Het was omstreeks vijf dagen nadat Raffles voor het eerst het vertrek

van den Rus had onderzocht en omstreeks tien uur in den morgen, toen

Bogowitsj een der kelners last gaf zijn auto te laten voorkomen.

Een paar seconden later wist Charly, dat Bogowitsj voornemens was uit

te rijden en onmiddellijk zocht hij Raffles op om het dezen mede te

deelen. En hij wist hem nog iets nieuws te zeggen, namelijk, dat de

secretaris van Bogowitsj de rekening voor hen beiden betaald had, want

dat de beide Russen dienzelfden middag een kleine rondreis zouden

beginnen door het Zuiden van Engeland, die vijf dagen zou duren.

Hun kamers bleven aangehouden en de huur ervan zou betaald worden,

zoodat niemand het recht had daar te logeeren gedurende den tijd, dat

Bogowitsj afwezig zou blijven.

Wat Biridef betreft, hij zou vooruit reizen en voor zijn meester en

zichzelf kamers bespreken in een hotel in een der steden van Wales.

Welke, dat wist Charly echter niet mede te deelen, want daaromtrent had

de secretaris zich nog niet uitgelaten.

Daar er echter koffers moesten verzonden worden, zou het Charly

waarschijnlijk niet moeilijk vallen de plaats van bestemming der beide

Russische Bolsjewisten te ontdekken.

Onmiddellijk maakte Raffles zich gereed den Rus te volgen.

Hij begreep wel, dat hij het zonder geld op reis niet zou kunnen

stellen, en reeds het volgende uur zou bewijzen, dat Raffles daarin

goed gezien had....

Hij verliet zoo spoedig hij kon het hotel en liep een zijstraat in,

waar hij wist, dat Henderson hem met onuitputtelijk geduld wachtte

achter het stuurwiel van een der grootste en snelste auto’s.

Hij gaf den braven reus op gedempten toon een kort bevel, stapte in de

auto, die haastig wegreed, liet de beide gordijntjes neer en trok toen

van onder een der banken een breede doos te voorschijn, welke bij

opening een aantal pruiken, valsche baarden, wat geheimzinnige potjes

en fleschjes en verder een paar stellen kleederen bleek te bevatten.

In een oogwenk had Raffles zich ontdaan van zijn witte pruik en zijn

uiterlijk een geheele gedaanteverwisseling doen ondergaan.

Hij zag er nu uit als een soort banklooper en de gelijkenis werd nog

treffender, toen hij uit een andere bergplaats in de groote auto een

groote lederen portefeuille te voorschijn haalde, zooals men die wel

door bankbeambten ziet gebruiken.

Dit alles had zeker geen vijf minuten geduurd en op dat tijdstip stond

de auto reeds weder dicht bij het Hotel Cecil stil, maar thans in een

andere straat dan zooeven.

Raffles had de gordijntjes reeds weder opgehaald en wierp een blik naar

buiten; zoo juist was de maandauto van Bogowitsj voorgereden en daar

kwam hijzelf reeds de trappen van het terras afdalen, terwijl hij zijn

handschoenen dichtknoopte en vergezeld door Biridef, die een lederen

handvalies droeg.

De beide Russen spraken zacht met elkander.

„Zoo, zoo, het schijnt dat Biridef al op reis gaat. Hij lijkt wel een

impresario, die voor een operaster alles van te voren in orde moet

maken.”

Daar Henderson zijn bevelen reeds gekregen had, bleef Raffles rustig

waar hij was en zag toe, hoe de beide Russen instapten, waarop de auto

wegreed.

Henderson had echter eveneens het voertuig goed in het oog gehouden en

begon het nu te volgen.

Na een rit van ongeveer twintig minuten hield de auto stil en toen

Raffles door de voorruit keek, zag hij, dat de wagen van de twee Russen

stilhield voor den breeden, somberen ingang van het Victoria Station.

Hij zag, hoe het portier openging, hoe Biridef uitstapte, met zijn

valies beladen, en daarop Bogowitsj de hand drukte, om ten slotte

haastig in het stationsgebouw te verdwijnen.

Raffles keek even op zijn horloge en bromde voor zich heen:

„Over vijf minuten vertrekt er een trein naar Dublin, onze man maakt

groote haast en zoo zou het mij niet verwonderen, dat hij dien trein

moest halen. Nu, dat is voorloopig van minder belang. Biridef is

voorloopig van het tooneel verdwenen en dat komt mij bijzonder te

stade.”

Intusschen was de auto van Bogowitsj reeds weder verder gereden, om pas

na verloop van omstreeks drie kwartier ten tweede male stil te staan,

thans voor het groote gebouw van de Midland Bank, in Suffolk Road.

In een wip had Raffles zijn plaats in de auto verlaten en stapte uit.

„Wachten tot ik terug kom,” zeide hij op zachten toon tot Henderson.

Het volgende oogenblik was hij in het bankgebouw verdwenen, met zijn

portefeuille onder den arm geklemd, op een paar passen afstands achter

Bogowitsj, dien hij nu niet meer uit het oog wilde verliezen.

De Rus richtte zich zonder links of rechts te zien en als iemand, die

er den weg weet, naar de groote marmeren hall, waar zich de loketten

bevonden, ging deze door en nu opende, nadat hij eenige woorden met den

man gesproken had, de buigende concierge onderdanig het vergulde hek

voor hem, waarop in kleine koperen lettertjes te lezen stond:

„Credietbrieven en deposito’s”.

Door de spijlen van het hek kon Raffles gemakkelijk alles waarnemen,

wat er geschiedde.

Bogowitsj nam plaats in een der gemakkelijke leunstoelen, die bij een

der groote ramen om een rooktafeltje geschaard stonden en een oogenblik

later trad er handenwrijvend en glimlachend een kaalhoofdig heer in een

deftig gekleede jas op hem toe.

De Rus scheen hem te kennen, knikte hem hooghartig toe, haalde zijn

portefeuille te voorschijn, teekende eenige papieren, welke de heer met

de zwarte jas in ontvangst nam, waarop deze zich haastig verwijderde.

Raffles had zich een plaatsje veroverd bij een der loketten, tusschen

een aantal andere wachtenden in en zoo kon hij waarnemen, wat daar

binnen geschiedde, zonder dat het opviel.

Na verloop van omstreeks tien minuten kwam de heer met de gekleede jas

terug, drukker dan ooit in zijn handen wrijvend en thans vergezeld door

een tweeden heer, die een klein kistje droeg, hetwelk hij op het

rooktafeltje plaatste en opende.

De man stond half met zijn rug naar het vergulde hek toe, maar toch kon

Raffles aan zijn bewegingen heel goed zien, dat hij bezig was,

bankbilletten af te tellen, met de raadselachtige vlugheid, welke aan

geoefende kassiers eigen is.

Het duurde vrij lang en telkens maakte de heer met de zwarte jas een

korte aanteekening in een notitieboekje, dat hij uit zijn zak had

gehaald.

Eindelijk werd het kistje weer gesloten, Bogowitsj stond op, streek een

zeer grooten stapel bankpapier naar zich toe, begon die in zijn

portefeuille te rangschikken en moest daar nog een tweede bij te hulp

roepen, terwijl de beide bankbeambten eerbiedig als bij een

plechtigheid toekeken.

Toen begeleidden zij hem gezamenlijk naar de deur in het vergulde hek,

en trapten elkander bijna op de teenen in hun haast om haar voor den

voordeeligen klant te openen.

Bogowitsj had de beide portefeuilles zorgvuldig in zijn binnenzak

geborgen, zijn jas en vervolgens zijn pels erover dichtgeknoopt.

Met een korten hoofdknik nam hij afscheid van de beide bankbeambten en

verliet vervolgens het bankgebouw weder.

Dadelijk volgde Raffles hem weder, terwijl hij bij zichzelf mompelde:

„Hij schijnt daar heel wat te hebben opgestreken en dat zonder veel

omslag. Nu, het zal niet aan mij liggen, als hij niet langer dan tot

vanavond in het bezit van dat gestolen geld blijft.”

En met dit voornemen bezield nam Raffles weder in zijn auto plaats en

volgde den wagen van den Rus weder naar het Hotel Cecil terug.

Het was op dat oogenblik omstreeks half twaalf in den morgen.

Een kwartier daarna vroeg en kreeg de pas aangenomen étage-kelner over

wien de oberkelner zeer tevreden was, verlof om zijn vrijen middag

reeds op dat oogenblik aan te vangen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Omstreeks tien minuten voordat de bel voor den lunch zou weerklinken

door het groote hotel, hield er een gewone huurauto voor stil, waaruit

twee mannen stapten, waarvan de eene een uniform droeg van inspecteur

van politie.

De ander was als een gewoon burger gekleed, maar een kenner zou in hem

op een mijl afstand den rechercheur herkend hebben.

Hij was een groote, zwaargebouwde en blijkbaar een zeer sterke kerel,

in staat om desnoods drie mannen tegelijk de boeien aan te doen.

De beide mannen gingen haastig de vestibule van het hotel binnen en

wendden zich dadelijk naar de loge van den portier, die hen niet zonder

verbazing zag naderen.

„De gérant?” vroeg de inspecteur kortaf.

„De gérant is in de eetzaal, mijnheer. Wenscht gij hem te spreken?”

„Ja. Kunt gij hem telefonisch waarschuwen? Ik wil liever niet naar

binnen gaan.”

„Niets is gemakkelijker, mijnheer. Wie moet ik bij hem aandienen?”

„Zeg eenvoudig, dat er een inspecteur van politie is voor een ernstige

zaak.”

Hoofdschuddend nam de portier het toestel ter hand, sprak er een

oogenblik in en zeide toen:

„De gérant komt onmiddellijk bij u.”

„Het is goed. Zeg mij eens, goede vriend, hebt gij graaf Stijkof, nadat

hij omstreeks half twaalf met zijn auto was teruggekeerd, nog zien

uitgaan?”

„Graaf Stijkof?” herhaalde de portier verbaasd en tegelijk verschrikt.

„Neen, mijnheer, die is dadelijk naar zijn kamer gegaan en daar moet

hij nu nog zijn.”

„Wanneer dacht hij op reis te gaan?”

„Om vier uur!”

„Weet gij niet waarheen?”

„Zeker weet ik het niet, mijnheer, maar zijn koffers zijn naar Dover

geadresseerd.”

Op dat oogenblik verscheen de gérant in de loge, die den inspecteur van

politie onthutst aankeek, en zeide:

„Wat wenscht gij, mijnheer? Wat kan die ernstige zaak zijn waarvoor gij

mij wenscht te spreken?”

„Dat zal ik u dadelijk zeggen, mijnheer,” antwoordde de inspecteur. „Ik

kom hier om graaf Stijkof te arresteeren.”

„Wat zegt gij daar! Het kan u toch geen ernst zijn?” riep de gérant

verschrikt uit.

„Volmaakte ernst, mijnheer!”

„Maar waarom dan in ’s hemels naam?”

„Omdat er zeer ernstige verdenkingen tegen hem bestaan!”

„Van welken aard?”

„Wij vermoeden, dat hij volstrekt geen graaf is en ook geen Stijkof

heet, maar dat hij door het propaganda-comité te Moskou hierheen is

gezonden, teneinde hier de geesten rijp te maken voor de revolutie!”

„Maar dat klinkt ongeloofelijk, mijnheer!” hernam de gérant, die zeer

bleek was geworden. „Graaf Stijkof is heel rijk en wij zagen hem altijd

aan voor een werkelijken edelman.”

„De schijn bedriegt vaak, mijnheer,” hernam de inspecteur met een

eigenaardig spotlachje, „en wat het rijk zijn betreft, wel, de

Russische propagandisten voor de Bolsjewistische idee kunnen over net

zooveel geld beschikken, als zij maar verkiezen; er zijn door de

Sovjet-autoriteiten ongeloofelijke sommen gestolen van de rijken en de

edelen in Rusland; er zijn duizenden juwelierswinkels geplunderd en de

opbrengst daarvan is eenvoudig niet te becijferen. Hier is mijn

aanstelling, mijn rechercheur zal u eveneens zijn penning laten zien.

Gij zult zeker wel zoo goed zijn, ons even naar het logeervertrek van

den graaf te brengen. Ik heb hier een machtiging om tot huisonderzoek

over te gaan.”

„Maar bedenk eens, als gij u vergist!” riep de gérant wanhopig uit.

„Wij moeten denken om den naam van ons hotel! En zal zoudt gij u niet

vergissen, het zou voor ons een buitengewoon groot schandaal zijn.”

„Wij vergissen ons niet, mijnheer,” hernam de inspecteur koeltjes. „Ik

wil u echter wel belooven, dat alles zoo bedekt mogelijk in zijn werk

zal gaan, zoodat het niet zal uitlekken, wat hier zal geschieden. Mocht

het inderdaad blijken, dat wij ons toch nog vergist hebben, wat ik niet

geloof, dan zal ik mij haasten u mijn verontschuldigingen aan te

bieden. Gij zult wel zoo goed zijn ons te vergezellen en bij de

huiszoeking aanwezig te zijn.”

„Maar graaf Stijkof zal vreeselijk opspelen!” meende de gérant

hoofdschuddend, die alles behalve was ingenomen met dit onverwachte

incident.

„Als dat het ergste is....!” kwam de inspecteur schouderophalend.

„Beter dat uw gast een weinig uit zijn humeur is, dan dat een geheel

land naar den ondergang wordt gestuurd.”

De gérant zuchtte en zeide toen:

„Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan! Maar ik verzoek u

dringend zoo voorzichtig mogelijk te werk te gaan, want gij moet wel

begrijpen, welk een schade het voor onze inrichting oplevert, als er

iets dergelijks binnen haar muren voorvalt, onverschillig of de

betichting van vijandelijke propaganda op waarheid berust of niet.”

„Ik herhaal u nogmaals, dat ik niet zal nalaten, om alles zoo geheim

mogelijk te doen geschieden,” hernam de politie-beambte. „En laten wij

nu maar spoedig gaan. De Rus is zeker op zijn kamer?”

„Ja, en gij zult u moeten haasten, want hij wil deelnemen aan den lunch

en de groote gong in de vestibule zal wel dadelijk slaan!”

„Vooruit dan maar!” kwam de inspecteur nu.

Hij wendde zich naar de deur, maar voor hij het vertrek verliet, zeide

hij tot den portier:

„Met niemand een woord hierover, verstaat gij? Vooral geen opschudding.

Wij zijn nog meer Bolsjewisten op het spoor en hoe langer zij in

onzekerheid zijn omtrent het lot van hun chef, hoe beter het voor ons

is.”

„Ik beloof u, dat ik er met niemand een woord over zal spreken,

mijnheer,” antwoordde de portier benauwd.

Hierop volgden de beide politiemannen den gérant, die hen vlug, zeer

bevreesd, dat een van de gasten hen onderweg zou zien, tot voor de deur

van het appartement van den gewaanden graaf bracht.

Juist ging deze deur open en Bogowitsj, blootshoofds en blijkbaar

voornemens om zich naar de groote eetzaal te begeven, verscheen op den

drempel.

De inspecteur deed een stap op hem toe en zeide op zachten toon:

„In naam des Konings, Fedor Bogowitsj, ik arresteer u!”

HOOFDSTUK V.

DE AFWIKKELING DER ONDERNEMING.

Bogowitsj bleef een oogenblik doodstil staan, liet zijn zwarte oogen

van den een naar den ander dwalen en vroeg toen, terwijl hij den

inspecteur strak aankeek:

„Met welk recht wilt gij mij gevangen nemen? Wat heb ik misdaan? Heeft

een Rus dan niet meer het recht hier te vertoeven?”

„Dat heeft hij slechts onder zekere omstandigheden,” antwoordde de

inspecteur koeltjes. „Ten eerste moet hij een erkend middel van bestaan

hebben, ten tweede moet hij zijn eigen naam voeren, ten derde moeten

zijn passen in orde zijn en dan moet hij zich ten vierde vooral niet

inlaten met vijandelijke propaganda.”

„Wat verstaat gij daaronder?” vroeg Bogowitsj op gedempten toon.

„Dat weet gij evengoed als ik,” antwoordde de inspecteur. „Gij zijt een

Bolsjewist, wat niemand u hier kan kwalijk nemen en gij wilt het

Bolsjewisme ook in Engeland invoeren, en dat duidt men u daarentegen

zeer euvel!”

„Hoe zult gij mij dit bewijzen?”

„Kom, kom, Fedor Bogowitsj,” riep de inspecteur ongeduldig uit, „tracht

u niet langer van den domme te houden! Uit het feit, dat ik uw waren

naam ken, moest u reeds voldoende blijken, dat ik u doorzien heb. Maar

als gij nog meer bewijzen wilt, ik ben overtuigd, dat wij die hier in

uw kamer te kust en te keur zullen vinden!”

De inspecteur, de rechercheur en de gérant waren het logeervertrek

reeds binnen getreden en de laatste had de deur snel gesloten, bevreesd

als hij was, dat er iets van het schandaal naar buiten zou uitlekken.

De inspecteur wierp een snellen blik om zich heen, terwijl de andere

beambte den Rus goed in het oog hield.

Er stonden reeds een paar handvaliezen gepakt en een groote koffer

stond in een hoek van het vertrek, nog niet gesloten, maar tot aan den

rand met kleederen gevuld.

Blijkbaar was de Bolsjewiek voornemens geweest, dadelijk na den lunch

de toebereidselen voor zijn reis voort te zetten.

„Ga daar zitten,” zoo wendde de inspecteur zich tot Bogowitsj, „en

verroer u niet! Doorzoek zijn zakken!”

Dit laatste werd gezegd tot den rechercheur, die dadelijk op den

gewaanden graaf toe trad.

Bogowitsj verbleekte en riep op doffen toon:

„Durft gij het wagen mij te fouilleeren?”

„Ik zou u aanraden een minder hoogen toon aan te slaan,” kwam de

inspecteur hooghartig. „Wij weten reeds alles van u, Fedor Bogowitsj.”

„Misschien.... is het toch wel een vergissing,” kwam de gérant benauwd,

terwijl hij zenuwachtig zijn handpalmen over elkaar wreef. „Als dat

werkelijk zoo mocht blijken te zijn, graaf, dan....”

„Het is geen vergissing, mijnheer!” riep de inspecteur ongeduldig uit.

„Gij zult u er aanstonds zelf van kunnen overtuigen.”

De rechercheur had intusschen, terwijl de inspecteur met getrokken

revolver voor den Rus had plaats genomen, de zakken van dezen laatste

met groote snelheid geledigd en den inhoud op de tafel uitgespreid.

Nu nam de inspecteur deze voorwerpen achtereenvolgens op, en zeide,

zich half tot den gérant keerend:

„Gij ziet wat het is! Een kleine browning met scherp geladen, een paar

portefeuilles opgepropt met Engelsch bankpapier, een boksbeugel, een

gummi ploertendooder, een paspoort ten name van graaf Stijkof, een

brochure over het Bolsjewisme, of liever de proefjes ervan met blauw

potlood gecorrigeerd, en een zeemlederen zakje met ongeslepen en

geslepen diamanten, ter waarde van omstreeks tien duizend pond

sterling. Denkt gij, dat de echte graaf Stijkof zulk een zonderlinge

verzameling in zijn zak zou medevoeren?”

De gérant keek bedremmeld voor zich.

Hij zag zelf wel in, dat hetgeen hier te voorschijn was gekomen, in de

zakken van een uitgeweken Russischen graaf al een zeer vreemd figuur

zou maken, maar de houding van Bogowitsj was nog altijd zoo zelfbewust

en hooghartig, dat de gérant nog steeds meende, met de een of andere

grap of met een betreurenswaardige vergissing te doen te hebben.

Raffles zag de aarzeling op zijn gelaat en vervolgde schouderophalend:

„Ik zie wel, dat gij meer noodig hebt om u te laten overtuigen,

mijnheer! Welnu, ik ben voorzien van een volmacht hier in de kamer van

den verdachte huiszoeking te doen en ik noodig u uit, daarbij

tegenwoordig te blijven. Er zal nog wel het een en ander aan den dag

komen, in staat om ook uw laatsten twijfel geheel weg te nemen.”

En terwijl de rechercheur den arrestant met zijn revolver in bedwang

hield, begon de inspecteur met een handigheid, die de bewondering van

den gérant opwekte, alle meubels grondig te onderzoeken.

Hij liet geen lade ongeopend, geen kast ondoorzocht, geen vakje

ondoorsnuffeld.

Maar vooral de koffer van Bogowitsj scheen zijn aandacht tot zich te

trekken.

Hij keerde het ding eenvoudig op den vloer om, zoodat de geheele inhoud

er uit rolde, schopte alles met zijn voet uiteen, haalde er een

sandelhouten cassette uit, die op slot bleek te zijn en had haar binnen

enkele tellen geopend, terwijl Bogowitsj schuimbekkend van woede

toekeek.

Maar daarin scheen hij niets van belang te ontdekken, want ofschoon de

doos een aantal papieren bevatte, die de inspecteur snel doorlas, wierp

hij slechts nu en dan een veelzeggenden blik op zijn gevangene.

Hij keerde de cassette om, klopte op den bodem, mat met behulp van zijn

zakpotlood eerst de binnenzijde en vervolgens den buitenkant en...

glimlachte.

Zonder zich de moeite te geven te zoeken naar de juiste ligging van het

geheime vakje, dat hij zooeven had ontdekt door een eenvoudige

meetbewerking, liet hij het kistje op den grond vallen en zette er den

voet op.

Krakend barstte het uiteen.... en daar vielen eenige papieren uit.

Bogowitsj was met een onwillekeurige beweging opgesprongen om te

voorkomen, dat de inspecteur de papieren zou oprapen, maar met een

enkelen duw kwakte de rechercheur hem zeer onzacht weder op zijn

plaats.

De inspecteur raapte snel de papieren op en nauwelijks had hij er een

blik op geworpen of hij riep zegevierend:

„Nu zult gij u toch wel gewonnen moeten geven, mijnheer de gérant! Wat

ik hier in mijn hand heb zijn de legitimatiebewijzen van Bogowitsj, op

zijn eigen naam gesteld en die hem toegang moeten geven tot de

Bolsjewisten, die hier reeds in ons land vertoeven, niet bepaald tot

zijn meerder geluk. En dan zijn er nog eenige brieven, die u echter

weinig belang zullen inboezemen, maar mij des te meer.”

De gérant liet zich op een stoel neervallen en wischte zich met zijn

zakdoek het voorhoofd af.

Toen stamelde hij:

„Wie had dat ooit kunnen denken! Ik bid u, inspecteur, kan dat alles

niet in het geheim behandeld worden? Bedenk, dat de naam van een der

grootste hotels van Londen er mee gemoeid is. Het is nog niet zoolang

geleden, dat wij hier een zeer onaangenaam voorval hebben moeten

beleven, waarin John Raffles, u natuurlijk wel bekend, een groote rol

heeft vervuld, en nu dit weer.... werkelijk, wij zouden het op hoogen

prijs stellen, wanneer er in het geheel geen ruchtbaarheid aan deze

zaak werd gegeven.”

„Ik kan u daaromtrent volstrekt geen vaste toezeggingen doen,

mijnheer,” antwoordde de inspecteur, om wiens lippen heel even een

zonderling glimlachje gespeeld had, toen de gérant den naam van John

Raffles noemde, „maar wel wil ik u belooven, dat ik bij mijn chefs de

grootst mogelijke stilzwijgendheid zal bepleiten. Dat is ook voor

onszelven van belang, want hoe minder wij van deze aangelegenheid aan

de groote klok hangen, hoe gemakkelijker wij ook de overige

vooraanstaande Bolsjewisten in handen zullen krijgen. Wij zullen hen

zeker niet ontijdig waarschuwen door al te veel ophef van de arrestatie

van Bogowitsj te maken.”

„Ik zeg u daarvoor hartelijk dank, mijnheer,” riep de gérant uit. „Een

avontuur met Raffles is voor ons al meer dan voldoende, de eerste jaren

behoeven wij niets meer van dien aard te beleven, dat verzeker ik u.”

„Dat kan ik mij levendig voorstellen,” zeide de inspecteur droogjes.

„En nu zullen wij maar aanstonds handelend optreden.”

Hij wendde zich tot den arrestant en zeide:

„Wij zullen u uwe overjas over de schouders werpen, zoodat niemand zal

kunnen zien, dat gij geboeid zijt. Maar ik waarschuw u, dat iedere

poging om te ontvluchten voor u zeer ernstige gevolgen zal hebben; maar

eerst de stukken van overtuiging....”

Snel greep de inspecteur een valies, dat onder het bereik van zijn hand

op de tafel stond en nog geheel ledig was, en begon er de papieren en

het geld in te pakken.

Dit alles duurde nauwelijks eenige minuten.

Hij sloot het valies, nam het op, tikte even aan zijn pet voor den

gérant, die met bleek gelaat op dezelfde plek was blijven staan en

zeide op korten toon tot den rechercheur:

„Doe hem zijn jas om!”

De reusachtige politiebeambte deed wat hem bevolen was, na de jas van

den stoel te hebben genomen, waar zij gereed lag.

Daarop vervolgde de inspecteur, zich tot zijn gevangene richtende:

„Sta op en loop voor mij uit. Hoe vlugger gij loopt, hoe minder men u

arrestatie zal bemerken.”

„Gij schijnt te vergeten, dat ik er wel eens op gesteld kon zijn, dat

men mijn arrestatie juist wel en zeer duidelijk bemerkte, mijnheer!”

zeide Bogowitsj op doffen toon.

„Aha, ik begrijp wat gij zeggen wilt,” kwam de inspecteur spottend.

„Gij hebt hier zeker kameraden in de buurt, die wraak zouden kunnen

nemen, niet waar? Laat ik u mogen zeggen, dat wij ook hierop gerekend

hebben. En nu geen praatjes meer, vooruit!”

De kleine stoet verliet het vertrek.

Vooraan liep Bogowitsj en hij had in het hotel zeker geen

medeplichtigen, want hij liep zeer snel en scheen verlangend te zijn

het gebouw te verlaten.

Beneden gekomen keek hij even rond en stapte toen, op een wenk van den

inspecteur in de wachtende auto.

De inspecteur ging tegenover hem zitten, terwijl de rechercheur naast

hem plaats nam met den ketting van de boeien tusschen zijn geweldige

knuisten.

De auto had zich nauwelijks in beweging gesteld of Bogowitsj vroeg,

zich tot den inspecteur wendende:

„Waar brengt gij mij nu heen?”

„Dat zult gij wel zien!” antwoordde deze schouderophalend.

Bogowitsj nam den politiebeambte eenige oogenblikken scherp op en begon

na eenigen tijd, maar met aarzelende stem:

„Valt er met u.... te praten?”

„Wat meent gij daarmee?” vroeg de inspecteur.

„O, als gij mij niet aanstonds begrijpt, zal ik mij de moeite wel

kunnen besparen het u uit te leggen,” riep Bogowitsj schamper uit.

„Dan zal ik het zelf wel doen,” hernam de inspecteur kalm. „Gij hebt

willen weten, of wij ons wellicht lieten omkoopen, niet waar? Voor

eenige duizenden roebels bijvoorbeeld? Of voor een half dozijntje van

die diamanten, welke ik nu in mijn zak heb? Is het niet zoo? Geef maar

geen antwoord, ik zie al aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb. Nu,

gij kunt alle illusies dienaangaande gerust laten varen, gij hebt niet

met Russen te doen.”

Bogowitsj gaf geen antwoord, maar scheen in gedachten verzonken te

zijn.

Lord Lister No. 0382: De agent van Lenin · 第 2 / 5 段