In de ruimte, welke ten noorden door de Maas, ten oosten en ten zuiden
door de Meiery van den Bosch en ten westen door het Land van Altena
omgrensd wordt, liggen ruim tienduizend bunders laag bouwland bevat,
die het hoofdbestaan verschaffen aan een bevolking van nagenoeg 15000
zielen, over een kleine stad en zeventien dorpen verspreid. Ofschoon
noch die stad, noch de daar om heen gelegen vlas-, hennep-, en
hopvelden den reiziger veel bekoorlijks of merkwaardigs aanbieden,
by den geschiedvorscher en by den dichter wekt de aanblik daarvan
herinneringen op, die niet van belangrijkheid ontbloot zijn, al ware
het maar om de wisselingen, welke de streek ondergaan heeft. Maakt zy
thands een deel uit van de Provincie Noord-Brabant, en onder Napoleon
van het Departement der Monden van den Rijn, in 1801 was zy in tweën
gesplitst en voor de helft by Brabant, voor de wederhelft by Holland
ingedeeld geweest, na vijf d'halve eeuw lang tot dit laatstgenoemde
en vroeger een geruimen tijd tot het eerstgenoemde Gewest behoord te
hebben. Die streek is nog heden ten dage bekend onder den naam van
het Land van Heusden: die stad is Heusden: die dorpen zijn Engelen,
Vlijmen, Honsoirt of Onsenoord, Hedikhuizen, Herpt, Oud-Heusden
en Baardwijk, die van ouds den naam van »bovendorpen," Heesbeen,
Genderen, Doeveren, Drongelen, Eethen, Meeuwen, Babyloniënbroek,
Veen, Wijk en Aalburgh, die den naam van »benedendorpen" dragen.
Maar had die streek dikwijls in de laatste eeuwen van meester
verwisseld, en, eer zy aan Holland kwam, tot een twistappel gestrekt,
waar hevig om gestreden werd, er had een tijd bestaan toen zy haar
eigen, schier onafhankelijke Heeren had, en wel zoodanigen, die,
ondanks de beperktheid van hun grondgebied, rijk, aanzienlijk en by
hun naburen geducht waren, die zich reeds vroeg door verbintenissen
met machtige Vorsten en Heeren versterkt hadden, zoo dat wederkeerig
de hunne met yver gezocht werd.
Wat den oorsprong en afkomst dier Heeren betreft, die zijn even
onzeker als die onzer meeste adelijke Huizen en het daaromtrent
vermelde evenzeer met tastbare fabelen doormengd. Buiten twijfel
echter schijnt het, dat het Land van Heusden oorspronkelijk een deel
uitmaakte van het Graafschap Teisterbant, en in vervolg van tijd,
by broederdeeling, onder Cleve kwam, aan welk laatste Graafschap
het tot op het einde der dertiende eeuw leenroerig schijnt geweest
te zijn. Een jongere zoon uit het Teisterbantsche of Kleefsche
Huis, Robbert geheeten, wordt voor den eersten Heer van Heusden
gehouden. Het was voorwaar niet onder gelukkige voorteekenen, dat
deze nieuwe dynastie begon. Nog duurde de eeuw van plondering en
geweld, toen onze nog onbeschermde kusten gedurig bloot stonden aan
de herhaalde invallen dier Noordsche Zeekoningen, die eerlang aan
Nederland, aan Normandyen, aan Engeland, aan Siciliën, zijn vorsten
zouden schenken: en by eenen dier strooptochten was het, dat in 839
de stad en 't slot, waar Heer Robbert zijn zetel had, door de vreemde
zeeschuimers verwoest werden. Schooner en sterker dan te voren echter,
rezen beiden weder op onder de regeering van Boudewijn, die in 857
zijn vader Robbert opvolgde. Was het vroegere kasteel niet sterk
genoeg geweest, om aan een onverwachten aanval weêrstand te bieden,
het nieuwer zoû dien beter kunnen verduren; want het paarde nu de
zwaarte en omvang van dubbele wallen en torens aan de sterkte zijner
natuurlijke ligging: terwijl het een natuurlijke verdediging bezat in
de breede Maas, die er voorby stroomde, en in de oude of zoogenaamde
verloren Maas, die er langs kronkelde, om zich hooger op, by Aalburg,
te verliezen. Ook het stichten der Sloten van Poederoyen, van Brakel,
en van Aelst wordt aan Boudewijn van Heusden toegeschreven; waaruit
men zoû moeten opmaken, dat hy, ook elders dan in het eigentlijke
Land van Heusden, Heerlijkheden bezeten heeft.
Maar vrij wat belangrijker, of liever behagelijker herinneringen,
dan die het bouwen van kasteelen oplevert, biedt ons de legende
met betrekking tot Boudewijn aan. Van hem toch verhaalt zy, hoe hy,
in zijn jeugd met Reinout Grave van Angiers naar Engeland getogen,
den Koning Edmund in den krijg bystond, door zijn dappere daden de
liefde won der schoone Sofia, 's Konings dochter, en deze heimelijk
ontvoerde. Lang treurde de Koning om zijn spruit en zocht vergeefs
den naam van haren roover en het oord, waar zy zich onthield, te
ontdekken. In 't eind gelukte hem dit, en vonden zijn zendelingen haar
te Heusden, aan 't spinnewiel gezeten. Een verzoening had plaats,
en onder de voorwaarden daarvan was er eene, dat Heusden voortaan
een rad van keel als wapen voeren zoû, ter gedachtenis aan het roode
spinnewiel, waarby Sophia teruggevonden was.
Zoodanig, met eenig gering verschil in byzonderheden by sommigen,
luidt de legende. Nu weet ik vooraf, dat er ongeloovigen zijn, die
haar als geheel fabelachtig zullen verwerpen; die met een glimlach
de schouderen zullen ophalen, en zeggen, dat alle geslachtboomen van
onze oude Hollandsche Huizen reeds in den beginne een verbintenis
aantoonen met het een of ander vorsten-geslacht, de eene nog meer
uit de lucht gegrepen dan de andere: dat er geen Koning van Engeland
onder den naam van Edmund in de dagen van Boudewijn van Heusden
geregeerd heeft, maar wel, achtereenvolgends, Egbert en Ethelwolf,
en dat de geschiedenis van Engeland niets vermeldt van het wegloopen
der dochter van een van beiden met een Ridder uit Neder-Duitschland:
eindelijk, dat er in de negende eeuw nog geen blazoenen bekend waren,
en dat het wiel van Heusden in allen gevalle niets anders is, dan de
acht schepters van Cleve, met een band omringd.
Al moge ik de beide laatste aanmerkingen gedeeltelijk toegeven, zoo
zie ik in de rest van 't verhaal niets, dat zoo onbepaald verworpen
behoeft te worden. Of is er iets onwaarschijnlijks in, dat Boudewijn,
gedurende het leven zijns vaders, en vooral toen zijn door de Noren
verwoest erfgoed hem weinig aanlokkelijks aanbood, even als zoo vele
andere jonge Edellieden van dien tijd, zijn fortuin heeft zoeken te
maken in een uitheemschen oorlog? En wat dien Koning van Engeland
betreft, wy behoeven hier niet aan een Koning over dat gandsche
Rijk te denken. Op het tijdstip, dat Boudewijn van Heusden Engeland
bezocht zoû hebben, waren er nog maar weinige jaren verloopen, sedert
Koning Egbert de Vorsten der Heptarchy onderworpen had, en enkelen
hunner bleven waarschijnlijk levenslang hun tytel behouden. Onder
die Vorsten treffen wy, omstreeks dien zelfden tijd, een Koning van
Oost-Engeland aan, die den naam van Edmond droeg, van wien gemeld
wordt, dat hy zich door byzondere vroomheid onderscheidde (zoo zelfs,
dat hy heilig werd verklaard) en dat hy sneuvelde in den krijg tegen
de Denen of Noormannen. En waarom nu, vraag ik, zou het ongelooflijk,
waarom niet integendeel zeer aannemelijk zijn, dat onze Boudewijn aan
de zijde diens Konings Edmond gestreden zoû hebben tegen diezelfde
zeeschuimers, die zijn erfslot in puin verwoest hadden?--Waarom
ongelooflijk, dat hy een schoone vorstendochter verleid zoû hebben,
hem over zee te volgen?--Er is nog in 1841 wel een Infante van Spanje
geweest, die zich heeft laten schaken.--En wie door die redenen niet
overtuigd is, die leze de bekoorlijke Romance van Bilderdijk, Het
Wiel van Heusden getyteld [1], en hy zal niet meer willen twijfelen
aan de echtheid van een verhaal, dat de stof tot zulk een meesterstuk
van poëzy heeft opgeleverd.
In 870 overleed Boudewijn van Heusden en werd, daar zijn oudste zoon,
Edmond, in Engeland by zijn grootvader verbleven en tot grooten staat
geraakt was, opgevolgd door zijn tweeden zoon, Robbert II, die tot
huisvrouw nam des Graven van Zutfen dochter, welke my veel apokryfer
voorkomt dan die Engelsche princes. Robbert streed heel dapper.... in
't Heilige Land, een anakronismus, aan welken de kronijkschrijvers
zich met betrekking tot al de Edele Heeren uit die dagen schuldig
maken: hy stierf in 914, en liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon
Edmond, die getrouwd was met een dochter des Graven van Seyn. 'k Wil
't liever blind gelooven dan dat ik het zoû gaan onderzoeken.
Op Edmond volgde in 929 zijn zoon Jan I, wiens huisvrouw al wederom
een Gravedochter was, en wel van dien van Loon; op Jan I die in 956
overleed, Robert III, die de dochter des Graven van Spanheim tot
vrouwe nam, en in 972 stierf: op dezen, Boudewijn II, met een dochter
des Graven van Gennep getrouwd.
Hier begint de kronijk een meer historische kleur aan te nemen;
en, even als dit met de meeste oude geslachtnamen het geval is,
zien wy allengskens de Gravedochters door eenvoudige Jonkvrouwen
afgewisseld. Zoo trouwt Jan II, die in 1028 aan de regeering kwam, met
Machtelt van Steenvoorde, en Robbert IV, die hem in 1073 opvolgde,
met een dochter uit den Huize van Arkel. Boudewijn III, die in
1092 Heer werd, kreeg tot echtgenote een dochter des Graven van der
Lippe. Hy stierf in 1100, en liet de Heerlijkheid aan zijn zoon Jan
III, met een Jonkvrouwe van Arentsbergh gehuwd. Na Jan III kwam in
1135, zijn zoon Willem, die, in 1153 overleden, Heusden naliet aan
zijn broeder Aernout. Deze verwekte by een dochter des Graven van
Salm Jan IV, die hem in 1168 opvolgde. Een tweede zoon van Aernout,
Boudewijn Knijf geheeten, was de stamvader der Heeren van Heeswijk,
en voerde twee raderen van keel op een half sabel half gouden schild.
Op Jan IV volgde in 1192 Robbert V, uit wiens broeder Wouter, bygenaamd
Spiering, het geslacht der Spieringen sproot, die een gouden rad in
een veld van sabel voerden. Robbert stierf in 1202: hy had by zijn
Huisvrouw, een dochter des heeren van Diest, verwekt Jan V, die,
tochtgenoot van Graaf Willem van Holland, twee malen het Heilige Land
bezocht. Van zijn broeder Willem sproot het geslacht der Hedikhuysens,
die een gouden rad op lazuur voerden.
Jan VI, zoon van Jan V en van de dochter des Graven van Vernenburgh,
volgde in 1235 zijn vader op; hy zelf verkreeg de hand eener Gravinne
van Loon, zuster van dien Graaf van Loon, wiens huwelijk met Ada van
Holland zoo veel rampen verwekte. Zijn broeder, die mede den naam
droeg van Jan, wordt gezegd de eerste Heer van Veen geweest te zijn.
Meer dan van Jan VI, die in 1279 overleed, valt van zijn zoon Jan
VII, te vermelden. Nog naauwelijks was hy aan de regeering gekomen,
of hy vond zich in krijg gewikkeld met een machtigen nabuur. Deze
was Hertog Jan I van Brabant, die, te recht of te onrecht, zich
beklaagde over geweldenarijen, door die van Heusden tegen ingezetenen
der Meiery gepleegd, en zijn Drossaart met krijgsbenden afzond om
Heusden in te sluiten. De bezetting, 't ergste duchtende, gaf zich
over, en de Hertog, eerlang de stad binnengetrokken, liet er zich tot
Heer huldigen: zoo dat Jan VII, wilde hy anders in 't bezit zijner
Heerlijkheid blijven, zich genoodzaakt zag, daarvan hulde te doen aan
Brabant, en den Hertog als zijn Leenheer te erkennen. Hierby bleef
het niet; toen kort daarna die geweldige oorlog om 't bezit van
Limburg uitbarstte tusschen Reinout van Gelre en Jan van Brabant,
toen volgde Jan van Heusden zijn nieuwen Leenheer in den strijd;
en met hem togen zijn broeders, Aernout van der Sluyse, die het rad
van zilver voerde op het veld van keel, Jan, Heer van Heesbeen,
die het rad van goud droeg op een veld van keel, en Diederik, de
eenige van zijn geslacht, die niet uit den krijg terug zoû keeren:
voorts zijn zonen, Jan, die later zijn opvolger werd, en Aernout,
die, ofschoon tot den geestelijken stand behoorende, geen zijner
ridderlijken stamgenooten in heldenmoed week. Het was by de banier
van Jan van Kuik, dat zy de hunne opstaken, en onder de aanvoering
van dien wakkeren krijgsman, dat zy in 't jaar 1286 den tocht begonnen.