Zeker, deze kleine vliegmachine was oorspronkelijk niet ingericht om er

gemakzuchtige passagiers mede te vervoeren en men moest zich een weinig

behelpen, maar het verblijf in de koude nachtlucht had den eetlust

gescherpt, en de eend verdween dan ook met grooten spoed in de

hongerige magen.

Zonder dat de snelheid ook maar een oogenblik werd verminderd en

terwijl de electrische machine werkte met de regelmaat van een klok,

werd de reis onophoudelijk voortgezet.

De koude deed zich op deze groote hoogte fel voelen en de reizigers

wisten, dat het nog heel wat erger zou worden, want sedert eenige dagen

brachten de bladen berichten van hevigen sneeuwval en koude uit geheel

Rusland en Siberië.

En niet alleen de koude werd nu de vijand van de drie stoutmoedige

mannen.

Zij zouden nu ook met de menschen moeten rekenen en niemand kon zeggen

of zij, indien zij eens gedwongen werden om te dalen, vriend of vijand

zouden ontmoeten.

Maar in ieder geval konden zij er wel zeker van zijn, dat men alles

behalve vriendelijk gezind zou zijn ten aanzien van drie vreemdelingen,

die zich volstrekt niet stoorden aan grenzen en met hun vliegmachine

waren komen binnendringen.

Steeds op het compas turende bracht Raffles de vliegmachine voorbij

Minsk, Witebsk en Jaroslaw en nog altijd draaide de motor even

regelmatig en snorde de schroef met duizelingwekkende snelheid.

En het was goed, dat de reizigers dikke pelsen hadden aangetrokken,

want de koude werd bijna onuitstaanbaar.

Van het gelaat der drie luchtreizigers was niets te zien dan de oogen,

en deze waren door een grooten bril, waarvan de randen van bont

voorzien waren, beschermd.

Aan slapen dacht niemand.

Nog slechts weinige uren scheidden hen van het oogenblik der landing en

het werd nu juist meer dan ooit zaak, ooren en oogen goed open te

houden.

Weliswaar zou hun leven denkelijk geen dadelijk gevaar loopen,

tenminste wanneer zij in handen kwamen van welgezinde Russen, maar toch

zou hun aanhouding een zeer kostbaren tijd verloren doen gaan.

Er was Raffles dus veel aan gelegen, dat de machine zoo geregeld als

een uurwerk bleef doorloopen en daarvoor was het toezicht van Charly op

den electromotor onontbeerlijk.

Raffles zelf hield den blik onafgewend gevestigd op de kaart, welke hij

telkens een weinig verder verschoof door aan een kleinen knop te

draaien, en op het compas.

Nog slechts een uur, misschien vijf kwartier, en het eerste doel van de

reis zou bereikt zijn.

Reeds was de vliegmachine over Orlof gevlogen, het voornaamste

kruispunt van voerwegen in deze streek van Rusland en waarvan een lijn

liep naar Tjumen, een vijftigtal wersten voorbij de Siberische grens.

Maar van die lijn dacht Raffles geen gebruik te maken, want hij zou er

toch niets aan hebben en hoe vreemd het ook klinkt, een vliegmachine

was op dit oogenblik wel zoo veilig.

Het was omstreeks één uur in den nacht, toen Raffles de linkerhand

ophield ten teeken, dat men het doel van de reis naderde.

Hij had de vliegmachine tamelijk aanzienlijk laten dalen en toen Charly

zich over den rand van het schuitje boog, meende hij in de diepte

eenige vage, donkere vormen te onderscheiden, die zich schaarden langs

wat de Loswo moest zijn, de breede, uitgestrekte rivier, waarover des

zomers een tamelijk druk verkeer plaats heeft, maar die nu gevangen was

in de boeien van den witten vorst, en met een zoo dikke laag ijs was

bedekt, dat een geheel legerkorps met artillerie en al er zonder eenig

gevaar over heen had kunnen marcheeren.

En de jonge man begreep, dat die donkere vormen de huizen moesten zijn

van het stadje of het groote dorp Kusina.

En verder was er niets anders te zien dan een onmetelijk groote witte

vlakte, die nu en dan oplichtte, wanneer de maan van achter de zwaar

met sneeuw beladen wolken te voorschijn kwam.

Heel in de verte glinsterde hier en daar eenige lichten, maar het was

onmogelijk vast te stellen, waarvan die schijnsels afkomstig waren.

Raffles had den electromotor reeds eenige oogenblikken te voren

afgezet, opdat men daar beneden het gerucht niet zou vernemen, en hij

deed nu de „Duivel der lucht” met weergalooze behendigheid, alleen door

de vleugels gedragen, in een spiraalvormige zweefvlucht neerdalen.

Zooals een vogel zich neerzet op een tak, zoo gleed de „Duivel der

lucht” geruischloos neder op de eindelooze sneeuwvlakte.

En dadelijk bemerkte Raffles, dat hij er goed aan had gedaan, de

machine te doen voorzien van een stel vlotters, niet ongelijk aan die,

welke men aan watervliegtuigen opmerkt, want daar de sneeuw hier bijna

een meter hoog was, zou de vliegmachine er diep in zijn weggezakt,

hetgeen het weder opstijgen zeer zou hebben bemoeielijkt.

Thans stoof de machine door haar eigen vaart nog wel bijna een halve

kilometer voort op de beide vlotters, die als het ware het onderstel

van een groote slede vormden en eindelijk stond de „Duivel der lucht”

stil op ongeveer een werst van het dorp Kusina.

Daar scheen alles reeds in diepe rust verzonken te zijn, want niet het

minste gerucht drong tot de drie reizigers door, die vlug uit de

machine waren geklauterd en nu wat door de sneeuw heen en weer

baggerden, teneinde hun verstijfde ledematen weder wat los te maken.

Van een weg viel volstrekt niets te bespeuren, alles was bedekt met een

gelijkmatige sneeuwlaag, die alle omtrekken vervaagde en alleen een

groot gedeelte van den ijsvloer op de rivier onbedekt had gelaten,

waarschijnlijk had de felle wind de sneeuw over deze gladde oppervlakte

voor zich uit geblazen.

Onmiddellijk besloot Raffles van deze omstandigheid gebruik te maken,

het was bijna de eenige manier, om veilig het dorp te bereiken, zonder

gevaar te loopen, halverwege in de sneeuw te blijven steken.

Het was bitter koud en Raffles besloot dan ook, zoo spoedig mogelijk

handelend op te treden.

Hij wenkte zijn beide metgezellen bij zich, en begon:

„Luister eens, vrienden! Het is natuurlijk volstrekt noodzakelijk, dat

een onzer bij de vliegmachine blijft, en ik geloof dat onze Henderson

daarvoor het best geschikt is, want hij zal zich het toestel niet laten

ontfutselen, niet waar?”

„Wie er met een vinger naar durft wijzen, Mylord, sla ik aanstonds de

hersens in,” zeide de reus op grimmigen toon.

„Zoover zal het wel niet komen, Henderson,” hernam Raffles glimlachend,

„maar wij moeten toch op alle mogelijkheden voorbereid zijn. Ook het

wolvengevaar is niet denkbeeldig. Je wapent je dus met geweer en

revolver, en let goed op. Mijnheer Charly en ik zullen naar het dorp

gaan, vermomd in Russische uniformen, waarbij wij ons natuurlijk voor

„Rooden” zullen moeten uitgeven, en voor de rest zullen wij wel op ons

goed gesternte moeten vertrouwen, want wij weten natuurlijk volstrekt

niet waar men graaf Stijkof gevangen houdt. Wij zullen het echter wel

zoo inrichten, dat men ons dat zegt en wanneer hij eenmaal bij ons is,

heeft de rest niet veel meer te beteekenen. Wij zullen nu de

vliegmachine zoo dicht mogelijk tot aan den oever der rivier trekken,

die hier gelukkig zeer laag is, en je zult goed acht slaan op den

stroom, Henderson, want langs die zijde moeten wij ook weder

terugkeeren, tenzij wij ons van een slede kunnen meester maken. Zoodra

je ons ziet aankomen, breng je den motor in beweging, zoodat wij niet

anders te doen hebben dan de schroef in te schakelen.”

Op dit oogenblik liet zich van den kant van de rivier een gerucht

hooren, het geleek op belgerinkel, als van een sledetuig, en de

schelletjes, die het geluid veroorzaakten, klonken, ofschoon het nog op

verren afstand was, helder en duidelijk door de vrieslucht.

De drie mannen luisterden een oogenblik en toen zeide Raffles:

„Het geluid komt in deze richting. Ik denk, dat er een slede nadert

over het ijs van de rivier. Laten wij het spoedig gaan zien, want wie

weet is het toeval niet op onze hand en kunnen wij ons van dat voertuig

meester maken, om op die wijze in en uit het dorp te geraken.”

Snel wapenden de drie mannen zich met hun geweren, en ijlden toen naar

den oever der rivier, zoo snel de dikke sneeuwlaag het toeliet.

Daar gekomen wierpen zij zich op de sneeuw en vestigden het oog op de

ijsvlakte, die zich in de verte verloor.

De scherpe blik van Henderson had al spoedig in de verte een zwarte

punt ontdekt, die tamelijk snel grooter werd en het duurde niet lang of

de drie mannen konden een slede onderscheiden, een zoogenaamde troïka,

dat wil zeggen met drie paarden bespannen.

Raffles had zijn nachtkijker medegenomen en bracht dien voor het oog.

Bijna dadelijk liet hij het instrument weder zakken en zeide op

gedempten toon:

„Behalve de voerman zit er nog maar een persoon in, en hij draagt een

uniform-pet! Het kon niet mooier, vrienden. Wij moeten die slede tot

iederen prijs aanhouden!”

„Dan zullen wij haar aanhouden, Mylord!” hernam Henderson kalm. „De

slede houdt dezen oever en de paarden schijnen niet al te best beslagen

te zijn, want zij loopen niet bijzonder vlug zou ik zeggen.”

„Misschien zijn zij wel doodelijk vermoeid, Henderson,” meende Charly.

„Hoe het ook zij, wij zijn met ons drieën, en als wij ons plotseling

vertoonen en met onze wapens dreigen, zal de koetsier wel zoo

verstandig zijn, zijn paarden in te houden.”

Op dat oogenblik bevond de slede zich nog slechts een honderdtal meter

van de drie mannen verwijderd.

De twee mannen die er in zaten waren als menschelijke wezens bijna

onkenbaar, zoo dicht waren zij in hun pelsen gewikkeld, terwijl hun

hoofd schuil ging in een groote muts van berenvel, wat den koetsier

betreft, en in een militairen kolbak, wat den anderen persoon aangaat,

die achter hem was gezeten.

Raffles gaf zijn beide metgezellen een teeken, allen grepen naar hun

geweren, en daarop lieten zij zich snel van de flauw glooiende

oeverhelling glijden.

De maan was juist van achter de wolken te voorschijn gekomen, en

verlichtte hunne gedaanten helder.

Onwillekeurig hield de voerman met een ruk zijn drie paarden in, en het

volgende oogenblik had Henderson de dieren met een krachtigen ruk tot

staan gebracht, terwijl Raffles en Charly ieder aan een kant van de

slede naderden en op de treeplank sprongen, na hun geweer aan den riem

over den schouder te hebben geworpen en hun revolver ter hand te hebben

genomen.

De man in de slede was zoo verbluft door dit onverwachte optreden, dat

hij hier onmogelijk had kunnen verwachten, dat hij volstrekt geen woord

kon uitbrengen en zijn beide aanranders met groote oogen aanstaarde.

Toen vroeg hij in het Russisch:

„Wat heeft dat te beteekenen? Wat wilt gij van mij? Ik heb geen geld

bij mij!”

„Het is ons ook niet om uw geld te doen!” antwoordde Raffles, zich van

dezelfde taal bedienende, welke hij voortreffelijk sprak. „Wij willen

niets anders hebben dan uw papieren, uw slede en uw paarden, en zelfs

die kunt gij later wel weder terug krijgen, als gij dat wilt.”

De Rus scheen te aarzelen, maar een blik op de beide blinkende

revolvers gaf hem de overtuiging, dat hij ver in de minderheid was en

het verstandigst zou handelen, wanneer hij toegaf.

Hij knoopte dus langzaam zijn zware pels open, die zijn uniform bleek

te verbergen en waarbij Raffles hem nauwkeurig in het oog hield.

„Doe die revolvertasch maar af,” beval hij koeltjes, zoodra hij dit

voorwerp in het oog kreeg.

De Russische majoor van het Roode leger, want dit bleek hij te zijn,

gespte de koppel los, waaraan zijn revolvertasch hing, en dadelijk

maakte Charly zich van dit wapen meester.

„Nu uw papieren!” beval Raffles.

„Maar ik weet niet wat gij wilt, ik heb geen papieren!” riep de majoor

uit.

„Kom, kom, mijnheer, houd ons niet onnoodig op!” hernam Raffles

ongeduldig. „Gij moet een pas of iets dergelijks bij u hebben,

misschien wel een lastbrief of een geschreven bevel, en gij wilt ons

toch zeker niet dwingen, om jegens iemand van uw rang geweld te

gebruiken?”

Met tegenzin stak de majoor de hand in den binnenzak van zijn tunika en

haalde er een gemslederen portefeuille uit, welke hij Raffles aarzelend

toestak.

Deze opende vlug de portefeuille, nam er de papieren uit, las ze

haastig door, en glimlachte.

„Het kon niet mooier!” zeide hij, terwijl hij de papieren langzaam

weder opvouwde en in zijn eigen zakken liet verdwijnen. „Ik moet zeggen

dat het lot mij ditmaal al zeer gunstig gezind is! Gij komt naar

Kusina, voorzien van een bevel om graaf Stijkof, die hier gevangen

wordt gehouden door de uwen, naar een andere plaats over te brengen,

misschien nog verder van zijn ongelukkige vrouw en zijn kind

verwijderd. Nu, graaf Stijkof zal ook worden weggebracht, al is het dan

niet door u en ook niet naar de plek, die gij voor hem bestemd hadt!

Wees zoo goed om uit te stappen!”

„Uitstappen?” herhaalde de majoor langzaam. „Wat hebt gij met mij

voor?”

„Maak u niet ongerust, uw leven loopt volstrekt geen gevaar,” hernam

Raffles koeltjes. „Wij willen alleen uw plaats innemen.”

De majoor stapte uit zijn slede, vloekend en bleek van woede.

Raffles nam hem den kolbak van het hoofd en gaf hem daarvoor in de

plaats zijn eigen muts.

„Doe die pels uit! Gij kunt de mijne krijgen en ik geloof dat de ruil

voor u niet eens zoo kwaad is,” vervolgde Raffles op bevelenden toon.

De majoor moest zijn militairen pels afgeven, welke Raffles snel

aantrok, en nadat dit geschied was, nam Charly de plaats van den

voerman in, die van het geheele geval volstrekt niets begreep en bevend

zijn plaats inruimde.

Terwijl hij zijn pels dichtknoopte, na de papieren in den buitenzak

daarvan te hebben gestoken, zeide Raffles, zich tot Henderson wendende

en terwijl hij zich ditmaal van de Engelsche taal bediende:

„Laat die mannen voor je uit loopen, Henderson, en houd hen goed in het

oog. Ik vertrouw hen aan jouw hoede toe, meer behoef ik zeker niet te

zeggen.”

„Dat is voldoende, Mylord!” antwoordde de reus trouwhartig. „Zij zullen

geen voet verzetten, dat verzeker ik u. Waar moet ik hen heenbrengen?”

„Breng hen maar tot dicht bij de vliegmachine. In geen geval mag je

schieten, je vuisten zijn gelukkig sterk genoeg om je in geval van nood

als wapen te kunnen dienen.”

Raffles had reeds in de slede plaats genomen en Charly had de teugels

van het driespan gegrepen.

De majoor had met de grootste verbazing de klanken van de vreemde taal

opgevangen en barstte nu uit:

„Engelschen! Nu begrijp ik er heelemaal niets meer van!”

„Dat is ook volstrekt niet noodig, majoor!” hernam Raffles kortaf. „Het

is ruimschoots voldoende als wij het begrijpen. Wees zoo goed naar den

oever van de rivier te loopen en beschouw mijn metgezel, die een hoofd

boven u uitsteekt, ofschoon gij niet tot de kleinsten behoort, als uw

cipier! Ik zou u niet raden, hem te weerstreven, want hij zou u kunnen

verpletteren als een vlieg. Wij hopen spoedig terug te zijn en dan

zullen wij u weder de vrijheid hergeven, tenminste wanneer wij er in

kunnen slagen de telegrafische verbinding te verbreken met een andere

stad, als die verbinding bestaat, wat ik betwijfel.”

En zonder zich verder om de beide Russen te bekommeren, riep hij Charly

toe:

„Vooruit!”

De slede zette haar tocht over de bevroren oppervlakte van de rivier

voort en een kwartier later ongeveer had zij Kusina bereikt.

Terwijl Charly op zijn plaats bleef zitten, stapte Raffles uit de

slede, beklom de treden, die naar den hier tamelijk hoogen oever

voerden en stond toen aan het begin van een smalle straat, zoo volkomen

donker, als een Russische straat maar bij mogelijkheid zijn kan.

Op goed geluk liep hij de straat teneinde en bereikte eenige minuten

later het kleine marktplein.

Daar zag hij licht in een huis en daar er ruwe stemmen naar buiten

klonken en de brokstukken van een revolutionnair liedje, begreep hij

aanstonds dat hij op het goede spoor was.

Zonder zich een oogenblik te bedenken trad hij op het huis toe en

bonkend dreunde zijn vuist op de deur.

Onmiddellijk werd het daarbinnen muisstil, een oogenblik daarna werd de

deur geopend door een soldaat van de roode garde, gewapend met een

lantaarn, waarvan hij het schijnsel op den man daarbuiten liet vallen.

Daar Raffles de voorzorg had genomen vlug een dichten, valschen baard

om te hangen, geleek hij al zeer veel op een militair van hoogen rang.

En hoe Bolsjewistisch de man met de lantaarn ook mocht zijn, hij ging

bij het zien van de kolbak van wit geitenvel en van de militaire pels

onmiddellijk in de houding staan, en stotterde:

„Neem mij niet kwalijk, kameraad majoor! Wij wisten niet dat er nog zoo

laat....”

„Het is goed!” viel Raffles hem op barschen toon in de rede. „Breng mij

bij den officier van dienst!”

„De hoogste in rang is kameraad sergeant!”

„Breng hem dan hier!”

De roode gardist ging heen en keerde een oogenblik later terug met een

sergeant, die tamelijk onder den indruk van sterken drank was, en den

majoor vragend aanstaarde.

Raffles haalde zijn papieren te voorschijn en beval:

„Lees!”

De sergeant las het bevelschrift door, gaf de papieren terug en zeide:

„Wilt gij den gevangene nog hedennacht overbrengen, kameraad majoor?”

„Onmiddellijk! Breng mij naar zijn gevangenis!”

„Dat hoeft niet, hij is in dit huis!” riep de sergeant uit. „Hij slaapt

nu.”

„Laat hem onmiddellijk opstaan, hij moet mij volgen!”

De sergeant verdween en tien minuten later keerde hij terug met een man

van omstreeks vijf en dertig jaar, wiens bleek fijn geteekend gelaat

maar al te duidelijk de kenteekenen droeg van bitter lichamelijk en

geestelijk lijden.

Hij keek den majoor even aan en vroeg toonloos:

„Waartoe dit nachtelijke vertrek? Wat wilt gij met mij doen? Is het

einde reeds nabij?”

„Dat zult gij wel merken, als het tijd is!” antwoordde de gewaande

majoor op ruwen toon.

Hij wendde zich tot den sergeant en vervolgde:

„Boeit hem! Ik ben maar alleen en ik heb geen lust hem voortdurend in

het oog te moeten houden!”

In een oogenblik waren Stijkof de boeien aangedaan en daarop ging hij

met gebogen hoofd, begeleid door twee soldaten en den gewaanden majoor

naar de plek, waar de slede wachtte.

Een oogenblik later gleed het voertuig over de gladde oppervlakte in de

duisternis weg.

En nauwelijks had men de laatste huizen uit het oog verloren, of

Raffles boog zich naar zijn gevangene over, keek hem glimlachend aan en

vroeg:

„Verstaat gij Engelsch?”

„Of ik Engelsch versta?” vroeg Stijkof met groote oogen van verbazing,

terwijl hij zijn gelaat langzaam naar zijn metgezel toewendde. „Wat

beteekent die vraag?”

„Ik wilde u slechts verzoeken, mij uw handen toe te steken!” zeide

Raffles in het Engelsch.

Ondanks zichzelf gehoorzaamde graaf Stijkof, en het volgende oogenblik

had Raffles het slot van de boeien geopend, die rinkelend op den bodem

van de slede vielen.

Graaf Stijkof slaakte een kreet van verbazing en greep de handen van

Raffles, terwijl hij uitriep:

„Maar wie zijt gij dan toch? Zijt gij geen Rus? Behoort gij niet tot de

rooden?”

„Ik ben een Engelschman, graaf, en dit hier is ongeveer mijn eigen

gelaat!” antwoordde Raffles, terwijl hij met een vlugge beweging den

kolbak afzette en zich van den valschen baard ontdeed.

En nu zette hij den graaf in enkele woorden, zonder echter zijn ware

identiteit te verraden, uiteen hoe het mogelijk was, dat hij thans hier

vertoefde en op welke wijze hij ontdekt had, dat graaf Stijkof hier

gevangen werd gehouden.

Half versuft van verbazing had Stijkof toegeluisterd en toen Raffles

met zijn verhaal gereed was, stamelde hij:

„Het is mij of ik nog droom! Alles wat gij daar zegt, klinkt bijna

ongeloofelijk. Gij waart dus nog geen zeven uur geleden te Londen?”

„Zeven uur en twintig minuten, graaf!”

„Maar wie zijt gij dan toch, dat gij dat wonder hebt kunnen

verrichten?”

„Laten wij voorloopig aannemen, dat ik een particulier detective ben,

die alles louter voor zijn vermaak deed.”

„Het klinkt mij nog steeds alsof ik een sprookje hoor!” hernam graaf

Stijkof hoofdschuddend. „En toch weet ik dat het werkelijkheid is. O,

mocht mijn lieve vrouw dit weten! Mocht ik er in slagen haar terug te

vinden. Wist ik maar waar zij verbleef!”

„Ik weet het, graaf, zij vertoeft met haar kindje in Soswinskoje en wij

gaan er aanstonds heen.”

„Is dat zeker, mijnheer?” riep graaf Stijkof uit, bijna bezwijkend

onder den last van al deze plotselinge indrukken.

„Het is zeker, graaf!” antwoordde Raffles. „Maar hier zijn wij aan het

voorloopige doel van onzen tocht. Wees zoo goed om uit te stappen.”

Stijkof gehoorzaamde en terwijl Charly op de paarden paste, beklommen

de beide mannen den oever en liepen haastig op het groepje toe, hetwelk

zich bij de vliegmachine in de sneeuw had neergevlijd.

Raffles wendde zich tot den majoor en den voerman van de slede en zeide

glimlachend:

„Mijnheer, gij zijt vrij! Gij kunt gaan, waarheen gij wilt, want ik heb

gemerkt, dat er hier geen telegraaf en ook geen telefoon is, terwijl

gij minstens anderhalven dag met de snelste slede verwijderd zijt van

een stad, waar men wel over zulke moderne hulpmiddelen beschikt. Mij

dunkt, dat ik u zeer schappelijk behandel. Uw slede wacht daar beneden

op het ijs, hier zijn uw papieren en gij hebt niets anders te doen dan

naar Kusina te vertrekken en wij wenschen u een goede nachtrust toe.”

De majoor wierp een woesten blik op den bevrijden graaf, maar hij

begreep wel, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken en daarom

verwijderde hij zich haastig met zijn voerman naar de plek waar de

slede op het ijs wachtte.

Even later klonk het gerinkel van de sledebelletjes opnieuw, dat zich

thans verwijderde en op hetzelfde oogenblik kwam Charly Brand te

voorschijn.

Henderson en Charly werden aan Stijkof voorgesteld als „mijn beide

helpers” en daarop begaven zij zich aanstonds aan boord van het

vliegtuig, dat enkele minuten later, nadat allen haastig iets genuttigd

hadden, opnieuw opsteeg.

Een half uur later zweefde de vliegmachine boven Soswinskoje en landde

onder gelijksoortige omstandigheden als bij het stadje Kusina. Ook hier

een geheel bevroren rivier, ook hier een hard bevroren laag sneeuw van

bijna een meter dikte, ook hier een kleine stad, niet veel meer dan een

dorp, geheel in duisternis gedompeld.

Daar Raffles nog steeds in het bezit was van de majoorsuniform, besloot

hij geheel alleen het dorp in te gaan, daar het aanbreken van den dag

af te wachten en vervolgens onderzoek te doen naar de verblijfplaats

van de gravin Stijkof, welke hij zeker gemakkelijk zou kunnen

ontdekken, daar de verblijfplaats van zulk een gevangene waarschijnlijk

aan alle inwoners bekend was.

In de grootste spanning wachtte graaf Stijkof en Charly de terugkomst

van Raffles af, die in gezelschap van Henderson, behoorlijk vermomd, te

voet over het ijs van de rivier naar de stad was getogen.

Het was ongeveer half acht in den morgen en de zon was nauwelijks boven

de kim verschenen, toen er in vliegende vaart een met drie paarden

bespannen slede van het stadje naderde.

Charly, die het voertuig het eerst gezien had, bracht snel een kijker

voor het oog, en schreeuwde opgewonden:

„Daar komen zij aan, graaf! Maar zij worden achtervolgd. De vlucht

schijnt te zijn ontdekt! Kom, laten wij ons inschepen en den motor in

beweging brengen!”

Haastig klommen de twee mannen in het schuitje en Charly bracht den

motor opgang, terwijl de graaf met kloppend hart naar de naderende

slede tuurde, waarvan de paarden werden opgezweept door den man, wiens

reusachtige lichaamsbouw zoo zeer zijn bewondering had opgewekt.

Nauwelijks een paar honderd meter achter de eerste slede snelde een

tweede over de vlakte en het zou niet lang duren, of de vluchtelingen

zouden worden ingehaald.

Snel besloten greep Charly een der geweren, laadde het en mikte zeer

zorgvuldig op een der paarden van de tweede slede, van waaruit hij

reeds hoorde schieten.

Hij drukte af, het middelste paard maakte een geweldigen sprong en viel

toen in de sneeuw neder, het vandehandsche paard met zich mederukkend.

Terwijl de eerste slede in vliegende vaart bleef voortsnellen, stegen

een paar soldaten uit het tweede voertuig, die de strengen van het

zwaargewonde paard doorsneden en het gevallen trekdier weder op de been

hielpen, maar met dat alles ging veel tijd verloren en tot overmaat van

ramp scheen het gevallen paard een poot te hebben gebroken, tenminste

de achtervolgers schenen de pogingen op te geven en bekommerden zich

niet meer om de vluchtelingen.

Nog enkele seconden, de snuivende paarden stonden stil en uit de slede

stapten een jonge vrouw, die zeer schoon was, en een aanvallig meisje

van een jaar of zeven, die op de vliegmachine toeijlden.

Lord Lister No. 0382: De agent van Lenin · 第 4 / 5 段