„Wat zou er met mij gebeuren, denkt gij?”
„Wel, ik heb eerst gemeend, dat men u eenvoudig het land zou uitzetten,
maar bij nader inzien geloof ik toch niet, dat gij er daarmee zult
afkomen. Volgens onze nieuwe wetten op het verwekken van revolutie zal
men u denkelijk eenige jaren achter slot en grendel sluiten.”
Weer boog Bogowitsj het hoofd en geruimen tijd sprak hij niet.
Toen hij den inspecteur opnieuw aankeek, schitterden zijn zwarte oogen
van wraakzucht.
„Luister eens,” begon hij. „Gij hebt mij nu gearresteerd, maar daarmede
is nog niet alles gezegd. Gij hebt de papieren in de geheime afdeeling
van de cassette gevonden en daaruit hebt gij kunnen zien, dat de ware
graaf Stijkof, wiens papieren wij ten algemeenen nutte hebben
onteigend, in onze macht is evenals zijn vrouw en zijn kind. Welnu, als
gij dan niet wilt luisteren naar den klank van het goud, zoo zult gij
toch misschien wel ooren hebben voor de geboden der menschelijkheid,
waarmede gij Engelschen steeds te koop loopt.”
„Wat wilt gij zeggen?” vroeg de inspecteur met gefronste wenkbrauwen.
„Dat zult gij hooren! Gij zult mij wel goed bespionneerd hebben en weet
dus, dat mijn helper, of mijn secretaris als gij wilt, zich reeds
eenige uren geleden naar een andere stad heeft begeven....”
„Naar Dover!” viel de inspecteur hem kalm in de rede.
„Ah, dat weet gij ook?” vroeg de Bolsjewist met een zuurzoet lachje.
„Mijn complimenten! Uwe politie is bijna zoo goed als onze vroegere
Ochrana. Nu dan, ik had mij reeds vanmiddag bij hem moeten voegen. Als
ik wegblijf, zal hij dadelijk vermoeden, dat er iets niet in orde is.
Maar nu hebben wij de afspraak gemaakt, dat graaf Stijkof met zijn
leven zal boeten voor alle straffen, welke men een onzer hier zou mogen
opleggen. Gij begrijpt de beteekenis daar van wel? Ik heb mijzelf een
speling van twee etmalen gegeven.
„Hoort men in acht en veertig uur niets van mij te Dover, dan gaat er
een telegram in geheime code langs een omweg naar Moskou en een paar
uur daarna heeft graaf Stijkof opgehouden te leven. Wat dunkt u
daarvan?”
„Wat zou ik er van zeggen?” vroeg de inspecteur met een minachtend
schouderophalen. „Dat alles is uwer waardig! Wat zou men van u lieden
anders kunnen verwachten? Bloeddorst schijnt met uwe beginselen,
waarmede gij de wereld gelukkig wilt maken, nu eenmaal onafscheidelijk
verbonden te zijn.”
„Oog om oog en tand om tand; het is een oeroude wet!” zeide de Rus op
heeschen toon.
„Ja, en alle menschen zijn broeders!” riep de inspecteur op snijdenden
toon. „Dat leeraart gij tenminste zelf. Maar voor u zijn alleen de
overtuigingsgenooten menschen, de overige mogen naar de hel gaan. Wel,
mijnheer Bogowitsj, dat hebt gij dan heel mooi bedacht! Dus als Biridef
niets van u verneemt en zijn telegrammen naar uw hotel te Londen
onbeantwoord blijven, dan wordt graaf Stijkof ergens in Rusland
afgemaakt?”
„Zoo is het!”
„Prachtig! Maar gij hebt een ding vergeten. Ik weet namelijk uit uw
papieren, waar de verblijfplaats van den graaf is. En ook ken ik die
van zijn rampzalige vrouw en van zijn kind.”
Bogowitsj haalde de schouders op en liet een schamper lachje hooren.
„En wat zou het u baten, dat gij die verblijfplaats kent?” riep hij
uit. „Alle drie vertoeven zij in Siberië en geen vreemdeling kan daar
doordringen. En al was dat mogelijk, dan zouden er toch weken en
nogmaals weken mede gemoeid zijn, aangenomen, dat men Rusland zou
kunnen binnenkomen zonder toestemming van de Sovjet-autoriteiten. Neen,
als Biridef zijn telegram verzendt, dan is het lot van graaf Stijkof
beslist!”
„Neen!” riep de inspecteur met vaste stem uit. „Want er bestaat iemand,
die zich niet stoort aan landsgrenzen of Sovjet-autoriteiten! Er is
iemand, voor wien afstand geen zin heeft, er is iemand, die den weg tot
in het hartje van Siberië binnen twaalf uur kan afleggen. Die heet John
Raffles! Hij zal graaf Stijkof en zijn ongelukkige vrouw bevrijden....
en hij zit tegenover u!”
HOOFDSTUK VI.
NAAR SIBERIË!
Het is onmogelijk den indruk te beschrijven, welken deze woorden op den
Bolsjewist maakten.
Hij liet zich achterover in de kussens vallen en staarde den Grooten
Onbekende aan, alsof hij een geestverschijning zag.
Geruimen tijd bleef het stil in het binnenste van de auto en pas
langzamerhand scheen Bogowitsj tot het besef van zijn toestand te
komen.
Hij boog het hoofd en zijn blikken bleven eenige oogenblikken rusten op
de stalen boeien, die nog altijd zijn polsen omsloten hielden.
Toen keek hij beurtelings Raffles en Henderson, want de zoogenaamde
rechercheur was niemand anders dan de trouwe chauffeur van den
stoutmoedigen Gentleman-Inbreker, aan alsof hij nog altijd twijfelde
aan de betrouwbaarheid van zijn zintuigen.
Maar eensklaps zwollen de aderen aan zijn slapen, zijn oogen kregen een
woeste uitdrukking en hij barstte uit:
„Wilt gij zeggen, dat deze geheele arrestatie een comedie is geweest,
dat gij volstrekt niets met de politie te maken hebt?”
„Op dat laatste zou ik niet onvoorwaardelijk bevestigend kunnen
antwoorden, mijnheer Bogowitsj,” antwoordde Raffles glimlachend. „Ik
heb integendeel nog al eens het een en ander met de politie uitstaande
gehad, al is dat dan niet in de beteekenis, die gij daaraan hecht. Maar
wat het eerste deel van uw vraag betreft, daarop kan ik volmondig
bevestigend antwoorden.”
„Dus, gij zijt werkelijk de man van wien wij zelfs in Rusland hebben
hooren gewagen? Dien wij meenden aan onze zijde te hebben?”
„Ik ben John Raffles, maar gij vergist u deerlijk als gij ooit gemeend
hebt, dat ik de partij zou kiezen van lieden, die hunne beginselen
slechts door moord, brandstichting en geweld ingang schijnen te kunnen
doen vinden, die de intellectuelen hardnekkig vervolgen, evenals de
kunstenaars, zonder welke groepen een menschwaardig bestaan eenvoudig
ondenkbaar is; die nog altijd aansporen tot het vreeselijke terrorisme,
als zij daar slechts hun doel mee kunnen bereiken, de nivelleering van
het geheele bestaan, de gelijkmaking van alle menschen, als het kan ook
geestelijk, dat wil zeggen de monsterachtigste misvorming van de
geheele maatschappij.”
„Gij zijt dus onze vijand?”
„Ik ben de vijand van alles, wat met geweld en ten koste van duizenden
menschenlevens een denkbeeld wil doen zegevieren. Als gij soms denkt,
dat dit hetzelfde is als een vijand te zijn van een groot aantal
maatschappelijke hervormingen, dan moet gij dat zelf maar weten. Maar
voor het oogenblik ben ik voor u en uws gelijken in ieder geval een
vijand.”
„En, wat hebt gij met mij persoonlijk voor?”
„Ik heb nog geen vaste plannen daaromtrent, maar ik vermoed welhaast,
dat ik u, zoodra ik gedaan heb, wat ik u zooeven mededeelde, eenvoudig
aan de politie zal overleveren.”
„Maar gij hebt zooeven geraaskald,” riep Bogowitsj uit. „Denkt gij met
een gek of met een kind te doen te hebben? Wilt gij mij wijsmaken, dat
gij in dien korten tijd van twee etmalen graaf Stijkof kunt bereiken?”
„Ik heb niet gesproken van twee etmalen, ik heb gesproken van twaalf
uren, en daarbij blijf ik,” gaf Raffles kalm ten antwoord.
„Maar dat is volkomen onmogelijk!” riep Bogowitsj uit.
„Voor John Raffles is het niet onmogelijk, mijnheer Bogowitsj,” hernam
Raffles rustig. „Ik beschik over middelen, waarvan gij u volstrekt geen
denkbeeld kunt vormen, maar die ik mij niet gedrongen voel u nader
uiteen te zetten. Laat het u genoeg zijn, als ik u op mijn woord van
eer verzeker, dat ik, natuurlijk behoudens onvoorziene ongelukken,
binnen twaalf uren van Londen naar onverschillig welke stad in Siberië
kan reizen.”
Bogowitsj keek Raffles een oogenblik onderzoekend aan, maar hij zag op
het vastberaden gelaat niets dan onversaagde vastbeslotenheid en geen
zweem van spotternij.
„Het is dus waar,” mompelde hij half voor zich heen, „dat gij, zooals
men zegt, beschikt over middelen, machtiger dan die ooit ten dienste
stonden aan een sterfelijk mensch.”
„Ik geloof te mogen zeggen, dat dit inderdaad zoo is,” gaf Raffles
bedaard ten antwoord.
„Welnu, dan wil ik aannemen, dat gij geen grootspreker zijt, en dat gij
inderdaad de kans ziet binnen twaalf uren geheel Europa in zijn
grootste breedte en bovendien een stuk van Siberië over te vliegen,
want gij hebt niet met een ezel te doen, ik heb natuurlijk aanstonds
begrepen, dat een vliegmachine het eenige vervoermiddel kan zijn,
waarmede gij die daad kunt volbrengen. Maar daarmee is niet alles
afgeloopen. Gij zult tot graaf Stijkof moeten doordringen en gij zult
spoedig genoeg tot de ontdekking komen, dat dit zelfs voor een man als
John Raffles bovenmenschelijk moeilijk, zoo niet onmogelijk is.”
„Ik heb u reeds gezegd, mijnheer Bogowitsj, dat het woord onmogelijk in
mijn woordenboek geen plaats vindt,” hernam Raffles schouderophalend.
„Ik wil aannemen, dat de ongelukkige graaf zeer streng bewaakt wordt
mijnentwege door een halve compagnie soldaten en ik geef toe, dat de
mannen, die hem willen bevrijden slechts drie in getal zijn, en toch
zeg ik u, dat wij den ongelukkige zullen weten te bereiken. Gij kent
mij nog niet, als gij daaraan zoudt twijfelen. En hetzelfde geldt
natuurlijk voor zijn beklagenswaardige vrouw en zijn kind!”
Bogowitsj bleef Raffles eenige oogenblikken in gedachten verzonken
aanstaren. Toen hernam hij op een toon van oprechte spijt:
„Hoe jammer is het, dat een man als gij onze tegenstander moet zijn!
Ja, waarlijk, ik geloof, dat gij kunt doen wat gij u hebt voorgenomen.
Met u in onze gelederen zouden wij de wereld uit haar voegen kunnen
lichten!”
En hij vervolgde:
„Zeg mij nu eens waar gij mij heen brengt, nu ik niet naar het
politiebureau word gebracht.”
„Gij zult naar een van mijn buitenverblijven worden gebracht,
Bogowitsj, en daar zal ik wel genoodzaakt zijn u een paar dagen
opgesloten te houden. Ik kan trouwens volstrekt niet zeggen, dat het
mij leed doet. Ik beschouw u als een gevaarlijke vijand, niet alleen
van mijn eigen volk, maar van de geheele menschheid. Ik wil toegeven,
dat er in uw beginselen wellicht een kern schuilt van
menschlievendheid, want gij wilt de schreeuwende ongelijkheid tusschen
de menschen opheffen. Maar de wijze, waarop gij allen behandelt, die u
niet blindelings gehoorzaam zijn, stuit mij tegen de borst, en uw
terrorisme verschilt in wezen volstrekt niets van die, welke tijdens
het bewind van de Romanoffs over het rampzalige Russische volk werd
uitgeoefend.”
Terwijl dit gesprek gevoerd werd, was langzamerhand de duisternis
ingetreden, want reeds was de auto uren onderweg en men naderde de
grens van de ontzaglijk groote wereldstad.
Hier en daar werden de lantaarns reeds ontstoken.
Weer bleef het geruimen tijd stil.
Bogowitsj zat in gedachten verdiept en Raffles, die in de harten der
menschen scheen te kunnen lezen, zeide na eenigen tijd glimlachend:
„Ik meen te weten, wat u thans bezig houdt, Bogowitsj. Reeds nu peinst
gij over de middelen om uw vrijheid te herwinnen en mijn plannen te
dwarsboomen. Ik zie aan uw half verbaasden, half verschrikten blik, dat
ik goed geraden heb. Laat ik u echter aanstonds zeggen, dat iedere
poging om te ontvluchten van te voren tot mislukking gedoemd is. John
Raffles neemt zijn maatregelen nooit half. Wij zullen aanstonds de
gordijntjes voor de ramen laten vallen, zoodat het u onmogelijk zal
zijn te zien waar wij u brengen en wat de plaats betreft, waar wij u
gevangen zullen houden, gij zoudt even goed kunnen trachten uit de safe
van de Engelsche Bank te kunnen ontsnappen, dan van die plek!”.
„En wat denkt gij wel met mijn secretaris te doen?” vroeg Bogowitsj.
„O, maak u niet bezorgd over hem!” antwoordde Raffles. „Hij is voor het
oogenblik onschadelijk en hij kan blijven waar hij is. Misschien ruikt
hij onraad, maar dan is graaf Stijkof reeds bevrijd. Krijg ik hem in
handen, door dat de onvoorzichtige zich bloot geeft, dan zal ook hij
met de politie kennis maken. Hij is niet minder gevaarlijk dan gij en
hoe meer Bolsjewisten hier onschadelijk gemaakt worden, hoe beter het
voor ons allen is!”
„En mijn geld en mijn juweelen?”
„Hoe kunt gij daar nog naar vragen!” riep Raffles schouderophalend uit.
„Het spreekt vanzelf, dat ik die confisceer! Als gij over mij hebt
hooren spreken, dan weet gij ook wat mijn beroep is, meer behoef ik er
zeker niet van te zeggen.”
Terwijl Raffles dit zeide, had hij met een vlugge beweging door een
kleinen hefboom over te halen de gordijnen voor de beide portierramen,
zoowel als voor de voorruit laten vallen.
Tegelijkertijd begon een plafondlamp te gloeien die het binnenste van
de auto helder verlichtte.
Vervolgens begonnen Raffles en Henderson eenigen tijd met elkander te
spreken in een taal, waarvan Bogowitsj volstrekt niets begreep en dat
was ook geen wonder, want het was een taal door Raffles bedacht en
alleen begrijpelijk voor hem en zijn beide trouwe metgezellen, Charly
Brand en James Henderson.
Nog bijna een vol uur duurde de rit en Bogowitsj kon nu alleen
bemerken, dat de auto Londen reeds lang verlaten moest hebben, want hij
hoorde niets meer van het stadsrumoer en uit het knisteren onder de
wielen van het grind leidde hij af, dat de auto zich over een landweg
voortbewoog.
Er werd zoo goed als niet meer gesproken en de Bolsjewist scheen zich
in zijn lot te hebben geschikt.
Misschien hoopte hij, dat Biridef, zijn helper, reeds aanstonds argwaan
zou krijgen en door het geheime telegram zijn overtuigingsgenooten te
Moskou zou waarschuwen. Hij moest echter erkennen, dat deze
mogelijkheid niet zeer groot was en dat hij er maar niet al te zeer
rekening mee moest houden.
Juist toen hij tot deze weinig bemoedigende slotsom was gekomen, stond
de auto stil. Bijna op hetzelfde oogenblik ging het portier open,
Henderson vatte den Rus bij den arm en duwde hem de auto uit.
Zoo snel werd de Rus medegetrokken, dat hij nauwelijks den tijd had bij
zichzelf de opmerking te maken, dat men hem naar een niet al te groot
landhuis bracht, dat op eenige meters afstand van den weg was gelegen.
Een oogenblik dacht hij er aan, luide te schreeuwen, maar hij bedacht
bijtijds, dat dit om verschillende redenen geen doel had.
Ten eerste zou men hem hoogstwaarschijnlijk niet eens hooren, daar de
streek zeer eenzaam scheen te zijn en al zou men dat wel doen, dan zou
het zijn toestand toch zeker niet verbeteren, want Raffles zou
natuurlijk niet nalaten, aanstonds zijn waren aard bekend te maken.
Hij had trouwens volstrekt geen tijd om een besluit te nemen, want
reeds zag hij zich een gang binnen voeren en daar viel ook de zware
buitendeur achter hem in het slot.
Een onzeker lichtje schemerde; hij werd een trap afgevoerd met
hardsteenen treden, een zware ijzeren deur naar beneden draaide op haar
hengsels en eindelijk trad hij een soort keldergewelf binnen. Hij zag
nu ook voor het eerst den chauffeur, een man met vuurrood haar en een
stekeligen baard van dezelfde kleur.
Raffles maakte licht en een helder schijnsel, afkomstig van twee
electrische lampen aan de zoldering verspreidden hun schijnsel in een
ruimen kelder.
Waarschijnlijk had Raffles het zijn gevangene zoo aangenaam mogelijk
willen maken, want er stond een gemakkelijk bed, er bevond zich een
sofa en voorts was de kelder voorzien van een dik kleed op de steenen,
een kleinen electrischen haard, een tafel en eenige gemakkelijke
stoelen, en zelfs een paar van de beste boeken van Tolstoi, Dostojewsky
en andere Russische schrijvers waren niet vergeten.
Raffles keek zijn gevangene even strak aan en sprak toen:
„Gij zult moeten toegeven, dat het voor een gevangenis, waarin gij
slechts een paar dagen zult vertoeven, niet zoo kwaad is! Maar ik
herhaal u, dat gij volstrekt niet behoeft te pogen, hier uit te
ontvluchten! Lucifers zult gij hier niet vinden, gij zult dus geen
brand kunnen stichten! Uw ledikant is van hout en de ijzerdeelen er van
kunnen u tot niets van nut zijn, de zware ijzeren deur is gesloten met
een slot, dat alleen van de buitenzijde te openen is, en verder met een
drietal zeer zware grendels, de muren zijn een halven meter dik en hier
in het vertrek is volstrekt niets, waarmede gij de steenen zoudt kunnen
aantasten, vensters zijn er niet zooals gij ziet, en er vallen dus ook
geen tralies door te vijlen. En zelfs al zoudt gij er in slagen, deze
deur te openen, of door den dikken muur heen te graven, dan zou een
zelfde arbeid u nogmaals wachten boven aan de trap. Wees dus
verstandig, schik u in uw lot, kort u den tijd met lezen en bedenk, dat
wij slechts een paar dagen zullen wegblijven. Wat uw voedsel betreft,
in deze kleine muurkast vindt gij brood, koud vleesch, flesschen melk
en andere eetwaren, genoeg voor twee weken. Als gij iets wilt warmen,
kunt gij dat op den electrischen haard doen, die dag en nacht blijft
branden.”
Raffles gaf zijn gevangene nog eenige aanwijzingen, ontdeed hem van
zijn boeien en daarop verlieten de drie mannen de cel, zonder dat
Bogowitsj een enkel woord gesproken had.
De deur werd gesloten en de grendels werden er voor geschoven en deze
bewerking werd nog eens herhaald met de deur, die zich boven aan de
keldertrap bevond.
Raffles hield zijn kleine electrische zaklantaarn bij zijn horloge en
zag dat het vier uur in den middag was.
„Laten wij op weg gaan,” zeide hij met gedempte stem. „Is alles in
orde, Henderson?”
„Alles, Mylord,” antwoordde de reus. „Ik heb de „Duivel der lucht”
grondig nagezien en de electromotor werkt onberispelijk. Er zijn
pelsen, geweren, levensmiddelen, kaarten en munitie ingepakt, zooals
gij mij bevolen hebt en dan nog de kist met kleederen, Russische
uniformen en zoo meer, welke mijnheer Brand heeft uitgezocht.”
„Prachtig! Laten wij dan spoedig vertrekken, want het is niet
onmogelijk, dat wij er nog dezen nacht in slagen, dien ongelukkigen
graaf Stijkof te bevrijden.”
Zoo snel zij konden verlieten de drie mannen het huis, dat inderdaad
zeer afgelegen was en stapten weder in de auto, welke ditmaal door
Henderson bestuurd werd.
Een afstand van ongeveer vijf en twintig kilometer scheidde de drie
mannen op dat oogenblik van het vliegveld, waar de talrijke loodsen
stonden, die de machines van een aantal schatrijke sportvliegers
bevatten.
Dat was voor Henderson natuurlijk een peulschilletje!
Zoodra de auto zich in beweging had gesteld begon Charly Brand:
„Geloof je werkelijk, dat het te doen is, Edward?”
„Ja, tenminste wanneer er niets onvoorziens gebeurt!” antwoordde
Raffles.
„Waar is de graaf ergens?”
„Hij wordt gevangen gehouden in het dorp Kusina, dat niet ver van de
Russische grens in Siberië is gelegen op den linker oever van de Loswa.
Zijn arme vrouw is, tenminste als de papieren niet liegen, die ik
gevonden heb, met haar kind op dit oogenblik in het stadje Soswinskoje,
op den rechteroever van de Sijgwa gelegen, bijna twee honderd kilometer
van het dorp, dat ik je zooeven noemde.”
„Maar dat is geen bagatel, Edward” riep Charly uit.
„Een bagatel voor een voortreffelijke auto, die langs goed gebaande
wegen rijdt, en in het geheel niets voor mijn vliegmachine, mijn
waarde,” zeide Raffles glimlachend, „maar een ontzaggelijke afstand in
een land als Siberië met zijn zeer weinige verkeerswegen, zijn
onherbergzame steppen, zijn schaarsche bevolking, en in dit jaargetijde
zijn meestal hooge sneeuw!”
„Hoeveel bedraagt de afstand van Londen naar Kusina?” vroeg Charly na
eenigen tijd.
„In rechte lijn omstreeks drie duizend kilometer, Charly. En daar de
„Duivel der lucht” vijf honderd, kilometer per uur kan afleggen, zouden
wij, strikt genomen, aan zes uur genoeg hebben om den overtocht te
doen; ik heb echter dubbel zoveel gerekend, omdat wij steeds met
tegenslagen rekening moeten houden.”
De beide mannen spraken nog eenigen tijd over hun reis door en toen
reed de auto het hek binnen, dat rondom het vliegveld geplaatst was en
waar een portier de wacht hield.
Raffles noemde den naam, onder welken hij hier een loods gehuurd had en
eenige oogenblikken later was de wonderlijke vliegmachine, die aan het
brein van den Grooten Onbekende ontsproten was en die door
electriciteit werd voortbewogen, naar buiten gerold.
De „Duivel der lucht”, van bijzonder fraaien vorm, was geheel uit
aluminium vervaardigd en kon zes personen vervoeren, wanneer het moest
zelfs acht, maar dan moest men alle bagage derven.
Henderson bleek reeds alles wat er noodig was voor de onderneming,
keurig te hebben opgeborgen in een soort kleine roef, die zich achter
de bestuurdersplaats bevond en waarvan men desgewenscht het dak kon
terug schuiven, en de drie mannen behoefden niets anders te doen dan de
pelsen aan te trekken, en zich in te schepen.
Een paar mecaniciens keken toe, niet goed begrijpend, hoe mijnheer de
graaf er lust in kon hebben, bij deze zwarte duisternis en met deze
felle koude op te stijgen.
Een ruk aan een kleinen hefboom, de schroef begon met groote snelheid
te draaien en als het ware met een sprong verhief de vliegmachine zich
van den grond en steeg in den avondhemel omhoog.
Binnen enkele minuten had de „Duivel der lucht” een hoogte van bijna
twee duizend meter bereikt, de tocht naar Siberië had een aanvang
genomen.
HOOFDSTUK VII.
IN HET HOL VAN DEN LEEUW.
Daar Raffles besloten was, den kortsten weg te nemen, volgde hij de
rechte lijn, die hem over Nederland, het Noorden van Duitschland, Polen
en Rusland naar het einddoel van de reis zou voeren.
Daar het volstrekt onmogelijk was, de bekende steden als richtsnoer te
nemen, moest Raffles wel van het compas gebruik maken, dat helder
verlicht werd door een kleine electrische lamp, die tevens haar
schijnsel wierp op de voortreffelijke kaart, die, door glas beschermd,
voor de bestuurdersplaats was bevestigd.
De vliegmachine was nog nauwelijks over Londen gevlogen, of de snelheid
was zoo ontzaggelijk groot, dat het volkomen onmogelijk zou geweest
zijn, hierboven adem te halen, wanneer de luchtreizigers niet beschermd
waren geweest door den schuinen opstaanden rand van het schuitje, in
den vorm van een voorsteven.
In ongeloofelijk korten tijd was de „Duivel der lucht” over de Noordzee
gevlogen, het was nog geen vijf uur, toen reeds de lichten van
Rotterdam aan den horizon als een veilig baken in zee opdoemden.
Over Utrecht, Zutfen en Enschede vloog de machine en deze afstand van
bijna twee honderd kilometer werd in vijf en twintig minuten afgelegd.
Zooals gewoonlijk had Raffles een zorgvuldige berekening gemaakt van de
tijdstippen, waarop hij de verschillende groote plaatsen moest
passeeren en dit gaf hem een goede aanwijzing, of hij de goede route
volgde en niet al te zeer links of rechts afweek, of minder dan vijf
honderd kilometer per uur aflegde.
In den donkeren nacht werd de tocht voortgezet over Osnabrück,
Hannover, Brandenburg, en omstreeks kwart over zessen kwam Berlijn in
het zicht, kenbaar als een zee van licht.
Op een hoogte van ongeveer duizend meter zweefde de „Duivel der lucht”
met onverminderde vaart en met gedoofd zoeklicht over de wereldstad,
die daar diep beneden het vliegtuig met razende snelheid voorbijschoof,
en zonder ophouden ging het weder verder, in de richting van de
Russische grens.
Een weinig ten Noorden van de vesting Posen hield Raffles aan, op wat
vroeger de grens was tusschen het Duitsche rijk en Polen.
De tocht werd nu voortgezet over een dicht bevolkte streek en
onophoudelijk doemden hier en daar de lichten op van nieuwe steden en
dorpen.
Nu en dan wisselden Raffles en Charly, die naast elkander gezeten
waren, een paar woorden, terwijl Henderson achter hun rug bezig was,
met behulp van zijn kleinen electrischen oven het middagmaal te
bereiden, dat zou bestaan uit een gebraden eend, wat brood, en een paar
handen vol druiven, met een kopje geurige koffie toe, want zelfs dien
drank wist de reus aan boord van het ranke zweeftuig voortreffelijk te
bereiden.
En toen de „Duivel der lucht” reeds in het hartje van Polen was en
Warschau ver in het Zuiden achter zich had gelaten, nuttigden Raffles
en Charly met smaak het middagmaal, terwijl Henderson de
stuurinrichting had overgenomen.