LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 382 DE AGENT VAN LENIN.
DE AGENT VAN LENIN.
HOOFDSTUK I.
EEN AANZIENLIJKE GAST.
De Londensche bladen, tenminste diegene welke door de deftige kringen
gelezen worden, zoals de „Westminster Gazette,” „de Times” en „de
Globe”, bevatten, op een morgen van een vroegen winterdag, in enkele
regels het bericht, dat de Russische graaf Stanislaw Stijkof was
afgestapt in het „Hotel Cecil”, aan het Strand en dat hij daar
voorloopig eenigen tijd dacht te verblijven, in afwachting van de
afwikkeling van eenige belangrijke zaken, welke hij in handen had
gegeven van zijn Londenschen zaakgelastigde.
Hoe kort het berichtje ook geweest was, het was voor een aantal
ijverige reporters toch voldoende geweest om op kondschap uit te gaan
en eenige nadere bijzonderheden in te winnen aangaande den persoon van
den Russischen graaf, van wien men nog maar alleen wist, dat hij zeer
rijk was en er niet zonder moeite in was geslaagd, zich uit de handen
der Bolsjewiki te bevrijden.
Toch scheen het niet zoo gemakkelijk te zijn, tot graaf Stijkof te
worden toegelaten, want hij had reeds aanstonds, nadat hij zijn drie
kamers in het dure hotel betrokken had, den uitdrukkelijken wensch te
kennen gegeven, dat men hem met rust zou laten.
Dit kon echter geen beletsel zijn voor een ras-echten journalist, om
een poging te ondernemen, den Rus aan het praten te krijgen, want hij
zou zeker belangwekkende zaken te verhalen hebben over den toestand in
Rusland, hetwelk hij pas kort geleden langs een zeer grooten omweg,
dwars door China had weten te verlaten, ten koste van de grootste
gevaren en na eenige malen op het punt te hebben gestaan door de
Bolsjewiki te worden gegrepen en zonder vorm van proces te worden
gefusilleerd.
De eerste reporters, die zich afzonderlijk kwamen aanmelden, werden dan
ook meedoogenloos afgewezen door den particulieren secretaris van den
graaf, Paul Biridef geheeten.
Dit was zeker iets buitengewoons in Londen en de reporters waren dan
ook zeer verontwaardigd en gewaagden op hun redactiebureau
spottenderwijze van „Russische toestanden”, „middeleeuwsche gebruiken”,
„feodalisme” en andere afkeuringswaardige dingen.
Zij gaven den moed echter niet op, maar hernieuwden den stormloop,
thans gezamenlijk.
En nu hadden zij meer succes, want ten slotte stemde graaf Stijkof er
in toe een tiental vertegenwoordigers van de grootste bladen
gezamenlijk te woord te staan.
Het was wel niet veel en deze Amerikaansche wijze van doen was niet
naar den smaak van de Londensche journalisten, maar het was in ieder
geval beter dan niets en iedere reporter zou immers zooveel hij verkoos
het verhaal kunnen opsmukken zoo als zijn eigen fantasie het hem ingaf.
En zoo geschiedde het dan, dat de tien heeren, afgevaardigd door een
aantal Londensche en een paar provinciale bladen, zich des morgens
omstreeks elf uur bevonden in de groote ontvangkamer van het hotel, om
aanstonds bij den graaf te worden toegelaten.
De heeren spraken fluisterend onder elkander en geeuwden ook nu en dan,
want heel belangrijk was hun opdracht niet en zij konden wel ongeveer
van te voren weten, wat hun zou worden verteld; de avonturen van graaf
Stijkof zouden wel zeer weinig afwijken van die van alle andere rijke
Russische edelen, die er in geslaagd waren, hun vaderland te verlaten,
dat voor hen niets meer bood dan ellende en groote gevaren!
Op het laatste oogenblik werd de deur weder geopend en trad er, met
driftige bewegingen, een bewegelijk heertje binnen, met een gouden
lorgnet op den neus, hetwelk hij telkens opnieuw moest opzetten, daar
zijn reukorgaan er niet op gemaakt scheen te zijn, met zulk een
voorwerp te worden belast, overvloedig zwart haar, dat in artistieke
lokken langs zijn wangen viel en een fijn zwart snorretje.
De reporters keken den binnenkomende tamelijk verwonderd aan, want geen
hunner kende hem en zij wisten, dat deze ontvangkamer tijdelijk voor
hen was gereserveerd, maar de heer, die zooeven was binnengetreden,
hielp hen spoedig uit de onzekerheid, door met een sterk buitenlandsch
accent en met diepe buiging te verklaren:
„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren, dat ik mij ter elfder ure bij u
kom voegen. Mijn naam is André Devinard en ik ben waarnemend
correspondent van de „Figaro”, zoolang mijn collega Jumeau ongesteld
is. Ik weet wel, dat de afspraak niet luidt, dat een buitenlandsche
correspondent aan dit interview zou deelnemen, maar ik ken te goed uw
bewondering voor journalistieke brutaliteit, om niet te hopen, dat gij
mij deze indringerigheid zult vergeven! Het bloed kruipt waar het niet
gaan kan en ik zou het mijzelf nooit vergeven hebben, wanneer ik geen
poging in het werk had gesteld om graaf Stijkof te spreken te krijgen.
Misschien zult gij mij tegenwerpen, dat ik hedenavond alles in kleuren
en geuren in de tien bladen zou kunnen lezen, welke het groote
voorrecht genieten, u onder hunne medewerkers te tellen, maar gij zoudt
zelven geen ware journalisten zijn, als gij dit als motief zoudt
aanvoeren, om mij de deur te kunnen wijzen. Bovendien zou ik dan
misschien bijna een etmaal later komen met mijn verslag van het
onderhoud dan andere Fransche bladen, die misschien wel een hunner
afgevaardigden naar uw redactiebureau zenden, ten einde een proefje van
uw artikel te bemachtigen en dat wil ik tot iederen prijs vermijden.
Zelf zien, zelf hooren, zelf handelen, dat is van kindsbeen af mijn
leuze geweest en ik heb mij daar altijd uitstekend bij bevonden, sedert
het oogenblik, dat ik mijn eerste schreden zette op het wankele pad der
journalistiek; ik wilde natuurlijk zeggen: dat ik mijn wankele schreden
zette op het pad van de journalistiek, en ik wil nu niet van beginsels
veranderen. Om kort te gaan, ik vraag u verlof mij bij u te mogen
aansluiten, en ik weet zeker, dat gij mij dat verzoek niet zult
weigeren. Ik behoef u zeker niet te zeggen, dat de „Figaro” behoort tot
een der vooraanstaande bladen van Frankrijk, dat in de deftigste
kringen gelezen wordt en het zou van mijn kant een ongehoord verzuim
zijn, indien ik naliet, mijn lezers op de hoogte te brengen van de
verrichtingen van een authentieken Russischen graaf!”
De Fransche journalist had dit alles snel achter elkaar afgerateld en
geen van de verblufte Engelsche reporters had gelegenheid gehad, een
enkele opmerking in dien woordenstroom in te lasschen.
En voor een der heeren iets kon zeggen, werd de deur geopend en trad
Paul Biridef, de secretaris van graaf Stijkof binnen, die de heeren in
zeer goed Engelsch verzocht, hem te willen volgen.
Van dat oogenblik af waren de Engelsche journalisten er alleen maar op
bedacht, zich aanstonds een goed plaatsje te veroveren, wanneer zij bij
den Russischen graaf werden toegelaten en niemand bekommerde zich meer
om den Franschen correspondent, die hiervan gretig gebruik maakte,
stilletjes in de achterhoede mee te sluipen, verheugd, dat zijn kleine
krijgslist gelukt was, om zoo laat mogelijk ten tooneele te
verschijnen, zoodat hij zich een langdurige uiteenzetting met zijn
collega’s kon besparen.
Biridef, een nog zeer jong man, met een knap, echt Slavisch gelaat,
donkere oogen en gitzwart haar, zeer correct gekleed, bracht de
journalisten over een paar breede, met dikke loopers belegde trappen
naar een fraaie kamer op de eerste verdieping, die uitzicht had op het
Strand, waar het juist op dit oogenblik zeer druk was.
Zoodra alle heeren binnen waren gekomen en men alle stoelen had
verzameld, die er in de kamer en de beide aangrenzende vertrekken
stonden, zoodat zij konden plaats nemen, ging Biridef den graaf halen,
die een oogenblik later binnen trad.
Graaf Stijkof was een rijzig man in de kracht van zijn leven en zeker
nog geen vijftig jaar, met een breed energiek gelaat, stijf
opeengeklemde lippen, dikke zwarte wenkbrauwen en doordringende oogen,
die van groote wilskracht en stoutmoedigheid getuigden.
Op den eersten oogopslag werd het den reporters duidelijk, dat Stijkof
er inderdaad uitzag als de man, die in staat was ongehoorde
moeilijkheden het hoofd te bieden, wanneer het de bereiking van zijn
doel betrof, in dit geval de vlucht uit Rusland, dat voor hem een hel
was geworden.
Het zwarte haar, slechts weinig met grijs doormengd, was zeer kort
geknipt, en daalde in een punt op het lage, maar goed gevormde
voorhoofd neder.
Eigenaardig waren de zeer groote ooren, die zeer ver van het hoofd af
stonden en het bepaald mismaakten.
Het krachtige lichaam was gestoken in een grijs wandelcostuum,
waarschijnlijk door een Weenschen coupeur vervaardigd, naar den snit te
oordeelen, en waarvoor de graaf zeker wel een tienduizend kronen had
moeten neertellen.
Hij bleef even op den drempel van de tusschendeur staan, waardoor hij
was binnengetreden, monsterde de heeren met een snellen blik, noodigde
met een kort gebaar uit weder plaats te nemen, daar zij zich allen van
hun stoelen hadden verheven, en nam toen zelf plaats in een
gemakkelijken leunstoel en wenkte zijn secretaris aan zijn zijde.
Op zachten toon zei hij in het Russisch eenige woorden tot hem en
daarop trad Biridef op een kleine tafel toe, nam er een
palissanderhouten kistje af, gevuld met geurige sigaren en presenteerde
daarvan aan de reporters, die reeds hun blocnotes en vulpenhouders te
voorschijn hadden gehaald.
Biridef zette het kistje sigaren weder weg en ging toen rond met een
zilveren kandelaar, waarin een roode waskaars stond te branden.
Dit alles geschiedde zwijgend en het leek wel een onderdeel te zijn van
een soort plechtigheid.
Pas toen de eerste rookwolkjes de lucht inkronkelden begon Stijkof in
goed Engelsch, maar met een zeer sterk Russisch accent:
„Ik heb u thans gelegenheid gegeven, mijne heeren, mij enkele vragen te
stellen, maar ik verzoek u dringend het niet te lang te maken, want ik
word op dit oogenblik niet gaarne herinnerd aan mijn vaderland, zooals
ge te beter zult begrijpen, als ik u zeg, dat ik daarginds mijn vrouw
en kind heb verloren en niet weet of zij in het land der levenden
verkeeren of niet. De Bolsjewiki hebben ons van elkander gescheiden en
slechts het grootste van alle toevallen zou ons weder bij elkander
kunnen brengen.”
James Brain, de verslaggever van de „Times”, een groote, zwaar gebouwde
man van een jaar of zestig met spierwit haar en een gladgeschoren
gelaat, hetwelk een weinig aan dat van Gladstone herinnerde, en die als
het ware de woordvoerder van het troepje was, zeide hierop:
„Wij willen volstrekt niet onbescheiden zijn, graaf, maar het zou ons
toch zeer veel genoegen doen, wanneer gij ons een kort verhaal wilde
doen van uw wedervaren, te beginnen van het oogenblik, waarop gij
gedwongen waart uw bezittingen te verlaten.”
Stijkof haalde even de schouders op en antwoordde:
„Ik vrees, dat mijn verhaal slechts weinig zal afwijken van alle andere
relazen, die betrekking hebben op den vreeselijken toestand van den
adel in Rusland, mijnheer. Maar ik wil u toch wel mededeelen, hoe het
mij gegaan is.”
Elf vulpenhouders werden tot schrijven gereed gehouden en elf paar
oogen staarden den graaf vol verwachting aan.
En Stijkof begon te verhalen.
Hij deelde mede, hoe de Novemberrevolutie hem als het ware verrast had
op zijn landgoed, waar hij juist eenige dagen met verlof doorbracht,
daar hij aan het front licht gewond was, maar hoe hij toch nog den tijd
had gevonden langs een grooten omweg het grootste gedeelte van zijn
effecten, juweelen en andere gemakkelijk vervoerbare bezittingen naar
Londen in veiligheid te doen brengen.
Dit geschiedde nog maar juist bijtijds, want een paar dagen later had
de vloed van de Bolsjewistische revolutie ook zijn landgoed bereikt en
hij werd er meedoogenloos van verdreven.
Het had zelfs maar een haar gescheeld, of hij had er het leven bij
ingeschoten, en slechts door een overhaaste vlucht in het holste van
den nacht, kon hij zich met vrouw en kind aan de woede van de
Bolsjewiki onttrekken.
Het was echter reeds onmogelijk, het land op de gewone wijze te
verlaten, want de grenzen werden nauwkeurig bewaakt, en daar de woede
tegen de edellieden paal noch perk kende, stond het gelijk met een
poging tot zelfmoord, op dat tijdstip de grenzen te willen overtrekken.
En zoo trok graaf Stijkof met vrouw en kind van de eene plaats naar de
andere, telkens opgejaagd en steeds vreezend voor zijn leven en dat van
zijn dierbaren.
Nu en dan verschool hij zich bij familieleden, maar nooit gevoelde hij
zich lang veilig, want het wemelde overal van spionnen en vooral op
graaf Stijkof schenen de Bolsjewisten het te hebben voorzien, ofschoon
hij zich niet bewust was, zich ooit wreed of onrechtvaardig tegenover
zijn moesjiks te hebben gedragen.
Ten slotte achterhaalde hem toch het noodlot, want in een donkeren
nacht werd de trein, waarin hij zich bevond, door een bende roovers
overvallen en in het daaropvolgend gevecht werd hij van zijn vrouw en
kind gescheiden.
Zwaar gewond bleef hij voor dood liggen, landarbeiders vonden hem,
brachten hem naar het dorp en verpleegden hem daar liefderijk, zoo goed
zij konden, maar er verliepen toch vele maanden, voor hij zich weder
als hersteld kon beschouwen.
Van dat oogenblik af echter had hij nooit meer iets van zijn vrouw
vernomen en hij gaf na eenigen tijd de hoop op haar ooit te zullen
terugzien, haar noch zijn zesjarig dochtertje.
Na eindelooze moeite en tallooze mislukte pogingen, opgejaagd als een
wild dier en terwijl hij zich voortdurend voor de Bolsjewisten moest
verbergen, slaagde hij er in ongemerkt over de Chineesche grens te
komen, geheel onkenbaar door het lijden en de ontberingen, en eenmaal
in China viel het hem niet zoo moeilijk verder te komen.
Terwijl graaf Stijkof dit verhaalde vlogen de vulpenhouders krassend
over het papier.
Niemand stelde een vraag, totdat de graaf met een zwaren zucht zijn
verhaal besloot.
Maar toen was ook de levendige Franschman de eerste, die op drukken
toon uitriep:
„Uw verhaal, Monsieur le Comte, is in de hoogste mate spannend en wij
danken u allen zeer voor uw bereidwilligheid, om het ons mede te
deelen. Ik zou u echter gaarne een vraag willen stellen, of eenige
vragen, als gij er niets op tegen hebt.”
„Wat wenschtet gij dan nog te vernemen?” vroeg graaf Stijkof, terwijl
hij eenigszins ongeduldig de wenkbrauwen fronste.
„Hoe zijt gij toch wel aan het geld gekomen, om die lange reis van
Rusland over China en natuurlijk verder per schip naar Engeland te
volbrengen?”
„Ik had een aantal effecten in mijn schoenzool weten te verbergen,
mijnheer.”
„En natuurlijk ook uw papieren? De papieren waaruit uw identiteit
bleek? Uw passen? Want die hebben de Bolsjewisten u toch niet kunnen
afnemen!”
„Neen, dat konden zij niet! Ook die had ik veilig weten te verbergen.”
„Nu, dan moogt gij van geluk spreken, graaf!” merkte André Devinard op,
maar aanstonds voegde hij er haastig aan toe:
„Het spreekt vanzelf, dat uw geluk pas volmaakt zou zijn als gij uw
vrouw en kind zoudt terugvinden. Hebt gij het al eens met een
advertentie geprobeerd?”
Graaf Stijkof haalde de schouders op en antwoordde:
„Men kan wel zien, dat gij niet op de hoogte zijt van de toestanden in
ons land. Een advertentie in een Russisch blad! Hoevelen zijn er
daarginds, die kunnen lezen? Geen vijf procent van de geheele
bevolking. Gij zoudt evengoed kunnen voorstellen om de zaak door een
enkelen omroeper in geheel Rusland te laten bekend maken. Dat zou zelfs
misschien nog meer uitwerking hebben.”
„Duidt het mij niet kwalijk, graaf, wanneer ik een dwaze opmerking
gemaakt heb,” zeide de Franschman verlegen en een weinig verschrikt
door het barsche gelaat van den schatrijken Rus.
En hij kroop zoo ver mogelijk weg achter de ruggen van zijn collega’s,
die voor hem zaten.
Maar de Franschman bleek toch een gewiekste journalist te zijn, want
hij stond een oogenblik later op en wist ongemerkt het vertrek uit te
wippen en ging op eigen houtje een onderzoek instellen.
Van den étagekelner had hij al spoedig vernomen, dat de graaf wel zeer
rijk moest zijn, want hij had dadelijk een weelderige maandauto gehuurd
met den chauffeur er bij en hij gaf veel geld uit voor zijn diners en
hij rookte peperdure sigaren, terwijl hij voor ongeveer voor duizend
pond sterling aan kleederen besteld had bij een van de eerste
kleedermakers van Londen.
Devinard kreeg ook een kijkje in de slaapkamer van den graaf en in zijn
fraai ingerichte werkkamer, waar een groot bureau was neergezet.
Hij maakte een paar aanteekeningen, drukte den hem vergezellenden
kelner een goudstuk in de hand en verwijderde zich toen haastig, nog
voor zijn Engelsche collega’s het hotel verlaten hadden.
Een paar straten verder nam hij een huurauto en gaf den chauffeur het
adres op van een huis in Regent Street.
Zoodra het voertuig zich in beweging had gezet, liet hij zich
achterover in de kussens vallen, terwijl er een glimlach op zijn gelaat
verscheen.
En binnensmonds mompelde hij:
„Die schatrijke Russische graaf lijkt mij een voortreffelijk object toe
om te worden adergelaten, of mijn naam is niet John Raffles.”
HOOFDSTUK II.
TOEBEREIDSELEN.
Een paar dagen, nadat graaf Stijkof zijn intrek in hotel „Cecil” had
genomen, omstreeks negen uur in den ochtend, meldde zich een jonge man,
eenvoudig maar netjes gekleed, bij den deftigen portier van het hotel
aan.
Deze nam den jongen met een snellen blik van het hoofd tot de voeten op
en zag aanstonds met het oog van een kenner, dat hij hier zeker niet te
doen had met iemand, die als logeergast kwam en de zeer hooge prijzen
van het hotel kon betalen.
„Wat wenscht gij, mijnheer?” vroeg hij.
De jonge man haalde een nummer van de „Daily Mail” uit zijn zak, vouwde
haar open, wees met zijn vinger op een advertentie, welke met blauw
potlood omlijnd was, en zeide op beleefden toon:
„Hotel Cecil vraagt een paar étagekelners, een stationkruier, een
chauffeur, twee kamermeisjes, een hulpkok en een liftjongen.”
„Ja, dat klopt. Eergisteren is de nieuwe aanbouw in gebruik genomen,
waardoor wij er nog dertig kamers hebben bij gekregen, een eetzaal en
nog een tweede billardkamer. Daarom hadden wij ook meer personeel
noodig.”
„Ik kom mij aanbieden als étagekelner,” zeide de jonge man. „Kan ik den
gérant spreken? Of zijn de plaatsen soms allemaal al vergeven?”
„In de vacature van den chauffeur en de kamermeisjes is al voorzien,
dat weet ik zeker, maar voor de kelners is de gérant nog niet geslaagd.
Er hebben zich al een stuk of wat aangeboden, maar die waren voor een
hotel als het onze—het eerste van Londen—te gebruiken. Ik zou zeggen,
dat je er nog al goed uitziet, maar natuurlijk moet de gérant
beslissen. Daar komt hij juist aan.”
De jonge man wendde zich om en keek in de richting door, den portier
aangeduid. Hij zag een zwaarlijvig man aankomen, met een volmaakt kaal
hoofd, waarop niet het kleinste haartje scheen te kunnen gedijen.
Hij ging regelrecht op den gérant toe en herhaalde zijn verlangen om
een plaats als kelner te krijgen.
De gérant bekeek, zooals een paardenkoopman het een paard doet, vol
aandacht de sierlijke gestalte en het ronde knappe gelaat van den
jongen man, die zich kwam aanbieden en vroeg toen kortaf:
„Referenties?”
„Ik kom zoo juist uit Parijs, mijnheer. Daar heb ik twee jaar een
betrekking gehad in het Grand Hotel.”
„Wat voor een landsman ben je?”
„Engelschman, mijnheer!”
„Maar dan zul je wel geen talen spreken?” vroeg de gérant op
teleurgestelden toon.
„Ik spreek vloeiend Fransch en Duitsch, mijnheer, en heel goed Spaansch
en Italiaansch, terwijl ik het Noordsch goed versta en er mij ook een
weinig in kan uitdrukken.”
„Wel, wel. Dat valt mij bijzonder mee! Dat ziet men niet vaak bij
Engelsche kelners,” hernam de gérant. „Ik kan natuurlijk naar je
informeeren in het Grand Hotel?”
„Dat spreekt vanzelf.”
„Je naam?”
„Henry Dickson.”
„Als je in het Grand Hotel te Parijs gediend hebt, behoef ik je
natuurlijk niet te vragen of je je werk goed verstaat?”
„Dat spreekt vanzelf, mijnheer,” antwoordde Dickson glimlachend.
„Zoudt gij dadelijk in dienst kunnen komen?”
„Als het moest over een uur!”
„Laat mij je papieren eens zien?”
De jonge man haalde zwijgend zijn portefeuille te voorschijn, opende
deze en haalde er eenige papieren uit. welke hij den gérant ter hand
stelde.
Deze las de stukken haastig door en gaf ze toen Dickson terug met de
woorden:
„Je kunt in dienst komen op de hier gebruikelijke voorwaarden, een week
op proef. Neem je daar genoegen mee?”
„Ja, mijnheer, ik wist, dat het hier gebruik was. Ik weet ook het loon
en overige bijzonderheden.”
„Goed. Ga je dan nu maar even aanmelden bij den oberkelner. Wacht, ik
zal je een paar woorden meegeven.”
De gérant haalde een stukje papier uit zijn zak, krabbelde er met
potlood eenige woorden op en gaf het toen aan Dickson, die met een
verheugd gelaat een onberispelijke buiging maakte voor den gérant en
zich vervolgens naar de dienstvertrekken begaf, welke zich achter in
het hotel bevonden en waar hij den oberkelner zou kunnen vinden.
Zoodra hij dezen invloedrijken functionaris gevonden had, gaf hij hem
het briefje van den gérant, welks lezing voor den oberkelner voldoende
was, om zijn nieuwen onderdaan aanstonds aan het werk te stellen.
Hij kreeg een paar uren om zijn rok te gaan halen en eenige
toebereidselen te treffen en daarop verwijderde hij zich weder.
Bij het verlaten van het hotel passeerde hij een stokouden heer met
spierwit haar, die op een stok leunde en die blijkbaar een logeergast
was, zooeven aangekomen.
Hij praatte met den portier en wanneer deze man goed op den pas
aangenomen kelner had gelet, dan zou hij gezien hebben, dat deze den
eerwaarden grijsaard een knipoogje scheen te geven, hetwelk deze
beantwoordde door heel even met het hoofd te knikken.
Het volgende oogenblik was de nieuwe kelner reeds weder verdwenen.
Een paar uren later kwam hij terug met een klein valies, want men had
hem medegedeeld, dat hij intern zou zijn en dus in het hotel zou moeten
slapen.
Een half uur daarna was de pas aangenomen étage-kelner reeds druk bezig
met zijn werkzaamheden, en de oberkelner, die hem nauwkeurig op de
vingers zag, moest erkennen, dat de nieuwe man een aanwinst was; hij
had in dat halve uur reeds reizigers van vier verschillende
nationaliteiten te woord gestaan zonder maar een oogenblik te haperen,
of naar een woord te moeten zoeken; hij was beleefd, bescheiden, vlug
en handig; hij scheen het toonbeeld van den goeden kelner te zijn.
Tegen het uur van den lunch verzamelde de helft van de étage-kelners
zich in de groote eetzaal voor het personeel, die gemakkelijk een paar
honderd personen kon bevatten.
En dat was ook wel noodig, want alleen aan kelners had het Hotel Cecil
op dat oogenblik honderd en veertig man in dienst, zonder de piccolo’s
en de dienkelners te rekenen, die in de launch, de eetzalen en in de
billardkamer dienst deden.
De kelners kregen een half uur om te eten en daarna moesten zij hun
plaats ruimen voor de andere ploeg, die was blijven doorwerken.
Alles scheen in het groote hotel als een klok geregeld te zijn.
Zoodra de pas aangenomen kelner met den maaltijd gereed was, verliet
hij de eetzaal weder, om weer aan het werk te gaan.
Op de eerste verdieping ontmoette hij, dicht bij de liftkooi, den
gebogen grijsaard van zooeven.
Deze scheen juist zijn kamer te hebben verlaten, want hij had de kruk
van de deur nog in de hand.
Hij wierp snel een blik in de gang, overtuigde zich, dat daar niemand
was en trok toen den kelner haastig naar binnen, waarop hij de deur
sloot.
Toen legde hij zijn beide handen op de schouders van den jongen man en
op hetzelfde oogenblik scheen hij bijna een voet grooter te worden.
Hij keek den kelner glimlachend aan en vroeg toen op zachten toon:
„Bevalt het baantje je nog al, beste Charly?”
„Ik kan niet zeggen, dat ik er verzot op ben, Edward!” antwoordde
Charly Brand, want hij was het inderdaad en hij sprak op dat oogenblik
tegen John Raffles. „Maar als het voor de goede zaak noodig is, dan heb
ik het er graag voor over! Hoe staan de zaken hier? Heb je al iets
kunnen ontdekken?”
„Niets anders dan dat graaf Stijkof nog al veel buitenshuis schijnt te
zijn en dan meestal vergezeld wordt door zijn secretaris.”
„Ben je er onmiddellijk in geslaagd een kamer naast de zijne te
krijgen?”
„Dat ging niet. Er zijn twee kamers tusschen die van mij en de
slaapkamer van dien schatrijken Rus. Maar het geluk wil, dat die
geheele reeks kamers aan de voorzijde begrensd wordt door een zeer lang
balkon, dat bijna langs den geheelen gevel van het hotel loopt en dat
uitzicht heeft op de Theemskade. Als het zoover is, behoeven wij dus
niets verder te doen, dan van het balkon gebruik te maken.”
„Waar slaapt Biridef, de secretaris, eigenlijk?”
„In een kamer tegenover die van zijn meester en er van gescheiden door
de breede gang.”
„Wanneer denk je, dat alles rijp is om den slag te slaan?”
„Dat zal ik je pas morgen kunnen zeggen, misschien nog pas later, want
ik moet mij eerst op de hoogte stellen van de gewoonten van onzen man.
Er is niets zoo onaangenaam, dan te meenen, dat men iemand slapende zal
verrassen, terwijl hij daarentegen klaar wakker is en u ontvangt met
een revolver in de vuist. Dat zijn van die verrassingen, die ik nooit
heb kunnen apprecieeren.”
„Welken naam draag je hier eigenlijk?”
„Ik sta in het vreemdelingenregister genoteerd als Baron de Mareuil uit
Saint Germain bij Parijs.
„Vindt men het niet vreemd, dat zulk een oud, gebrekkig man geheel
alleen reist?”
„Ik heb gezegd, dat mijn dochter en schoonzoon mij naar Londen
vergezeld hebben en mij over een week weder zullen komen halen, ik
reken er natuurlijk op, dat tegen dien tijd onze kleine onderneming
achter den rug zal zijn.”
„Heb je al gelegenheid gehad een onderzoek in te stellen naar de wijze,
waarop hij zijn groot vermogen hier belegd heeft?”
„Nog niet, en ik reken op jou, Charly, om mij daarbij behulpzaam te
zijn. Ik heb juist de vermomming van kelner voor je gekozen, omdat ik
van oordeel ben, dat een slimme kelner, die ooren en oogen goed weet
open te zetten, in de gelegenheid is om achter heel wat geheimen te
komen. Je zult me dus het groote genoegen doen, ijverig acht te geven
op alles, wat onze man doet, want daartoe ben ik als gebrekkig
grijsaard natuurlijk minder goed in staat.”
„Ik beloof het je. Ik moet je echter zeggen, dat ik ben aangesteld in
het nieuw bijgebouwde gedeelte en dat is hier vrij ver vandaan, maar ik
zal mijn best doen, dat men mij al spoedig zal promoveeren door mij
hier ergens dienst te laten doen.”
„En ik weet zeker, dat je daarin zult slagen,” hernam Raffles
glimlachend. „Werkelijk, ik zou niemand kunnen aanwijzen, die zoo
voortreffelijk en zonder eenigen argwaan te wekken de rol van kelner
zou kunnen vervullen als jij. Ik verzeker je, dat dat lang niet ieders
werk is.”
„Dank je voor het compliment,” kwam Charly lachend. „En nu zal ik maar
weer heengaan, want men mag mij vooral niet missen. Waar zal ik je
vanavond vinden?”
„Ik zal je zeggen, wat ik vandaag nog doe, dan kun je daar rekening mee
houden. Ik tracht vanmiddag in kennis te komen met den secretaris van
Stijkof, wat niet zoo moeilijk zal zijn. Om vier uur ga ik een kleinen
rijtoer maken in Hyde Park. Ik dineer in het hotel. Wat ik daarna doe,
zal afhangen van hetgeen Stijkof verricht, want ik ben van zins, hem
vanavond eens na te gaan.”
„Afgesproken! Dan zal ik wel gelegenheid vinden, nog een paar woorden
met je te wisselen.”
De beide mannen drukten elkander de hand, Charly opende de deur, keek
links en rechts de gang op en maakte gebruik van een oogenblik, dat
niemand oplette, om haastig naar buiten te springen en de deur
geruischloos te sluiten.
Een seconde later was hij weder de gedienstige, hupsche étage-kelner,
die vloog op een wenk van de gasten, die altijd gereed was met een
kwinkslag, en die zoo vlug en werkzaam was, alsof hij nog nooit gehoord
had van de „Golf van luiheid”, die over de wereld streek en waarover
alle bladen steen en been klaagden.
Het duurde niet lang of hij was de beste maatjes met den oberkelner,
dien hij met een paar goed geplaatste vleierijtjes voor zich had weten
in te nemen, met een paar kamerkatjes, die hem heel aardig vonden en
met twee of drie oudgedienden onder de kelners, die al tien jaren in
het Hotel Cecil werkzaam waren.
Het was eigenlijk wel verboden, maar er werd toch altijd over de gasten
gebabbeld, waarheid en fantasie en Charly was schrander genoeg, om de
eerste van de laatste te kunnen onderscheiden.
Maar niemand scheen heel precies te weten, op welke wijze graaf Stijkof
eigenlijk beschikte over zijn rijkdommen.
Wel wist een der kelners te vertellen, dat zijn portefeuille letterlijk
opgepropt was met deugdelijk Engelsch bankpapier, maar hoe die voorraad
telkens opnieuw werd aangevuld, dat kon niemand zeggen.
Had de rijke Rus een credietbrief? Had hij zijn geld in aandeelen van
soliede maatschappijen belegd en verzilverde hij op geregelde tijden de
coupons? Had hij een rekening-courant bij de voornaamste banken, en kon
hij dus met cheques betalen? Was zijn reusachtig vermogen eenvoudig in
deposito gezet bij de Bank van Engeland, en kon hij uit dien voorraad
putten, wanneer het hem beliefde?
Niemand, die er het fijne van wist.
Charly begreep dan ook al spoedig, dat hij niet op de kelners behoefde
te rekenen, om hem in te lichten aangaande dit onderdeel van Raffles’
plan.
Graaf Stijkof scheen zeer weinig spraakzaam te zijn en ook zijn
secretaris liet niets los en was een in zichzelf gekeerd, tamelijk
norsch man, ondanks zijn jeugd.
De beide mannen waren trouwens slechts zeer weinig in het hotel
aanwezig, feitelijk niet anders dan des nachts, want zij vertrokken
aanstonds na het ontbijt, schenen ergens in de stad te lunchen en
dineerden ook niet altijd in het hotel.
Meestal kwamen zij niet voor half twaalf of twaalf uur in den nacht
terug, en begaven zich dan aanstonds ter ruste.
Stijkof maakte veel gebruik van zijn maandauto, maar hij had den
chauffeur reeds den eersten dag vervangen door een jongen Rus, die hem,
naar hij zeide, door een vriend was aanbevolen.
Over een en ander spraken Raffles en Charly laat in den middag van
dienzelfden dag, nadat Raffles van zijn wandelritje in Hyde Park was
terug gekeerd.
Raffles had alleen nog maar ontdekt, dat Stijkof en zijn secretaris
dien avond naar een voorstelling in het Garrick Theater zouden gaan, en
voor zij van elkander gingen, deelde hij aan Charly mede, dat hij van
die omstandigheid gebruik zou maken om eens een voorloopig onderzoek in
te stellen in de kamer van den Rus in de hoop, dat hij er op die wijze
in zou slagen de manier te ontdekken, waarop graaf Stijkof zijn
vermogen hier in Londen belegd had.
Was het de moeite waard, dan zou reeds dien avond de slag geslagen
kunnen worden, en daarop moest Charly zich voorbereid houden.
Maar Raffles besloot lakoniek, dat hij het voor minder dan twintig
duizend pond niet deed.
Vond hij dit bedrag niet in de kamer van Stijkof, dan zou hij wel een
ander middel bedenken om den schatrijken Rus een weinig, ader te laten
en hem wat van zijn overtolligen rijkdom af te nemen.
HOOFDSTUK III.
EEN ZONDERLINGE ONTDEKKING.
Het was omstreeks half tien in den morgen van den volgenden dag en de
gewaande baron de Mareuil keerde juist van de badkamer terug, toen aan
het einde van de gang Charly Brand naderde, gewapend met zijn servet.
Hij had een brief in de hand, liep op Raffles toe en zeide met een
buiging:
„Een brief voor u, mijnheer de baron! Men wacht op antwoord.”
„Kom dan maar even binnen, vriend,” antwoordde Raffles. „Ik ben te oud
om hier zoo lang op de gang te blijven staan.”
Hij ging zijn kamer binnen; Charly volgde hem en deed de deur achter
zich dicht.
Toen trad hij haastig op Raffles toe en vroeg op zachten toon:
„Welnu?”
Raffles was in een gemakkelijken stoel bij het raam gaan zitten, liet
zijn blikken een oogenblik naar buiten dwalen over den Tower, de
prachtige brug, die er naar genoemd is, het glinsterende water van de
Theems, de traag voorbij glijdende, logge vrachtschepen, die door
kleine sleepbootjes getrokken werden, en wendde toen zijn gelaat naar
Charly, die hem nieuwsgierig aankeek.
Toen zeide hij op gedempten toon:
„Ik ben in zijn kamer geweest.”
„En..... heb je er iets gevonden, dat de moeite waard was?”
„Dat heb ik, al was het dan geen geld.”
„Geen geld? In het geheel niet?” kwam Charly verwonderd.
„Een paar duizend pond en wat diamanten, meer niet.”
„Maar die had ik dan toch maar meegenomen!” hernam Charly
hoofdschuddend.
„Ik dacht er niet aan! Denk je, dat ik met een stekeltje genoegen zou
nemen als ik een kabeljauw kan krijgen?”
„In ieder geval is dus je bezoek aan zijn kamer vruchteloos geweest?”
„Niet heelemaal, want in plaats van geld heb ik iets heel merkwaardigs
gevonden.”
„Wat dan wel?”
„Om te beginnen een paar juweelen, die zonder eenigen twijfel afkomstig
zijn uit het juweelenkistje van de zoo lafhartig vermoorde Romanoffs;
ten tweede een paar busjes met picrinezuur, zoo nonchalant verpakt
alsof het gestampte muisjes waren, en waarvan een tiende deel meer dan
genoeg was, om verbonden met wat nitroglycerine het heele hotel in de
lucht te laten vliegen, en ten slotte een houten kist, bevattende een
tienduizend in het Engelsch gedrukte brochures, geschreven door niemand
minder dan den heer Apfelbaum, zich noemende en schrijvende Lenin.”
Charly liet zich op een stoel neervallen, sprakeloos van verbazing en
staarde Raffles met een blik van ongeloof en twijfel aan.
Een oogenblik kwam het hem in den zin Raffles te vragen of hij wel in
de goede kamer was geweest, maar aanstonds bedacht hij, dat hem dit
waarschijnlijk een scherpe opmerking op den hals zou halen.
En daarom stamelde hij:
„Dat klinkt bijna ongeloofelijk! Graaf Stijkof zou dus een agent zijn
van Moskou?”
„Hij heet heelemaal geen Stijkof, Charly en hij is ook geen graaf,”
antwoordde Raffles bedaard.
„Hoe heet hij dan?” vroeg Charly, hoe langer hoe verbaasder.
„De man heet Fedor Bogowitsj!” antwoordde Raffles ernstig.
„Hoe ben je daar achter gekomen?”
„Ik heb in een goed gesloten kistje, maar dat toch geen weerstand kon
bieden aan mijn fijnste loopertjes, wat correspondentie gevonden
tusschen een creatuur van Lenin en Paul Biridef gevoerd, juist ter zake
van de missie van Bogowitsj naar Londen.”
„Maar voor den drommel, wat komt die man dan hier uitvoeren?” vroeg
Charly.
„Dat is, dunkt mij, niet langer aan twijfel onderhevig, hij komt hier
in opdracht van Moskou, het Bolsjewisme prediken!”
„Maar hoe is hij dan aan die papieren, hoe is hij aan een pas gekomen?”
„Die zullen wel gestolen zijn!” antwoordde Raffles schouderophalend.
„Ik heb de papieren gezien en zij zijn zonder eenigen twijfel echt. Er
moet dus in Rusland ergens een werkelijke graaf Stanislaw Stijkof
wonen, waarschijnlijk in gevangenschap, tenminste, wanneer men hem niet
vermoord heeft, omdat de dooden nog altijd niet spreken en ook niet in
staat zijn, de stukken terug te eischen, welke men hen heeft
afgestolen.”
„Het is alsof ik een sprookje hoor,” kwam Charly hoofdschuddend. „Hoe
komt hij aan al dat geld?”
„O, men schijnt te Moskou nog altijd over duizenden en millioenen
roebels te beschikken en over zeer groote bedragen aan juweelen,
waarvan er heele schepels tijdens en na de revolutie gestolen en
geconfisceerd zijn, wat in Rusland natuurlijk hetzelfde is.”
„Maar dan dat verhaal, dat hij aan de journalisten gedaan heeft, was
het dan niet gevaarlijk, om dat geheel en al uit den duim te zuigen?
Het was toch mogelijk, dat hier sommige personen op de hoogte waren van
het lot van den echten graaf Stijkof?”
„Het is zeer wel mogelijk, dat het met dien ongelukkigen man inderdaad
zoo gegaan is als Fedor Bogowitsj mededeelde, natuurlijk op zijn reis
naar Engeland na, en dat hij daarginds inderdaad vrouw en kind is
kwijtgeraakt. Tot mijn spijt had ik geen gelegenheid om alle papieren
nauwkeurig na te lezen, want daartoe ontbrak de tijd, daar ik
natuurlijk alles weder in volmaakte orde moest achterlaten.”
„Ben je niet bang, dat men een spoor van braak heeft ontdekt?”
„Geen oogenblik! Ik ben eenvoudig de kamerdeur binnengegaan, waarvan ik
een sleutel had weten te vervaardigen en ik heb mij toen gehaast de
balkondeur op een kier te zetten, nadat ik reeds van te voren de deur
van mijn eigen balkon had open gezet, om aldus mijn aftocht te dekken.
Ik heb zijn bureau en verder een paar kistjes met behulp van mijn
loopertjes geopend en ik geloof te mogen zeggen, dat er zelfs geen
krasje op de slotplaat te bemerken is. Ik heb alle brieven, die ik las,
weder juist op dezelfde plaats gelegd; ik heb zoo weinig mogelijk
verschoven en ik ben langs denzelfden weg weder terug gegaan, na mij te
hebben overtuigd, dat de weg veilig was.”
„Maar is die vondst nu wel voldoende, Edward, om daaruit af te leiden,
dat die Rus een agent van Lenin en Trotzky is?”
„Ik was al half en half op die vraag voorbereid, Charly,” antwoordde
Raffles glimlachend. „Ik ken je nu al lang genoeg om te weten, dat je
niet over één nacht ijs gaat. Ik zal dan ook morgen onzen man eens
nagaan, als het moet den geheelen dag, en het zou mij niet verwonderen,
als dan zijn eigenlijk doel hier in ons land aan het licht kwam.”
„Maar waarom eigenlijk die vermommingen?” kwam Charly, nog altijd zeer
verbaasd.
„Wat een vraag, Charly,” antwoordde Raffles hoofdschuddend. „Het
spreekt toch immers vanzelf, dat men den man aanstonds in den kraag zou
hebben genomen en in de gevangenis gezet of weder naar Rusland
teruggezonden zou hebben, indien hij hier was gekomen met de
mededeeling, dat hij hier het Bolsjewisme kwam prediken! De regeering
moet daar nog niets van hebben en ik geloof ook niet, dat die
alleenheerschappij van het proletariaat de ware regeeringsvorm is voor
een land als het onze. Ik voor mij kan mij nog altijd niet gewennen aan
het denkbeeld, dat een grondwerker of een kolentremmer mij zal
voorschrijven, wat ik te doen en te laten heb. Misschien deugt het
standpunt niet; misschien krijgen wij hier een herhaling van alle
Russische misères en dan nog een maal of tien verergerd; maar zoolang
wij het buiten dezen gewelddadigen ommekeer kunnen stellen, moesten wij
het maar doen.”
„Je laat dus dien kerel aanstonds arresteeren?”
„Ho, ho, dat is een andere kwestie,” antwoordde Raffles met een
afwerend gebaar. „De man heeft hier in ieder geval nog niets kunnen
bereiken en als wij hem laten arresteeren, dan zijn wij ook tevens zijn
vermogen kwijt. Bedenk je dat wel?”
„Ik erken, dat ik daar niet aanstonds aan gedacht heb; wat zijn nu de
plannen?”
„Mijn plan is om dien nagemaakten graaf voorloopig in de zoete
overtuiging te laten voortleven, dat hier alles botertje tot den boom
is en dat hij rustig onze arbeiders zal kunnen opstoken. Zijn wij
echter eenmaal in het bezit van zijn „werkkapitaal,” dat hem op zoo
gulle wijze verschaft is door de heeren te Moskou, dan zullen wij den
vriend onschadelijk laten maken, al was het maar, omdat wij Britten
zijn en ons nog nooit door een vreemdeling hebben laten voorschrijven,
hoe wij te handelen hebben. Willen zij elkander daarginds in Rusland de
hersens inslaan, mij is het wel. Maar wij moeten hier over onzen eigen
regeeringsvorm kunnen beslissen.”
„Wij gaan dus nog heden den man achterna?”
„Dat is te zeggen, dat zou argwaan kunnen wekken: Het is beter als ik
alleen ga.”
„Maar je zult je als grijsaard niet snel kunnen bewegen, Edward.”
„Ik denk mij dan ook spoedig te gaan vermommen, en hoop dan nog tijdig
terug te zijn, om onzen man te kunnen volgen.”
Raffles was opgesprongen.
Zijn oogen schitterden van ondernemingslust en jachtijver.
Hij duwde Charly min of meer de kamer uit en zeide op den drempel luid
genoeg om in de gang te worden gehoord:
„Geef dus dien heer maar dit briefje en zeg, dat het mij aangenaam zal
zijn, dezer dagen zijn bezoek te ontvangen.”
Hij duwde Charly een stukje papier in de hand en daarop ging de jonge
man weder aan zijn werk, maar het ging hem niet zoo vlot af als den
vorigen dag, want zijn geest was geheel vervuld van de merkwaardige
mededeelingen, welke Raffles hem zooeven gedaan had.
Wat Raffles betreft, hij verliet zoo spoedig mogelijk het hotel, liet
zich tot dichtbij het huis in de Regent Street brengen, hetwelk hij als
Lord Aberdeen bewoonde en vermomde zich daar zoo snel hij kon.
Hij verliet het huis weder langs de tuinzijde, thans gekleed als een
eenvoudig werkman, die desnoods zou kunnen doorgaan voor een of anderen
opzichter van de electrische Centrales of van de Waterleiding.
Hij had uit de garage, die achter in den tuin stond, een snel
motorrijwiel gehaald en had binnen tien minuten het hotel weder
bereikt.
Het toeval bleek hem gunstig te zijn, juist kwamen Fedor Bogowitsj en
Paul Biridef de treden van het hotelterras af en begaven zich naar de
auto, die reeds op hen stond te wachten.
Achter het stuurwiel zat een nog jonge chauffeur, aanstonds te
herkennen als een Rus, vanwege zijn in den nek uitgeschoren, glanzend
zwart haar, zijn breede kaken, zijn vooruitstekende jukbeenderen en
zijn eenigszins scheef geplaatste oogen van een zonderlingen, violetten
glans.
De chauffeur nam eerbiedig zijn pet af voor de beide deftig gekleede
heeren, die in de auto stapten, welke daarop aanstonds wegreed.
Dadelijk begon Raffles den fraaien wagen te volgen.
En het was goed, dat hij den benzinehouder en het olie-reservoir tot
aan den rand gevuld had, voor hij heenging, want de rit duurde zeer
lang.
De wagen reed dwars door Londen, door het Zuid-oosten, na de Theems te
zijn overgestoken en belandde ten slotte in de buurt van Loampit Hill,
in het hartje van de arbeiderswijken.
Daar stond de fraaie auto eindelijk stil voor een vrij groot huis, de
beide Russen stapten uit en gingen het huis binnen, waarvan de deur was
opengetrokken nog voor de auto stilstond.
Zij bleven echter niet lang weg, maar toen zij weder terugkeerden
droegen zij zeer eenvoudige kleeren en waren vergezeld door een derden
man, evenals zij van onmiskenbaar Russisch type.
Zij spraken eenige woorden met den chauffeur van de auto en deze reed
met zijn wagen weg, terwijl de drie mannen te voet verder gingen.
Niet zoodra had Raffles dit gezien, of hij ging zijn motorrijwiel
stallen in een garage, niet ver daar vandaan gelegen, om zonder opzien
te baren het drietal te kunnen volgen.
De drie Russen waren in een druk gesprek met elkander verdiept en
dachten er geen seconde aan, dat zij gevolgd werden.
Zij richtten hun schreden naar den kant van de Theems en bereikten na
ongeveer een kwartier loopens een soort vergaderlokaal, annex wijnhuis.
Het was omstreeks één uur toen zij daar kwamen en daar het schaftuur
juist was aangebroken, bevonden er zich vrij veel arbeiders in de
gelagkamer, die onmiddellijk aan een kleine vergaderzaal grensde.
De drie Russen zetten zich aan een tafeltje neder, bestelden iets en
begonnen te eten.
Raffles volgde aanstonds hun voorbeeld, want ten eerste had hij
werkelijk honger en ten tweede was er hem veel aan gelegen, vooral niet
op te vallen.
Ondertusschen gaf hij zijn oogen goed den kost.
De drie Russen schenen reeds vrij veel van de arbeiders, die binnen
kwamen, te kennen, want herhaaldelijk knikten zij dezen of genen toe.
Toen zij hun maaltijd beëindigd hadden, stonden zij op en begaven zich
naar de vergaderzaal, waar zich reeds een paar honderd arbeiders
verzameld hadden.
Raffles voegde zich aanstonds bij hen en zag nu, hoe de drie Russen
zich naar een soort podium begaven, waar reeds een viertal andere
mannen met bleeke gezichten en sombere trekken achter een met een groen
laken bedekte tafel gezeten waren.
Op een der uiteinden van de tafel lag een groot pak brochures, die
gedurende de vergadering werden uitgedeeld, en waarvan Raffles ook een
in handen wist te krijgen.
Het waren juist dezelfde brochures, welke hij in de kamer van den
gewaanden graaf Stijkof had aangetroffen.
Wat de toespraken en redevoeringen betreft, zij brachten volstrekt
niets nieuws en weken in het geheel niet af van de gebruikelijke
opwekkingen om de regeering, de bourgeois, het kapitalisme, de geheele
maatschappij te vernietigen en op de puinhoopen daarvan het communisme
te vestigen.
Raffles wist ook wel, dat deze wijze van propageeren niet de
gevaarlijkste was; die bestond in het afzonderlijk bewerken van iederen
arbeider, in de geheime propaganda, in het uitdeelen van geld om
trawanten te kweeken.
Trouwens vergaderingen als deze zouden zeer waarschijnlijk door de
politie verboden worden, als zij slechts wist, dat zij hier gehouden
werden.
En hij behoefde er geen seconde aan te twijfelen of men zou de Russen,
wanneer men wist, wat zij hier kwamen uitrichten, zonder vorm van
proces weder naar hun land terugzenden.
Bogowitsj zelf voerde het langst het woord en Raffles moest erkennen,
dat hij goed sprak, met vuur en met overtuiging en blijkbaar in het
diepst van zijn ziel overtuigd was, dat de gevaarlijke theorieën, welke
hij hier voorstond, alleen in staat waren, de ellende over de geheel
wereld op te heffen, de menschheid te verbeteren en aan iedereen het
geluk te brengen.
Anderhalf uur later ongeveer ging de vergadering uiteen, nadat nog
eenige arbeiders eveneens het woord hadden gevoerd en Raffles was tot
zijn schrik tot de ontdekking gekomen, dat de bolsjewistische
leerstellingen bij deze weinig ontwikkelde mannen reeds dieper wortel
hadden geschoten, dan goed was voor het geluk en den vooruitgang van
het land.
HOOFDSTUK IV.
DE ARRESTATIE.
Er waren een paar dagen verloopen sedert Raffles zijn
onderzoekingstocht had ondernomen in het Zuidwesten van de wereldstad.
Hij was in de gelegenheid geweest Fedor Bogowitsj nog eenige malen na
te gaan en telkens had hij daarbij kunnen ontdekken, dat de Russische
Bolsjewisten beraadslaagden met eenige Londensche arbeidersleiders van
de extremistische partijen, die reeds vroeger overhelden naar de
Bolsjewistische leerstellingen en thans door den agent uit Moskou
ijverig werden bewerkt, bijgestaan door een aantal Russen, die evenals
hij op de een of andere slinksche wijze er in geslaagd waren, Engeland
binnen te komen.
Raffles wist zeer goed, dat het hem maar een woord behoefde te kosten
en eenige agenten van Scotland Yard zouden aanstonds een inval doen in
de logeerkamers van den gewaanden graaf Stijkof, teneinde deze te
onderzoeken en den gevaarlijken Rus onschadelijk te maken.
Hij besloot daar echter voorloopig nog wat mede te wachten, overtuigd
als hij was, dat hij hiermede niets kon verliezen, maar daarentegen
veel winnen.
Charly was er na ijverig speuren in geslaagd te ontdekken op welke
wijze Bogowitsj zich meestal in het bezit stelde van de noodige
contanten.
De Rus had eenvoudig een zeer groot bedrag, bijna een millioen pond
sterling, bij verschillende banken gestort, deels in deposito, deels in
safes, zoodat hij daar uit kon nemen, wanneer hij verkoos.
Bij een steelschen blik in een paar laden van zijn schrijftafel, had
Charly daarin een paar chequeboekjes ten name van verschillende groote
banken ontdekt.
Het zou dus minder gemakkelijk zijn, dan Raffles oorspronkelijk dacht,
zich van een groot gedeelte van het geld meester te maken, hetwelk den
Rus moest dienen in Londen propaganda te maken voor de Bolsjewistische
beginselen.
Wel zou het wellicht mogelijk zijn een der chequeboekjes te
ontvreemden, maar dan zou het noodzakelijk wezen de handteekening van
Bogowitsj na te maken en daarvan had Raffles een hartgrondigen afkeer,
zoolang het niet door de noodzakelijkheid volstrekt geboden was.
Falsificaties lagen in het geheel niet in zijn aard en liever ging hij,
als het te doen was, recht door zee.
Zoo gingen er een paar dagen voorbij, welke Raffles besteedde aan het
opmaken van een plan en het bespioneeren van den Russischen agent,
zonder dat deze er een flauw vermoeden van had, dat al zijn gangen
werden nagegaan, nu eens door Charly Brand, op de oogenblikken dat deze
vrij was, dan weder door Henderson, den reusachtigen chauffeur van den
Grooten Onbekende, die hem in bijna al zijn avonturen trouw terzijde
had gestaan en hem reeds menigmaal het leven had gered, maar meestal
toch door Raffles zelf, die daartoe den meesten tijd en ook de meeste
bekwaamheden bezat.
Als een kat de muis, zoo hield Raffles den Bolsjewistischen agitator in
het oog, ieder oogenblik gereed om toe te springen.
Hij woonde nog steeds als de gebogen grijsaard in het Hotel Cecil, maar
men was daar reeds gewend aan zijn bewegelijken aard en aan zijn
langdurige afwezigheden.