"Om vijf menute voor twaalve op de klok van de kerk wiere we daar
toe weer in 't huis van bewaring dichtgegrendeld,"--verzuchtte de
vagebond.--"En die eerste zeve, acht dage heb 'k geen brok geëte, geen
spoog water door me opgekropte keel kanne spoele, daar in dat akelige
celletje weer ... Ja, na altijd zukke groote gastmale: je kucchie
roggebrood, en alles mondjesmaat,--as je van zooveel oplichtinge
geleefd heb en gemorke dat er geen bokking zoo mager is, of je braait
er nog vet uit! Van die mest alleen wiere die varkes ommers vaam-dik!
"En ze hadde mijn vanzelfs medeen die duzende guldes afgenome, zoodat
er zelfs geen sprake was van nog 's 'n witte boteram, laat staan 'n
stukkie Edammer, uit de kantien. 'k Vroeg dus derec, om wat te magge
verdiene, of 'k touw moch' gaan pluize,--da's van dat teertouw; maak
je 'n zeven-en-halve cent in de week mee, maar dan mot je nog vlùg
zijn,--met je wit-geworde generaalshande,... vrekskuus, eksjellentie!
"Maar dagelijks ha'k 't vertier van uit dat sardine-blikkie te worde
gepulkt, om met me staf voor de extructie te komme. De achste dag hadde
me zoo same van haver tot gort alles bekend, en vroeg 'k of me nou dan
ook gemeenschappelijk mogge gaan zitte. En zoo ware ze óók niet, of dat
mog. En toe krege me beter werk, benne me koffieboone gaan zifte. En
dat deelde me same. 'n Vijftien cente per dag,--konne me direc 'n
hompie witte en kaas late komme ... Nou, netuurlijk, je weet van te
vore: as je gesnord ben, is 't met je vrijigheid en dat hartelijke
bikke gedaan,--dus zoo beschouwd hadde we 't nog niet eens zoo beroerd.
"Want dat vertier hieuw maar an: negen-en-tachetig dage duurde die
extructie, van tiene tot viere, in 't bijzijn van alle getuige, die
we hadde opgelicht: honderd twee en tachetig á sjars en dissjars--och
màn, zoo'n fijn stel, van die hoogste aristokraassie, en met wat 'n
belabberd verbouwereerde facies keke die grave en baronne, die gouwe
torre en edelvrouwe van vroeger ons toch allegaar an.--Uitgezonderd
die dage van andere extructies, want dan duurde die kemedie van ons
maar van tiene tot twaalf.--Of 'k er lol in had?--chriseneziele mot
ge vráge--en nòg, in me bed, a'k er om leg te denke.
"Toe kwam die terechtzitting. 'k Had droppels van de dokter, en nog
'n flesschie mee in me zak voor die zaal, omda 'k zoo beefde en niet
van me tremetane zou gaan. Maar er ware nog twee zake vóór ons an de
beurt, 'n inbraak met diefstal, en 'n schennis van die eerbaarheid op
de publieke weg, waar 'k veel afleiding bij had, en veel van geleerd
heb, omdat 'k uit die getuigekamer, die ope sting, van allegaar kon
hoore wat of dat was.
"A' wij daarop die zaal wiere binnegebracht, zei dat opebare
minnesterie: "nou zulle me beginne met die zaak van Racier". Waarop
die gedetineerde mot recht staan, en de president vraagt: "Hoe is
uws naam?--Waar ben je gebore?--wat je beroep?" en "nou mot u maar
andachtig luistere na wat dat opebare minnesterie uwe ten laste
zal legge".--Dan zeg ie: "Dank u, edelachtbare heere president èn
rechters", en mag je gaan zitte, as hij dat heele prottekol van
je voorleest.
"Nou, d'r stinge daar wel 'n paar honderd man op die peblieke tribune
toe te schouwe na mijn--'t was effe geen dramma!--en dan ha' je 'r
twee-en-veertig bezette plaasse, maar daar mot je voor betale, want die
dáár gaan zitte, zijn van de alderhoogste adel, die graag van misdade
houwe en brandend nieuwsgierig om mijn as beruchte generaal met d'r
lijfelijke ooge te anschouwe. De fijnste mokkels met gekapte hoofde
ware er bij--krek de kemedie, en ik de gróóte rol zooas Bouwmeester
ze speelt, onze Lewie!
"Is dat zoo?"--zeit die president dan weer, as dat openbare minnesterie
je slag bloot het geleid voor die zaal. Nou, ik had me heele dramma
op eigehandig schrift vóór mijn legge, net as die a'vecaat-prokkereur
z'n pleidooi. En die kiste van mijn, met me goed, ware óók vier of
vijf dage na me arrestaassie uit Antwerpe na dat parket gesjouwd, en
vergezeld van 'n rechter in mijn bijzijn uitgepakt door tusschekomst
van dat openbare minnesterie, mèt die vent, die aldoor met die kwaste
rondloopt. En toe stootte die eene rechter ze maat naast 'm an,
en die zei, of die uniforme en polletieke allegaar van mijn ware,
waarop ik ze stuk voor stuk nauwkeurig bekeek en alles mijn eigedom
erkende. De pruike mèt baard ware nieuw angeschaft voor de fenancië
van dat rijk, en lagge voor de president op tafel.
"Maar of 'k nog wat had an te merke?--"Nee, edelachtbare heere
president èn rechters, wat die te laste legging anbetreft". Waarop die
ofcier heel die scène afleesde van zeker anderhalf uur lang, en zei:
"me hebbe hier te doen met 'n barre recidivist, die de koning van de
oplichters is?"--Ja man, dat zei die van mijn!!
"Toe de markies: "Hoe is uws naam?"--"Markies de Touard."--"Wil uwe
dan maar andachtig luistere?", en zoo, net as strakkies,--"en hoe of
u an Racier gekomme bent?"--"Zoo a'k an die rechter van instructie
voorgegeve heb."--"Kò' j'm van vroeger?"--"Nee, edelachtbare",--en
dat verdere smoesie--"want ik had net twaalf jaar in dat groote huis
van Leeuwarde achter me rug. 'k Was gesjochte, en Racier had cente
uit die erfenis van zijn beminde mama... Nou, en toe zei die an mijn:
an azijn kan ommers niks meer zuur worde..."
"Zoo verliep 't met me tweede educan navenant.
"Waarop die eerste getuige, jhr. v. d. L. d. C., die luitenant-kolonel
van de infanterie, waaran ik ommers in Middelburg met me staf me eerste
eerediner met die edelvrouw van hem en z'n beeldschoone dochters en
zoo had vereerd,--langs z'n neus weg miek, of de generaal alstemet
in die antichambre niet z'n pakkie moch antrekke? En dat moch', door
mijn erg onverschillig, met me pruik en me baard door die kapper van
't gerecht na de laaste mode stiel Louis treize opgemaakt... En mèt
da'k werom kom, gaat die deur ope, en daar komt mijn model in levende
lijve binne, die echte generaal v. T. v. S., en staat angetreje vlak
naast mijn, en 't was sprekend, met noch in houding, noch in gezicht,
'n spier verschil, of 'k me eige in de spiegel bekeek... Je hóórde ze
rille op die peblieke tribune, en op de betaalde plaasse verschole
die edelvrouwe d'r wit bestorve gezichte van schrik achter ... d'r
éventails... dat ben waaiers, stiel ... Louis ... quatorze.
"Waarop die president vroeg an de generaal of tie mij
kon.--"Edelachtbare heere president èn rechters"--zeit die--"'k heb de
vent nooit gezien, maar 'k neem tóch me petje voor zijn af, daar z'n
oplichting beliep twee-en half jaar en drie dage en hij eerste klas
op de hoogte is van de milletaire dienst, zooda'k uw edelachtbaarheid
vrindelijk verzoek an hem te vrage waar hij dat geleerd het, en in
welke schole dat allegaar na die alderhoogste etikette genote?"
"Waarop ik 't milletaire saluut voor mijn spiegelbeeld miek en zei,
dat opvoeding niet in de lappe zit, maar wel in 't hoofd. Want dat ik
daar net zoo goed sting as generaal as zijn eksjellentie, uitgezonderd
enkel me dege, die voor de president op tafel lei.
"Herkent u hem ook?"--vroeg de president toe' an Jhr. v. d. L. de
C., die uit 't diepst van z'n ontsteld gemoed antwoordde: "Ja, 't is
twee druppels water van die voorgegeve generaal", en 't heele relaas
vertelde, en asdat, met 'n schildwacht voor die poort, 'n elk mensch
d'r in kon loope.
"Dat zeië ook die hotelhouwers. Maar de eene ze vrouw getuigde:
"edelachtbare heere president èn rechters, nou ze allebei vóór me
stane, kan 'k ze niet uit mekandere houwe, zooda 'k niet en meer durf
getuige wie de eigelijke oplichter is, hij of hij ..."
"Zoo kwamme d'r honderd twee-en-tachetig getuige, die 't allegaar
volhieuwe ... ja, en a'k weer in zoo'n piekfijne luierstoel bij jou
haard zit, wor 'k nòg gek, want 'k had er toch ook van geleefd as
zemajesteit Willem drie!
"Vijf weke en drie dage achter mekaar duurde die zaak, da'k aldoor die
hééle rechtbank voor mijn alleenig gehad heb--enne ... nog twee dage.
"'s Middags ging 't kappitaal van de bezette plaasse de fijnste
dejeuners-dinatoir gebruiken ... à la fourchette, en zat ik met me
puissie roggebrood en me tas chocola-uit-de-lange-arm. Zij hadde d'r
ànder hàlf uur an één stuk voor noodig!
"Maar 'k mork wel op, dat de rechters links en rechs van de president
en de ofcier d'r lache amper in konne houwe om mijn rol. En 'k dacht:
Racier, ouwe gladjanes, dat ziet er goed voor jouw uit.--Maar na dat
getuigeverhoor kreeg de Markies de Touard twee maal een toeval, en
wier ie door 'n officier van gezondheid weer bijgebrocht.--Van wie dat
betaald is, weet ik tot hede nog niet. Maar wat die bediening angaat,
was dat alles ... prima.
"Tot die president in eene zeit tege mijn: "Nou is dat woord an die
verdediger; of Racier, doen je 't altemet zelfs?"--"Edelachtbare heere
president èn rechters"--sting ik toe plechtig op--"as oud-recidivist
en dus speciaal best met die maze van de wet bekend, heb 'k an die
officier om die eer gevraagd die verdediging van m'n eige voor te
magge drage." Waarop ik die verzachtende omstandighede anvoerde, van
mijn standpunt as atheïst zijnde, en gevalle man ... och lieve God
nog an toe, ajje dat 's gehoord had, zooas ze daaronder, allegaar,
allegáár met tranende oogen mijn ankeke, in die hoogste vereering
van menschelijk hartzeer om zoo'n diepe val, na zóó hooge zitting,
en de gróóste eerbewijzing ...:
"Mijn edelachtbare heere-en-meesters ... in die alderhoogste
rechte,--het gemoed, dèn spiegel der menschheid, waarin men gansch
zijn leve ken terugzien, belast mijn met zwarighedes.--Mijn leve, dat
nies is as éénen aaneenschakeling van ellende, arremoei, verdriet en
misdade, gepaard met nog vele andere misdrijvinge en omstandighedes,
doet mijn bij zekere klas van persone 'n anzien verschafte as uitschot
der maatschappij,--nieteling in dèn samenleving.
"Nochtans, edelachtbare heere president èn rechters, gij, dat levend
massa, gij die bezield ben met een edel gevoel en zacht karakter,
begaafd met eenen uitstekende geleerdheid, gedenk een man, die an
het visionisme lijdt.
"Menigmaal heb ik opgemorke, dat na 't verhaal van een klein gedeelte
mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovigen mensche een afkeer
voor mijn koesterde, as zijnde atheïst, mensche, dien ik anzien as
ontaarde wezens wiens koerakter na het dierlijke overhelt.
"Edelachtbare heere president èn rechters, vergeef het een man
as ik, rondzwervende rampzalige die ook alle uitvluchsels en
omstandighedes der samenleving ken, volges mij zou uw sympethie, die
uwe edelachtbaarhede mijn toekoesterde, min of meer uitgedoofd kanne
zijn, en kan mijn inbeelde wat of daar anleiding toe geeft. Maar, gij,
edelachtbaarhede, die mijn rol ken, vergeef mij de goedheid van mij
af te smeke op mijn bloote knieje, steunende op uw edelmoedigheid,
achtbare heere president èn rechters,--om mij niet verlate te late
staan in mijn noodwendighede, en in te beelde dat ik nederig en
goedhartig ben angaande mijn persoon, en ik de grooste voorliefde voor
u koester, dat uw medelijdig oog zal nederzien op het rampzalige leve
van mijn, as verlore zoon eener liefhebbende mama van edelen 'uize,
die nooit 'n levesbaan mocht' bewandele van geluk en voorspoed,
vertrapt weze a'k daar voor u staan, verstoote van iedereen ..."
"Me eige bepleite?... nou! 'k Zien kans om de ergste crimmenaliste
te vermurwe,"--snakte hij uit--"en dat heit van kwart over twaalve
tot elf menute voor viere an één stuk geduurd, da' je 'n speld in die
rechtzaal kon late valle!... Dàt heet ik ... páárde-lef hebbe! En ze
honge vàstgezoge an mijn bloedbleeke lippe ...
"Waarna die officier in woejende vaart overend sting, en z'n stoel
'n paar keer achteruit schoof,--"nou", zeit die veldwachter achter
mijn nog, "as tie an z'n stoel schopt is tie kwaad, en dan krijg je
't onderste uit de kan"--en jewel hoor, daar begon ie te requireere
voor alle feite, en besomde blauwweg voor die opebare tribune en dat
betaalde publiek precies op ze duimpie hoeveel 'k as recidivist al
an levesjare had verzete.--"Da's óók 'n schande!"--riep er nog 'n
gesjochte jonge van de tribune.--"Ze magge de ziekte krijge!"--zei
d'r een--"en als 't op is, ka' je nog meer krijge." Want z'n eisch
was: twintig jare tuchthuisstraf voor mijn; twáálf jaar voor de
markies, óók as recidivist zijnde, en dezelfde portie voor me tweede
vleugel-adjudant, die ommers onder de ouwe wet óók al 's zes pond en
acht ons op had geknapt.--Maar die gesluierde dame heb ik voor dat
gerecht niet gezien. Hoogstwaarschijnlijk is zij dus, as mijn ouwe
geliefde, betááld voor haar verraad ... Gedurende me daarop gevolgde
ontslag heb ik 't heele land door-en-door gereze, èn België--met
welk doel ik haar naspoorde neem 'k mee in me graf--maar nerges heb
ik dat wijf meer ontmoet.
"Veertien dage hierna viel de uitspraak. Toe was die tribune zóó vol,
en de grootheid zat temet op dat trappetje van die rechtbank. Maar
ik verkeerde in zenuwachtige houding, en 'k had niks gegete;--enkel
die druppeltjes van de dokter hieuwe mijn stijf, zóó zag ik tege die
straftijd op. Tot dat lot viel as 'n molesteen op onz' nekke: allegaar
twaalf jaar tuchthuis, en we onder geleide van drie veldwachters, an
mekaar geboeid--omdat ze toetertijd in Middelburg nog geen cellewages
hadde--over de straat na die Teerpakhuize werom gebracht wiere.--Maar
onder de grooste kalmte, want wij ware geen moordenaars. En spreker
het best opgemorke, dat ze voor zijn de hoogste achting koesterde--van
de veldwachters af tot de president, van de gesjochte jonges op die
publieke tribune tot an de adeldom van die gehuurde banke: en twee
en twintig pakkies tabak hadde ze voor mijn op de plee geleid en zoo
maar in me zakke gestoke--wat de briggadier luikoogend toeliet ...
"Is dat effe jutte?"