Te Senne

(d. i. Sennewyne, in de Thielerwaard) verhaalt Jan van Heelu in

zijn heldendicht,

Te Senne, daer vergadert lagen

Des Graven (van Gelre) lieden te dier tide,

Daer socht se coenlike met stride

Heer Jan van Cuyck met sine gesellen,

Daer men wonder af mach tellen.

Soe eerlike ende soe scone

Waegden syt. Daer was de heere

Van Hoesdinne (Heusden) met ende her Jan

Van Hesbinne (Heesbeen) een vromich man,

Ende van der Sluys her Arnout,

Een coene ridder ende een stout

Ende van Hoesdinne her Dideric.

Hevig was de strijd.

Ende menegen helm mogt men scouwen,

Seere gescoort ende dorhouwen

Eer die sege gewonnen wart.

Ja in den aanvang scheen de kans ongunstig voor den Heer van Kuik te

loopen, toen hem Jan uten Hove met zijn Bredasche krijgsknechten ter

hulpe kwam. Otto van Bueren en Allart van Driel, die de Gelderschen

aanvoerden, werden gevangen, en Tiel, waarop zy 't gemunt hadden,

voor Brabant bewaard. Dan dit gevecht, hoe veel het ook tot den roem

der overwinnaars bybracht, was maar een voorspel van den gewichtigen

veldslag, waaraan zy later zouden deel nemen. Het was op den 5en July

1288, dat by Woeringen dat hevig samentreffen plaats had tusschen de

legers van den Aartsbisschop van Keulen, den Graaf van Luxemburg en

dien van Gelre ter eener, en die van den Hertog van Brabant en zijn

bondgenooten aan den anderen kant. Reeds zoo menigmalen is die slag

beschreven, dat het noodeloos kan geächt worden die beschrijving hier

te herhalen: alleen moet hier medegedeeld worden, in hoeverre Heusden

en de zijnen aandeel hadden in den zege, door Brabant behaald. De

eerste aanval, door den Aartsbisschop gedaan op den linker vleugel,

die door Graaf Adolf van den Bergh werd aangevoerd, had dezen doen

wijken. Toen was het, dat Kuik, met Arkel en Heusden, de orde hielp

herstellen, en den vyand een wijl tot staan bracht. Luxemburg, die mede

toegeschoten was, wordt teruggedrongen; doch Bernard van Halloy, tot

zijn hulp gekomen, doet voor een wijl de kans wederom keeren. Het was

nu, dat drie wakkere helden een nieuwen uitval tegen de Luxemburgers

waagden; zy waren de Heer van Frambach, die van Ysele, en

Des heren broeder [2] van Hoesdinne,

Arnout hiet hi ende was clerck,

Maer ridderlike was syn werc.

Van groote persse ende meswinde (tegenspoed)

Leet hi: daer bleef ooc een inde

Van sinen nase, dat hi vercochte

Eerlike daer hi den stryt sochte.

Doch niet alleen had Aernout van Heusden zijn neus in den strijd

verkocht, of, als wy nu zouden zeggen, verspeeld, zijn vader was

in erger gevaar, ja een wijl in 's vyands handen geweest: men hoore

slechts:

Hier noemic nu eenen van de besten,

Die in des hertoghen side

Met banieren was ten stride.

Dat was van Kuc her Jan

Die in den stryt, doe men began,

Comen was in grooten noot.

Met hem waren in syn convoot

Twee baenroetse, twee vromige man,

Beide her Jan ende her Jan

Van Ercle (Arkel) ende van Hoesdinne

Die beide in dien beghinne

Waeren ooc in selke pine

Comen, dat si in scine

Waender mede ondergaen

Dat eerlyc wert wederstaen;

Want het wederbrachte (hy herstelde dit)

Met grooter daden die hi wrachte

Van Kuc die vrome ridder alsoe,

Wert, inder viande side,

Doe die here van Kuc met stride

Overhant dus weder nam

Maer eert alsoe vere quam

Dat hi die plaetse weder wan

Was bleven gevaen her Jan

Van Hoesdinne, die stoute heere

Die hem weerde alsoe seere

Als ridderen mochte doen, met stride

Maer noch doen te dien tide

Reden met so sterken roten

Die gene die gerne hadden genoten

Maselendre (Maaslanders) ende Ruire (Roerlanders)

Dan si vingen [3]; maer sine baniere [4]

Bleef gehouden in den tas

Ontploken; met gheninde,

Eerlyc ende wale toten inde:

Want daer waren bi bleven

Vromighe ridderen sinen neven,

Dese hilden met gewout

Van der Sclues her Arnout

Dire vroomster ridder een

Van den conroete, dat wale sceen

Aen groote dade, die hi dede:

Maer daer was syn neve mede

Her Diederic van Hoesdinne

Die men te Ceulen inne

Vueren moeste, na den stryt,

Daer hi sterf in corten tijt.

Want hem coste syn leven

Vromicheit, die hy gedreven

Hadde in den stryt, met groeten daden.

Die siele moet varen te genaden

Soo dat si hemelrike vercrighe!

Hoe en door wie Heusden weder uit de handen der Maaslanders geraakte,

wordt niet gemeld; doch by de volkomen nederlaag, die Gelre en

zijn bondgenooten leden, mogen wy hoogst waarschijnlijk aannemen,

dat hy reeds voor het einde van den slag weder aan de zijnen was

teruggegeven.--De opgevolgde vrede tusschen de twistende partyen deed

Heusden eerlang weder huiswaart keeren.

Niet weinig had de oorlog, dien zijne naburen tegen elkander voerden,

gestrekt om de macht van den wakkeren Floris V, die toen in Holland de

gravekroon droeg, te bevestigen. Niet alleen was hy door Hertog Jan,

die zijn bondgenootschap zocht, van alle leenhulde voor Zuid-Holland

ontheven; maar hy had zich, terwijl het krijgstooneel op een verwijderd

grondgebied was overgebracht, in staat gezien, zijn onrustige Edelen te

fnuiken, de erfgoederen van de meesten hunner in leen te verkeeren, de

Westfriezen te tuchtigen, landbouw en handel in zijn Graafschap te doen

bloeien. Wel zag hy zich eerlang in twist gewikkeld met de Zeeuwsche

Edelen, en dien ten gevolge met den Graaf van Vlaanderen; doch twee

malen werd een zoen getroffen, de eerste reis, door bemiddeling van

Hertog Jan, de tweede reis, in 1295, toen deze brave Vorst overleden

was, door die van Jan van Kuik.

Het was te dezer gelegenheid, dat Jan van Heusden, 't zij gewillig,

't zij door dwang, zijn stad aan Floris opdroeg en weder van hem in

leen ontfing. Hoe hy dit kon rijmen met de vroegere opdracht, aan

Brabant gedaan, en of die opdracht al dan niet met toestemming van

den nieuwen Hertog Jan II geschiedde, zie daar, wat we niet kunnen

beslissen. Zeker is het, dat Graaf Floris zijn aanspraak op den tytel

van Leenheer niet bloot uit die opdracht ontleende, maar uit een gift,

hem door Diederik, Grave van Kleef, in 1290 gedaan. Immers volgends

de oude overlevering berustte, als wy gezien hebben, het leenrecht

by dezen. Intusschen, de verknochtheid van Heusden aan zijn nieuwen

Leenheer was niet van langen duur. Reeds toen smeulde, onder schijn

van trouw en dienstbetoon, by een aantal Hollandsche Edelen hevige

verbittering tegen den Graaf, die hen van zoo vele voorrechten had

beroofd. Die verbittering werd in 't geheim gevoed door Koning Eduard

van Engeland, wiens ongenoegen was opgewekt door de naauwe verbintenis,

door Floris met Frankrijk aangegaan. Tot werktuig bediende zich de

Koning van Jan van Kuik, die meer dan eens in Engeland geweest was,

en zijn vol vertrouwen genoot. Kuik had zich mede genoodzaakt gezien,

zijn slot te Tongelare als leen aan Floris op te dragen, en hem dat

van ter Horst in vollen eigendom af te staan; en zoo wel hieruit,

als uit de geschenken, welke hy van Eduard ontfing, laat zich zijn

vijandelijke handelwijze jegends den Graaf verklaren. Heusden,

aan wiens zoon Jan hy zijn dochter ten vrouwe geschonken had, was

van ouds zijn vriend en wapenbroeder, en liet zich, vermoedelijk

door hem, overhalen om aan een geheim verbond tegen Floris deel te

nemen. Vroegere schrijvers hebben de reden van Heusdens toetreding tot

het verbond toegeschreven aan zijn verbolgenheid, omdat de Graaf de

eer zijner dochter zoû hebben geschonden. Latere nasporingen hebben

echter bewezen, dat de overlevering op dat punt wel niet op zoo

valsche en logenachtige gronden als die betreffende

't Schandelyck omhelzen,

Het schennen van de spruyt, de schoone bloem van Velsen;--

maar toch evenzeer uit een dwaling is gesproten. De schoone Agneta,

voor welke Floris in liefde ontstak, en die hem en 't Vaderland den

edelen Witte van Holland schonk, was wel een telg uit het Huis van

Heusden, maar geen dochter van Heer Jan. Haar vader was die Aernout

van der Sluyse, van wiens heldendaden voor Woeringen wy vroeger hebben

gewach gemaakt, doch wiens naam ons verder in de geschiedenis niet

is voorgekomen: en schier alle getuigenissen vereenigen zich, om in

Witte geen spruit van bastaardy, maar een zoon uit wettigen echt te

erkennen. De geslachtlijst der Elshouten--mede een stam der Heusdens,

als wy later zullen zien--vermeldt met ronde woorden, dat Agneta den

Graaf huwde: haar zoon voerde van den aanvang af en overal den naam

van Witte van Holland, en, wat meer zegt, den leeuw van Holland,

gebroken met het rad van van der Sluyse, doch zonder eenig filet of

ander teeken van bastaardy: iets dat hy zich niet zoû hebben durven

onderstaan, zonder zich aan misdaad van gekwetste majesteit schuldig

te maken, indien zijn geboorte onwettig ware geweest. Wat echter

van de betrekking tusschen Floris en Agneta zij, genoeg, dat zy de

aanleiding niet geweest kan zijn om Heusden in het eed-verbond tegen

den Graaf te doen treden.

Onder de diensten, welke Eduard van de Hollandsche Edelen verwachtte,

was voornamelijk begrepen het verydelen van het bondgenootschap

tusschen Frankrijk en Holland, en hiertoe deed zich geen beter middel

aan de hand, dan den Graaf op te lichten en naar Engeland te zenden,

terwijl hem dan zijn zoon als vasal van Eduard, zou opvolgen. De

afspraak tot het plegen dier schanddaad geschiedde te Bergen-op-Zoom,

op een byeenkomst, waartoe Velzen, Woerden, Heusden en anderen

door Kuik genoodigd waren. Hier verzekerde hy de wankelmoedigen

van den bystand des Konings van Engeland niet alleen, maar ook van

die van Hertog Jan II en van Graaf Gwy van Vlaanderen, terwijl hy

hen waarborgde, dat zy niets van de zijde van 's Graven zoon, Jan,

die zich in Engeland bevond, te vreezen hadden. Een schriftelijk

verbond tot verderf van Floris werd thands bezegeld, en later te

Kamerijk het plan nader overwogen en vastgesteld. Kuik wilde nog zijn

snood verraad met den schijn van kordaatheid bestempelen, en zond

aan Floris een ontzegbrief: of Heusden dit voorbeeld gevolgd heeft,

vinden wy niet gemeld: by de gevangenneming en moord des Graven was

hy niet tegenwoordig: intusschen schijnt het vrij zeker, ofschoon de

kronijkschrijvers het niet bepaald vermelden, dat ook hy ten lande

heeft moeten uitwijken, toen de wrekende hand der gerechtigheid de

moordenaars vervolgde. Nog beleefde hy 't, dat Holland aan 't Huis

van Henegouwen verviel, en overleed in den jare 1303. Twee malen was

hy gehuwd geweest: de eerste reis met Aleid, 's Graven dochter van

Wybestein, die hem Jan, zijn opvolger gebaard had, en Jan, eersten

heer van Drongelen, die een zilveren rad op lazuur voerde: de tweede

reis met Ermgard van Wickeloo, die hem mede een zoon schonk, insgelijks

Jan geheeten, en die de stamvader werd van het geslacht van Elshout.

Wat Jan VIII betreft, van hem is het zeker, dat hy met Kuik, zijn

schoonvader, naar Engeland week en aldaar een geruimen tijd ten dienste

van Eduard de wapens tegen Frankrijk voerde. Wy vinden ook, dat hem,

voor de diensten aan Engeland bewezen, door Hertog Jan van Brabant,

twee duizend pond Tornoois en een rente van honderd pond Brabantsch

werden toegezegd. Jaren verliepen er, eer Heusden van zijns vaders

erfgoed bezit kwam nemen: en niet lang had hy er genot van, daar hy

reeds in 1318 overleed, by zijn tweede gemalin Sofia, van Kranendonk,

een zoon nalatende, die hem opvolgde als Jan IX.

Niet geheel zonder tegenkanting schijnt deze laatste aan de regeering

te zijn gekomen. Immers er bestaat een handvest van datzelfde jaar

1318, waarin Jan, Heer van Saffenbergh, en zijn vrouw Sofia, die

uit het huwelijk van Jan VIII met Margaretha van Kuik geboren was,

als wettige Heeren beschikkingen maken, en zich het oppergezach over

Heusden aanmatigen. Waarschijnlijk begreep dit echtpaar, dat Jan IX,

wiens huwelijk met Cunigunda van Arkel door geen kinderen gezegend

werd, hun toch de Heerlijkheid zoû moeten overlaten, en dat het dus

maar zaak was, zich by voorraad in 't bezit daarvan te stellen. 't

Kan echter ook zijn, dat Jan IX zwak van geestvermogens was, en

buiten staat zijn goederen zelf te beheeren: weinig vermelden van

hem de Kronijkschrijvers, en slechts een hunner bericht, dat hy in

't Heilige Land tot Ridder zoû geslagen zijn geweest, iets, wat van

zoo velen verteld wordt, dat men, vooral by het letten op tijden en

omstandigheden er niet dan met groote omzichtigheid geloof aan hechten

moet. Jan IX stierf in 1334, en met hem de laatste van die reeks van

Heeren, die achtereenvolgends, van vader tot zoon, hun banier van

Heusdens torentrans hadden laten waaien.

Sofia van Sassenbergh, die alsnu zijn naaste erfgename was, zocht

de Heerlijkheid aan Hertog Jan III van Brabant op te dragen, in de

hoop van er wederkeerig 't verlij van te bekomen; doch de Hertog,

die liever de vrije beschikking over Heusden aan zich behouden wilde,

sloeg 't haar af; waarop zy aan den Graaf van Holland, Willem den

Goede, haar recht op de Heerlijkheid afstond, en hy haar echtgenoot

daarmede verlijdde. Intusschen viel het den Graaf gemakkelijker

een verlijbrief te geven, dan de stad-zelve, die reeds van wege den

Hertog met krijgsvolk bezet was geworden, aangevoerd door Jan van

Elshout. Waarschijnlijk had deze laatste, die toch aan de Heusdens was

vermaagschapt, eenige hoop, het leen voor zich te bekomen. Moedig wees

hy elken aanval af, dien de Hollandsche benden op den burg beproefden,

en dwong hen, met groot verlies weder af te trekken. Ziende, dat hy

met geweld niets winnen kon, en ongeneigd wellicht tot een volslagen

vredebreuk met Brabant, onderwierp Graaf Willem de zaak aan de

beslissing van den Graaf van Gulik, die ten voordeele van den Hertog

uitspraak deed: waarop deze de stad en 't land van Heusden in leen

gaf aan den Graaf van Kleef. Wel berustte Sassenbergh niet in deze

schikkingen, waardoor hy van zijn aanspraak verstoken was, wel viel

hy in Brabant, en plunderde en verbrandde Turnhout; maar hy begreep

toch in tijds dat de Hertog een te machtige tegenparty voor hem wezen

zou, en stond hem zijn aanspraken af tegen een rente van drie honderd

gouden realen, waar de stad 's Hertogenbosch borg voor bleef.

Dan, intusschen deed zich een nieuwe pretendent op, die op Heusden

aanspraak maakte. Deze was Jan van Drongelen, die, oom van Jan IX,

en, in geval Heusden niet als een spilleleen beschouwd kon worden,

het naaste tot de erfenis gerechtigd was. Vergeefs echter wendde

hy zich tot Willem van Holland, om door dezen in zijn aanspraak

gehandhaafd te worden. De Graaf wees hem af, en Drongelen stierf,

eer hy zijn vermeend recht had kunnen doen gelden; maar hy had het

niet opgegeven en het aan zijn zonen nagelaten.

Hertog Jan III, de noodzakelijkheid inziende, om de stad tegen nieuwe

aanvallen te dekken, liet in 1340 een aanvang maken met het versterken

en vergrooten van het kasteel. Op een afstand van het hoofdgebouw deed

hy een hoogen, boven alle andere torens uitstekenden, achtkantigen

toren rijzen, die--langs een stevige ophaalbrug, gelegen over een

diepe gracht, welke de geheele vest omgaf--gemeenschap had met het

ruim betimmerde nederhof, 't welk niet alleen geschikte woningen voor

de dienaars bevatte, maar ook ruime verblijven voor krijgsknechten,

en uitgestrekte paardenstallen. Van daar geleidde een tweede zware

ophaalbrug tot het kasteel-zelf, van welks groote en luchtige

binnenplaats men den toegang had tot talrijke vertrekken, waaronder

vooral de ridderzaal uitmuntte. Een onderaardsch gewelf, waarvan

de opening potvormig in het midden van het binnenplein uitkwam,

verstrekte tot gevangenis.

Het was echter eerst onder de regeering van 's Hertogen dochter

en opvolgster Johanna, dat de vergrooting van het Kasteel geheel

voltooid werd: en zoo aanzienlijk waren de onkosten, daaraan besteed,

dat Brabant er tot driemaal toe voor geschat werd.

Hoe vaster en prachtiger intusschen de burcht opgebouwd, en hoe sterker

de plaats--hoe meer begeerlijk haar bezit geworden was: en geen wonder,

dat die van Holland haar niet dan met leede oogen in de macht des

Hertogs bleven zien. Willem III, hoezeer hy van den Graaf van Kleef

diens rechten op Heusden had afgekocht, had zijn aanspraken na den

gesloten vrede wel niet laten gelden; doch zijn opvolgers zochten

alleen naar een geschikte gelegenheid om die te doen herleven. Willem

van Drongelen, even als zijn vader Jan hakende naar 't bezit van

wat hy oordeelde, hem naar erfrecht te behoorden, liet niet na, den

wrevel der Hollanders te voeden, en het vuur van tweedracht tusschen

hen en de Brabanders aan te stoken. Strooptochten over en weder waren

niet ongewoon: en het waren alsdan doorgaands Willem van Drongelen

en zijn zonen, die de Zuid-Hollanders aanvoerden. Eens echter had

er een samentreffen plaats der beide partyen, waarby met ongewone

hevigheid gestreden werd. De Hollanders behielden de overhand; doch

die gekocht werd met het bloed van Robbert van Drongelen, den oudsten

zoon des mans, die hen tot den strijd had aangespoord.

De staat van zaken was echter met betrekking tot Heusden de zelfde

gebleven, toen in 1355 Jan III overleed, en zijn dochter Johanna, gade

van Wenceslaus van Luxemburg hem in 't Hertogdom opvolgde. Naauwlijks

echter waren de beide echtgenooten plechtig ingehuldigd, toen de Graaf

van Vlaanderen, verbitterd, dat zy hem gelden onthielden, welke zy hem

wettig schuldig waren, plotseling den vollen prijs eischte, waarvoor

hy, tien jaren te voren, zijn recht op Mechelen aan Hertog Jan III

had afgestaan, en die nog niet voldaan was. Vruchteloos waren alle

onderhandelingen, tot vereffening van den twist gehouden. De krijg

begon: de Vlamingen rukten, terwijl Wenceslaus te Maastricht zijn tijd

in werkeloosheid doorbracht, Brabant binnen, vermeesterden Brussel,

Leuven, en een aantal andere plaatsen, en brachten Wenceslaus op den

rand des verderfs. De moed van Evert 'Tserclaes, die Brussel weêr

verraste, deed de krijgkans keeren, en bracht eerlang geheel Brabant

onder 't gezach van Wenceslaus terug. Niet te min bleef de Graaf van

Vlaanderen den krijg met afgewisseld geluk voortzetten, tot partyen,

het strijden moede, besloten hun geschil aan de bemiddeling van

Graaf Willem V van Holland te onderwerpen. Met blijdschap nam deze

het voorstel aan, zich daarby ten stelligsten voornemende, om in

elk geval te zorgen, dat, welke der beide partyen zich ook over zijn

uitspraak beklagen mocht, hy-zelf er wel by varen zoû. Hy begon daarom

met aan Wenceslaus den afstand van Heusden als voorwaarde te stellen,

zonder welken hy zich niet met de zaak bemoeien wilde. Die eisch werd

toegestaan: hy nam het ambt van middelaar aan, en, hoezeer de vrede,

welken hy tot stand bracht, alles behalven eervol voor die van Brabant

was, hy wees echter Wenceslaus Mechelen toe, tegen allen schijn van

billijkheid, en tot verbazing van hen, die hem niet hadden hooren

zeggen tot den Hertog: »Heusden mijn, Mechelen dijn;" woorden die

van dien tijd af tot een spreekwoord werden, dat zoo veel gold als:

»de eene dienst is de andere waard."

Nu was Heusden met Holland vereenigd; maar ook Willem van Drongelen

moest te vrede gesteld worden. Wel kwam het den Graaf niet in de

gedachte, hem de Heerlijkheid-zelve in leen af te staan, welke hy

liever voor zich behield; maar hy kon hem echter zijn aandeel in den

zoo gemakkelijk verworven buit niet onthouden; en hy had te zorgen

bovendien, dat voortaan alle geschil betreffende den wettigen eigendom

van Heusden voor goed uit ware. Hy schonk daarom aan de Heeren van

Drongelen de Heerlijkheid van Eethen en Meeuwen tot een Hollandsch

erfleen, en stelde Jan van Drongelen tot Baljuw van Zuid-Holland

aan, onder voorwaarden, dat zy van alle aanspraken op Stad, Slot

en Heerlijkheid van Heusden voor eeuwig afstand deden ten zijnen

behoeve. Wat zouden de Drongelens doen? Zy onderwierpen zich aan wat

zy niet beletten konden. En dit was in hun geval wel het wijste.

Nu dacht Graaf Willem de rust der Heerlijkheid voor goed verzekerd

te hebben!--en echter, geen drie jaren waren er verloopen, of

Heusden moest de ellende des oorlogs ondervinden. Wel waren het

deze reize geene aanspraken op erf- of domeinrecht die den krijg

ontstaken, maar de gevolgen van binnenlandsche verdeeldheid. Willem

V, krankzinnig geworden, was van de regeering ontzet. Zijn broeder,

Hertog Aelbrecht, had, Ruwaard geworden, de Kabeljauwschen van de

bedieningen, die zy bekleedden, verstoken, en die aan de Hoekschen

geschonken. Maar niet geduldig hadden de eerstgenoemden zich die

vernedering getroost. Heemskerk riep Kennemerland in de wapens,

Delft stond openlijk tegen den Ruwaard op, en Floris van Borselen

bracht Zeeland in rep en roer.

Laatstgenoemde Edelman was door Willem V tot Burggraaf van Heusden

aangesteld; hy maakte zich meester van het zegel en de papieren des

Graven, en borg die met eenige kleinodiën op het slot. Daar werd hy

door Hertog Aelbrecht belegerd, en genoodzaakt zich by verdrag over

te geven. Maar kort was de rust, welke Heusden genoot. Toen in 't

zelfde jaar Delft zich aan den Graaf moest onderwerpen, namen eenige

Edelen, die den opstandelingen hulp hadden geboden, en waaronder

Gijsbert van Nyenrode en Jan Kervena genoemd worden, de wijk naar

Heusden en verschansten zich op 't slot. Op nieuw werd dit belegerd;

doch zoo hardnekkig was de verdediging, dat Nyenrode en de zijnen

het een rond jaar tegen de macht van Aelbrecht uithielden. Toen

werd er, door bemiddeling van Otto van Arkel een zoen getroffen,

en de belegerden in genade aangenomen, onder voorwaarde van binnen

twee jaren naar Jeruzalem in bedevaart te gaan.

Na 't vermelden dezer gebeurtenis zwijgen de Kronijken een tijd lang

over Heusden, of bepalen zich tot het gewagen van eenige handvesten,

door Aelbrecht of door zijn opvolger Willem van Beyeren aan de stad

geschonken, en van eenige stichtingen, aldaar door den tot Kastelein

aangestelden Willem van Kroonenburg gedaan. By het uitbarsten van

den twist tusschen Hertog Jan van Beyeren en Gravin Jakoba, hield

Heusden de zijde des eerstgenoemden, als uit een handvest blijkt,

door hem ten jare 1419 aan de stad geschonken; doch in 't volgend jaar

verscheen Jakoba met haar krijgsvolk voor de stad. De inwoners, voor

een storm beducht, openden haar de poorten; en zy vertoefde een tijd

lang op het slot; haar verblijf gaf den kronijkschrijvers van Heusden

stof tot gelijke verhalen, als door anderen ten opzichte van haar

gevangenschap op Teylingen worden opgedischt; namelijk, dat zy gewoon

was, goed te drinken, en alle kannetjens, na ze geledigd te hebben,

over 't hoofd in de slotgracht te werpen. Men weet, dat hieruit later

het laffe volkssprookjen ontstaan, en zelfs door Wagenaar en andere

deftige schrijvers nagepraat is, als zoude zy zich zelve onledig

gehouden hebben met het fabriceeren van dergelijke kannetjens. Wat

my betreft, ik geloof noch aan de eene noch aan de andere vertelling,

althands zoo lang men daar geen beteren grond voor aanvoert, dan het

vinden van aarden kannetjens in de grachten van kasteelen.

In 1446 werden de President of Stadhouder van Holland, Gozewijn de

Wilde, en Filip Banjaart, Kastelein van het slot te Medemblik, die

elkander van een schandelijke wandaad beticht hadden, te Heusden

gevangen gezet. De eerste werd naderhand te Loevestein onthoofd,

en de andere vrijgelaten.

Sedert Filips van Bourgondiën de Hertogskroon van Brabant en de

Gravenkroon van Holland tevens droeg, kon er wel geen twijfel bestaan,

of Heusden hem als zijn Heer erkennen moest, maar ontstond er van

tijd tot tijd weder verschil, over de vraag, in welke hoedanigheid

zulks geschiedde. Immers, toen Graaf Jan van Nassau, Heer van Breda,

na 't overlijden van Dirk van Merwede door Filips tot kastelein van

Heusden werd aangesteld, brachten die van Holland bezwaren daartegen

in, op grond dat gemelde Graaf Drossaart van Brabant was, en die

aanstelling schijnbaar te kennen gaf, dat Heusden gerekend werd onder

Brabant te behooren. Filips begreep zich echter aan die bezwaren niet

te moeten stooren, maar gaf by besluit van 18 December 1447 aan die

van Heusden te kennen, dat zy Grave Jan zouden hebben te gehoorzamen,

zonder daaruit af te leiden dat zy meer aan Brabant dan aan Holland

verbonden waren; terwijl hy de vraag, onder welke Souvereiniteit de

plaats behoorde, geheel in 't midden liet. Het vraagpunt bleef alzoo

hangende, en, wat opmerking verdient, terwijl de Staten van Brabant

voortdurend, ter gelegenheid der blijde inkomsten, hunne Vorsten

lieten zweeren, dat zy Heusden weder aan Brabant zouden hechten,

lieten die van Holland hen ter zelfder gelegenheid zweeren, dat zy

het nooit van Holland zouden scheiden.

In den Gelderschen oorlog, die in 't jaar 1497 begon, had het platte

land rondom Heusden veel van de Gelderschen onder den Overste Boudewijn

te lijden; doch die van Heusden versloegen hen tusschen Herp en

Hedikhuizen; by welke gelegenheid zy, hetgeen zeldzaam is, een grooter

getal vyanden gevangen maakten dan zy zelve sterk waren. Boudewijn zelf

sneuvelde te dier gelegenheid, en werd met meer Gelderschen begraven,

ter plaatse, die sedert den naam van Boukens-kerkhof droeg. Men wil,

dat het er daarna geweldig spookte, van waar nog lang de spreekwijze

in zwang bleef: »'t Spookt als Boukens geest."

Het was ook te Heusden, dat, op den 4en July 1524, een stilstand

van wapenen tusschen de Gelderschen en Borgondiërs gesloten werd: en

vijftien jaar later had de stad het voorrecht, Keizer Karel V binnen

haar muren te begroeten, wien zy een zekere hoeveelheid Rijnwijn

vereerde. Dan, in 1542 vertoonde zich een min welkome bezoeker voor

de poort, en wel geen ander dan de gevreesde Maarten van Rossum,

die zich niet met een weinig Rijnwijn paaien liet, maar eerst tegen

voldoening eener aanzienlijke geldsom weder aftrok.

Geen jaar meer duurde het echter, of al de Nederlanden waren onder

Keizer Karel gebracht, en mochten zich een geruimen tijd in 't

genot eener zoete rust verheugen. Op den 24en September 1549 was het

wederom feest op het hooge slot te Heusden: de pektonnen brandden op de

burchtpleinen: wimpels, banieren en feestlantaarnen werden uitgestoken

van de tinnen: muziek en gezang weêrgalmden langs de straten, en

blijde begroette de stad haar toekomstigen Heer, Prins Filips, des

Keizers zoon, die zijn aanstaande Nederlandsche onderdanen met een

bezoek vereerde. Die hem toen als Kastelein-Drossaart de sleutels der

stad aanbood was Jonker Gerard Spieringh van Wel, uit het geslacht

van Heusden gesproten, en in 1533 in gemelde hoedanigheid opgevolgd

aan Jonker Wynand Maschareel.

Toen Alva in de Nederlanden kwam, en alle vaste plaatsen door zijne

troepen in bedwang werden gehouden, ontfing Heusden een bezetting

Albaneesche ruiters, gemeenlijk Roodrokken genoemd, onder Nicolao

de Basto, en werd de burgery met den last bezwaard, om hen van den

noodigen leeftocht en voeragie te verzorgen. Reeds dit op zich-zelf

was lastig en onaangenaam; doch nog minder te verdragen was de

trots en moedwil dier woeste vreemdelingen, waarvan onder anderen

drie burgers, Geraert Geraertsen van Ghesel, Jan Bruer en Huybert

Leendertsz Goudsmit, de slachtoffers werden, die op 24 Mei 1567

buiten de Oud-Heusdensche poort jammerlijk door eenige beschonken

ruiters werden vermoord. Wel raakten de Heusdeners van die lastige

gasten ontslagen; maar op den 17en January 1569 bekwamen zy Francisco

Vargas met een vendel Spanjaarts in hun plaats, die er insgelijks

vrij onbehoorlijk huis hielden.

De Heusdensche kronijken brengen tot dat zelfde jaar 1569 een poging,

door de anti-Spaansche party aangewend, om Heusden te verrassen. Op

een tijdstip namelijk, dat er geen bezetting lag, trok de Hopman

Waerdenburgh met Joost Hoeck (een uitgeweken Heusdenaar) en eenig volk

de stad binnen: waarop de Drossaert Spieringh, bygenaamd Quaedtael,

met eenige arbeidslieden op 't kasteel weken. Hier werd hy door

Waardenburg belegerd; doch toen deze het buskruit aan zijn volk

uitdeelde, gebeurde het, dat door onvoorzichtigheid een brandende

lont in een buskruitvaatjen viel, en een ontploffing veroorzaakte,

ten gevolge waarvan niet alleen een menigte volks gekwetst raakte, maar

ook schier het derde deel der stad afbrandde, benevens de Katharynekerk

en 't Raadhuis. De krygsbende, die uit nieuw geworven en saamgeraapt

volk bestond, was door het gebeurde zoo ontsteld, dat zy uit de stad

week, en om geen belegering meer dacht. Wel wist de Hopman hen te

overreden om terug te keeren; doch na eenigen tijd toevens zag hy zich

genoodzaakt, Heusden weder te verlaten, op de aankomst van Jan Hol,

opperste Ritmeester des Hertogen van Holstein, die op 16 September

met troepen uit 's Hertogenbosch was afgezonden. Hoewel als vriend te

Heusden ontfangen, beäntwoordde hy het onthaal slecht, en plunderde

de stad; terwijl ettelijken van Waerdenburghs volk door de zijnen

achterhaald en gedood werden. Vier dagen later kwam de Hertog van

Holstein zelf binnen Heusden, ontfing de inwoners in genade, en nam

hun den eed van getrouwheid af, terwijl er voorts aldaar afwisselend

Duitsche en Waalsche bezetting bleef.

Wy vermelden het feit, zoo als het door de kronijkschrijvers is

opgegeven. Alleen mogen wy de opmerking maken, dat het jaartal ons

apokryf voorkomt. Immers de eerste pogingen, door Oranje, Graaf

Lodewijk en anderen aangewend, om de Nederlanden van Alvaas juk

te bevrijden, waren in 1568 reeds verydeld geworden en werden--te

lande namelijk--niet voor 1572 hernieuwd. In 1569 heerschte hier

betrekkelijke rust, en een op zich zelf staande aanslag op een

binnenstad als Heusden zou belachlijk zijn geweest, en tot niets hebben

kunnen leiden. De gebeurtenis moet dus of veel vroeger plaats gehad en

in verband gestaan hebben met den inval, door Hoogstraten en Kuilenburg

in Gelderland beproefd:--of later, na 1572: welk laatste men schier

zoude aannemen, omdat Spieringh van Wel, genaamd Quaedtael, eerst in

1571 zijn vader als Kastelein-Drossaart opvolgde. Waarschijnlijk heeft

het verbranden van het Stadhuis, met de aldaar bewaarde registers en

archieven, de verwarring in de opgave van het jaartal veroorzaakt.

Nog sluit zich aan het hier gegeven verhaal een ander, 't welk

wy elders vinden, en waarin vermeld wordt, hoe Joost Hoeck en de

Heusdeners, die met hem uitgeweken waren, zich dapper weerden by 't

beleg van Bommeneede; doch, by 't innemen der stad door de Spaanschen

op den 25 October 1575, met de overige bezettelingen om 't leven

werden gebracht.

Het was ook aan een afstammeling uit het geslacht van Heusden,

dat Walcheren zijn bevrijding van 't Spaansche juk te danken had,

en wel aan Jan van Kuik, Heer van Herp, die in 1571 Vlissingen tot

's Prinsen zijde deed overslaan; voor welke kloeke daad hy later met

de Heerlijkheid Domburg beleend werd.

Eerst in 1577 werd Heusden, ten gevolge der Pacifikatie van

Gent, van vreemde bezetting ontslagen. Kort daarna trokken de

Kastelein-Drossaart en de Schout naar Brabant metter woon, en werd

in de plaats van eerstgemelde aangesteld Jonker Johan Bax, een

der leden uit dat geslacht van krijgshelden, zoo beroemd in onze

militaire oirkonden. Reeds twee jaren daarna werd hem gelegenheid

verschaft, zijn wakkerheid te toonen, toen Parma, na 't innemen

van Maastricht, Valdez afzond om Heusden te verrassen. Reeds had

hy geduchte toebereidselen gemaakt ter belegering; en de pogingen,

door Bax gedaan, om het omliggende land onder water te zetten,

werden verydeld door den lagen stand der rivier, toen er gelukkig een

stormwind opstak, die het water tot een verbazende hoogte rijzen deed,

zoodat de dijk buiten de Herpsche poort doorbrak, en de vyand genoeg te

doen had om het instroomende water door een snelle vlucht te ontkomen.

Hoezeer, als wy gezien hebben, de stad in 1577 de Pacifikatie aannam,

bleef de Roomsche Godsdienst nog een tijd lang de heerschende en

werd de Hervormde leer alleen op 't kasteel gepredikt. In 't jaar

1579 echter werden, voornamelijk door toedoen van eenige naar Heusden

geweken Bosschenaars, de beelden en andere voorwerpen van eeredienst

uit de kerken genomen, en de nieuwe leer zonder opschudding ingevoerd.

In 1588 leed Heusden wederom last; doch deze reis niet van een vyand

van buiten. Leycester had de stad met een zware bezetting voorzien,

onder bevel van Christoffel van Ysselstein. De wanbetaling der

soldij bracht hier, gelijk in vele andere steden, de troepen aan

't muiten: de stadsregeering werd op het raadhuis gevangen gezet,

en Ysselstein zelf op 't kasteel belegerd. Het oproer duurde van 31

January tot 23 Maart, toen het Nikolaas Blanckaert, die in 1584 aan

Bax als Kastelein-Drossaart was opgevolgd, en den Burgemeester Dierck

Hamel Diercksz gelukte, de rust te herstellen.

Sedert er voortdurend Staatsche bezetting binnen Heusden lag, onthield

zich de Drossaart niet langer op 't kasteel, maar liet, waarschijnlijk

om alle konflikt van gezach te vermijden, het verblijf aldaar over

aan den Kommandant. Karel van Levin, Heer van Famars, had Ysselstein

als zoodanig vervangen, toen Graaf Karel van Mansveld zich in 1589 aan

't hoofd van een aanzienlijk leger voor de stad vertoonde en haar in

's Konings naam opeischte. De bezetting was op dat tijdstip zwak,

en Famars drong by Prins Maurits aan op versterking. Deze voldeed

gereedelijk aan het verzoek, en liet, niet ver van Hedikhuizen,

eenige benden over de Maas voeren; maar nu kwam het er nog op aan,

hoe men die binnen de stad zoû brengen, welke reeds door den vyand

was ingesloten. Het eenige middel daartoe was, zich, met de wapens

in de vuist, een weg door de Spaanschen en hun verschansingen heen

te banen: dit werd beproefd, en, hoezeer niet dan na een hardnekkig

gevecht, en verlies van vrij wat volk, met een gewenschten uitslag

bekroond. De plaats, waar dit gevecht voorviel, bewaart nog in haar

naam het aandenken van dezen strijd, en heet de Spanjaartsslag. Vijf

maanden en twee dagen stond de stad het beleg door, zich alleen tot

verdediging bepalende, daar de rondom liggende schansen te Doeveren,

Elshout en Hemert alle door den vyand bemachtigd waren; doch toen

kwamen de winter en vooral het wassende water den Staatschen te hulp,

zoodat de troepen van Mansveld zich niet alleen gedwongen zagen

van allen verderen aanval af te zien, maar zelfs het beleg op te

breken. De schansen, door hen bezet, werden in 't volgende jaar door

Maurits ingenomen.

Een aandoenlijke plechtigheid viel op den 20en Oktober 1603 te

Heusden voor: namelijk de begrafenis van den wakkeren en beweenden

krijgsoverste Olivier van den Tempel, Heer van Corbecke, die voor

's Hertogenbosch door een kanonschot van 't leven was beroofd

geworden. Het lichaam werd met groote staatsie in de Groote kerk

ter aarde besteld, en de laatste eer aan den overledene bewezen door

Prins Maurits, Grave Willem van Nassau, den Vorst van Anholt, en een

aanzienlijk getal krijgshoofden en voorname Heeren.

Op den 6en September 1614 had een zware doorbraak plaats, door welke

al de steenwerken buiten de Wijksche poort wegspoelden. In 1623

zond de Landvoogdes Izabella heimelijk zekeren Priester, Michiel

van Ophoven genaamd, Prior der Preekheeren te Antwerpen, tot Willem

Adriaan van Hoorne, Heer van Kessel, destijds Gouverneur der stad,

met belofte, dat, indien hy Heusden in hare handen leverde, zy hem

den tytel van Graaf van Hoorne, de ridderorde van 't Gulden Vlies,

en een aanzienlijke geldsom zou verstrekken, alsmede zijn kinderen

tot hoogen rang verheffen. Kessel, dit voorstel gehoord hebbende,

wees het met fierheid van de hand, zeggende, dat hy om al de schatten

des Konings van Spanje geen verrader worden zoû; terwijl hy voorts den

Prior aanzeide, dat hy zijn gevangen blijven moest. Werkelijk werd dan

ook Ophoven naar den Hage gezonden, waar hy ruim anderhalf jaar op

de voorpoort gevangen zat, en toen werd uitgewisseld. Hy werd later

Bisschop van 's Hertogenbosch, en bleef zulks tot aan de verovering

dier stad door Frederik Hendrik.

Gedurende het beleg van Breda door Spinola, in de jaren 1624 en

1625, werden in de naaste grensvestingen Bezettingen gelegd, uit

vrijwilligers van de Burgeryen: en zoo viel aan die van Haarlem en aan

eenige Hagenaars het lot te beurt, in Heusden gelegerd te worden. Deze

bezettelingen waren aangevoerd door Jan Klaasz. Loo, Burgemeester van

Haarlem, als Kolonel. Hun optocht werd, nevens een gezicht op de stad

Heusden, in 't koper gebracht door den beroemden Matham.

Gedurende het beleg van 's Hertogenbosch, in den jare 1629, werden

nogmaals te Heusden twee voor die stad gevallen krijgshelden begraven:

de een was de Ritmeester Nikolaas Smeetsing, die zes-en-dertig jaren

den Lande gediend, het Luitenant Gouverneurschap over de steden van

Overyssel voor den Prins van Oranje, en het Voorzitterschap van den

krijgsraad bekleed had. Zijn lichaam, geleid door den Vorst van Nassau,

de Graven Ernst en Willem van Nassau, en andere Legerhoofden, werd

in Mei van genoemd jaar in 't zelfde graf gelegd, waarin Olivier van

den Tempel begraven was.--De andere was de Kolonel Louis de Levin,

Heer van Famars, zoon van den reeds genoemden Charles de Levin,

en broeder van Filips de Levin, die beiden Gouverneurs van Heusden

waren geweest. Onder 't doen eener ronde in den rug door een kogel

getroffen, was hy in de zelfde nacht overleden. Zijn lijk werd tot

buiten het leger vergezelschapt door den Prins van Oranje, den Koning

van Bohemen, en de meeste krijgsoversten.

Meer dan ooit in den loop van dertig jaren werd de stad door hevige

pestkoortsen aangetast: de eerste reis in 1624 en 25, toen er wekelijks

van twintig tot dertig menschen stierven: de tweede in 1634-35,

en de derde reis in 1664.

In den jare 1666 sloeg de bliksem in den hoogen burchttoren, doch

werd gebluscht, tot groot geluk voor de inwoners, aangezien het

kruitmagazijn daar onder was, en door het openslaan der deuren groot

gevaar liep. Wy zullen zoo aanstonds zien, dat deze waarschuwing,

die aanleiding tot het nemen van betere voorzorgen had moeten geven,

geheel vruchteloos bleef.

Het verdient opmerking, dat Heusden, nadat het Staatsch geworden

was, noch in den oorlog tegen Spanje, noch in dien tegen Frankrijk

gevoerd, het lot ondervond, dat byna alle andere grenssteden en

zoovele landsteden te beurt viel, van namelijk in handen van den

vyand te geraken, en dat alle daartoe aangewende pogingen vruchteloos

afliepen. Merkwaardig vooral was dit in den jare 1672, toen, by de

algemeene flaauwhartigheid der ingezetenen, schier alle rondom Heusden

gelegen plaatsen door de Franschen bezet waren geworden. Op zekeren

Zondag van gemeld jaar was een troep van ongeveer tachtig man, die

een toeleg op Heusden in den zin had, in 't dorp Baartwyk gekomen,

dat ongeveer een uur gaands van daar gelegen is. Zy vroegen eenen

huisman den weg naar de stad, hem daarby te kennen gevende, dat zy

onderricht waren, voorby zekere schans te moeten trekken, waarmede

zy de Elswoutsche schans bedoelden, langs welke zy over Oud-Heusden

wellicht ongemerkt in de stad hadden kunnen komen. De boer echter,

't zij uit misverstand, 't zij met opzet, wees hun den weg aan door de

Baartwyksche steeg op het dorp Doeveren, waar mede een schans lag, toen

geslecht, en zoo tot Heesbeen. Hier gekomen, zonden zy twee trompetters

naar de stad, die, voor de Wijksche poort gekomen, Heusden in naam des

Konings opeischten. Maar de sergeant, die er toen de wacht had, gaf hun

dit moedig bescheid, dat er kruid en lood genoeg binnen de stad was,

om hun eisch voeglijk te beäntwoorden, waarna hy hen verjaagde, de

valbrug liet ophalen, en de poort sluiten. De gandsche stad geraakte

in de wapenen: de schuttery wedyverde met de bezettelingen in yver:

het geschut werd op den wal geplaatst, en de vyanden, hun toeleg

mislukt ziende, dropen af met schande. Intusschen deed het gebeurde de

aandacht der Staten op Heusden vestigen, en werd het Gouverneurschap

over die stad, 't welk sedert 1663 door den Heer van Schagen, by

wijze van sinecure, bekleed was geworden, aan den Veldmaarschalk

Paulus Würtz opgedragen, die er een tijdlang in persoon aanwezig bleef.

Het was omtrent dezen zelfden tijd, dat zekere Heusdenaar, Jan Beens

genaamd, zich voor eenig werk buiten de stad begeven moest. Een

vuurroer om den schouder gehangen hebbende, toog hy de poort uit,

toen hy, te Heesbeen gekomen, Fransche soldaten bespeurde. Hen

willende ontwijken, sloeg hy een pad in, dat hem naar Genderen

brengen moest; doch in de zoogenaamde Groensteeg gekomen, reed hem

een Fransch ruiter te gemoet, die hem reeds van verre toeschreeuwde,

dat hy staan moest en zich gevangen geven. Hiertoe wilde echter Jan

Beens niet besluiten, die naar een hek terug week en zich daarachter

verborg. De Franschman naderde, greep zijn karabijn, en loste die op

Jan Beens, maar trof alleen eene der hekstijlen, waarop de Heusdenaar,

zijn kans waarnemende, met zijn snaphaan op den ruiter aanlegde,

hem van 't paard deed tuimelen, overweldigde, gevangen nam, en met

paard en rusting, tot aller verwondering, binnen Heusden voerde.

De moed, door de Heusdenaars betoond, en de sterkte der plaats,

hadden waarschijnlijk aan de Franschen de lust ontnomen een nieuwen

aanval te beproeven, en de stad leed dan ook minder dan andere van

de rampen van den krijg.

Maar van droeviger gevolg dan het onweer van 1666 was een onweer dat

op den 24en July des jaars 1680 boven Heusden losbarstte, wanneer

de bliksem andermaal in den grooten achtkantigen toren sloeg. Het

buskruit, dat daaronder in diepe gewelven bewaard werd, geraakte in

vlam, en de toren niet alleen, maar het grootste gedeelte des kasteels,

van zijn grondvesten afgerukt, sprong met een schrikkelijken slag

uit elkander. Verscheiden huizen in de nabyheid werden door dien

schok het onderst boven gesmeten; in velen daarvan vond men vijf tot

zes dooden, jammerlijk omgekomen onder 't puin hunner verbrijzelde

woningen. Slechts enkelen, onder de opgerukte steenen gered, doch

meest deerlijk gekwetst en gekneusd, behielden 't leven. Het jammer, de

schade en de ellende waren groot; want van de geheele straat, omtrent

het kasteel gelegen, was byna niet een huis overeind gebleven. De

plaats, waar de kruittoren gestaan had, was veranderd in een diepen

kolk, vol zwart water, 't welk, door het geweld des poeders beroerd,

al borrelende scheen te koken. En toch, hoe ijsselijk de verwoesting

was, nog moest men het gelukkig noemen, dat het losgebarsten buspoeder

zijn meeste uitwerking van de stadszijde af en buitenwaart gedaan had:

dewijl anders de stad een algeheele vernieling zou hebben ondergaan.

Aan Willem Adriaan, Grave van Hornes, die Würtz als Gouverneur

vervangen had, volgde in 1688 Daniel de Tafin de Torsay. Tijdens

diens bestuur werd de stad door het aanleggen van sterke beeren en

schutsluizen tegen overstrooming beveiligd, en nieuwe vestingwerken

aangelegd, terwijl een der torens tot kruitmagazijn werd ingericht. Na

het overlijden van Tafin, in 1709, werd Johan Theodoor Baron van

Friesheim tot Gouverneur aangesteld, welke betrekking hy in 1723 tegen

die van Gouverneur van 's Hertogenbosch verwisselde. Hem vervingen

achtereenvolgends in 't zelfde jaar Jacob Harduïn Palm en Statius

Filip Grave tot Benthem.

De stad Heusden, die, by de vestiging van het Gemeenebest, op de

Dagvaarten beschreven werd en teekende vóor Purmerend, had zich, even

als vele andere kleinere Steden, dit recht--waarvan de uitoefening met

geen geringe kosten gepaard ging--van lieverlede laten ontnemen. Ten

tijde der troebelen van 1787 deed zy echter deze aanspraken weder

gelden, 't welk de toenmalige Staten niet weinig in verlegenheid

bracht, om het voorbeeld, dat hierdoor aan andere kleine Steden

zou gegeven worden. De zaak werd slepende gehouden, en weldra deden

gewichtige gebeurtenissen het geheele vraagpunt van zelf vervallen. De

oorlog tegen Frankrijk was uitgebarsten. De Franschen, in 1793 in ons

Land gevallen, hadden Breda en Geertruidenberg veroverd, en eischten

nu ook Heusden op. Die eisch werd echter afgeslagen, daar de stad

zich in genoegzamen staat van tegenweer bevond. De vestingwerken

toch waren sterk, de schansen te Doeveren en Hemert in goede orde, en

de Bezetting boven de 2000 man sterk. De Erfprins van Oranje (later

Koning Willem I) kwam zelf in de nacht van 10 Maart te Heusden zijn

hoofdkwartier vestigen, doch bleef er niet lang, en werd door zijn

broeder Frederik vervangen.

Misten de Franschen te dier gelegenheid hun kans, in 't volgende jaar

waren zy voorspoediger: zy hadden op 9 Oktober den Bosch overmeesterd,

en men was te Heusden hun aanval verwachtende; weshalve men, ter

meerdere bevestiging, een doorsnijding in den hoogen Maasdijk te

Hedikhuizen gemaakt had. Inmiddels was de gemeenschap met Holland, door

de om Heusden zwervende of gelegerde Franschen, afgesneden; de vorst

viel met buitengewone strengheid in, en de middelen tot verdediging

werden hierdoor grootendeels verzwakt. Van Liesvelt, die het bevel

over de bezetting voerde, ziende, dat het ijs de onder-water-zetting

nutteloos maakte, gelastte den burgeren, gezamentlijk met zijn

krijgsvolk, de stadsgrachten en de Maas open te houden, waarmede,

den 28sten December, door veertig burgers tevens, een aanvang werd

gemaakt. Het leed tot in het begin van January 1795, dat de bezetting

in 't ongewisse bleef, of de vyand het inderdaad op Heusden gemunt

had. Dan op den vijfden dier maand deed de Generaal Daendels de

vesting opeischen, met bedreiging van storm te zullen loopen indien

men niet gewillig de poorten voor hem openstelde. Zelfs liet hy aan

een hem toegezonden officier zijn gemaakte voorbereidselen zien, ten

bewijze, dat zijn dreigen geen ijdele grootspraak was. Niettemin sloeg

men den eisch af: waarop het beschieten der stad op den negenden een

aanvang nam, en tot den twaalfden voortduurde. De stad werd nogmaals

opgeëischt: de Kommandant, na zich nevens zijn volk verbonden te

hebben, in geen jaar en zes weken tegen de Franschen te zullen dienen,

verkreeg een vrijen uittocht, met achterlating van een verbazenden

voorraad krijgs- en mondbehoeften, welke Daendels in handen vielen.

Onder het bewind van Napoleon lagen er veteranen in bezetting te

Heusden, die in 1813, op het gerucht van de aannadering der Pruissen,

de stad verlieten. Naauwlijks waren zy de Herptsche poort uitgetrokken

of de Pruissen rukten die binnen. Nu scheen Heusden eensklaps uit den

doodslaap, waarin het gedurende achttien jaren was verzonken geweest,

herrezen, en in een wapenplaats herschapen te zijn. Duizenden van

Russen en Pruissen stroomden er beurtelings in en uit, en de Generaal

Bulow had er een tijd lang zijn hoofdkwartier.

Maar weldra zou de tijd aanbreken, dat Heusden uit den rij van

Neêrlands sterke plaatsen verdwijnen moest. In 1821 werd de stad

ontmanteld, de bolwerken en ravelijnen aan partikulieren verhuurd

en tot warmoeziersland aangelegd. Alleen bleef er nog een kazerne

bestaan, die in 1837 belangrijke herstellingen onderging: voorts een

arsenaal en artillerieloods; terwijl een nieuwe affuitloods op het

Burchtplein gebouwd werd. De eenig overgebleven zijtoren en de kelders

van het oude slot werden tot een bomvrij kruitmagazijn ingericht,

en vertoonen zich thands nog als een vierkant gevaarte zonder kap,

maar met zware muren en diepe gewelven; terwijl het plein, daarnevens,

met iepenboomen bezet, een fraaie wandeling oplevert.

Merkwaardige Kasteelen in Nederland, Deel II (van VI) · 第 4 / 17 题