HOOFDSTUK III.

Toen de schilder den volgenden morgen op z'n atelier kwam, vond hij

zijn model al wachten. Racier was erg onrustig, zag er opvallend

slecht uit, en z'n oogen glansden geagiteerd.

"Je mot me niet meer alleen late"--zei hij gejaagd--"daarom staan 'k

nou voor 't raam, want dat groen achter die straat bevalt me ... As

je me zoolang alleen laat, gaan 'k hier altijd maar staan; 't maakt

me bang en ongedurig, zoolang jij d'r niet bij bent ... 't Komt door

die vrijer daar ... 'k heb er 'n hekel an; die kijkt je dwars door

je niere, wor je eng van... waar je staat, staan je... Doen me nou

's 'n eer, en draai die vent om--kunstenaar?"

De schilder nam glimlachend 't portret van z'n vader, dat in

een hoek op den grond stond te drogen, en keerde 't vriendelijke

oudemanne-gezicht naar den wand.

"Hoe kom je zoo zenuwachtig vanmorgen, Generaal? Wil je 'n sigaar?"

"Nee, ik rook niet."

"Wàt zeg je?"

"Nee, as 'k daar an wen, komt 't mijn te duur. Da's nou 's 'n idee

van mijn!--Weet je wàt fijn is?... 'n Pijp varinas ... dan ga je

fanteseere ..."

"Maar waarom heb je nou waarachtig dat knappe pak niet aan?... 'k

Geef je geen stuk meer, als je 't toch dadelijk verkoopt ... Je loopt

't weer bij als 'n roover ..."

"Pardon, kunstenaar, ik sterf nog liever, dan da'k wat verkoop wa'k

van 'n ami intime gekrege heb. Maar 'k heb 't geleend an 'n jonge

knul op logement, die op 'n betrekking uit mos. Hij kon d'r zonder

mijn toilet ommers niet heen. Z'n pardessus was kaal ... zat 'n vreemd

lappie op ... Hoog fijne knul anders, spreekt alle tale... op één na:

't Spaansch. Zal ik 'm nou leere ... kost mijn ommers niks. Maar één

ding neem 'k 'm kwalijk: die jonge bidt!... Tòch gaf 'k 'm me jas en

me vest!--Wie doet dat?--Ik, Jean Charles Racier ... as atheïst!... En

vannacht ben 'k van die cente uitgeweest ... daar zien 'k zoo bleek

van ..."

"Van de centen van mijn pak ... als atheïst zijnde!"

Racier schrok schuw in elkaar.

"Dáár heb 'k 'n steek late valle. As je de rechter van extruksie was,

zat 'k er zóó alweer in ... Affijn, we zulle d'r nou maar niks verder

van zegge, da's beter ... enne ... jij ben ook de kwaaiste toch niet

... vergete en vergeve--zei de Heer ... 'k wil zegge: de Natuur."

Hij zat nu verlegen te blozen en voor zich uit te stamelen. Keek

telkens tersluiks even op of "de kunstenaar" nog kwaad was, en lachte

dan kinderachtig om 't weer goed te maken.

"Nou, 'k dacht dat jij gladder kon liegen, Excellentie. Je valt me

tegen ... Maar vertel nou maar verder van hoe dat toen afliep met

dien Spaanschen graaf-veekooper uit de Italiaansche stad Jena ... Je

zat leelijk geknipt, hè?"

"Ja--ze mieke mijn in de val! Waarop de rechercheur van Dremmele an me

vroeg: "waar kom jij vandaan?" 'k Zeg: "ik kom met 't mooie weer uit

Voorburg gekuierd." "Zoo"--zeit ie--"dan bè je mijn arrestant." En

met ze tweeë brenge ze mijn in de trein na De Haag. Daar kwamme d'r

vier stille bij, en dat opperhoofd zeit: "Zoo, Racier, nou bè je dus

weer binne." Nou, 'k hoefde dus me naam al vàst niet te verzwijge,

want ze kenne me hier, en in De Haag, ja, door heel Nederland, as de

bonste hond. Maar ik had nies op me gewete, hè? En 'k zeg dus: "je

kan met mijn doen wat je wil." Doch daar ik arrestant ben, vervloek 'k

't netuurlijk om te loope--as 'k gesnapt ben, dan loop ik principieel

nooit--waarop zij verplicht zijne volleges artikel tweehonderd ... enne

... dertien van de Code Pénal van 't jaar achttienhonderd en ... drie

en dertig, om me per rijtuig na 't bereau te leie ...

"'k Had ommers niks gedáán! Daar getuigt eerst die garçon van de

hotel-restaurant du Commerce ... à prix fixe ... première classe,

en ik zeg: "die man is in ze recht." Dan hale ze de kelner uit de

Zeve Kerke van Rome ... les Sept églises de Rome, met z'n patron

spécial, propriétaire ... et directeur-général--en ik hou vol: wat

die persone zegge is allegaar waarheid ... alleen heb 'k geen honderd

gulde gehad ...

"'k Wier gevisenteerd en ze vonne op mijn dan ook twee gulde en

vijf-en-dertig cente, zijnde 't soldo van wat ik verteerd heb an

biere, wijne, thee enne ... room-chocolade, à la vanille. Waarop ze

mijn overbrenge, pèr vigelante met twee ... driejarige zweetvosse

bespanne, na 't huis van bewaring op de Prinsegracht, wat tot hede

nie meer bestaat. Want nou is 't in de Cazjewarisstraat. Waarop ik in

verhoor zijn genome door de edelachtbare heere rechter van exstruksie,

de weledele heer W.L.F. Morsing, wonende destijds Prinsengracht 753,

derde huis van 't hoekie. Angezien ik geen avecaat laat pleite, zijnde

die tòch an 't groote kappitaal verpand, en ik zelfs as verdediger

van ondergeteekende optreed, was mijn eisch weges oplichterij ... op

hooge schaal: drie maande cellulair. En wel voor 't eerst op eige naam,

as Jean Charles ... Constantin Edouard Racier ... Cadet, zijnde mijn

vader in de Commune gevalle as ... martelaar de première classe."

Hier zweeg hij van ontroering, dikke tranen in z'n oogen.

"Is je vader op de barricade gebleven, Racier?"--vroeg de schilder

deelnemend.

"Hè?"--werd de ander uit z'n droomen gewekt--"papa? Wel nee, die

is ommers as vrouw verkleed, as markiezin dan netuurlijk, Napoléon

achtervolgd, l'Empereur ... en heeft 'm de grenze overgejaagd ... We

hebbe d'r nooit spijt van gehad."

"Dàt begrijp ik."

"De generaal Racier ... Ainé is op z'n château ... genaamd ... le

Lion d'or, in hooge ouderdom in de familie-kelder, tombeau familiaar

... bijgezet ..."

"Maar, da's waar: vroeger heb je verteld, dat je vader tot

directeur-generaal van het huis Rothschild in Berlijn was benoemd ..."

"Ja, benoemd, maar hij had ommers de dood an 't groote kappitaal

gezien, net as ikke, z'n zoon Cadet ... en heeft 't afgeweze ..."

"O zoo ..."

"Maar nou heb je me weer in de war gemaakt ... Waar was 'k gebleve?"

"In 't huis van bewaring ..."

"Dus de eisch weges oplichterij op gróóte schaal was zes maande ..."

"Drie, wil je zegge."

"Nee, zès; want 't vonnis wier één maand met aftrek van preventief,

want daar had ik zoo mooi voor gepleit, netuurlijk. Dus heb ik toe maar

twee dage op Scheveninge doorgebracht, op A 46 ... Ja, da' pleidooi,

daar konne die avekate van leere, zoo fijn as dat was. Die heele rol ha

'k uitgeschreve op papier, in de gevangenis, en uit me hoofd geleerd.

"Ik vroeg netuurlijk eerst an die welejelachtbare heere président en

rechters of 'k 'n beest in 't spel mog neme om zoodoende me misdaad

of val an de dag te brenge. "Welejelachtbare heere président en

rechters! Veronderstel dat u met uw dame van Scheveninge kuiert, maar

van De Haag komt er 'n hond, die wellicht verdacht voorkomt en schurf

heef. Welejelachtbare heere président en rechters, wat doet uwe dan?"

""Beklaagde, staai 's op"--zee de president--"Dan gaan 'k 'n stappie of

vijf opzij met me vrouw om mijn of mijn mevrouw niet te late besmette

van dat beest."

""Welejelachtbare heere président en rechters! Zoo'n dito persoon

staat sitôt voor de rechtbank. As gevalle man kan ik nerges geen

betrekking krijge en daar de Natuur--as atheïst zijnde noem 'k

God's naam nooit--de Natuur, dus, ze rechte eischte, en ik voorbij

het hotel-restaurant kwam, genaamd du Commerce, café au premier,

en ondergeteekende erge honger had, en door de welejelachtbare

heer Janse, as president van de soepbedeeling daags voor me val was

verwijderd (die zat er bij in de rechtbank, en ik noemde 't kind bij

ze doopnaam) vroeg ik mezelf af: dat rake tuig zit daar lekker te

vrete, en 't is net zoo goed van mijn, om rede ik bedoelde rol heb

afgespeeld. Nou vraag ik, welejelachtbare heere président en rechters,

of artikel tweehonderd zeve en zestig van de Code Pénal van 't jaar

achttienhonderd ... drie en veertig nie' te zwaar is voor deze kleine

misdaad? En vraag verzachting van omstandighede, waarop ik hoop en

wensch dat de rechtbank mijn pesitie zal in oogenschouw neme, en laat

't verders over an de clemenzie van de rechtbank. Hetwelk doende,

Jean Charles Bernard Antoine Racier ... Cadet!"

"En toe de president toe an me verdediger vroeg hoe of wat (die wordt

'r toch voor betaald en die mot toch ook wat zegge), zee die: "Ik

kan daar niks an toe voege, want zoo zal 't wel in werking weze ook."

"Maar bij me ontslag gaan 'k netuurlijk sebiet na me kostvrouw, die

me de zeve en negetig gulde teruggaf, waarop ik haar 'n briefie van

tien gulde presanteer voor de moeite; maar dit geschiedde onder vier

ooge in de binnekamer. 'k Kom daar netuurlijk alleen as 'k wat heb. En

'k had ommers honderd gulde verdiend binne 'n maand, en ze magge me

daar toch nie weer derec achter slot en grendel voor zette.

"Nou komt 't páárdelef d'r bij en 't kerakter van iemand: Waarop ik

weer me intrek neem in de Zeve Kerke van Rome! En nou toucheer ik die

propriëtair, want ik zeg: "donnez moi vous même un massagrin!" (Da's

de zwarste koffie). Hij herkon mijn sebiet, want ik had me baard

nog, omda'k onder de drie maande had gehad en dan wor je niet

geschore. Waarop ik hem 'n briefie van véértig gulde gaf om af te

houwe. Maar 'k gaf 'm 'n kwàrtje fooi. Toen bedankte 'k 'm, dat ie

me voor de rechtbank nie bezwaard had!"

De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal" · 第 5 / 22 题