Inmiddels was 't schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste
wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen
schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam
familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen
zwerver wenkend achter mij zag--de eerste schrik aanstonds oversloeg
in een onbedwingbaren lach.
Maar hij nam 't me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit,
de lange kerel in den zwier van z'n verschooierde plunje. De trouwe
dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof 't een koningsmantel
was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van
z'n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de
fluweelen broek om z'n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht
was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje,
dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z'n rossige puntbaard
was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam,
weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te
hebben uitgezeten.
"Nou"--zei ie wijsgeerig gelaten--"as je straks klaar ben met lache
... Zie je, jij meent 't nie' kwaad, en je ben geen verrajer ... As je
'n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament
ook wel make ... Hoe gaat 't overigens met de kunstschilder, me
kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef,
hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om 't een of
't andere, hoor, want leene doe 'k nooit van 'n ami-intime ... 't
Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel 'n goeie
revolver, maar ons schorem geve ze 'n ding dat niet afgaat ... As je
mijn maar begrijpt ..."
Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt
"groosch". Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die
er nu uitzag, toch wel 'n èrg opzichtigen schooier voor een
vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de
Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend
publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich
ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting
min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor
om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen
de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een
gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want
de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane
na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig
geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele
leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.
Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets
dan stikke-koffie gedronken. "As je me hart door kon snije"--zei hij
met bevende lippen--"zou je zien hoe edel 't is. En ik zweer je, wáár
ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco
... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en
papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za
'k je late leze"...
Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde
paperassen twee brieven te voorschijn ... "Mot je op je gemak bij
gaan zitte, en je verstand bij gebruike."
Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:
"Zwager Racier in de gevangenis te X.
"Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet
meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben,
en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad
gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij
waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na
toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar
een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten,
naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden,
voor en tegenspoed, elk op zijne weg.
"Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het
zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem
uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ..."
"Wat?"--viel ik uit--"ben je zoo ziek geweest, Racier?"
Heel even kwam een rose blosje in z'n wangen op. Toen beheerschte
hij zich weer, en zei: "Zoo sterk as 'n peerd, man!... Nou, hoe vin
je die rol?"
"Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?"
"Natuurlijk wel, toe 'k me verveelde, en wel 's graag een lettre
intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ..."
"... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge
het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ..."
"Wàààt?... En je was zoo'n verstokt atheïst?"
"Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb
ik 'm er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar
de natuur, die anbid ik, en as 't dondert en bliksemt ga ik 't liefst
over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da
'k allemaal an me zwager had geschreve?"
"... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend, ik
hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge
u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt
of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen
je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten
houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het
eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover
als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen
en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te
gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat
je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de
moordenaar aan 't kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die
geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste
bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe
nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie."
Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen
gleden langs zijn bleeke gezicht.
"Is het toch niet diep treurig"--snikte hij ineens uit--"dat 'n mensch
zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in 't spinhuis lag te
sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege
voor God's troon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef 't hem
...!" Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak
hij af: "Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie 'n steek valle,
die verstokte atheïst ... Zie je, 'k vergeet telkens dat wij vrinde
zijn, en da 'k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees
nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ..."
Inderdaad, in een post-scriptum heette 't onder meer:
"Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor
het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets
over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht
is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat
de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie
verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en
nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn
dat je bij den Heer zou zijn."
"Lees maar voort"--viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen
uitleg te hoeven geven--"lees maar eerst voort, dien tweeden brief,
en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?"--
"Zwager Jors!
"Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange,
en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt, zooals
ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus
Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te
leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt,
wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen, want dan hebt ge
geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert,
want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede
ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge
zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik
u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer
Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord
gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook
wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar
ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes,
die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven,
daar het mij in 't geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de
pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs
niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis,
die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor
man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En
dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt
bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en
dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog
nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet
altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al
verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten
nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar
ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar
voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo
spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat
is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal
beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u,
dan weet ge toch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij
weten dan meteen dat Jors nog leeft ja of Neen en waar hij zich
bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben
toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw
niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u
bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als
ook van mijn
"Uw zwager Charles en Marie."
Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te
praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:
"Zoo generaal, hoe gaat 't met 't leven?" had gisteren immers nog
een van de grootste inbrekers 'm aangeklampt. "Zaggies an"--had ie
geantwoord--"maar bang nog niet voor de duivel."--"Mot je driemaal
tikke"--had die ander gezeid. En zoo had ie 'm 't adres opgegeven van
de dievensociëteit. "Hoef jij niet te zoeke"--keek de vagebond mij
aan met dédain--"want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch
kan je d'r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal
tikke. Vraagt zoo'n portier: "Kom jij pas uit de bajes, da'k jou
nog nie kan?" Laat ik effe drie ontslagbrieve zien. Drie trappe af,
loopt 't zoo deur onder de grond en van 's avonds tot 's morgens komt
't volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope,
as manne, die met de vijf ons kanne werke.
"De waardin is 'n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an
de hand. Die zegt tegen mijn: "Wat ben jij voor 'n vent?" "'n
Middelburger"--antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen
vraag ik: "Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?"--"'n Maffie. Maar
mot jij niet ete?"--"Ete"--zeg ik--"da's werk voor 't groote
kappitaal."--"Nou maar"--zeit zij--"dat gáát hier zoo niet; d'r mag
hier niemand zonder ete na bed!"--"En 't lood dan?"--"Komt morge
terecht; je durft toch ook wel 'n vinkie te lichte?"--Mot je zoo'n
ouwe gepensionneerde hebbe as ik.
"Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z'n taal en z'n zede,
dan ben je in zu'k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef
heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: "nou, mensch,
da's nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same"... Zegge zij:
da's een toffe sjlemiel ...
"Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone
te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table
d'hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m'n
aard van huis uit as zijnde le chevalier de Racier zal da'lijk weer
bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama,
en 't ouderlijk 'uis chez nous à Paris, da'k nog altijd die "hache"
niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens,
quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...
"La' me die bolleboffin nou nog 'n kom zweet commedeere, dan za
'k je dat allegaar haarfijn vertelle ..."