HOOFDSTUK XVII.

"Om vijf menute voor twaalve op de klok van de kerk wiere we daar

toe weer in 't huis van bewaring dichtgegrendeld,"--verzuchtte de

vagebond.--"En die eerste zeve, acht dage heb 'k geen brok geëte, geen

spoog water door me opgekropte keel kanne spoele, daar in dat akelige

celletje weer ... Ja, na altijd zukke groote gastmale: je kucchie

roggebrood, en alles mondjesmaat,--as je van zooveel oplichtinge

geleefd heb en gemorke dat er geen bokking zoo mager is, of je braait

er nog vet uit! Van die mest alleen wiere die varkes ommers vaam-dik!

"En ze hadde mijn vanzelfs medeen die duzende guldes afgenome, zoodat

er zelfs geen sprake was van nog 's 'n witte boteram, laat staan 'n

stukkie Edammer, uit de kantien. 'k Vroeg dus derec, om wat te magge

verdiene, of 'k touw moch' gaan pluize,--da's van dat teertouw; maak

je 'n zeven-en-halve cent in de week mee, maar dan mot je nog vlùg

zijn,--met je wit-geworde generaalshande,... vrekskuus, eksjellentie!

"Maar dagelijks ha'k 't vertier van uit dat sardine-blikkie te worde

gepulkt, om met me staf voor de extructie te komme. De achste dag hadde

me zoo same van haver tot gort alles bekend, en vroeg 'k of me nou dan

ook gemeenschappelijk mogge gaan zitte. En zoo ware ze óók niet, of dat

mog. En toe krege me beter werk, benne me koffieboone gaan zifte. En

dat deelde me same. 'n Vijftien cente per dag,--konne me direc 'n

hompie witte en kaas late komme ... Nou, netuurlijk, je weet van te

vore: as je gesnord ben, is 't met je vrijigheid en dat hartelijke

bikke gedaan,--dus zoo beschouwd hadde we 't nog niet eens zoo beroerd.

"Want dat vertier hieuw maar an: negen-en-tachetig dage duurde die

extructie, van tiene tot viere, in 't bijzijn van alle getuige, die

we hadde opgelicht: honderd twee en tachetig á sjars en dissjars--och

màn, zoo'n fijn stel, van die hoogste aristokraassie, en met wat 'n

belabberd verbouwereerde facies keke die grave en baronne, die gouwe

torre en edelvrouwe van vroeger ons toch allegaar an.--Uitgezonderd

die dage van andere extructies, want dan duurde die kemedie van ons

maar van tiene tot twaalf.--Of 'k er lol in had?--chriseneziele mot

ge vráge--en nòg, in me bed, a'k er om leg te denke.

"Toe kwam die terechtzitting. 'k Had droppels van de dokter, en nog

'n flesschie mee in me zak voor die zaal, omda 'k zoo beefde en niet

van me tremetane zou gaan. Maar er ware nog twee zake vóór ons an de

beurt, 'n inbraak met diefstal, en 'n schennis van die eerbaarheid op

de publieke weg, waar 'k veel afleiding bij had, en veel van geleerd

heb, omdat 'k uit die getuigekamer, die ope sting, van allegaar kon

hoore wat of dat was.

"A' wij daarop die zaal wiere binnegebracht, zei dat opebare

minnesterie: "nou zulle me beginne met die zaak van Racier". Waarop

die gedetineerde mot recht staan, en de president vraagt: "Hoe is

uws naam?--Waar ben je gebore?--wat je beroep?" en "nou mot u maar

andachtig luistere na wat dat opebare minnesterie uwe ten laste

zal legge".--Dan zeg ie: "Dank u, edelachtbare heere president èn

rechters", en mag je gaan zitte, as hij dat heele prottekol van

je voorleest.

"Nou, d'r stinge daar wel 'n paar honderd man op die peblieke tribune

toe te schouwe na mijn--'t was effe geen dramma!--en dan ha' je 'r

twee-en-veertig bezette plaasse, maar daar mot je voor betale, want die

dáár gaan zitte, zijn van de alderhoogste adel, die graag van misdade

houwe en brandend nieuwsgierig om mijn as beruchte generaal met d'r

lijfelijke ooge te anschouwe. De fijnste mokkels met gekapte hoofde

ware er bij--krek de kemedie, en ik de gróóte rol zooas Bouwmeester

ze speelt, onze Lewie!

"Is dat zoo?"--zeit die president dan weer, as dat openbare minnesterie

je slag bloot het geleid voor die zaal. Nou, ik had me heele dramma

op eigehandig schrift vóór mijn legge, net as die a'vecaat-prokkereur

z'n pleidooi. En die kiste van mijn, met me goed, ware óók vier of

vijf dage na me arrestaassie uit Antwerpe na dat parket gesjouwd, en

vergezeld van 'n rechter in mijn bijzijn uitgepakt door tusschekomst

van dat openbare minnesterie, mèt die vent, die aldoor met die kwaste

rondloopt. En toe stootte die eene rechter ze maat naast 'm an,

en die zei, of die uniforme en polletieke allegaar van mijn ware,

waarop ik ze stuk voor stuk nauwkeurig bekeek en alles mijn eigedom

erkende. De pruike mèt baard ware nieuw angeschaft voor de fenancië

van dat rijk, en lagge voor de president op tafel.

"Maar of 'k nog wat had an te merke?--"Nee, edelachtbare heere

president èn rechters, wat die te laste legging anbetreft". Waarop die

ofcier heel die scène afleesde van zeker anderhalf uur lang, en zei:

"me hebbe hier te doen met 'n barre recidivist, die de koning van de

oplichters is?"--Ja man, dat zei die van mijn!!

"Toe de markies: "Hoe is uws naam?"--"Markies de Touard."--"Wil uwe

dan maar andachtig luistere?", en zoo, net as strakkies,--"en hoe of

u an Racier gekomme bent?"--"Zoo a'k an die rechter van instructie

voorgegeve heb."--"Kò' j'm van vroeger?"--"Nee, edelachtbare",--en

dat verdere smoesie--"want ik had net twaalf jaar in dat groote huis

van Leeuwarde achter me rug. 'k Was gesjochte, en Racier had cente

uit die erfenis van zijn beminde mama... Nou, en toe zei die an mijn:

an azijn kan ommers niks meer zuur worde..."

"Zoo verliep 't met me tweede educan navenant.

"Waarop die eerste getuige, jhr. v. d. L. d. C., die luitenant-kolonel

van de infanterie, waaran ik ommers in Middelburg met me staf me eerste

eerediner met die edelvrouw van hem en z'n beeldschoone dochters en

zoo had vereerd,--langs z'n neus weg miek, of de generaal alstemet

in die antichambre niet z'n pakkie moch antrekke? En dat moch', door

mijn erg onverschillig, met me pruik en me baard door die kapper van

't gerecht na de laaste mode stiel Louis treize opgemaakt... En mèt

da'k werom kom, gaat die deur ope, en daar komt mijn model in levende

lijve binne, die echte generaal v. T. v. S., en staat angetreje vlak

naast mijn, en 't was sprekend, met noch in houding, noch in gezicht,

'n spier verschil, of 'k me eige in de spiegel bekeek... Je hóórde ze

rille op die peblieke tribune, en op de betaalde plaasse verschole

die edelvrouwe d'r wit bestorve gezichte van schrik achter ... d'r

éventails... dat ben waaiers, stiel ... Louis ... quatorze.

"Waarop die president vroeg an de generaal of tie mij

kon.--"Edelachtbare heere president èn rechters"--zeit die--"'k heb de

vent nooit gezien, maar 'k neem tóch me petje voor zijn af, daar z'n

oplichting beliep twee-en half jaar en drie dage en hij eerste klas

op de hoogte is van de milletaire dienst, zooda'k uw edelachtbaarheid

vrindelijk verzoek an hem te vrage waar hij dat geleerd het, en in

welke schole dat allegaar na die alderhoogste etikette genote?"

"Waarop ik 't milletaire saluut voor mijn spiegelbeeld miek en zei,

dat opvoeding niet in de lappe zit, maar wel in 't hoofd. Want dat ik

daar net zoo goed sting as generaal as zijn eksjellentie, uitgezonderd

enkel me dege, die voor de president op tafel lei.

"Herkent u hem ook?"--vroeg de president toe' an Jhr. v. d. L. de

C., die uit 't diepst van z'n ontsteld gemoed antwoordde: "Ja, 't is

twee druppels water van die voorgegeve generaal", en 't heele relaas

vertelde, en asdat, met 'n schildwacht voor die poort, 'n elk mensch

d'r in kon loope.

"Dat zeië ook die hotelhouwers. Maar de eene ze vrouw getuigde:

"edelachtbare heere president èn rechters, nou ze allebei vóór me

stane, kan 'k ze niet uit mekandere houwe, zooda 'k niet en meer durf

getuige wie de eigelijke oplichter is, hij of hij ..."

"Zoo kwamme d'r honderd twee-en-tachetig getuige, die 't allegaar

volhieuwe ... ja, en a'k weer in zoo'n piekfijne luierstoel bij jou

haard zit, wor 'k nòg gek, want 'k had er toch ook van geleefd as

zemajesteit Willem drie!

"Vijf weke en drie dage achter mekaar duurde die zaak, da'k aldoor die

hééle rechtbank voor mijn alleenig gehad heb--enne ... nog twee dage.

"'s Middags ging 't kappitaal van de bezette plaasse de fijnste

dejeuners-dinatoir gebruiken ... à la fourchette, en zat ik met me

puissie roggebrood en me tas chocola-uit-de-lange-arm. Zij hadde d'r

ànder hàlf uur an één stuk voor noodig!

"Maar 'k mork wel op, dat de rechters links en rechs van de president

en de ofcier d'r lache amper in konne houwe om mijn rol. En 'k dacht:

Racier, ouwe gladjanes, dat ziet er goed voor jouw uit.--Maar na dat

getuigeverhoor kreeg de Markies de Touard twee maal een toeval, en

wier ie door 'n officier van gezondheid weer bijgebrocht.--Van wie dat

betaald is, weet ik tot hede nog niet. Maar wat die bediening angaat,

was dat alles ... prima.

"Tot die president in eene zeit tege mijn: "Nou is dat woord an die

verdediger; of Racier, doen je 't altemet zelfs?"--"Edelachtbare heere

president èn rechters"--sting ik toe plechtig op--"as oud-recidivist

en dus speciaal best met die maze van de wet bekend, heb 'k an die

officier om die eer gevraagd die verdediging van m'n eige voor te

magge drage." Waarop ik die verzachtende omstandighede anvoerde, van

mijn standpunt as atheïst zijnde, en gevalle man ... och lieve God

nog an toe, ajje dat 's gehoord had, zooas ze daaronder, allegaar,

allegáár met tranende oogen mijn ankeke, in die hoogste vereering

van menschelijk hartzeer om zoo'n diepe val, na zóó hooge zitting,

en de gróóste eerbewijzing ...:

"Mijn edelachtbare heere-en-meesters ... in die alderhoogste

rechte,--het gemoed, dèn spiegel der menschheid, waarin men gansch

zijn leve ken terugzien, belast mijn met zwarighedes.--Mijn leve, dat

nies is as éénen aaneenschakeling van ellende, arremoei, verdriet en

misdade, gepaard met nog vele andere misdrijvinge en omstandighedes,

doet mijn bij zekere klas van persone 'n anzien verschafte as uitschot

der maatschappij,--nieteling in dèn samenleving.

"Nochtans, edelachtbare heere president èn rechters, gij, dat levend

massa, gij die bezield ben met een edel gevoel en zacht karakter,

begaafd met eenen uitstekende geleerdheid, gedenk een man, die an

het visionisme lijdt.

"Menigmaal heb ik opgemorke, dat na 't verhaal van een klein gedeelte

mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovigen mensche een afkeer

voor mijn koesterde, as zijnde atheïst, mensche, dien ik anzien as

ontaarde wezens wiens koerakter na het dierlijke overhelt.

"Edelachtbare heere president èn rechters, vergeef het een man

as ik, rondzwervende rampzalige die ook alle uitvluchsels en

omstandighedes der samenleving ken, volges mij zou uw sympethie, die

uwe edelachtbaarhede mijn toekoesterde, min of meer uitgedoofd kanne

zijn, en kan mijn inbeelde wat of daar anleiding toe geeft. Maar, gij,

edelachtbaarhede, die mijn rol ken, vergeef mij de goedheid van mij

af te smeke op mijn bloote knieje, steunende op uw edelmoedigheid,

achtbare heere president èn rechters,--om mij niet verlate te late

staan in mijn noodwendighede, en in te beelde dat ik nederig en

goedhartig ben angaande mijn persoon, en ik de grooste voorliefde voor

u koester, dat uw medelijdig oog zal nederzien op het rampzalige leve

van mijn, as verlore zoon eener liefhebbende mama van edelen 'uize,

die nooit 'n levesbaan mocht' bewandele van geluk en voorspoed,

vertrapt weze a'k daar voor u staan, verstoote van iedereen ..."

"Me eige bepleite?... nou! 'k Zien kans om de ergste crimmenaliste

te vermurwe,"--snakte hij uit--"en dat heit van kwart over twaalve

tot elf menute voor viere an één stuk geduurd, da' je 'n speld in die

rechtzaal kon late valle!... Dàt heet ik ... páárde-lef hebbe! En ze

honge vàstgezoge an mijn bloedbleeke lippe ...

"Waarna die officier in woejende vaart overend sting, en z'n stoel

'n paar keer achteruit schoof,--"nou", zeit die veldwachter achter

mijn nog, "as tie an z'n stoel schopt is tie kwaad, en dan krijg je

't onderste uit de kan"--en jewel hoor, daar begon ie te requireere

voor alle feite, en besomde blauwweg voor die opebare tribune en dat

betaalde publiek precies op ze duimpie hoeveel 'k as recidivist al

an levesjare had verzete.--"Da's óók 'n schande!"--riep er nog 'n

gesjochte jonge van de tribune.--"Ze magge de ziekte krijge!"--zei

d'r een--"en als 't op is, ka' je nog meer krijge." Want z'n eisch

was: twintig jare tuchthuisstraf voor mijn; twáálf jaar voor de

markies, óók as recidivist zijnde, en dezelfde portie voor me tweede

vleugel-adjudant, die ommers onder de ouwe wet óók al 's zes pond en

acht ons op had geknapt.--Maar die gesluierde dame heb ik voor dat

gerecht niet gezien. Hoogstwaarschijnlijk is zij dus, as mijn ouwe

geliefde, betááld voor haar verraad ... Gedurende me daarop gevolgde

ontslag heb ik 't heele land door-en-door gereze, èn België--met

welk doel ik haar naspoorde neem 'k mee in me graf--maar nerges heb

ik dat wijf meer ontmoet.

"Veertien dage hierna viel de uitspraak. Toe was die tribune zóó vol,

en de grootheid zat temet op dat trappetje van die rechtbank. Maar

ik verkeerde in zenuwachtige houding, en 'k had niks gegete;--enkel

die druppeltjes van de dokter hieuwe mijn stijf, zóó zag ik tege die

straftijd op. Tot dat lot viel as 'n molesteen op onz' nekke: allegaar

twaalf jaar tuchthuis, en we onder geleide van drie veldwachters, an

mekaar geboeid--omdat ze toetertijd in Middelburg nog geen cellewages

hadde--over de straat na die Teerpakhuize werom gebracht wiere.--Maar

onder de grooste kalmte, want wij ware geen moordenaars. En spreker

het best opgemorke, dat ze voor zijn de hoogste achting koesterde--van

de veldwachters af tot de president, van de gesjochte jonges op die

publieke tribune tot an de adeldom van die gehuurde banke: en twee

en twintig pakkies tabak hadde ze voor mijn op de plee geleid en zoo

maar in me zakke gestoke--wat de briggadier luikoogend toeliet ...

"Is dat effe jutte?"

De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal" · 第 19 / 22 题