HOOFDSTUK IV.

Alsof hij 't las uit een verrajers-roman in afleveringen, vertelde

Racier dag aan dag voort van wat zijn groteske verbeelding over

z'n armzalige zwerversbestaan fantaseerde. En de schilder liet hem

ongestoord begaan, om dien raren waan te zien blozen in z'n fanatieken

kop, z'n oogen vonkelend van extase. Want zoodra hij 'm, voor een

detail, vroeg om 's even z'n mond te houden, verslapte dat gezicht zoo

moe, en staarde de stumperd zoo wezenloos suf voor zich heen, dat alle

leven eruit scheen. Hij was een geboren comediant, zag de wereld als

een schouwtooneel voor draken. Zijn bestaan was een eindelooze reeks

van burleske creaties, melodramatische rollen, bonte vertooningen

van voorname personages, zooals hij zich die in zijn bekrompenheid

voorstelde. En, fantast als hij was, geloofde hij oprecht wat hij

speelde; zag hij het leven om zich heen door denzelfden waan. Tot ie

dan telkens weer opgepakt werd, en in de gevangenis voortwarde aan de

bitterste medidaties over miskenning en onrecht, hem aangedaan door

de kleinzielige, baatzuchtige wereld. Stormen van felle opstandigheid

wisselden met stilten van filosofisch-geláten martelaarschap. En

langzaam aan vormde zich dan in z'n ziekelijk overspannen brein weer

een ander ridderlijk plan, om uit te dolen, zoodra hij ontslagen

zou zijn. Dan fleurde de poovere sire weer heelemaal op in zijn cel,

kwam z'n versukkelde lichaam fier overeind, en de oraties, die hij

hield tegen gevangenbewaarders en andere bezoekers, verliepen in de

bizarste aberraties, op een niet te stelpen woordenstroom.

Straks ging het scherm weer op en zou hij in de comédie humaine

z'n sterreloop voortzetten ... Want hij was immers de verhevendste

kunstenaar, de universeelste geleerde, de messias van het atheïsme, de

edelste mensch naar karakter en afkomst. Nu zou hij daden verrichten,

die over heel de wereld den naam van Racier beroemd zouden maken;

en lukte 't niet in het goede ... dan maar in het kwaad! Duizelig van

exaltatie waggelde hij de gevangenispoort uit, zag hij zich op straat

verdachtelijk nagekeken om z'n verschooierde plunje, dat de haat tegen

"'t rijke tuig" 'm razend maakte.

Maar z'n afgetobde kop, en z'n ziekelijke lijf waren te zwak om

feiten te plegen. De wraak bleef bij woorden, woorden van afkeer,

van minachting, èn zelf-adoratie. En om z'n ellendige sjofele

slaapstee-bestaan te zien in een gulden schijn, om zelf weer durf te

krijgen, z'n machteloosheid aan te vuren tot een roes van grootheid,

zette hij 't telkens die eerste dagen en nachten op een drinken.

"'k Was als 'n leeuw--de koning der dieren--die van de ketting

afkwam. Met één slag van me klauw ha'k al dat kleine gebroed nou kapot

wille slaan; me dàn weer wille vertoone in al me majesteit. Maar ze

hadde me lam gesuft in die kooi. En dat maakte me zóó zenewachtig,

da'k met me eige geen raad wist ... 'k Had aan Hare Majesteit de

geëerbiedigde Koningin wille schrijve ... enne ... an Napoléon, om die

nobele held bij te staan met raad ende daad. Maar 'k was niet in staat

'n pen in me vingers te houwe, zoo af en moei en ellendig as 'k was. 'k

Wou alles, 't grooste, 't beste, zoo nobel as 't niet bestaat ... maar

'k kon niks, niks en 'k had niet de noodige kappitale. Daardoor ben

'k toen an de alkohol verslaafd, heb ik jenever gezope, dat de luize

op me kop begonne te danse ... Om 't goeie, 't groosche tot stand te

brenge door die alkeholische krachte, die 'k zelf nie meer had. Mooie

werreke voor de menschwaardigheid van 't heele uitspansel zou 't weze

... want 'k heb an geen verrajers borste gezoge ...

"En toe ... toe kocht ik voor de laatste cente van me uitgangskast

weer 'n ander toilet--da's juist je rol: de kostuum--en 'k bestelde

een colbert anglais, chutte-perge laarze, 'n rubenshoed met 'n bruine

demi èn fantesie-lorgnet. Daar rees ik mee na Utrecht, per rijtuig

van twee arabiër vosse ... zweetvosse ... getrokke. En 'k liet me

brenge na 't hôtel-restaurant Pays-Bas, waar 'k volges de etiquette

me koesier weer laat betale. Want ik ben nou de baron van X. tot IJ.,

gepensionneerd luitenant-k'rnel van 't Nederlandsch-Indische leger,

waaronder 'k een jaar en drie maande as keloniaal heb gediend, toe 'k

door Zemajesteit Koning Willem III wier gepardeneerd van de strop en

gepardeneerd van de kogel voor vijf jare detentie. Dáárvan wist ik nou

dus al die generaals-etekette, en heb ik daar drie weke in dat logement

gelogeerd en aszoodanig gegete en gedronke en vertering gemaakt voor

drie honderd en zes en tàchetig gulde zeventien cente. Hetgeen 'k

zou betale as 'k mijn pensioen ontvangde. Wat zij respecteerde. Want

'k had me daar nageschore, nagemaakt met 'n pruik, snorre en baarde

en die betreffede poltieke costuum met fantasieketting, om rede, a'k

'n rol speel, 'k de persoon in kwestie eerst bestudeer, zooda'k d'r

sprekend op lekent. Waarop er niet de minste twijfel bestaan kòn,

en ondergeteekende een behandeling genoot eerste klas.

"Om an de noodige kappitale te gerake, vroeg ik dagelijks in de

vreemde tale het adresboek, waar 'k in naploos de name die 'k wel kon

met familiebetrekkinge onder 't leger in de Oost, waarop ik receptie

anvroeg, èn ontving, en de tijdinge over d'r lui anverwante deelachtig

maakte an die persone, waarop ik de noodige gelde leende om nooit werom

te geve ... (Bij 't groote kappitaal netuurlijk, da's me hekel!) en

op zoo'n voet op hooge schaal zware verteringe miek ... 'n enkele keer

ook in de groote cafés waar de Figaro leit ... enne le Petit Journal,

omdat dat me moerstaal is ...

"Nou mot je uit die etiquettes van dat leger wete, dat je van

begin-soldaat tot an adjudant-onderofficier je pesioen mag hale vier

maal in 't jaar, op de 15e; en boven die rang op de 16e, 17e en 18e

April, Juli, October en Janewari.

"Dit wetende, zou mijn pesioen ontvange worde op de achttiende, om rede

ik de zeventiende per noorderzon na Alkmaar vertrok, waarop ik séance

tenante gearresteerd werd, en zoo wier ik weer korrepus dilikt. Ze

vroege vijf jare, maar 't wiere d'r twee, die 'k uit heb gedaan in

Scheveninge, want daar ben 'k graag, zooda' 'k er altijd om vraagt. 't

Is daar stilder en as je over je koekoek kan kijke hoor je de zee,

en 't is er beter van verdienste. Me nummer van cel was B 154, waar

'k zevehonderd dertig dage deurbracht na aftrek van me prevetieve;

't benne vier en twintig maande ... en honderd vier weke ...

"Da' beviel me wel niet als te best, want 'k ben ook wel liever in 't

Bible Hôtel, maar 'k kan me in elk lot schikke, van wie wat verdient,

dat ie ook wat mot hebbe. 't Volk hebbe de wette gemaakt, en daarna

mot de misdadiger behandeld worde. Dit alles is de schuld van de

maatschappij en 't hooge kappitaal die mijn an me lot overlaat.

"A'k 't allegaar opskreef wier da' boek zóó dik ... 'k heb er nooit

geen menuut spijt van, want as er 'n hond tege 'n muur ze pootje

licht, heffe d'r veertig d'r poot op en doene 't allemaal ... Helaas,

'k wil zoo goed. Me gedrag bleek immers in de gevangenis, maar daar

gavve ze me te vrete. En 'k heb in de cel nog nooit geen straf gehad,

as voor 'n pruimpie tabak. Om rede ik er nooit met de kelégaas muurtje

heb getikt, want ik wou er niet bij name bekend weze. Maar nou ben

'k deur de wol heen, en toe was ik nog erg da 'k mijn schaamde.

"'k Heb 'r matjes geweve, om voor de rijkdom d'r deure te legge,

en met zuinig te weze, zonder de cantine op te geve--ik kon voor me

ziekte geen tarwebrood bekomme, omdat 't een civiele dokter is, en

die ken je niks wijs make--maar zoo verdiende ik een en veertig gulde.

"Daar kocht ik bij me ontslag een paar schamele kleere voor, en twintig

gulde galanterieë: gare, band, zeep, postpapier en zakkammetjes. Want

van 'n stijselkissie had 'k 'n marsie met laadjes gemaakt en die ware

niet eens vol; voor twintig gulde hè je ommers zooveel niet. En je

mot er netuurlijk minstens de helft op verdiene.

"Met lak had 'k dat marsie zwart gemaakt, en voorzien van kopere

spijkertjes met me naam: Jean Charles Racier voluit. Maar vóór op de

kist sting met groote letters:

"WAT IS EEN MENSCH EN WAARTOE IS EEN MENSCH GEBORE".

"Zoo ging 'k van de Haag over Leie en Haarlem an de huize bij 't

kappitaal. En dan vroege ze wat dat woord beteekent. Kwam 'k nou

bij geloofsgenoote--'k ben atheïst en beweert dusdanig dat alles uit

de Natuur voorkomt en wij afstammelinge benne van de arraroetangs;

da's me leer en gaan 'k niet af ook--zie je, bij geloofsgenoote miek

'k dan wel 's goeie zake. Maar voor de tweede keer ben ze niet thuis,

en hiet 't: daar hei je die vervelende vent weer. En wie dat woord op

me kissie niet verstonde, werd ondergeteekende bij de deur verwijderd.

"Wat zoo overdag verkocht was, werd 's aves bij de grossier

angevuld. En vente is me lust en me leve, want huur ik drie maande

'n wage met negocie, dan is tie mijn. Maar ze storte me liever de

afgrond in, dan dat ze me de brug overhelpe. Die persoon die dat

doet, za'k dankbaarder weze dan me eige broer. Maar 't kan me nie

meer schele ook en 'k wor d'r onverschillig over.

"Daar had je Dr. X, christelijk afschaffer en vegetariër. Bel 'k

ook an de deur. Roept de meid: "mevrouw, kom nou toch 's kijke,

daar staat dat en dat op die man z'n kist." Geeft de mevrouw mijn

receptie in die gehoorzaal, en vraagt mijn wat dat beteekende. Maar

ik zag er de Bijbel op tafel legge, en zeg: "Mevrouw, da' kan 'k uwe

op hede nie vertelle",--angezien ik zag waar ik was. "Maar wat doet

meneer?"--"Professor in de godgeleerdheid."

"Daar kreeg ik toen kennis an. As ik bij mijn idees as atheïst

bleef--zei die hooggeleerde--zou 'k 25, 30, 40 jaar in de gevangenis

motte verblijve. En die knul het 'n voorzeggende geest gehad. Overal

waar ik kom, wordt brood gebakke, maar voor mijn is t'r geen boo'schap

bij. Wat 'n mensch opgelege is, dat ontgaat 'm niet. Mijn mama,

die edele vrouwe, zei altijd: As je voor 'n kwartje gebore ben,

krijg je nooit dertig cente ..."

De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal" · 第 6 / 22 题