"Och ja"--zei de vagebond, nu meer op koel mededeelenden dan
op beeldenden toon--"dat heeft toe' twee en half jaar en drie dage
geduurd ... Maar godallemàchies zoo'n ròl!--Zoo kan ik me hand twee en
dertig maal verdraaië, en as die rechtbank d'r achter komp, dan zeg
'k dat 't niet-en-waar is. O man, en allegaar zóó fijn geskreve, da'
j't háást niet ken leze ..."
Ook stonden z'n h's er nu weer allemaal in, want 't was voorloopig
erg nuchter en zakelijk:
"Zie je,"--vertelde hij--"want we ben daar toe' nog 'n week of drie
gebleve, na 'k bij 't kappetaal 'n oplichterij had gedaan, groot
... vier duzend acht honderd gulde;--bij 't hóóge kappetaal! An
de schatrijkste lui ging ik weer de komplemente brenge van die
familiebetrekkinge in Indië,--die 'k van me levensdage nooit had
gezien. Daar stuurde 'k dan me beletkaartjes an en wier afgehaald of
gong er zelf per rijtuig heen, wier d'r heerlijk onthaald, terwijl
ik de inwendige mensch nakeek of daar voor mijn wat viel te plukke
bij geval,--om rede mijn bankier uit was, en van zu'k soort smoesies
meer. Dusdanig leende ik overal duzend of vijftienhonderd gulde en
dempte daar die putte van drie-, vier-, vijfhonderd mee. Zoodat ik
as eerlijk man groote oplichtinge miek om de kleine te dekke. Maar
hôtels en kleermakers betaalde ik nóóit;--da' was eenmaal Fransch en
kon ondergeteekende zich dus niet an onttrekke ...
"Toe Middelburg af was gestroopt, trokke me dus na dat hotel Pays Bas
in Utrecht,--met de éérste trein weg, in 'n éérste klas rijtuig, en
daar er dan welderis andere passegiers inzitte, en ik in polletiek wel
's niet vermomd was,--want da's zwaar zoo'n pruik en baard--huurde
ik voor mijn en me staf alleenig die hééle coupé effe af ... Nou
en polletieke ha'k netuurlijk genog: op laast zeve, acht pakke,
want wie vertrouwt er soms geen generaal?... Maar de kleermakers
magge hierbij niet worde vermeld, om rede d'r nog in leve benne,
die f 2500 op ondergeteekende's krijt hebbe staan.
"Ook ka' je zoo nagaan da'k bij me vertrek iedere bediende, van
schoenpoeser tot kofferdrager af, 'n tientje gaf volgens die etiquette
van de hoogste aristocraassie, en zoo wiere er voor mij vanzelfs diepe
buiginge gemaakt in bijzijn van die verneuriede hotelhouwer ... An 't
station schonk ik me koesier effe ... vijf en twintig gulde fooi.--"La'
maar zitte." Goeiegenade noggetoe, nogal niks!
"Netuurlijk kreeg ik in Pays Bas me appartement weer bove die
poort met vijf kamers, en vijf kelners wiere angenome voor mijn
alleenig, angezien die bollebof nog nooit eerste klas slapers had
gekamerd. Waarop ik speksie miek in de kazerne van "de Veld" en
ik orders gaf an de dienstdoende kappitein Jhr. O., om de andere
dag die stukke in die Maliebaan te gaan zette, om rede ik zelf 't
commando uit wou voere.--Zeg?--nou! òf die ofciere in draf zatte,
want ik zat op me schimmel, ree links en rechs met me educans,
om te kijke of die kenonne in orde voor tijd van oorlog ware, en
't was allegaar oudroest.--Wat een deining!--Toe vergezelde ik zelf
die heele stoet na de kazerne werom, waarop kapitein Jhr. O. mijn na
't hotel opgeleidde, waar me schilderhuis al sting en me wacht, en
ik zoo maar de sierade van me borst afplukte, om kedo te doen an de
ofciere d'r dames. En ik noodigde er verscheie uit van de veld en de
mineurs bij mijn op 'n neutje ... sjampoepel, waar 'k op 't moment
nòg wel 's effe zin an had ...
"Maar de zake mochte er niet onder lije, en vier dage later zat 'k
alweer druk-op in me oplichterije. Zoo gauw ze uit Middelburg maande,
seinde 'k: "Spectiereis, geduld"--werom ... Binne 'n groote zes weke
ha'k ook hier me zestien miel geflescht ...
"To 'k twee dage voor ons vertrek 's alleenig in Wageninge gong neuze,
waar 'n boezemvrind uit Brussel van mijn was gevestigd, en 'k dus
me staf achterliet. Maar die ami-intime van mijn had me verniggeld,
zooda'k langs die straat loop, en 'n groentevrouw an die deur van 'n
eerste klas villa hoor vrage an die mevrouw: "heb u nog als maar geen
tijding uit Indië gehad?"--Wat ondergeteekende achter z'n oor knoopte.
''k Gong dus 'n herreberg in--'k wil zegge: zoo'n groot café-restaurant
à la carte, en liet me 'n kejakkie brenge mèt de Figaro, en hieuw die
inspres onderstbove, want ik zat bijna in donker.--"Ka je dat averechs
leze meheer?"--zeit me dat frommes achter die tapkast. "Ik kan rechs
en links leze dame, a'k mijn bril maar heb of gouwe lornjet." Wat
allegaar begonne was om kennismaking. Want: ik zoch iemand die d'r
zoon as eerste-luitenant in Indië was. (Dat ha'k ommers van dat wijf
an die groentewage gehoord.) Waarop zij zeit: "dan mot uwe zeve deure
verder weze; daar het me man verleê week nog wijn gebracht, en toe'
het die mevrouw gezeid: 't zou me wel duzend gulde waard zijn a'k
maar tijding had."--"Zóó"--zeg ik--"noodig uws man dan uit om haar
edele effe mijn eksjellentie's kaartje an te prizzeteere". Waarop
ik na Utrecht werom ging, want ik most volges die etiquette eerst
uitgenoodigd worde door die medam.
"En jawel hoor, klokke vier en twintig uur later kwam die brief. Die
hotelhouwer most zich daarvoor natuurlijk eerst in gala kleeje,
om die mijn te brenge, en anders miek 'k 'n standje--want 'k zat
juist te dineere... En me ete, da's me heilige plicht voor 't in
stand houwe van die menschheid. Altijd, en nòg. A'k vreet kan 'k
bevoorbeeld ook nooit geen pelisie vele. Buite ben 'k pakbaar--da's
volges de code civile. Maar a'k binne zit te bikke, dan kenne die
klabakke eerst fesoendelijk d'r beurt afwachte,--to'k over die dake
weg ben gespat. Wat jou?
"Recht is recht. En daar sting in die brief of z'n eksjellentie baron
v. T. v. S. zoo goed wou weze na Wageninge bij die douairière over
te komme, want 't was 'r wel d'r rechterarm waard, om tijding van
d'r geliefde kroost te hoore.--Je mot me maar niet ankijke, nou;
a'k dat vertel begin 'k amper te huile.--In geen vijf jaar had ze
geen letter vernome!...
"Da's koffie"--zeg 'k tege me maats--"dan lawe medeen maar onze
bagazie na Arnem in 't Zwijnshoofd brenge"--want die hotelhouwer hier
wou àls maar die afrekening na mijn standplaas in Haarlem sture, wat
ik voorgaf niet te wille wete voor me vrouw, van wege die vertering,
die ik miek op grooste schaal,--en stapte zelf af in Wageninge met
me staf. Hier wiere we door de grooste heer van 't gerecht gesalueerd.
"Te voet trokke we in optocht door die stad. Daar sting al 'n groot
publiek in blije verwachting voor die deur en in de ronde. Lakeie
in livrei hieuwe die orde en introduzeerde ons an mevrouw. Zij zat
vergezeld met hare dochter--haar eenige troost die d'r nog overgebleve
was,--en ontving ons allerminzaamst:
--Zijn eksjellentie, zou u mijn zoon nog herkenne in polletiek en
in grand tenu?"--vroeg ze mijn, die doerak.--"Ik ben de almachtige
God zoo dankbaar, dat de caféhouwer mijn meegedeeld heeft as dat er
'n generaal bij zijn geweest was, die weet had van mijn laaste kroost."
--Mevrouw douairière, 't is geen drie maande geleje dat ik nog met
zijn edele uw zoon te paard heb gewandeld op Padang Pandjang ..."
--"Hier is mijn album",--zeit zij toe', waarmee ondergeteekende niet
op ze gemak was, omrede hij de bewuste persoon natuurlijk nooit in de
linke gehad had, en 't album twee-en-tachetig differente fotografies
bevatte van allegaar dames en heere in polletiek.--Waarop ik dat eerste
blad opende. En daar spreker dezes 'n premier klas fisolemie-kenner
is, en in de petrette van de mannelijke tak geen millitair voorkomen
zag, vestigde ik mijn aandacht op dat vijfde blad en leesde ik in
die fisolemie: dit is een krijgsmanshouding. Waarop ik antwoordde
met groot lef: "da's ie sprekend, maar as jonger".
--Daaran het zijn eksjellentie gelijk"--zuchtte die édele weduwvrouwe
met trane van geluk over d'r wange. En ik 'm vervolges zes, zeve
keere in polletiek d'r uithaalde uit 't zelfde fisolemie. Waarop ik
mededeelde op dat oogeblik in benauwde omstandighede te verkeere,
en niet durfde telegrafeere uit rede van de zenuwstaat van mijn
vrouw de barones, die zij netuurlijk van anhuwelijking speciaal goed
kon,--en of ze me altemet an geen f 1500 wou helpe.--"Volgaarne,
eksjellentie"--zeit zij--"maar 'k hoef nooit 'n cent ervan weerom
te hebbe, omrede uw familie daar te goed voor is, en uws dienst is
met geen geld te betale."--Zoodat ik toe' diep geroerd beloofde an
de menister van kolonië de bewuste gedetacheerde te late verhooge in
die milletaire stand.
"Nou heb ik dus weer vijftienhonderd pop in me zak, en 't benne
allegaar oplichterije. Dus ik vertrek, en blijd da'k van dat wijf
af ben,--'k had zitte knijpe.--In Arnem staan netuurlijk weer die
twee schilderhuize met de noodige schildwachte op mijn te wachte,
want dat was al overal bekend.--En 't zelfde liedje. An de sergeant
van 't piket gevraagd waar die generaal woonde van de gele rijers;
waarop zij allemaal in de pesisie stinge, niet voor mijn polletieke
pakkie, maar voor me borst met ridderorders.--Andere dag met me staf te
paard op bezoek bij me mede-generaal. En toe me educan daar anbelde,
zou z'n eksjellentie juist ook te paard stijge, waarvoor die deur
geopend wier door 'n heereknecht in 't groen, met dito broek tot an
ze kouse. Daaronder witte kouse met láge schoene stile Louis treize,
alles na de hoogste etiquette voor zijn bewuste meester.
"Maar ik wou zien of hij zijn etiquette versting en bleef dus
zitte. Hij bekeek mijn eerst en zei toe': "U ben 'n persoon om
kennis te make." Nou legt die opvoeding van de dienst an mijn eige
persoon. Waarop hij na achtere gaat, waar zijn paard sting met zijn
ordonnans,--en 't de weet van mijn is, waar ik rije mot op mijn paard,
dat as in oorlogstijd uit 'n schimmel bestond. Maar mijn educans volge
mijn op vijftien pas. En toe' ik zag dat zijn ordonnans rechs van 'm
reed, dee ik dat ook.--Ja, je mot geen knoopedraaier weze voor zoo'n
rol!--"En z'n eksjellentie"--zeg ik--"u heb wellicht wel 's meer met
een generaal uit rije geweest?"--Hoe vin je 'm, die kneep van mijn? Ja,
want ik wou netuurlijk Velp welleris zien omdat daar óók nog zoo'n
schatrijke douairière met 'n zoon in Indië zat, die ik effe gauw op
twee lappies van duzend had geschat.--En toe ginge we weer ventre
à terre door Arnem terug tot zijn huis, waarop ik afsteeg, en mijn
eerekaartje afgaf met de vraag of ik spectie over die gele rijers make
moch', wa'k er ... ja, krimmeneel bezonder heb afgebracht!--Maar da's
lèf, hoor,--met 'n echte generaal,--en geeneen gesjochte jonge doet
't mijn na ... D'r is immers nog nóóit zoo'n rol gespeeld in ons land!
"Maar netuurlijk kan ik je niet al die oplichterije vertelle, want dat
zou 'n roman worde, nog zeve maal dikker as de Bijbel ... en die drie
maande in Arnem alleen heb 'k 'n duzend gulde of elf op de kop kanne
tikke. Toe ben 'k effe na Utrecht gegaan om mijn hotel te betale,--'t
eenigste wat ik in Nederland ooit betaald heb, en daarna heb ik
incognito op gemeubeleerde kamers uit zitte blaze in De Haag, mijn
geliefde residentieplaas. Dat kostte mijn daar, met me twee educans,
an de Voorhout effe f 75 per week voor ameublement mèt pension--da's
de kost. Ik heb er netuurlijk ook wel enkelde slaggies geslage, maar
die hadde nie' veel te beduie: van één, twee, drie honderd gulde,--geen
grand-tenu-somme; ka' je zoo nagaan, want ik werkte daar in polletiek,
omdat er veels te veel gouwe torre rondkroele in die stad, met van
die ouwe gehaaide verraai-generaals.
"Toe trok me hart weer na Zeeland terug, met name in Goes. We zworve
daar dat land in de ronde, en bij de rijkste leende ik wat ik kon
leene, al ware 't soms kleine kaptale, waarvan--ik bezweer je--'k nooit
'n cent terug heb betaald. En zoo kwamme we dan eindelijk in Berge
op Zoom, die vuile ongeluksstad, waar je geeneens 'n 1e- of 2e-rangs
logement had, zoodat we weer verplicht ware gestoffeerd te gaan wone,
en hier trok ik alle dag met me staf in uniform door die strate,
om dat wantrouwe niet op te wekke.
"Zoo loop ik, in polletiek, met me maats van Berge op 'n prachtige
achtermiddag na Thole om te geniete van die natuur bij maanlicht,--waar
ondergeteekende 'n speciale liefhebber van is,--as mij daar in ééne
'n beeldschoone dame in zwarte sluier tegekwam, en mijn enkel maar
afvroeg: "Wat ben u gauw bevorderd, eksjellentie, u ben net zoo min
generaal as ik kapiteinsvrouw".--Waarop ik heel skrikkelijk verschoot,
en mijn vleugeladjudant, de Markies de Touard, die lijende was an de
vallende ziekte, van de schrik een toeval miek.
"En zij zweeft door na' Berge op Zoom.--Waarop ik in 't naastbijgelege
café om hulp vroeg voor me educan op te knappe, en 'n half uur
privé met me collega's weze moch', voor 't geld dat 't kostte, onder
't nuttige van 'n dejeuner ... froid à la fourchette, bestaande uit
brood, vleesch en koffie.
"Toe vroege die twee jonges an mijn: "Wat motte me nou beginne,--de
kogel is door de kerk, en me benne verneuried?"
"Laat alles maar an mijn over"--zeg ik--"ik zal dat varke wel
wassche.--Want in me jonge jare het die beeldschoone dame mijn haar
liefde verklaard,--en daar het ze nou zeker 'n soort haat en nijd
van gemaakt."--
"Ja man, nou vertel ik je de fijnste roman uit dat verrajersleve
van die vrouwelijke seksie. Want een vrouw in zwarte sluier had er
mondelings kennis van gegeve an de commissaris van politie en an
die kazerne. Maar de justitie dorst mijn niet te arresteere, en dee
dat over an de milletaire macht om da'lijk de valsche generaal te
onteere... Nie minder dan vier, vijf patrouilles defileerde er heen en
weer door die stad: sergeant, kopperaal met acht man, of luitenant,
'n eerste, 'n tweede, à tour de ròle. Maar daar was ondergeteekende
zich niet van bewust. Dus ik gong na Berge terug.
"Onder de weg ontmoet ik 'n wachtmeester van de huzare, die mijn
speciaal kon. Hij komt na me toe en zeit: "meheer, je mag wel oppasse,
want ze loope patroulle om je te vatte. En dat zou mijn spijte,
want je rol is te mooi."
"Daarop zijn we in dat koffiehuis de avond gaan zitte afwachte met
verschillende consumsies. 't Bitterste was dat in Berge die paarde
nog stinge van me eige: 'k had f 675 voor mijn schimmel gegeve en
voor die twee andere f 550,--van kleine oplichterije netuurlijk
betaald. Zoodat ik in die herberg eerst me pruik en baard afdee, en
werp in die sloot, met modder, gras en zand d'r over. Maar 'k zat met
de gelde nog in de zak van me kamgare pak, èn beige demi. Dus denk ik:
't eenige wat ik doen kan is die caféhouwer me heele rol te vertelle,
waarop hij met me brief na' de stal is gegaan, de huur het betaald,
en die paarde na dat café late brenge ... Wat netuurlijkerwijs 'n
flater van mijn was ... Ja, da's de steek wat de spreker het late
valle,--zooas 't de beste breisters vaak overkomt.
"Vervolges heb ik me persoonlijk alleen vervoegd in ons
kosthuis--sluipenderwijs langs-achter die tuin, waar ik snikkend an
die kostjuffrouw vroeg: "Mevrouw, ik bid u uit de Netuur of u mijn wil
bescherme?"--"As 't me man goed is ...", zeit zij.--"Uws man zal voor
mijn geen oogeblik van ze vrijheid motte misse".--Waarop die man miek:
"Meheer, meheer, wat heb je nou uitgevoerd?"
"Ja"--zeg ik weer--"wie sta, zie toe dat hij niet valt."
"Daar die mensche erg vroom ware, koesterde ze een diep meelije met
mijn. Daarom heb ik hullie me kiste in late pakke met die adresse op me
eige naam, bureau restant Anvers. Maar dat gèld nam ik er netuurlijk
zèlf eerst uit: f 11.422 zonder dat zullie 't zagge. En toe' vroeg
ik wat ik haar schuldig was.
"De cente, die u thans nog in je zak heb, zal je wel noodig hebbe om
te ontkomme; daarom geve we je de penninge, dat je ons schuldig ben, in
naam van Jezus Christus cadeau.--Zorg alleenig dat je uit de gevangenis
blijft!"--Waarop ik huilende wegging en die vrouw omarmde ...
"Ja, want ik was óók niet heelegaar brandschoon, omrede ik onder
de weg en in dat café, waar me educans maar wit-bestorve zatte
te knijpe, tot hede drie-en-twintig kejakkies genome had, en maar
niet dronke kon worde, zooas die zenuwe inwendig trokke. En in 't
bewuste koffiehuis hebbe me toe' ook nog 't een en ander verteerd,
zoodat we wel rijtuige hoorde voorbijrije, maar niet wetede dat
dat om òns was begonne. Waarop ik die koffiehuishouwer betaalde èn
'm voor ze weldaad honderd gulde wou geve. Maar nee--zei die edele
man--"geef die dan maar an me dochtertje, die, as Katteliek zijnde,
't andere jaar toch d'r eerste kemunie mot doen." Zoo ginge me dus
die plaas op, bestege onze gereedstaande rosse, en reje in 't holst
van de nacht die weg na Thole op.
"Die pont, die je daar heb, stakke we over te paard, en an de
eerste tol, die dicht was--óók verraje werk--schreeuwde mijn eerste
vleugeladjedant om de tolbaas ... toe daar p'rdoes vier heere met
hooge hoeje uitspronge: de president van de rechtbank uit Zierikzee,
met de substituut, de officier uit Middelburg, en een ander, die ik
niet kon. Maar de eerste kwam na mijn toe, en: "Eksjellentie"--zeit
ie--"stijgt van uws paard, want ik wou wel 'n paar woorde met
je verwissele." Waarop ondergeteekede, zooas je wel begrijpe kan,
netuurlekerwijs wel lont rook, van ze paard af klom, dat vastgehouwe
wier door 'n man met róóje baard, en me laaste bevele gaf an me
staf. Toe zeit hij: "in naam des Konings zijt gij mijn arrestant, want
ge zijt niet de baron v. T. v. S., maar Racier, de vroegere doofstomme
marskramer,"--'t welk doende hij zijn rooje sjerp vertoonde an mijn.
"Nou--gedane zake neme geen keer, hè?--en achter dat tolhuissie
stinge 'n antal van na mijn schatting wel 15 à 16 veldwachters, dus
ik antwoordde nederig: "edelachtbare heere president èn rechters,
ik ben geknipt en 'k zal volgaarne meegaan, maar om de nagedachtenis
van me edele moeder smeek ik genadig of we 't altemet niet zonder
geleië van die heere veldwachters af zouwe magge, want--hoe diep ook
gedaald zijnde as atheïst, het 'n mensch toch nog z'n schaamte en
eergevoel".--Waarop die officier zijn orders gaf dat die openbare
macht kon verdwijne, en ik mèt me staf en van die justitie z'n
tegenwoordigheid vereerd, in 'n rijtuig met twéé paarde ... na 't
huis van bewaring in Middelburg wier overgebracht ..."
Snikkend, met z'n zwerverskop schokkend in die lange dorre handen,
kon Racier nog enkel maar uitbrengen: "... voor 't eerst ... na twee
en 'alf jaar ... en drie dage ... van de alder'oogste eerbewijzing
... zonder ... lakei ... op die bok ...!"