HET KASTEEL VAN MONTFOORT.

Godfried van Rhenen, Bisschop van Utrecht, was geen man des vredes;

zijne regeering (1156-1178) is ten minste een aaneenschakeling van

oorlogen te noemen. Even fier van moed, als reusachtig van lichaam

[11], gaf hy het den belagers van het bloeiende Sticht, die hy zoowel

onder zijne vasallen als onder zijne naburen vond, volstrekt niet

gewonnen; en om het aan zijne zorg toevertrouwde gewest beter te

kunnen beveiligen, onderzocht hy met een scherp oog naar de zwakste

plaatsen, waarlangs den vijand het indringen gemakkelijk viel, en

deed er sterkten bouwen, die by den eersten aanval niet licht zouden

bezwijken. Om de muitzieke Edelen van Aemstel in bedwang te houden,

stichtte hy een kasteel te Woerden. Om de Friesche grenzen te dekken,

deed hy er een te Vollenhoven bouwen; en tegen de Gelderschen richtte

hy by Rhenen het geduchte kasteel ter Horst op. Hy had echter een

te goeden blik in den toestand des lands geworpen, om niet te zien,

dat de verdedigingsmaatregel nog slechts ten deele was uitgevoerd,

zoolang de Hollandsche zijde niet gesloten werd. De geschiktste plaats

hiertoe scheen hem de landstreek beöosten Oudewater, aan den linker

Yssel-oever, tegenover het Yssel-veld, en slechts drie uren van zijn

zetelstad verwijderd; hier verrees dan omstreeks 1174 op zijnen last

het sterke slot, dat, zoo men wil, door hem Mons fortis werd genoemd,

maar waarvan zeker is, dat het weldra onder den naam van Montfoert

of Montfoort bekend staat.

Ongetwijfeld werd dit kasteel terstond na zijne voltooiïng in

handen gesteld van een Burchtvoogd of Kastelein, aan het hoofd eener

genoegzame bezetting, om de invallen en strooperijen der Hollanders

af te weeren en te keer te gaan. Van deze Kasteleins, die spoedig den

tytel van Burchtgraaf verkregen, wordt echter met name geen melding

gemaakt voor 1227, wanneer wy Everaert Burchtgraaf van Montfoort

vinden, die tot wapen voerde een schaakbord, met ruiten van zilver en

sabel of zwart, blijkends het zegel, dat hy als getuige aan een brief

van Bisschop Otto van der Lippe hing. Vervolgends wordt er gewach

gemaakt van eenen Willem, zonder bepaling of hy tot het geslacht

zijns voorgangers behoorde, en daarna, in een brief van Bisschop

Henric den Eerste, 1260, van den Burchtgraaf Wouter, Geraerts zone

uit den huize van der Goude.

Dan trekken de nevelen der onzekerheid allengs wech, en treden de

handelende personen op het tooneel der gebeurtenissen in een meer

helder licht ons voor het oog.

Bisschop Johan van Nassau, die van 1267 tot 1288 [12] regeerde, was

een goedhartig mensch, maar een volstrekt ongeschikt regent. Een

kerkelijk historieschrijver heeft de geschiedenis van dat bestuur

zeer zakelijk en naar waarheid samengevat in deze regelen:

»Geduurende al den tijd van zijne regeeringe is 't er zeer holbollig

in het Bisdom toegegaan. De regeering van 't gemeenebeste is tenemaal

t'onderste boven gekeert; de edelen en groote Heeren zijn ter stede

uytgejaagt; de Regenten en de Magistraat van toen af, en zederd

altijd, uyt het gemeene volk gekozen; ambachtsgilden ingestelt,

die zedert het opzigt over de stad en de Majestraat gehad hebben;

ja het zegel zelf van de stad is verandert geweest."

Trouwens--er was een vaste hand noodig in die dagen, toen by het volk

besef van natuurlijke rechten begon te ontwaken, de steeds naar macht

grijpende Adel, dat volstrekt zocht te onderdrukken, en de Vorst,

in het midden der soms in den volsten zin des woords strijdende

partijen geplaatst, tegen de aanmatiging des laatsten de rechten

van het eerste steunde--om er dikwijls zelf, het zij reeds in zich,

het zij eerst in zijne nakomelingen, het slachtoffer van te worden.

Eener ongeschikte regeering mangelt het gewoonlijk aan geld. Zoo

ging het ook Bisschop Johan; en by een der maatregelen tot

voorziening hierin, verpandde hy twee Stichtsche kasteelen, het

slot Vreeland en dat van Montfoort, welks Burchtgraaf overleden

was, aan twee met elkander zeer bevriende en voor hunnen Leenheer

allergevaarlijkste vasallen van het Bisdom: Gijsbrecht van Aemstel,

en Herman van Woerden. Het onvoorzichtige dezer handelwijze kwam

weldra ten duidelijkste aan den dag, toen Gijsbrecht by Vreeland een

tol hief, tot groot bezwaar der handeldrijvende Stichtenaren. Wel

bood de Bisschop, door de zijnen hierover zeker niet weinig lastig

gevallen, terstond de teruggave der pandpenningen aan--maar hier had

de Aemstellander geen ooren naar; en toen de getergde Bisschop in

't eind de wapenen opvattede, om den valschen Leenman te tuchtigen,

riep deze de hulp van zijn waardigen bondgenoot, den nieuwen

Burchtgraaf van Montfoort in. Herman van Woerden sammelde niet lang,

en kwam met eene aanzienlijke krijgsbende Aemstels leger versterken,

waarop zy, aldus toegerust, samen den Bisschop, by den Soester eng,

tegentrokken. Gijsbrecht, aan het hoofd van den voortocht, leed

eene geduchte nederlaag, en velen der zijnen werden gevangen of

verslagen; maar Woerden, daarop met zijne versche benden uit Holland

aanrukkende, keerde weldra de kans van den strijd ten nadeele der

Bisschoppelijken. Ofschoon Woerden reeds in den eersten aanval

zwaar gekwetst werd, verdedigde hy zich evenwel nog »vromelic"; en

zijne krijgers, zijn voorbeeld volgende, en verbitterd wellicht over

het ongeval huns aanvoerders, gaven zijnen vijanden de nederlaag:

Bisschop Johan verliet in haaste het veld, met verlies van vele

kloeke strijders, waaronder vooral Steven en Frederyk van Zuylen

moeten hebben uitgemunt, en bergde zich binnen Amersfoort.

In het pijnlijk gevoel zijner onmacht riep hy toen den strijdbaren

Hollander, Graaf Floris den Vijfde, te hulp; en het bleek, dat

hy thands ten minste eene goede keuze gedaan had. Floris zond den

beiden Edelen een ontzegbrief, en rukte spoedig voor Vreeland; zijne

moedige Zeeuwen, onder Costijn van Renesse, sloegen den tot ontzet

aangesnelden Gijsbrecht geheel, en namen hem zelfs gevangen; Arent

van Aemstel zag zich toen genoodzaakt tot de overgave van Vreeland,

en Floris, na het kasteel van eene Hollandsche bezetting voorzien te

hebben, sloeg den weg in naar Montfoort.

Hier had Herman van Woerden hem niet afgewacht. 's Graven krijgsmacht

duchtende, had hy het kasteel versterkt en van manschap en leeftocht

wel voorzien, maar was toen ook uit het land geweken, om veilig het

einde te kunnen afwachten. De »magnelen ende andere instrumenten omme

dat slot dair mede te que tsen ende te vernielen" [13], die reeds

voor Vreeland hadden gediend, werden ongetwijfeld ook voor Montfoort

gebezigd, want de Graaf deed byna daaglijks storm blazen en den muur

beuken. Toen bleek het, dat Godfried van Rhenen goede bouwmeesters in

't werk gesteld, en te gelijk, dat Herman van Woerden zijne ongerechte

zaak toch aan goede handen toevertrouwd had: byna een jaar lang boden

de belegerden een moedigen en hardnekkigen tegenstand aan het staal

der grafelijke wapenknechten, even als de muren van het kasteel aan

blyde en stormram. Telkens vinniger trokken de Hollanders, by het

schetteren der klaroenen, by het kraken en dreunen hunner geschut-

en beukwerktuigen, ten storm; sloegen hunne ladders aan de wallen,

en stegen by hoopen onder beschutting van het schilddak op--telkens

werden zy met bebloede koppen te rug geworpen. Toch besliste eindelijk

de overmacht: meer verbitterd dan ontmoedigd herhalen zy eenmaal weder

den aanval; de verdedigers, misschien lijdende onder vermindering

van leeftocht, blijken zwakker, deinzen, en--»Holland! Holland!" is

de zegekreet, die binnen Montfoorts wallen den val vermeld der

burchtzaten, waarvan de meesten een beter lot verdiend hadden dan zy

ondergingen: de bestormers, aan de hitte hunner strijdlust toegevende,

velden hen allen op slechts twee na. Dus viel de bontgekleurde banier

van Woerden, die zich boven het roode kruis des Bisschops verheven had,

en de klimmende liebaart van Holland

Zag fier van de transen langs d' Yssel-boord rond:

want de Graaf, het kasteel met den zwaarde gewonnen hebbende, deed het

door zijne eigene wapentuurs bezetten. Er bestaat verschil omtrent

de opgave van den tijd dezer gebeurtenissen; maar wanneer men alles

naauwkeurig nagaat, moeten zy ongeveer in den nazomer van 1279,

en in den voorzomer van 1280 hebben plaats gehad.

Na de verzoening, tusschen den Bisschop en den Grave eenerzijds,

en de Aemstellaers [14] ter anderer zijde, op den 27en Oktober 1285

tot stand gekomen, werden de veroverde kasteelen te rug gegeven,

en kwam Montfoort alzoo weder in handen van den Bisschop.

Tijdens deze voorvallen bevond zich onder de Edelen die Graaf Floris

omringden een Brabantsch Ridder, Henric van Roden of Royen, jonger

zoon uit het geslacht der Graven van Roden, en om manslag uit zijn

vaderland gevlucht. Hy moet de zelfde zijn, die in een brief van 1296

Henric de Rover genoemd wordt, waarschijnlijk ten gevolge eener kwade

lezing: eene andere opvatting is hier niet mooglijk, en een latere

Henric van dien naam, kleinzoon van Burchtgraaf Sweder den Eerste,

zal wel aanleiding tot deze verwarring hebben gegeven.

De zaak van den manslag droeg zich op volgende wijze toe. Terwijl

Heer Henric van Roden zich nog in Brabant bevond, stierf daar zijn

oudste broeder, nalatende twee dochters, beide in den geest des tijds

zeer vrome Jonkvrouwen, die hun vaderlijk erfgoed voor een groot deel

aan godsdienstige doeleinden besteedden. Zoo stichtten zy drie halve

Kanunnikdijen: te Roden, te Hilvarenbeec, en te Oirschot; begiftigden

er elken Kanunnik met 100 Fransche schilden, en den Deken in elk der

Kerken met 200 oude schilden. Dit alles ergerde op 't hoogst Heer

Henric, die haar erf-oom was, en, minder een vriend der geestelijken,

de goederen der Heerlijkheid ongaarne zoo aanmerkelijk zag krimpen. Hy

verbond zich met andere verwanten en eenige vrienden in de Meiery

tot verzet; en de twist, daardoor ontstaan, werd zoo handdadig,

dat er eenmaal twee Kanunniken het leven by inschoten. Het gevolg

daarvan was, dat de heftige Ridder en de zijnen moesten vluchten, en

huns levens lang ballingen van Brabant blijven: sommigen begaven zich

naar Vlaanderen, en verbleven te Brugge, hy-zelf week naar Holland,

en begaf zich tot Graaf Floris den Vijfde, by wien hy een goede

ontfangst genoot. Ook schijnt hy er zich verdienstelijk te hebben

gemaakt: ten minste het jammerde den Graaf, dat zoo fier een Heer van

eigendommen en inkomen verstoken moest zijn; en toen de Stichtsche

zaken in 1285 ten einde waren gebracht, vond hy eenige jaren later

juist daarin eene geschikte gelegenheid om hem te helpen, op eene

wijze, den Edelman waardig.

De jongste dochter van den Burchtgraaf, die vóor Herman van Woerden

Montfoort bezeten had, was nog in leven, en de waardigheid heurs

overledenen vaders onvervuld. Graaf Floris wendde zich daarop tot

Bisschop Johan van Syric, en wist door zijne voorspraak te bewerken,

dat Heer Henric van Roden de hand der verweesde Jonkvrouwe van

Montfoort bekwam, en daarby tevens het Burchtgraafschap, op gelijke

wijze en voorwaarde, als dit voorheen door haren vader en Heer Herman

bezeten was geweest. De Bisschop verstond misschien daardoor: als

gewoon-, Henric echter als erfleen, schoon 't niet blijkt, dat een

van beide zich daarover verklaard heeft.

Die onvolledigheid in den verlijbrief: »alsoo vry als haer vader,

ofte Heer Herman van Woerden oyt geweest hadde," gaf evenwel

aanleiding tot eene botsing met Johans opvolger Willem van Mechelen,

die zoo hoog liep, dat het in den aanvang van 1297 noodzakelijk werd

geacht om er een einde aan te maken. Het moet gezegd, dat de Bisschop

daarby hoogst onpartijdig te werk ging: hy kende zich het recht toe,

om den Burchtgraaf te ontzetten en hem te doen vervangen wanneer

hy zulks goed dacht; de Burchtgraaf hield daarentegen vast, dat hy

zich Erf-Borchman op het Slot te Montfoort wist, en dat de goederen,

tot het huis behoorende, zijn Erf-borch-leen uitmaakten, altoos,

gelijk hy erkende, in dienst van het Sticht. Hy eischte daarom een

dag, om zijne zaak voor goede Stichts-mannen te brengen. De Bisschop

stemde hier in als naar goed recht toe, en beide beloofden zich aan

de uitspraak onvoorwaardelijk te onderwerpen.

Vrijdag voor Maria-Lichtmis, 1297, op het bestemde uur, verscheen

de Burchtgraaf met zijne vrienden in de zaal van het Bisschoppelijk

paleis te Utrecht, waar hy met den Bisschop ook de Ridders Hubrecht

van Bosinchen, Ghysebrecht van Schalcwijc, Ghysebrecht uten Goye,

Hubrecht van Vyanen, en Lambrecht de Frese vond, benevens de Heeren

Jacob van Lichtenberch, Herman Teutelaer en Ghysebrecht Pellencussen,

Schepenen der Stede, allen Sint-Maartens-mannen, die het verschil

zouden beöordeelen en slechten. Beide partijen zetteden vervolgends

hunne aanspraken uit een, en de Rechtzitters, het gebrek aan bescheiden

ziende, vonnisden: dat, wanneer de Burchtgraaf en nog twee Leenmannen

van het Sticht, der zake kundig, met eede de wettigheid van zijn

erfrecht op kasteel en goederen konden bevestigen, hy voor zich en

zijne nakomelingen, in het rustig bezit daarvan blijven moest. Toen

legde Heer Henric met zijne getuigen de hand op een voorgebracht

reliekkistjen, en deed den gevorderden eed, waarop zijn recht door

allen werd erkend, en hy, ten bewijze daarvan, eene door den Bisschop

en de Rechtzitters gezegelde oirconde ontfing.

Hy bracht daarna den geslachtsnaam zijner gemalin op zijn oudsten

zoon over, en kwartileerde zijn eigen wapenschild, bestaande uit een

zilveren veld, beladen met drie molenijzers van keel, met dat van

graafschap; de jongste zoon daarentegen behield den geslachtsnaam

van Royen, en voerde op het zilveren veld een enkel molenijzer van

keel. [15]

In 1300 was Burchtgraaf Henric niet meer in leven, en te Montfoort

heerschte zijn oudste zoon Sweder. Deze, zegt men, huwde met eene

Jonkvrouwe van Holland; maar het proza der geschiedenis wordt hier

zoo ruw, dat wy ons gelukkig rekenen, het te kunnen verwisselen voor

de poëzy der sage, die dus luidt:

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 6 / 17 题