht, steeds ingesloten door een macht als de zijne, eenmaal
zouden moeten overgaan--maar hoe lang zouden zy 't nog volhouden,
aangevoerd en aangevuurd door een stouten bevelhebber als Johan van
Montfoort? Eene dergelijke overweging mag wel hebben bygedragen tot het
leenen van een gunstig oor, toen in Augustus de Graven van Nassau en
van Chimay in Holland kwamen, en den Hertoge woorden van bevrediging
toespraken, ten einde »dese twist, schade, hinder ende grote
verderflijcke oncosten ende dye grote bloedstortinghe te beletten."
En werkelijk kwam het nu spoedig tot eenen zoen, nadat de belegering
byna vier maanden geduurd had. De beide strijdende partijen werden
vereenigd, maar hoe of op wat wijze, zegt de kronijkschrijver, dat is
onder de Heeren geheim gebleven, en het algemeen is er onkondig van
geweest; alleen weet men, dat de Burchtgraaf beloofde geen Hollandsche
ballingen op zijn burcht meer te herbergen. Voor 't overige deed
hy hulde en manschap aan Maximiliaan en diens zoon, en leverde het
kasteel van Woerden te rug in handen des Hertogs, die het terstond
van een waakzamer Kastelein en behoorlijke bezetting voorzag.
Nu haalde Holland weder ruim adem: de belemmering van wegen en vaarten
werd opgeheven, zoodat men overal weder vrij en veilig reizen en
trekken kon.
Ongestoord en rustig bleef de rijke Burchtgraaf thands in het bezit
zijner goederen. Dat er echter geheime vijanden waren, die hem dit
misgunden, mag worden opgemaakt uit een vreemd voorval van eenige
jaren later, waarby men moeielijk alleen aan al te koene vrijbuiters
denken kan.
Het was in 1495, kort na den 14en Juli, waarop er zulk een ontzettend
onweder gewoed had. De nacht was gedaald, en mag wel niet zeer helder
geweest zijn, toen eenige mannen, aan de gracht van het kasteel te
Montfoort genaderd, er eene schouw te water brachten, kennelijk met
het doel om de wallen te beklimmen. Maar het was hier niet, zoo als te
Woerden: De naauwlettende wacht werd opmerkzaam, en in een oogenblik
was de gantsche bezetting op de been. Haastig namen de vijanden de
vlucht, en wie of wat zy geweest zijn, is altoos een raadsel gebleven.
Bisschop Davids opvolger, Frederic van Baden, in 1499, kort na het
ten onder brengen van de Heeren van Wisch, met den Hertog van Cleve
in oorlog geraakt, behoefde herhaaldelijk geld, dat hy wel voor een
groot deel, maar toch niet geheel en al, by zijne getrouwe steden van
het Bovensticht vinden kon. Hy wendde zich daarom ook tot Burchtgraaf
Johan, die hem met vier duizend gouden rijnsguldens bystond, en
daarvoor het recht der hooge heerlijkheid weder in pand ontfing voor
zich en zijn geslacht, tot zoolang de pandsom weder te rug betaald
zou zijn. De oirconde daarvan werd den 21en Augustus 1499 bezegeld,
en op Sint-Andries [24] daarna beloofde de Bisschop, by open brieve,
dat hy-voor-zich het pand nimmer zou doen lossen.
De Burchtgraaf maakte zich ook nog in zijn ouderdom by den Bisschop
verdienstelijk, want het was vooral aan zijne onverpoosde bemoeiïngen
te danken, dat de vrede tusschen Utrecht en Holland in het voordeel
van den Prelaat tot stand kwam, en in het laatst van Juli, 1511, met
de Landvoogdes Margareta van Oostenrijk gesloten werd. Verder vindt
men niets byzonders meer van hem opgeteekend. De juiste datum van
zijn overlijden schijnt niet bekend te zijn; hy leefde nog in 1512,
maar zijne echtgenote was hem reeds in 1506 door den dood ontvallen.
Hun zoon Joost van Montfoort, gehuwd met Anna van La-Layng, volgde hem
op, en werd in 1530 door Keizer Karel den Vijfde in alle voorrechten
bevestigd, hoewel het Hoogheerlijk recht, waarop de Burchtgraven
zoo grooten prijs stelden, merkelijk was besnoeid door het sedert
eenigen tijd te Utrecht gevestigde provinciaal Gerechtshof. Heer
Joost overleed reeds in 1539, terwijl zijne kinderen Johan en Filippa
nog minderjarig waren, weshalven Vrouwe Anna ten hunnen behoeve het
Burchtgraafschap bestuurde.
De Stichtsche zaken waren thands onder het waereldsch beheer
allengs op een geregelder voet gekomen, zoodat men de vroeger
gemaakte pandschulden kon beginnen af te lossen. Zoo werden in
1545 aan de voogden van Joosts oudsten zoon Johan de vier duizend
rijnsguldens te rug betaald, die in 1499 aan Bisschop Frederyc waren
voorgeschoten. Daarmede werd natuurlijk de vergunning tot uitoefening
van het hoog gerecht ingetrokken. Te vergeefs trachtte Johan dit
later weder in bezit te krijgen; en toen hy eene proeve waagde,
om het eigenmachtig weder uit te oefenen, werd hy in 1551 door het
provinciaal Gerechtshof van Utrecht daarin belet.
Hy overleed kinderloos, en het Burchtgraafschap kwam alzoo op
zijne zuster Filippa. Deze huwde met Heer Jan van Merode, geboren
uit het aanzienlijk Grafelijk geslacht van dien naam, uit Gulik
herkomstig, en aldaar reeds in 1250 bekend. Hy werd in 1583 met
het Burchtgraafschap verlijd, maar bezat het niet zoo lang als zijn
schoonvader. Zijn huwelijk had hem geen zonen, slechts eene dochter,
Anna, geschonken. Anna van Merode was dus Erfdochter van Montfoort,
en trad in den echt met Filips van Merode, Baron van Petershem,
die op den 8en December 1593 als Burchtgraaf werd erkend. Onder zijn
bestuur, in 1617, werd met goedkeuring der Staten-Generaal en die van
Holland de gracht gegraven, die van het water de Linschoten tot aan
de IJsselpoort loopt, en der scheepvaart vrij wat gemaks verschafte.
Zijn zoon, naamgenoot, en opvolger, Filips van Merode, van wien wy
niets meer weten, dan dat hy, Vrijheer van Merode en Markgraaf van
Westerloo zijnde, in 1628 Burchtgraaf van Montfoort werd, stierf na
een twaalfjarig bezit, nalatende Ferdinand Filips van Merode, Vrijheer
van Merode, Graaf van Olem, Markgraaf van Westerloo, Burchtgraaf van
Montfoort, Heer van IJsselmonde, Ridderkercke, enz.
Met dezen Ferdinand Filips eindigt de rij der Burchtgraven van
Montfoort, wier historische figuur, na Johan den Rijke, ook hoe langer
zoo kleurloozer wordt. In 1648 verkocht hy het Burchtgraafschap en
de Heerlijkheid van Montfoort aan de Provinciale Staten van Utrecht,
voor eene som van 225,000 gulden.
Uit den belangrijken koopbrief van 4 Juli des gemelden jaars, zien wy
volledig wat toenmaals tot het Burchtgraafschap en de Heerlijkheid van
Montfoort behoorde, waarvan het voornaamste eene mededeeling verdient.
Allereerst: het recht van patroonschap over de kerk van Montfoort en
verschillende vicaryen, zoowel dáar als te Woerden en te Linschoten,
enz. Vervolgends:
De stad en vrijheid van Montfoort, met het rechtsgebied, het aanstellen
van Schout, Burgemeesteren, Schepenen, Sekretaris, Kerk-, Huis-,
en Schoolmeester, Bode, Organist, en Koster, en nog andere ambten en
bedieningen. Verder:
Het kasteel met grachten en verdere aanhoorigheden; de hof of boomgaard
in de stad, voor de poorten van 't kasteel; twee boomgaarden, waarvan
de een, het Cingel genoemd, binnen, de ander, tusschen de groote en
kleine grachten, buiten de stad gelegen is; het aan deze laatste
palende wilde bosch, met gebouwen, beplantingen en kunstheuvelen,
mitsgaders de opperhof, het olmboomenbosch, en de cingels daar buiten,
met de visscherij in de kleine gracht, al hetwelk in jaarlijksche pacht
werd uitgegeven; de visscherij in de grachten van het kasteel en de
stad, en gedeeltelijk in den IJssel, van Snadelenhoeck tot Oudewater;
de zwanendrift, het recht van den wind, de wind- en de roskorenmolen
met het molenaarshuis en erf, voor zoover dit den Burchtgrave behoort;
alle thynsen die hem toekomen, van verschillende huizen, boomgaarden,
en erven, binnen het Burchtgraafschap, jaarlijks bedragende 132
gl. en 5 st.; het heerenrecht van een aantal leenen en vasallagiën,
tot het Burchtgraafschap, de stad en het kasteel behoorende: Achthoven,
Heeswijck, Kattenbroeck, Papencop, enz.; het Erfdijkgraafscbap langs
de Leck, tusschen den Nieuwen-dam en Schoonhoven, en langs den IJssel
tusschen den Nieuwen-dam en Haestrechter-Were; de aanstelling van
Sekretaris en dijkbode by het kollegie van Dijkgraaf en Heemraden
van Lopickerweerd; enz. Bovendien blijkt uit den zelfden brief,
dat de Burchtgraven binnen de stad Utrecht bezaten een huis en erve,
genaamd: de Huizinge van Montfoort.
Het grootste gedeelte van al deze rechten en bezittingen kwam door
dezen koop aan de Staten, en alzoo werd het land van Montfoort voor
goed aan de provincie verbonden; de stad op zich-zelf was overigens
reeds stellig in 1530, en nog duidelijker in 1585, tot de leden van
het Neder-Sticht gerekend, en als zoodanig in de Provinciale Staten
vertegenwoordigd geworden. De burchtgrafelijke praal »metten aencleve
van dien," was nu voor altijd verdwenen, en men kon het kasteel
vergelijken by een grijzen eik, die het laatste groen, dat hem nog
tooide en vrolijk maakte, thands verloren had. Zeker, de landzaat
had nog eerbied voor zijne eerwaardigheid; maar wanneer daar eens
vreemden kwamen en te machtig werden, zou men dan de vernielende bijl
kunnen weeren?
Den 7en April 1672, verklaarde Frankrijk [25] aan het Gemeenebest den
oorlog, en, ten gevolge van de jammerlijke bekrompenheid der Algemeene
Staten (te laat ingezien!) waren de Franschen reeds in Juni meester
van Utrecht. Het spreekt van zelf, dat het bezit van eene plaats als
Montfoort, door een zwaar kasteel versterkt, den overweldigers niet
onverschillig was: den 21en Juni woei dan ook de lelievaan van den
burchttrans. De Montfoorters hadden aanvankelijk van deze eerste
vestiging niet lang te lijden: Lodewijk, in de eerste helft der
volgende maand ziende, dat de voorlanden van Noord-Holland allen
onder water werden gezet, gaf bevel om de voorposten uit Woerden
en Montfoort op Utrecht te rug te trekken. In de laatste helft van
September echter, toen de Maarschalk Luxemburg Utrecht door eene
lijn van versterkte posten beschermen deed, lag ook Montfoort in
die rij, en werd het kasteel van eene bezetting voorzien, die op den
7en Oktober 70 man bedroeg. In die zelfde maand trokken zy weder af,
maar niet zonder er eene altoosdurende herinnering aan hun verblijf
achter te laten: zy deden het kasteel door buskruit springen, en in
een verwarden puinhoop veranderen. Daarmede was echter de stad niet
van hunne plaag bevrijd, want toen de winter kwam, en Luxemburg zijn
voornemen, om over het ijs in Holland te trekken, ging bewerkstelligen,
was Montfoort in het laatst van December de verzamelplaats van 2000
man. Zoo duurde het by afwisseling met minder en meerder kwelling, tot
in de maand November des volgenden jaars, toen de snoevende vijand,
door de uitmuntende maatregelen van onzen grooten Willem den Derde
tot den aftocht genoodzaakt, het Sticht moest verlaten, en derhalven
ook Montfoort ontruimd werd.
Maar waar nu ook de geliefde Oranjevlag zegevierend mocht
wapperen--niet van het verdelgde kasteel, waaraan de stad haren
oorsprong dankte. Slechts de voorpoort, weêrszijds door een
dikken ronden toren beschermd, was staande gebleven, het gebouw
byna volstrekte ruïne geworden; de sterke muren waren gescheurd en
samengestort, de grachten ten deele met het puin gevuld. Metter tijd
werd een deel der bouwvallen wechgeruimd, een ander, gering gedeelte,
hersteld en tot woonverblijf geschikt gemaakt.
Die huizinge werd nog in 1833 bewoond door het geslacht Gobius,
dat toenmaals in het bezit van den opstal des kasteels was, en
dien op gemeld jaar aan de stad Montfoort verkocht. Later kocht
deze ook den kasteelgrond, aan het domein behoorende, en richtte
het huis tot eene kostschool in, die onder het bestuur van den
vroegeren hoofdonderwijzer aan de stadsschool eenig aanzien begon
te verkrijgen. De toenemende bloei der nieuwe inrichting bracht
der overigens arme en vervallene stad talrijke voordeelen aan,
en de stedelijke regeering, van gevoelen dat de inwendige goede
toestand zich ook wel in uitwendige verbeteringen mocht uitspreken,
besloot om daartoe het vervallen gebouw en den grond meer naar den
tegenwoordigen smaak in te richten. Ten gevolge daarvan, werden de
hier en daar nog overgebleven ringmuren wechgeruimd; de oude houten
stallen naast de voorpoort deed men door ruime steenen gebouwen,--de
knotwilgen langs de moerassige grachten door net plantsoen vervangen;
de brug over de gracht werd afgebroken en hare plaats gedempt, en zoo
ging er byna alle zichtbare herinnering aan het verledene verloren. En
waren niet nog de beide torens daar als proeven van den ouden bouwtrant
overgebleven--niemant zoude er aan een alouden slotbodem denken.
Sic tempora mutantur! Op de plaats, die dikwerf van krijgsgeschrei en
soldatenliederen weergalmde, klinkt thans de stem van dartele knapen;
en de grond, zoo vaak van het bloed der strijders doorweekt, brengt
kleurige bloemen voort. Zoo volgen de gebeurtenissen elkander op;
zoo wisselen de tijden van gelaat--en de geschiedenis van het Kasteel
der Burchtgraven van Montfoort eindigt met eene kostschool.