... En terwijl ik er hem dan maar verbaasd op zat aan te kijken,
den ziekelijken fantast, zag ik 'm langzaam aan moe worden en weer
versjofelen,--de hittige glorie dooven uit zijn lampjes en den
klatergouden waan afglijden van z'n kale lompenstatie.
De triomfantelijke leugen, waaraan hij zich opwindt als 'n ander aan
opium, aan drank,--die raakte nu weer uitgewerkt. De valsche schijn
verschemerde voor z'n slap-geworden gezicht. Z'n vooze passie kòn
niet meer;--en wat lag hij daar nu stumperig zwakjes in dien veel te
wijden leunstoel weggezakt bij 't vuur.
Als in schitterende kleurtjes opgeblazen zeepbellen--dacht ik--die tot
niets dan zoo'n troebel sopje verspatten en vergaan.--Als 'n ruiende,
dood-verfomfaaide adelaar die in zijn dierentuinkooi zit te koekeloeren
naar den triesten dag van over de achterbuurthuizen.--Zoo'n afgepafte
zevenklapper, verweekt in de goot!--Tuberculeuse kermisleeuw met
z'n steek nog op, na de glimmerlichte vertooning terug in zijn hok
daar tusschen den rommel van de achtertent, als de morfine nog door
soest.--'t Was 'n stumper,--zoo'n in de broeikas van zijn heete
verbeelding tot overdadigen bloei getrokken plant, die dra weer
verflenst hangt en al zijn bloemen laat vallen.--Weemoedig wrak van
een als bark volbezeilde klomp, op drift geraakt en tegen den anderen
wal aangekwakt.--Zoo'n doodmoe gepiaste hart-zieke clown, nu ie daar
neerleit als 'n vod.
Van de koortsige verbeeldingen bleef enkel de inzinking na;--en
daar zat hij nu, aan den haard weer kleumig schurkend in dien veel
te langen, vaal-geschooiden ulster; z'n borst ingezonken, amechtig en
stram door 't smerige leven, met uit de modderrafels van z'n broekspijp
dien grammelen voet in beide handen gevat en pijnlijk befrutseld.
Z'n oogen zochten moe naar de staag vervlakkende fata-morgana aan zijn
... atheïstenhemel! Want al zijn overmoed, zijn felle durf was in die
lange opgetogenheid weer opgestookt ... De Generaal--berooide bedelaar
nu weer, schunnige armoedzaaier zonder fut,--de overal wat meewarig
om zijn psychose bespotte ... "recidivist!"--och arme. Landlooper in
onbenullige oplichterijtjes, zoo deerniswaardig grotesk van eigen
heldenverbeelding, en als zoo'n half-sjoegen harlekijn met grollig
eerbetoon omsolde "excellentie" onder de gesjochte jongens van 't
gilde en de deerns in de slaapsteê ... En dan telkens maar weer
om de stuntelige vergrijpen van zijn zielszieken waan in de cel
opgesloten... Poovere sire in ongenade,--wat schuwden zijn straks
nog zoo uitdagende oogen nu verlegen naar mij om,--weerloos goedig
als van 'n verzworven hond, dien je in de warmte hebt genomen--:
en of ik hem nou altemet dan tòch zou hebben doorgrond?
"Hoe vin je me rol?"--polste na 'n heele poos zwijgen die weer dor
geworden bedelstem, terwijl er even 'n sluw vonkje opgloorde in zijn
gedoofde lampjes. Hij vroeg 't aarzelend, en al vergoelijkend week,
voor 't geval, dat ik 'm mocht hebben betrapt,--glimlachend alsof 't
toch maar 'n onschuldig grapje was geweest, en da 'k er vooral niet
boos om mocht worden. Maar toen 'k heel ernstig knikte, herleefde hij
weer wat, omdat hij me dus wel waarlijk overdonderd had. En sterker
herhaalde hij, hoewel nog schor en moe: "Ja, wat 'n rol, hè?... maar
ik kan je dat netuurlijk niet allegaar zoo haarfijn verder vertelle,
want die beweging het ... twee-en-een-half jaar en drie dage geduurd."
Maar alle overtuiging was uit 'm verzwakt. Dat dandieuse van straks,
zooals ie, van de leuning overeind, fier rechtop zat, enorm hautain,
met de borst gewelfd als in 'n ridderkuras, 't hoofd minzaam nijgend
uit de statiekaros van mijn fauteuil;--en dan die verrukkelijke
kranerie waarmee hij z'n enorme dalvers-pet heel even tusschen duim
en vinger aan de klep rechtstandig van z'n hoofd kon lichten! Dat
was alles immers even fel bezield, hartstochtelijk spel, tot in
den edelen zwier van de sigaar-mèt-bandje naar zijn mond, en 't
fattig lipgespitste rook-uitblazen. Dat was 'n strekken van zijn Don
Quichotte-gestalte, hoog en hooger naar zijn steigerende verbeeldingen
op, die steeds weidscher om zwierden in de aristocratische kringen
van "die alderhoogste wèreld", boven mijn toch ook maar simpele
burgerlijkheid uit.
Doch nu, afgemat als hij was, klonk er vermoeide gelatenheid in zijn
stem, een nederig streven om zijn hooghartigheid jegens mij vooral
weer goed te maken; een verlegenheid met dien vaak bevelenden toon
van zijn extase, en dat hij me zoo laatdunkend de geheimenissen van
"die etiquette onder de grootelui" had toegeduwd ...
Hij was onder 'n hoedje te vangen, terwijl ie nog maar zoowat
voortstamelde en stotterde, telkens blozend bij àl te doorzichtige
leugens, om 't verhaal aan 'n end te brengen--èn langzaam den gepasten
overgang te vinden op 't ontvangen van mijn Kerstgaaf in zijn technisch
uitgestoken bedelaarshand,--altijd min of meer penibele situatie, die
hij zoo goed mogelijk pleegt te redden door zijn familiare lachje,
en 't achteloos gebaar, waarmee hij 't geld dan zoo maar in den
wijden, wijden zak van zijn dalles-dekker laat vallen, zonder 'n
woord van dank.
Hij hortte en stootte dus moeizaam voort, 'n machteloos opfladderen
van zijn vleugellam gevlogen verbeelding, met matte herhalingen, zonder
verband,--als 'n stumperig uit zijn rol gevallen acteur. Maar nòg kon
hij niet vermoeden in zijn hooge waan, dat ik 'm snapte;--'k aanvaardde
immers àl zijn verzinsels sullig weg en naar de letter! Hij vindt
mij een lummel--dat merk ik telkens--omdat ik 'm nooit tegenspreek
en hem altijd heel belangstellend aanzie als 'n uiterst curieus
object. Hij heeft 'n welbewuste minachting voor mijn ongewikstheid,
al vindt ie in 't verschil van maatschappelijke positie--ach arme
stumpers die wij daar allemaal zijn!--tòch wel 'n prikkel om mij z'n
amice te noemen, en 'n gretig behagen om in 't verzorgder milieu
van mijn werkkamer te vertoeven, van de slaapsteê, of, God weet,
van onder de bruggen uit. Daar droogt ie dan weer 's heelemaal op en
wordt warm tot in het gestremde merg van z'n gebeente. Ook waardeert
hij precieuselijk onze geurige koffie en thee, en dan smullen zijn
stiekeme oogen glunder aan de in 't frissche katoen geserreerde figuur
onzer dienstmaagd, wanneer die hem "eigenhandig" zijn dampend kopje of
wel het twaalf-uurtje brengt... Maar bovenal stemt de rust van zoo'n
dag eens niet de onherbergzaam kille wereld in te hoeven zwerven hem
biester kneuterig...
Zal ik 't hem nu aandoen, na zijn bravoerlijk paradeeren onder de
grootheid--twee hoofdstukken lang voor uw verblufte oogen!--om hier
den berooiden generaal van kort vóór zijn val te vertoonen, op slappe
beenen van weelde-genoten, doorgezakt in de knieën, zijn "goud" zwart
beslagen, z'n "eereborst" afgetakeld, z'n pet voor stille speurders
stiekem over de oogen gedrukt en met den in de lorum geraakten staf
sjegrijnig en knijperig sukkelend achter 'm aan?
't Wordt 'n desolate historie,--de generaal is zoo moe. Laat ik
'm liever 'n extraatje geven om eens ferm te schransen en lekker
te gaan slapen in een frisch bed, dan kan ik 'm morgenochtend zijn
oordeel vragen... Misschien dat hij er van nacht 'n minder smadelijk
eind aan beleeft.