HOOFDSTUK XV.

... En terwijl ik er hem dan maar verbaasd op zat aan te kijken,

den ziekelijken fantast, zag ik 'm langzaam aan moe worden en weer

versjofelen,--de hittige glorie dooven uit zijn lampjes en den

klatergouden waan afglijden van z'n kale lompenstatie.

De triomfantelijke leugen, waaraan hij zich opwindt als 'n ander aan

opium, aan drank,--die raakte nu weer uitgewerkt. De valsche schijn

verschemerde voor z'n slap-geworden gezicht. Z'n vooze passie kòn

niet meer;--en wat lag hij daar nu stumperig zwakjes in dien veel te

wijden leunstoel weggezakt bij 't vuur.

Als in schitterende kleurtjes opgeblazen zeepbellen--dacht ik--die tot

niets dan zoo'n troebel sopje verspatten en vergaan.--Als 'n ruiende,

dood-verfomfaaide adelaar die in zijn dierentuinkooi zit te koekeloeren

naar den triesten dag van over de achterbuurthuizen.--Zoo'n afgepafte

zevenklapper, verweekt in de goot!--Tuberculeuse kermisleeuw met

z'n steek nog op, na de glimmerlichte vertooning terug in zijn hok

daar tusschen den rommel van de achtertent, als de morfine nog door

soest.--'t Was 'n stumper,--zoo'n in de broeikas van zijn heete

verbeelding tot overdadigen bloei getrokken plant, die dra weer

verflenst hangt en al zijn bloemen laat vallen.--Weemoedig wrak van

een als bark volbezeilde klomp, op drift geraakt en tegen den anderen

wal aangekwakt.--Zoo'n doodmoe gepiaste hart-zieke clown, nu ie daar

neerleit als 'n vod.

Van de koortsige verbeeldingen bleef enkel de inzinking na;--en

daar zat hij nu, aan den haard weer kleumig schurkend in dien veel

te langen, vaal-geschooiden ulster; z'n borst ingezonken, amechtig en

stram door 't smerige leven, met uit de modderrafels van z'n broekspijp

dien grammelen voet in beide handen gevat en pijnlijk befrutseld.

Z'n oogen zochten moe naar de staag vervlakkende fata-morgana aan zijn

... atheïstenhemel! Want al zijn overmoed, zijn felle durf was in die

lange opgetogenheid weer opgestookt ... De Generaal--berooide bedelaar

nu weer, schunnige armoedzaaier zonder fut,--de overal wat meewarig

om zijn psychose bespotte ... "recidivist!"--och arme. Landlooper in

onbenullige oplichterijtjes, zoo deerniswaardig grotesk van eigen

heldenverbeelding, en als zoo'n half-sjoegen harlekijn met grollig

eerbetoon omsolde "excellentie" onder de gesjochte jongens van 't

gilde en de deerns in de slaapsteê ... En dan telkens maar weer

om de stuntelige vergrijpen van zijn zielszieken waan in de cel

opgesloten... Poovere sire in ongenade,--wat schuwden zijn straks

nog zoo uitdagende oogen nu verlegen naar mij om,--weerloos goedig

als van 'n verzworven hond, dien je in de warmte hebt genomen--:

en of ik hem nou altemet dan tòch zou hebben doorgrond?

"Hoe vin je me rol?"--polste na 'n heele poos zwijgen die weer dor

geworden bedelstem, terwijl er even 'n sluw vonkje opgloorde in zijn

gedoofde lampjes. Hij vroeg 't aarzelend, en al vergoelijkend week,

voor 't geval, dat ik 'm mocht hebben betrapt,--glimlachend alsof 't

toch maar 'n onschuldig grapje was geweest, en da 'k er vooral niet

boos om mocht worden. Maar toen 'k heel ernstig knikte, herleefde hij

weer wat, omdat hij me dus wel waarlijk overdonderd had. En sterker

herhaalde hij, hoewel nog schor en moe: "Ja, wat 'n rol, hè?... maar

ik kan je dat netuurlijk niet allegaar zoo haarfijn verder vertelle,

want die beweging het ... twee-en-een-half jaar en drie dage geduurd."

Maar alle overtuiging was uit 'm verzwakt. Dat dandieuse van straks,

zooals ie, van de leuning overeind, fier rechtop zat, enorm hautain,

met de borst gewelfd als in 'n ridderkuras, 't hoofd minzaam nijgend

uit de statiekaros van mijn fauteuil;--en dan die verrukkelijke

kranerie waarmee hij z'n enorme dalvers-pet heel even tusschen duim

en vinger aan de klep rechtstandig van z'n hoofd kon lichten! Dat

was alles immers even fel bezield, hartstochtelijk spel, tot in

den edelen zwier van de sigaar-mèt-bandje naar zijn mond, en 't

fattig lipgespitste rook-uitblazen. Dat was 'n strekken van zijn Don

Quichotte-gestalte, hoog en hooger naar zijn steigerende verbeeldingen

op, die steeds weidscher om zwierden in de aristocratische kringen

van "die alderhoogste wèreld", boven mijn toch ook maar simpele

burgerlijkheid uit.

Doch nu, afgemat als hij was, klonk er vermoeide gelatenheid in zijn

stem, een nederig streven om zijn hooghartigheid jegens mij vooral

weer goed te maken; een verlegenheid met dien vaak bevelenden toon

van zijn extase, en dat hij me zoo laatdunkend de geheimenissen van

"die etiquette onder de grootelui" had toegeduwd ...

Hij was onder 'n hoedje te vangen, terwijl ie nog maar zoowat

voortstamelde en stotterde, telkens blozend bij àl te doorzichtige

leugens, om 't verhaal aan 'n end te brengen--èn langzaam den gepasten

overgang te vinden op 't ontvangen van mijn Kerstgaaf in zijn technisch

uitgestoken bedelaarshand,--altijd min of meer penibele situatie, die

hij zoo goed mogelijk pleegt te redden door zijn familiare lachje,

en 't achteloos gebaar, waarmee hij 't geld dan zoo maar in den

wijden, wijden zak van zijn dalles-dekker laat vallen, zonder 'n

woord van dank.

Hij hortte en stootte dus moeizaam voort, 'n machteloos opfladderen

van zijn vleugellam gevlogen verbeelding, met matte herhalingen, zonder

verband,--als 'n stumperig uit zijn rol gevallen acteur. Maar nòg kon

hij niet vermoeden in zijn hooge waan, dat ik 'm snapte;--'k aanvaardde

immers àl zijn verzinsels sullig weg en naar de letter! Hij vindt

mij een lummel--dat merk ik telkens--omdat ik 'm nooit tegenspreek

en hem altijd heel belangstellend aanzie als 'n uiterst curieus

object. Hij heeft 'n welbewuste minachting voor mijn ongewikstheid,

al vindt ie in 't verschil van maatschappelijke positie--ach arme

stumpers die wij daar allemaal zijn!--tòch wel 'n prikkel om mij z'n

amice te noemen, en 'n gretig behagen om in 't verzorgder milieu

van mijn werkkamer te vertoeven, van de slaapsteê, of, God weet,

van onder de bruggen uit. Daar droogt ie dan weer 's heelemaal op en

wordt warm tot in het gestremde merg van z'n gebeente. Ook waardeert

hij precieuselijk onze geurige koffie en thee, en dan smullen zijn

stiekeme oogen glunder aan de in 't frissche katoen geserreerde figuur

onzer dienstmaagd, wanneer die hem "eigenhandig" zijn dampend kopje of

wel het twaalf-uurtje brengt... Maar bovenal stemt de rust van zoo'n

dag eens niet de onherbergzaam kille wereld in te hoeven zwerven hem

biester kneuterig...

Zal ik 't hem nu aandoen, na zijn bravoerlijk paradeeren onder de

grootheid--twee hoofdstukken lang voor uw verblufte oogen!--om hier

den berooiden generaal van kort vóór zijn val te vertoonen, op slappe

beenen van weelde-genoten, doorgezakt in de knieën, zijn "goud" zwart

beslagen, z'n "eereborst" afgetakeld, z'n pet voor stille speurders

stiekem over de oogen gedrukt en met den in de lorum geraakten staf

sjegrijnig en knijperig sukkelend achter 'm aan?

't Wordt 'n desolate historie,--de generaal is zoo moe. Laat ik

'm liever 'n extraatje geven om eens ferm te schransen en lekker

te gaan slapen in een frisch bed, dan kan ik 'm morgenochtend zijn

oordeel vragen... Misschien dat hij er van nacht 'n minder smadelijk

eind aan beleeft.

De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal" · 第 17 / 22 题