HET KASTEEL TE GEMERT.

De witte mantel met het roode kruis, die kenmerkende dracht des

roemruchtigen Tempeliers, was reeds lang in de wentelende golven van

den tijdstroom ondergegaan, of liever: in de vlammen, door Clemens den

Vijfde en Filips den Schoone ontstoken, verteerd--toen eene andere

Ridder-orde, jonger van erkenning, maar weinig minder beroemd dan

die van den Tempel, nog in vollen bloei stond: wy bedoelen de Orde

der Marianen of Duitsche Ridders, ook Kruisheeren, Teutonisten,

en Ridders van den Duitschen Huize genoemd.

Nadat Jeruzalem in 1099 door de Kruisvaarders veroverd was, deed

een Duitsch Edelman aldaar een huis inrichten, ter verpleging van

zoodanige pelgrims en Ridders onder zijne landgenoten, als zulks

mochten behoeven. Zijn voorbeeld vond navolging: eenige andere edele

Duitschers, wier hart warm sloeg voor zelfopofferende menschenliefde,

sloten zich by hem aan, voegden de inkomsten hunner goederen by die der

zijnen, en vormden alzoo weldra eene broederschap van barmhartigheid,

die, door geen anderen regel dan onderlinge overeenkomst verbonden,

hare weldaden uitdeelde zonder veel geruchts, en in tijden van gevaar

weder even snel naar het zwaard greep als voorheen, en het niet minder

wakker voerde.

Toen het meerendeel dezer Ridders in de moedige maar onbedachte

verdediging van Tiberias, 1187, was gevallen, en de overigen daarop

by het verlies van Jeruzalem die stad moesten verlaten, zou de

Vereeniging geheel onder zijn gegaan, indien eenige medelijdende

kooplieden van Lubeck en Bremen haar niet hadden ondersteund. Nadat

er in 1190 eene versterking door nieuwe leden had plaats gevonden,

besloot men zich, naar het voorbeeld der Tempeliers en Hospitaliters

of Sint-Jans-Ridders, tot eene gesloten Geestelijke Ridderorde te

vereenigen, en wendde zich om vergunning daartoe tot Keizer Hendrik

den Zesde en Paus Celestinus den Derde, welke laatste by een bul van

den 12en Februari 1191 zijne toestemming gaf, en bepaalde, dat zy

den naam zouden dragen van Ridders der H. Maagd Maria, of Broeders

van het Duitsche huis onzer Lieve Vrouwe te Jeruzalem; zy zouden

aan de kloosterregelen van Sint Augustinus onderworpen zijn, en hun

onderscheidend gewaad moest bestaan uit een zwart kleed, waarover

een witte mantel met een zwart kruis op den linker schouder. De

Keizer schonk bovendien den Ordemeester, waartoe Henrik van Walpott

van Bassenheim reeds in 1190 gekozen was, het recht om ridders te

slaan, met eenige andere gunstbewijzen daarenboven, en zoo zag de

nieuwe Orde, niet zonder nayver der Johannieten en Tempeliers, haar

bestaan gevestigd.

By de verovering van Akkaron (Ptolemais) kocht de Ordemeester daar

een uitgestrekten hof, en stichtte er eene kerk en een hospitaal,

benevens een kloostergebouw voor de broeders; en nu ging de Orde

rustig, en aanvankelijk zonder veel opzien te baren, haren weg, niet

minder dapper, maar veel minder begiftigd, veel minder weelderig door

rijkdom dan beide genoemde orden.

De zaak der Christenen was echter in Palestina, na den val

van het Koningrijk Jeruzalem verloren: daarom besloot de vierde

Ordemeester, Herman van Salza, den zetel der Orde naar Venetië over

te brengen. Herman van Salza, een der edelste en grootste mannen

van zijnen tijd, was de adelaar, op wiens stoute vleugelen de Orde

zich tot eene ongekende hoogte verhief. De roep zijner onkreukbare

goede trouw en rechtschapenheid was zoo groot, dat Keizer Frederik

de Tweede en Paus Honorius de Derde een onderling geschil aan zijn

oordeel onderwierpen, en zich naar zijne uitspraak gedroegen;

beide waren evenzeer over hem voldaan, en de Orde oogstte er de

voordeelen van in: Honorius ontsloeg haar van het geven van tienden

en van onderworpenheid aan het geestelijk gericht, en Frederik

begiftigde haar met voorrechten en goederen; daarenboven verhief

hy Herman, die van den Paus een kostbaren ring, in 't vervolg het

Ordemeesterschap eigen, ontfangen had, voor hem en zijne opvolgers

in den Rijksvorstenstand. Van toen af breidden de bezittingen der

Orde in Europa zich snel uit. In 1226 door den Hertog der Masoeren

naar Pruissen gebeden, om er de wilde heidensche bewoners ten onder te

brengen, met toezegging van de landstreken, die zy zoude overwinnen, in

eigendom te zullen ontfangen, werd Herman van Balco derwaart gezonden

aan het hoofd van eenige Ridders en knechten, wier heldhaftigheid met

zoo goed gevolg werd bekroond, dat de geheele Orde, na het verlies van

Akkaron in 1291, zich in het overwonnen land aan de Oostzee vestigde,

en in 1309 Marienburg tot Hoofdzetel koos. In de laatste helft dier

eeuw bedroegen hare inkomsten, alleen van gemelde landstreek, 900,000

Rijnsguldens, eene som, waarover geen Europesche Staat van die dagen

beschikken kon, terwijl de bloeiende toestand harer bezittingen en

de welvaart der onderhoorigen de beschuldiging weerspreken, dat zy

een tyranniesch bestuur voerde.

Hare bezittingen werden verdeeld in 12 Landschappen, Balyen of

Landkommanderyen genaamd, die door Landkommandeurs werden bestuurd, en

waarvan er 2 in Nederland lagen. De hoofdzetels daarvan stonden, voor

het noorderdeel, te Utrecht, en, voor het zuiderdeel, te Aldenbiezen,

in Limburg, zijnde de laatste, die reeds in 1220 voorkomt, de oudste

[5]. De onderafdeelingen die te zamen eene landkommandery uitmaakten,

werden eenvoudig kommanderyen genoemd, en stonden onder het beheer

van een Orde-ridder, die den tytel van Kommandeur voerde. Tot Utrecht

behoorden 12 kommanderyen, waarvan wy de vermelding, met byvoeging

der weinige tot ons gekomen byzonderheden, hier geheel op hare

plaats achten.

1. Middelburch, waar het huis der Orde in 1249 werd gesticht op

een erf, haar door Niclaes van Putten geschonken. Graaf Floris de

Vijfde heeft deze kommandery mild begiftigd, »en 't zelve huis is

metter tijd zoo magtig geworden, dat, wanneer de Graaf van Holland,

of deszelfs oudste zoon, ter hooge vierschaar binnen Middelburg zaten,

de Abt van Middelburg aan de rechter, en de Kommandeur der Duytsche

orden aan de slinkerzijde van den Graaf gezeten waren."

2. Leyden, mede een gift van Grave Floris den Vijfde: hy schonk er

in 1268 de St. Pieterskerk, en de Orde richtte er het gebouw der

kommandery by op.

3. Dieren, op de Veluwe, een kasteel, met vele daartoe behoorende

landerijen. Graaf Adolf van Bergen schonk het der Orde in 1240, waarop

het aan de kamer des Grootmeesters werd getrokken, tot in 1420, toen

het aan den Landkommandeur van Giessen overging; maar Heer Herman

van Keppel, Landkommandeur van Utrecht, kocht het in 1433 voor eene

som van 3000 Rijnsguldens, en voegde het by zijne eigene Baly.

4. Oetmarsen, weleer tot de landkommandery van Munster behoord

hebbende, maar in de eerste helft der vijftiende eeuw onder die

van Utrecht gebracht. Het huis was gesticht in het jaar 1290, door

zekeren Leffard, een schildboortig poorter van Oldensael, die zich

mede in de Orde begaf.

5. Valckenburch. Graaf Willem de Tweede schonk der Orde in 1251 de

kerk aldaar, waaronder twee parochiën behoorden, nl. Katwijc op Zee en

Katwijc op den Rijn. In 1378 verplaatste Splinter uten Eng, toenmaals

aan het hoofd der Baly van Utrecht staande, den kommandeurszetel van

Valckenburch naar Katwijc op den Rijn, ten gerieve der zeedorpers,

en liet de eerstgenoemde plaats als eene pastory op zich-zelf. Sints

dien tijd wordt er gewoonlijk van de kommandery van Katwijc gesproken.

6. Hofdijc, die mede aan Grave Willem, door het schenken der kerk te

Maesland, in 1251, haar oorsprong dankt. Zijn zoon Floris begiftigde

later de Orde met eenige landerijen aan den Hofdijk, waarop de

Utrechtsche Baly er een huis deed stichten voor een Kommandeur. In

1365 deed de Landkommandeur Henric van Alckemade, met toestemming

van Graaf-Hertog Aelbrecht, het huis ten Hofdijc afbreken, en een

ander by de kerk van Maesland oprichten. De goederen aan den Hofdijk

werden aan de landkommandery gehecht, en de Ridders mede derwaart

verplaatst. Sedert stond de kommandery van Maesland op zich-zelf.

7. Doesborch, die in 1266 een aanvang nam: De Regulieren van het

klooster Bethlehem, zich tegen de Orde misgrepen hebbende, en tot

voldoening genoodzaakt, schonken haar in dat jaar de kerk dezer plaats,

waarover zy te beschikken hadden.

8. Rhenen, waar Graaf Egbert van Bentheim de kerk in 1268 aan de

Orde maakte; eene aanzienlijke schenking, die door zijn zoon Otto

bevestigd werd.

9. Schoonhoven. Gwy van Blois gaf der Orde in 1390 de keuze tusschen

de kerk van Gouda en die van Schoonhoven; zy koos de laatste, welke

hy daarop met eenige andere goederen afstond.

10. Scaluynen, of Schelluynen, eene heerlijkheid, geschonken door Heer

Dirc van Altena, met de kerk en de tienden van het dorp, benevens de

ten deele onder Giessen behoorende visscherij, en drie landhoeven.

11. Bunen, in Drenthe, was eerst een konvent van zusteren der Duitsche

Orde, en omstreeks 1271 opgericht. Het kwam toen onder de Westfaalsche

Baly te Munster, maar werd door den Utrechtschen Landkommandeur

Gosewijn van Gaerne, die in het midden der veertiende eeuw vermeld

wordt, voor eene som van 1500 pond aangekocht.

12. Nesse, almede ontstaan uit de gift der kerk, door eenige Friesche

Edelen in 1298, schijnt de geringste der kommanderyen geweest te zijn;

ten minste werd het huis, naby de kerk gesticht, slechts door Priesters

en dienende broeders, geenszins door Ridders bewoond.

En nog waren deze bezittingen niet de eenigen der Utrechtsche Baly:

te Hemert in Gelderland, en te Scoten in Friesland, vond men nog een

konvent. Het huis en konvent te Scoten, waar aanvankelijk slechts

zusteren der Orde woonden, was gesticht omstreeks den aanvang der

veertiende eeuw. Later werden er Priesters en dienende broederen in

geplaatst. Het huis te Hemert was in 1270 gesticht. De Landkommandeur

Johan van Hoenhorst verwisselde het in 1328 tegen andere goederen

te Thiel, toebehoorende aan de Kanunniken van de St. Walburgskerk

aldaar, die zich vervolgends te Aernhem neêrsloegen, en de St. Walburg

aan de Orde schonken, waarop de Landkommandeur het huis te Hemert

deed afbreken, en een nieuw gebouw by gemelde kerk binnen Thiel

oprichten. [6]

Tot de landkommandery van Aldenbiesen (Vieux-Joncs), in de nabyheid

van Tongeren gelegen, behoorden de volgende kommanderyen:

1. Jongebiesen, te Maestricht; 2. Rebsdorf in Gulick; 3. St. Gilis

te Aken; 4. Biesen te Keulen; 5. Ramesdorf by Bonn; 6. Bernesheym,

en 7. Ordingen, beide by St. Truden; 8. St. Petersvoren in Limburg;

9. Gruytrode in de Luyksche Kempen; 10. Beckevoort by Diest; 11. Feucht

of Vught, en 12. Gemert, beide in de Meiery van 's Hertogenbosch.

En behalven al deze goederen, bezat de Orde nog op verschillende

plaatsen het patronaatschap, dat is het recht tot aanstelling van

een pastoor.

Nadat wy dus de Orde in het algemeen met betrekking tot Nederland

hebben beschouwd, wenden wy ons tot een harer bezittingen in het

byzonder, en kiezen daartoe, als eene der niet onbelangrijksten de

kommandery van Gemert.

Reeds in het begin der dertiende eeuw bezat de Orde aan deze plaats

eenige goederen, waarover in 1249, volgends een brief van dat jaar,

nog op het archief van Postel aanwezig, een Provisor bestuurde. Uit

een charter van 1270 blijkt, dat Gemert toen voor de eene helft

als vrij land aan Jonkheer Diedryc van Gemert, voor de andere aan

de Ridders van het Duitsche Huis behoorde. Te dien tijde bestond er

reeds een Kommandeur, want in het genoemde archief berust mede een

document van 1261, waarby Broeder Henric, Kommandeur van Gemert, met

toestemming van den Luykschen Kommandeur de Prenthage, eenige goederen

aan het huis van Postel verkocht, die gedeeltelijk door den Hertog van

Brabant, gedeeltelijk door den Beschermvoogd van Mol aan de Kommandery

geschonken, en in de dorpen Lommel en Hilvarenbeec gelegen waren.

In 1366 was broeder Gheryt van Audenhoven Kommandeur. Op den 21en

Juni van dat jaar kocht hy van den toenmaligen Diedryc van Gemert

dat gedeelte der Heerlijkheid, dat tot hiertoe nog door dit geslacht,

sedert 1364 als leen, bezeten was, waardoor het Duitsche Huis alzoo

in het volledig bezit geraakte. Kort daarna, het zij onder zijn

bestuur, het zij onder dat van zijn opvolger Henric Reynart van

Husen, in 1387 vermeld, werd er ten zuiden van de dorpskapel een ruim

gedeelte gronds, aan den zoom van het watertjen de Rups, afgebakend,

en daarop het sterke kasteel gebouwd, dat sints den Kommandeurs met

de hunnen ten verblijf diende. Het hoofdgebouw rees als een zwaar

vierkant gevaarte, uit drie of vier andere gebouwen bestaande, met

steile daken, en alleen slechts door trapgevels en hoektorens ietwat

verlevendigd, kloosterachtig somber uit de diepe gracht op, en werd

nog door buitenwallen en eene versterkte voorpoort beschermd. De

inwoners van Gemert zullen zich evenwel waarschijnlijk niet over den

afstand van Heer Diedryc beklaagd hebben: de Duitsche Ridders waren

geen harde heeren voor hunne onderzaten; en zoo men al beproefd heeft

hen daarvan te beschuldigen--de wetten van den Grootmeester Siegfried

van Feuchtwangen [7], 1309-1312, zijn daar, om den aanklager, dien

het om waarheid te doen zij, te beschamen: de wijsheid van den Regent

spreekt er u op iedere bladzijde uit tegen; en waar ze strengheid

ademen, daar is het om een vergrijp te voorkomen, of te straffen,

opdat de goedgezinde onderdaan in vrede en veiligheid het zijne

bezitten moge, en orde en zedelijkheid bevorderd worde. Welke eene

naauwlettende zorg spreekt zich uit in verordeningen, by de Art. XX,

XXIV, XXVII, inhoudende:

Vee, den eigenaar tot zijn daaglijkschen arbeid noodig, mag voor

geenerlei schuld in pand worden genomen.

Jaarlijks zullen de dorpsrechters met hunne byzitters de grenzen

hunner gemeente omrijden, en de marksteenen en grensteekens, waar deze

onkenbaar mochten geworden zijn, vernieuwen, op straffe van vergoeding

der schade, die door nalatigheid in deze verplichting mocht ontstaan.

De voogden van weduwen en weezen zullen de goederen hunner pleeglingen

schriftelijk doen opteekenen en beschrijven, en het hun toevertrouwde

gants zoo als zy het hebben ontfangen, by het einde hunner voogdijschap

te rug leveren, op verlies van hunne eer.

Zulk eene naauwlettende zorg kan niet worden overschaduwd door eene

strenge strafbepaling, als die, waarby vrijheid gegeven wordt, om

een wechgeloopen dienstknecht by het oor vast te spijkeren (Art. VI):

de laatste verordening had niets wreeds naar de zienswijze van dien

tijd--de eersten zijn nog weldadig en billijk in het oog van den onze.

Het zou zeker de moeite waardig zijn, zoo men kon nasporen, in

hoeverre het bestuur der Orde over hare goederen in ons land, van

invloed mag geweest zijn op de denkwijze van de hooge Regeering

omtrent de regeling van dezer gemeentebelangen.

De Orde scheen hier echter gee grooten prijs te stellen op het volle

bezit van allen eigendom, want de kommandeur Iwan van Cortenbach

verkocht op den 1en Augustus 1421 de gemeente Gemert aan de

ingezetenen, voor eene erfpacht van 50 kroonen 's jaars. Heer Iwan

(ook Ywan genoemd), die voor het eerst als Kommandeur van Gemert

gemeld wordt in een schepenbrief van 25 November 1418, was tevens

Landkommandeur van Aldenbiesen.

Als Iwans opvolger wordt genoemd Heer Dirc van Betenhausen, of

Bergenhuysen. Blijkends eene aanteekening in het pastoreele register

der gemeente, kocht hy de moerige Peellanden van Gemert van den

Brabantschen Hertog Filips, en gaf ze vervolgends voor een pacht van

61 karolusguldens aan de ingezetenen weder uit. Daarna benoemd tot

Landkommandeur van Aldenbiesen, werd hy in de kommandery van Gemert

opgevolgd door Heer Henric van Eynatten. Het was onder het bestuur

van dezen Kommandeur, dat de kapel te Gemert [8], grootendeels door

bemoeiïng en tusschenkomst van den Landkommandeur Bergenhuysen, tot

eene parochiekerk verheven werd, waarvan de wijding op den 18en Maart

1437, door den Luykschen Bisschop Johan van Heynsbergen, met groote

plechtigheid plaats vond. Heer Henric, overleden 17 Juli 1444, en in

de kerk te Gemert voor het hoog-altaar begraven, werd als Kommandeur

opgevolgd door Niclaes van der Dussen, uit het Hollands-Brabantsch

geslacht van dien naam. Hy was de tweede zoon van Jan van der Dussen,

Heer van Dussen, Aertwaerde, en Munsterkercke. Vóor 1439 in de Orde

getreden, bekleedde hy, onder andere aanzienlijke betrekkingen, de

waardigheid van Kommandeur te Gemert tot in het jaar 1467, toen hem

het Landkommandeurschap werd opgedragen, weshalven hy naar Aldenbiesen

vertrok, en daarna in 1476 overleed. Zijn bloedverwant Aernout van

der Dussen, die te Gemert zijn plaats verving, deed er het nieuwe

parochiale kerkgebouw vergrooten met een aanzienlijk choor, waarop

een klein torentjen geplaatst is.

In vrede en rust ging het leven op het kommanderykasteel doorgaands

steeds voorby; hoewel de Ridders voor 't overige de strenge

onthoudingsregelen niet meer zoo naauwgezet hielden als in den beginne:

de Grootmeester Wallenrode b.v. gaf zijnen Duitschen gasten eens

een zoo prachtig eeremaal, dat de onkosten daarvan, zoo men zegt,

de verbazende som van 500,000 markzilvers bedragen hebben. Ook

moeten wy niet voorby zien, dat de beöefening der wetenschappen

aan de Orde volstrekt niet vreemd was. En al is het ontwijfelbaar

dat sommige Grootmeesters zekere historische documenten opzettelijk

hebben vernietigd, en bepaalde plaatsen in kronijken, waar van de Orde

gesproken werd, doen wechnemen--de Grootmeester Winrich van Kniprode

daarentegen, die van 1351 tot 1382 regeerde, was een voorstander en

beschermer van wetenschappelijken vooruitgang. Hy deed de weinige

bestaande scholen in Pruissen verbeteren, en nieuwe oprichten, opdat

het zijnen jongen Ridderen, wanneer zy in rijd- en strijdkunst volkomen

bedreven waren, aan geen onderricht van den geest ontbreken zoû. Wy

zijn dus volkomen gerechtigd tot de onderstelling, dat er buiten het

Breviarium, of de Orde-statuten, of den Blaffert van eigendommen,

nog wel eens een andere foliant of kwartijn door den Kommandeur van

Gemert, of diens Ridders, zal zijn opengeslagen; dat een Bestiaris

van Maerlant, of een Slag by Woeronc van Heelu er geen onbekende

verschijnselen zullen zijn geweest; ja dat, al gedoogden de ernst van

het verblijf en de eerwaardigheid der Krijgsmonniken niet altoos, als

op de kasteelen der waereldlijke Edelen, open hof en blijde ontfangst

voor een reizenden Minstreel of Sprookspreker--Heynrycs Roman der

Kinderen van Limborch behoeft er wel zoo min een onbekende gast te

zijn geweest, als Dirc Potters sproken van Der Minnenloep. Ook was

het den Kommandeurs en Ridders volstrekt niet ontzegd, om aan een

waereldsch feest of vreugdebedrijf, op den een of anderen burch,

of aan het Hertooglijk hof gegeven, deel te nemen, evenmin als het

genot van den wandelrid of dat van het weidspel,

Hair met hair, en veêr met veêr,

onder de verboden uitspanningen werd gerekend. Dit alles te zamen

genomen, vinden wy dus redenen te over om te gelooven, dat het

verblijf in de zalen en gewelven der kommandery (al vond men ze,

naar de gewoonte der Orde, door het overal aangebrachte zwarte kruis

meer versomberd dan vercierd) zoo min als de landstreken daar rondom,

niet zoo eentonig en van alle afwisseling ontdaan zal zijn geweest,

als eene oppervlakkige beschouwing zou kunnen doen vermoeden.

Toen Aernout van der Dussen in 1482 overleden was, werd hy opgevolgd

door Heer Maximiliaen van Eynatten, die er tot in 1503 zijn ambt

bekleedde, om het toen, als zoo menig een zijner voorgangers, met

dat van Landkommandeur van Aldenbiesen te verwisselen.

Van de Kommandeurs Wynand van Breyl (benoemd 1536, overleden 1554)

en Wynand van Eynatten (overleden 25 Mei 1570) vinden wy niets

merkwaardigs opgeteekend. Zy schijnen, niettegenstaande de klimmende

onrust der tijden, zonder stoornis bestuurd te hebben.

Minder rustig liep het onder Heer Wynands opvolger Godaert van Aere. In

1588 deed de onvertsaagde maar woeste Marten Schenck een strooptocht

in het dorp Gemert, waarby de inwoners veel van zijne wapenknechten

te lijden hadden. Niettegenstaande de bemanning van het kasteel te

gering was om een uitval te doen en de dorpelingen by te springen,

werd er toch zoo vinnig van de wallen geschoten, dat de plunderaars

het niet waagden om den ingang der kerk, die naar de kasteelzijde

lag, te bemachtigen. Toen, om toch de gehoopte buit der kerkelijke

kostbaarheden niet te verliezen, braken zy aan de noordzijde van het

gebouw een opening waardoor zy binnendrongen, het inwendige van al

zijne cieraden beroofden, en de kenteekenen der eeredienst baldadig

vernielden. De toen gemaakte opening werd niet weder dichtgemetseld,

maar slechts bygewerkt, en sedert tot een gewonen ingang in orde

gebracht.

Een dergelijk onheil herhaalde zich in 1599 in nog veel grootere mate,

toen de Spanjaarden in het dorp vielen, en het geheel uitplonderden.

Henrik van Holtorp, dien wy na Godaert van Aere vermeld vinden,

overleed te Gemert in 1630, en werd voor het hoog-altaar in de kerk

begraven.

Zijn opvolger was de Kommandeur Ulrich van Hoensbroek, een fier en

hooghartig man, die zich door trotschheid en heerschzucht by velen

gehaat, by niemant, zelfs zijner Orde, bemind maakte. Hy berokkende

zoowel der kommandery als het dorp veel onaangenaamheid. Reeds stond

hy te Gemert aan het hoofd der zaken, toen hy naar het opengevallen

Landkommandeurschap dong, en zien moest dat men hem voorby ging, en

een jongeren Ridder, Graaf Godfried van Huyn de Geleen aanstelde. Vol

van verbittering, weigerde hy nu diens bevelen te volbrengen; en toen

hy in 1648 over dezen inbreuk op de wetten der Orde ter verandwoording

gedagvaard werd, beriep hy zich op de Staten der Vereenigde Provinciën,

aan wie sedert den 30en Januari van dat jaar te Munster de Meiery van

's Hertogenbosch was afgestaan. Op den 24en Juli nam eene Staatsche

bende van Gemert bezit, en verjoeg er terstond de Dominicanen, die,

in 1629 reeds eenmaal uit 's Hertogenbosch verdreven, zich onder de

schaduwe der kommandery hadden nedergeslagen. In 1649 schijnen eenigen

hunner weer heimelijk naar Gemert te rug gekeerd te zijn; ten minste

het gerucht daarvan liep rond, en kwam ter ooren van den Schout van

Peelland, Prouninck gezegd Deventer, die gants niet monniksgezind

was. Of het nu waar of onwaar mocht zijn--Prouninck sloeg er geloof

aan, en viel op een vroegen morgen in den zomer, kort na pinksteren,

met eene ruiterbende in het dorp. Het klooster [9] werd terstond

aangevallen, de vensters stuk geslagen, en--torschte men er al geen

kelcken uit, kassuiffelen, en kappen,

Die stijf staen van gesteente, en paerlen en root gout,

Om 't heerelijckst, als 't placht, wanneer men hooghtyd houdt--

de plonderaars keerden toch niet met ledige handen uit het ontwijde

gebouw. Maar wat erger was dan deze moedwil, aan levenlooze voorwerpen

gepleegd--de geprikkelde baldadigheid koelde zich ook aan een grijzen

leekebroeder, die byna naakt door de vensters werd gesleurd, naar de

markt gevoerd, en daar, van de ruwe ruiters omringd, der bespotting

prijs gegeven. De pastory en des kapellaans woning werden mede

geplunderd; de pastoor, benevens de prioor der Dominicanen, gevangen

naar 's Hertogenbosch gebracht, en niet, dan tegen betaling van een

groot losgeld, weder ontslagen; de kerk bleef in handen der hervormden.

Zoodra deze handelingen den Landkommandeur waren kenbaar geworden,

bracht hy terstond zijne klachten in by den toenmaligen Grootmeester

der Orde, den Aarts-Hertog Leopold van Oostenrijk, die zonder eenig

vertoef zijn Licentiaat Verheye naar 's Gravenhage zond, om de

kommandery te rug te eischen. De Staten waren daartoe echter volstrekt

niet genegen: zy beweerden, dat Gemert noch eene vrije Heerlijkheid

was, noch tot het Rijk kon worden gerekend, maar onder de Meiery

van den Bosch, en alzoo onder het recht van hunne soevereiniteit

behoorde. Zy grondden dit op het volgende:

»Uit verschillende oude brieven bleek het, dat Gemert by het kwartier

van Peelland ingesloten was, zijnde het in 1572 onder het Bisdom

's Hertogenbosch, en wel onder het Landdekenschap van Helmond, de

hoofdplaats van 't kwartier Peelland, gesteld. Gemert was weleer een

gehucht van het dorp Bakel, en de kerk een dochterkerk van die der

laatste plaats geweest. De Koning van Spanje had, als Hertog van

Brabant, den Bisschop van Luyk (die zich over het onttrekken van

Brabant aan zijn geestelijk rechtsgebied beklaagde) ten andwoord

gegeven, dat hy in zijn eigen land, met toestemming van den Paus,

zooveel Bisdommen kon oprichten als hem goed dacht. Men had zich van

alle vonnissen, te Gemert gewezen, altijd op de hoofdbank des kwartiers

van Peelland, te Helmond, van dáar op Schepenen van 's Hertogenbosch,

en vervolgends op den Raad van Brabant, te Brussel, beroepen, als uit

twee brieven, van 1434 en 1451, bewijsbaar was. Het op-, of afzetten

der munt was te Gemert altijd door den Hertog van Brabant geschied. De

maten en gewichten, die men er bezigde, waren te Helmond geijkt. De

gantsche Gemertsche gemeente of heide was eigen goed van den Hertog

van Brabant geweest, die het op den 6en Juli 1450 aan de Heerlijkheid

had verkocht, behoudens een cijns van 50 oude grooten tornois. De

inwoners van Gemert stonden onder het ingebod van 's Hertogenbosch,

dat eene der vier hoofdsteden van Brabant was, en de Judicatuur van

Gemert kwam den Staat toe, gelijk de Orde zelf bekende."

De Grootmeester daarentegen beweerde, dat Gemert niet in Peelland

geënclaveerd was, en vestigde deze stelling op het volgende:

»Gemert grensde aan het land van Ravesteyn, aan het opperkwartier

van Gelderland, en aan Spaansch-Brabant. De Landkommandeur Johan van

Cortenbach had, als gemachtigde van den Grootmeester, in 1421 aan de

ingezetenen van Gemert zekere gemeente- en peelvelden verkocht. Toen

in het jaar 1270 eenig geschil tusschen den Hertog en die van

Gemert gerezen was, had de eerste verklaard, dat hem noch hooge,

noch lage heerlijkheid, noch eenig recht te Gemert toekwam, maar

begeerden zy van hem hulpe, dan was hy als opperste Beschermheer

verplicht hun die te verleenen. Gemert was door den Raad van Staten

in 1621, toen de brandschattingen in de Meiery waren uitgeschreven,

erkend als niet behoorende onder Brabant. De Kommandeurs te Gemert

hadden kwijtschelding van doodslag gegeven, en wel in de jaren 1603

en 1607. Verschillende aan doodslag schuldigen uit de Meiery waren

naar Gemert gevlucht, en er onvervolgd gebleven. De Landkommandeur

der Orde had er in het jaar 1613 een vrije jaarmarkt opgericht. Het

beroepen van vonnissen op Schepenen van Helmond, en van daar op die

van 's Hertogenbosch, was geen bewijs van onderhoorigheid, omdat men

zich in verschillende plaatsen der Meiery van aldaar gevelde vonnissen

op Schepenen van Antwerpen beriep; die van Nymegen, Stevenswaert en

andere beriepen zich op de Wethouderschap van Aken; voorheen was men

in verschillende plaatsen van Brabant gewoon zich van de vonnissen op

de Wethouders van Luyk te beroepen, totdat zulks in 1469 door Hertog

Karel den Stoute afgeschaft werd. Dat Gemert onder het Duitsche Rijk

behoorde bleek daaruit, dat het zijn aandeel in de oorlogen tegen

de Turken had betaald, zoowel als in de vijf millioen rijksdaalders,

door het Ryk by den vrede van 1648 aan Zweden toegestaan: dit zouden

de Algemeene Staten niet toegelaten hebben, indien het zeker was,

dat Gemert tot de Meiery behoorde. Dat het, eindelijk, onder het

Bisdom van 's Hertogenbosch gelegen was, bewees niets, omdat het

grootste gedeelte van Brabant, Limburg, en Namen, vóor de oprichting

der nieuwe Bisdommen in 1565, onder den Bisschop van Luyk behoord had."

Het onderzoeken, uiteenzetten en bepleiten dezer bewijsgronden vorderde

op zich zelf reeds veel tijd, en het geding werd bovendien traag

voortgezet. Welk deel de Kommandeur Hoensbroeck, die zich meestal in

's Gravenhage ophield, er in had, wordt niet gemeld. Hy beleefde het

einde van het geschil niet, maar overleed in 1654; zijn lijk werd

naar Gemert vervoerd, en in het choor der kerk aldaar begraven.

Ambrosius, Baron van Wirmundt, die na hem Kommandeur werd, liet

zich veel aan de regeling der zaak gelegen liggen; en het was voor

een groot deel aan zijne rustelooze bemoeiïngen dank te wijten,

dat er eindelijk tusschen de Staten der Vereenigde Provinciën en den

Grootmeester een concordaat tot stand kwam, waarby de laatste, onder

zekere voorwaarden, in zijn recht op Gemert werd erkend. Het besluit

daartoe, door de Staten op den 8en Juni 1662 in den Haag geteekend,

bevatte hoofdzakelijk het volgende:

»De Staten Generaal verklaarden, dat Gemert onder het Duitsche Ryk

behoorde, en zy derhalven daarover geen gezach, hoegenaamd, behouden

of op nieuw eischen zouden. Dat zy de opperheerschappij volkomen

afstonden, met beding echter, dat de Heerlijkheid onder het appèl

en ingebod des gerichts van 's Hertogenbosch zoû blijven, gelijk tot

hiertoe gebruikelijk was geweest. De Grootmeester en de Orde zouden

voortaan de vrije oefening der hervormde godsdienst moeten toelaten,

en daartoe ten hunnen koste, en naar genoegen der Staten eene geschikte

kapel, benevens woningen voor predikant en schoolmeester doen bouwen;

het recht tot benoeming van een predikant zou aan de Orde blijven,

doch het onderhoud zijner woning voor rekening der Staten komen. De

Orde mocht er geen kloosters, het zij van geördende monniken of andere

geestelijken, toelaten. Zy zoude voor den afstand aan de Staten 40,000

gulden betalen: een derde zes maanden na de onderteekening van het

verdrag, en de twee overige derdedeelen telkens een jaar daarna. De

Algemeene Staten zouden nergends in gehouden zijn, indien de twee

laatste betalingen niet op den bepaalden termijn geschiedden."

Op den avond van den 28en Juni, 1662, werd de geslotene voorwaarde

te Gemert afgekondigd, de parochiekerk den volgenden feestdag van

Petrus en Paulus door de roomschgezinden weder in bezit genomen, en

het kerkjen der Dominicanen aan de hervormden afgestaan. De Baron

van Wirmundt bestuurde vervolgends de kommandery nog ruim twintig

jaren in rust: hy overleed te Gemert, op den 18en Maart, 1684, en

werd ter linkerzijde van het hoogaltaar begraven onder een zerk,

wier latijnsch inschrift zijne deugden en verdiensten vermeldde.

Een Edelman uit Hollands oudst geslacht voerde daarna te Gemert den

staf: Baron Hendrik van Wassenaer, zoon van Johan van Wassenaer en

Maria van Erckel. Reeds Kommandeur van Gruytrode, verwisselde hy die

kommandery, na Wirmundts dood, met Gemert, van waar hy in 1690 naar

Aldenbiesen vertrok, om daar de waardigheid van Landkommandeur te

aanvaarden. In het eerste jaar van zijn bestuur, 1685, was Gemert

geteisterd geworden door een zwaren brand, die honderd huizen

vernielde.

Bertram Wessel, Baron van Loë, Heer van Wissen, by Kevelaar, kwam

daarop te Gemert, stierf den 21en Maart 1710, een jaar na zijn

voorganger, en werdt opgevolgd door

Bertram Antonie, Baron van Wachtendonk, die tevens Kommandeur was

van Ramersdorff, by Bonn. Deze wakkere krijgsman hield echter op geen

zijner beide kommanderyen verblijf, daar hy als Keizerlijk Bevelhebber

by het leger van Karel den Zesde stond. Ook verwierf hy er zich geene

rustplaats aan de zijde van zoovele hem reeds voorgegane Ordebroeders:

hy overleed op Sicilië.

Het afzijn van den Kommandeur was intusschen den goederen niet zeer

voordeelig geweest: het kasteel, dat nu reeds ruim twee eeuwen het

kruis der Orde gedragen had, was verouderd, en behoefde noodzakelijke

herstellingen.

Er werd derhalven besloten om voor als nog geen nieuwen Kommandeur te

benoemen, en met de op deze wijze uitgespaarde gelden in de onkosten

der vernieuwing van het gebouw te voorzien. De Landkommandeur van

Aldenbiesen, Damian Hugo, Graaf van Schönborn, Kardinaal-Bisschop

van Spiers en Constans, beheerde zoo lang de kommandery; en onder

zijn toezicht werd in 1740 alles weder in goeden staat gebracht,

en zelfs, in den smakeloozen stijl der achttiende eeuw, zoogenaamd

opgecierd. Drie jaren later deed men den Kommandeur van Bernesheim,

Baron van der Noot, zijn standplaats met die van Gemert verwisselen;

maar na zijn overlijden werd het Kommandeurschap nogmaals eenige jaren

onvervuld gelaten, om de landkommandery, die door den successie-oorlog,

waartoe zy heur contingent moest leveren, in zware schulden stak,

in de afdoening daarvan te kunnen ondersteunen.

Eerst in 1770 vinden wy Gemert dan weder bezet, en wel door Nicolaes

Bernhard de Borggrave, die in 1777 werd opgevolgd door den Baron

van Plettenberg.

Deze moest zijn plaats later weder afstaan aan den Landkommandeur

van Aldenbiesen, Baron Frans Jozef Nepomuc Fidelis van Reisschag,

onder wiens bestuur werd aangevangen met het bouwen van een schoonen

toren, aan de westzijde der kerk. Reeds waren de fondamenten gelegd,

toen in 1794 het werk werd gestoord door de verschijning der Fransche

driekleur op den Nederlandschen bodem. De woeste republikeinen, die

der Orde ontnamen wat zy konden bemachtigen, maakten zich ook van

de kommandery Gemert meester, en nu ging deze den Duitschen Huize

voor altijd verloren. In 1810, toen Napoleon het Koninkrijk Holland

by Frankrijk had ingelijfd, schonk hy de bouwhoeven en eenige losse

gronden der kommandery aan den Maarschalk Oudinot, Hertog van Reggio,

die er ook, hoewel korten tijd, de opbrengsten van trok [10]. Het

kasteel werd echter gerekend tot de domeingoederen te behooren,

en als zoodanig door de Keizerlijke regeering in 1812 verkocht aan

Jonkh. Mr. Adrianus van Riemsdijk, die er in 1832, mede door aankoop,

eenige molens, bouwhoeven en landerijen byvoegde, weleer onder het

bestuur der Orde er reeds toe behoord hebbende.

De zichtbare herinnering aan het oude is te Gemert niet gants

verloren gegaan. Nog bestaat de voorpoort van het kasteel nagenoeg

in den ouden toestand. Is men door deze echter op het binnenplein

gekomen, dan ontwaart men groote verandering: de gracht is wel ten

deele overgebleven, maar het hoofdgebouw vertoont zich veel minder

luisterrijk dan vroeger: de torens met hunne ranke spitsen, die in het

begin dezer eeuw nog allen aanwezig waren,--de levendige trapgevels en

hooge schoorsteenen--zy zijn voor goed verdwenen; 't is regelmatiger,

maar veel minder indrukwekkend geworden. En het inwendige?.... Wanneer

ge met eenige liefde voor onze monumentale geschiedenis bezield, den

drempel wilt overschrijden, in de hoop daar nog een spoor van verleden

dagen aan te treffen; met het voornemen om in eene oude zaal, waar

de zonnestraal den rij zwart ingelijste, fiere en ernstige gestalten,

in hunne witte mantels met zwarte kruisen gehuld, gelukkig-spaarzaam

verlicht, u te verdiepen in niet altoos onvruchtbare droomen van een

nog niet genoeg gekenden tijd--dan raden wy u: »bewaar uwe illusiën

en treed te rug."

Maar maakt de levendige werkzaamheid eener katoenspinnerij

(in onze dagen ontegenzeggelijk van grooter praktiesch nut dan

een ridderkasteel) een aangenamen indruk op uw gemoed--ga dan het

westelijk gedeelte binnen, en verheug u by de overtuiging, dat daar

eene minder bevoorrechte klasse door eigene vlijt in haar onderhoud

voorziet, en de welvaart van waardige en edeldenkende meesters met

dien arbeid ondersteunt.

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 5 / 17 题