HET VIER-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout met der hulpe Gods op de Turken vocht; en

hoe Madelgijs bij hem kwam, én hoe Madelgijs dood bleef

in het beleg van Jerusalem.

Toen Reinout te Tripoly gekomen was, at hij gebedeld brood, tot daar een

nieuwmare kwam, dat Tabarië belegerd en Akers in grote zorge was, en dat

er vele Christenen verslagen waren en gedood. De Heeren, die over zee

waren, om ons' Heeren Land te herwinnen, zonderden 2500 mannen af, om de

steden te ontzetten. Als Reinout dit hoorde, dat de Christenen uittogen

op de Sarazijnen, liep hij te voet bij het heir of het een arme pelgrim

had geweest, zoo dat er niemant op hem achtte. Terstond was den Turken

geboodschapt, dat het heir van Tripoly onder wege was, om de stede te

ontzetten; en de Turken reden de Christenen te gemoet, om dit te

voorkomen.

En toen de Christenen het heir van de Turken op zich af zagen komen,

werden ze vervaard; want zij luttel volks hadden: en vielen op de knieën

en aanriepen onzen Heer, dat Hij hun bijstand doen woude, want dat zij

anders alle dood moesten blijven. De Turken naderden inmiddels; de

Christenen maakten zich gereed te wijken en te vluchten. Als Reinout dit

zag, riep hij: "Gij Heeren, zet uw lieden vromelijk ter weere en

twijfelt niet, of God zal ons hulpe zenden!" Reinout zag eenen pijnboom,

dik, schoon ende lang; Reinout liep er heen en wrong hem uit der aarde.

Als dit de Christenen zagen, riepen zij alle: "Helpt, Jesus van

Nazareth! wat wil deze Pelgrim doen? Hij heeft geen kousen, noch

schoenen, noch halsberg aan, en nochtans wil hij zich te weer stellen.

Laat ons hem wapenen geven, opdat hij niet bloot en sta." Maar Reinout

nam van hen slechts iets tot zijn kleeding en wilde zwaard noch schild.

Zijn boom kortte en knott'e hij tot eenen staf, daar hij dien dag menig

Sarazijn mede doodsloeg.

Onder des waren hun de Sarazijnen zeer nabij. Reinout, de vrome Ridder,

liep moedig den Turken te gemoet, en zwierde met vervaarlijke kracht

zijnen staf in het rond, en sloeg wel twintig Turken dood, eer de

Christenen konden aankomen. De Christenen, dit ziende, verblijdden zich,

en grepen op Reinouts voorbeeld moed, en God biddende dat Hij den

heldhaftigen Pelgrim behouden mocht, sloegen zij dapperlijk op de

Sarazijnen in, dat zij den rugge keerden en 'et ter vlucht zetteden.

En Reinout toog met de Christenen binnen Akers: toen hem tijdinge kwam

van zijn oom Madelgijs.

Madelgijs had te heremijt gezeten vier jaren in oprechte rouw en boete

over zijne zonden: nu hoorde hij, dat de Sarazijnen--de Christenen

bitter vervolgden, en wilden overvaren om Christenrijk te winnen.

Madelgijs dede zijn gebed tot God, en bad voor de Christenen, en hem

kwam eene stemme van Godes wege, die hem opleîde, "dat hij zoude gaan en

helpen de Christenen hun ongeval wreken, en trekken tot Akers." Daar

komende, vond hij zijne neve Reinout, die zeer verblijd was van zijner

konste en van zijner Godsvrucht.

Intusschen vernamen zij, dat de te-rug-geslagen Turken binnen Jerusalem

getrokken waren, en al de Christenen, die zij er vonden, hadden

doodgeslagen. Het Christen-leger kwam weder te velde, en won raad in bij

den stouten Grave Reinout en bij Heer Madelgijs. "Wij zullen," zwoeren

de Christenen, "liever alle het leven verliezen, dan niet te herwinnen

de stad en het graf, waar God onze Heer in gelegen heeft." Daar werd

heirvaart afgekondigd, daar werden boden rondgezonden, door 't geheele

land.

Uit het land van Syrië, van Tripoly en Antiochië vloeiden de scharen

bij-een, om Jerusalem te belegeren. Reinout en Madelgijs deden, bij

elken uitval der Turken, den vijand groote schade, reeds eer die van

Syrië gekomen waren. En toen de poorten zich weder sloten achter de

belegerden, bleven Madelgijs en Reinout met het volk op de grachten

leggen, om elken verderen uitval te beletten.

Toen kwamen de hulptroepen opdagen, wel 30000 mannen. Zij brachten

manganeelen en blijden, rammen en rolbruggen, mollen en katten, velerlei

krijgstuig tot werpen en stormen en graven mede, die aanstonds te werk

werden gesteld.

De Soudaan van Babylonië daarbinnen deed echter met mangneelen en

blijden evenzeer werpen op den heire. Overgroote steenen werden geworpen

in de stad; en naar buiten werd geschoten met zware en scherpe pijlen.

Zoo was, met schieten en werpen, de strijd ongemeen groot. Menig

Christen sneefde daar, die te dier tijd vóór de stad de Turken kwam

bevechten.

In het heetste van den strijd waren steeds Madelgijs en Reinout, en

vochten al d' andere vóór. Dat voorvechten, weet God! kwam Madelgijs en

Reinoude duur te staan: want Madelgijs werd door een harden quareel[1]

zoo diep gewond, dat hij nimmermeer genas: door het borstbeen was hij

heen getroffen, dat de pijl hem ten schouderen uitstak. Hij viel van

zijn paerd; hij deed zijn gebed tot God, en bad oodmoedig genade aan den

Heer van Hemelrijk; dat Hij zijne ziele toch bewaren mocht. In

zonderheid berouwde hem wat hij misdaan had aan Carel zijnen Heere;

"vergeeft mij, o God! deze zonde, met de anderen!"

En Reinout weende: "Weent niet, Reinout!" sprak zijn oom, "maar bidt God

t' allen uren, dat hij mij van de kluisters der zonde vrijmake en opneme

in den Hemel!" Toen beval hij zijn neve aan Godes bescherming en bad hem

al zijn vrienden zijne laatste groete te brengen. Zoo stierf Madelgijs.

Hierover hadden de Christenen groote rouwe. Maar als het de Sarazijnen

vernamen, renden zij op nieuw naar buiten, en Reinout, met zijnen staf,

stelde hem-zelven daar voorst, om te wreken de dood van zijn oom

Madelgijs; en sloeg zoo vreeslijk op de Turken, dat zij weder binnen de

stad liepen. Reinout dit ziende, zeide hij: "Gij Heeren! ik heb dikwijls

in levensgevaar geweest, en menige reize belegerd: daarom doet mijnen

raad: wilt gij de stad winnen --laat ons dan wegen en poorten naauw

bewaken, zoo wel 's nachts als daags, zoo dat hun geen toevoer van

spijze komen kan: aldus zullen wij winnen de stad--en anders niet." Deze

raad docht den Christenen goed, zij deelden hun heir en legden voor elke

poort 6000 mannen, wel voorzien van harnas.

Toen de Turken zagen dat zij aldus sterkelijk weder belegerd waren,

werden zij angstig en riepen hunnen God Mahomet aan, en baden 'em hen te

helpen uit de nood, waarin zij waren, want zij hadden gebrek aan

victualie. De Hoofdlieden en de gemeenen zijn dan voor den Soudaan

gekomen en hebben gezegd, "dat zij liever hadden te sterven in den

strijd, dan van honger;" "daarom laat ons uitrijden op de Christenen met

hulpe van Mahomet en Apolijn."[2] De Soudaan gaf toe, en de Turken reden

uit met al hun macht, maar zij en dorsten niet rijden daar Reinout lag:

zij reden een'andere poort uit, en vielen met kracht op eene andere

afdeeling des legers aan. De Christenen zett'en zich vromelijk ter

weere, en sloegen in 'et Heidensche heir met stouten moed, en versloegen

er vele; vele gaven er zich gevangen.

Als Reinout vernam, dat de Heidenen uit der stad waren met al hun

heirkracht, zond hij den aangevallenen 6000 mannen ter hulpe, en bleef

alleen voor de poorte, en wilde daar niet af scheiden. De Soudaan die

binnen der stede was, zag dat Reinout alleen voor de poort lag, wapende

zich en sprong op een sterk ros. Hij reed alzoo te poorte uit, daar

Reinout vóór lag; en als Reinout den Soudaan zag komen, riep hij hem aan

en nam 'et paerd bij den toom, en vroeg 'of hij een Christen of Heiden

was?' De Soudaan andwoordde niet, maar hij stak zijn ros met sporen, en

hadde Reinout gaerne ontreden; als Reinout dit zag, sloeg hij met zijn

staf den rosse op 'et hoofd, dat het dood viel. De Sarazijnen, dit

ziende, riepen luid: "Onze Soudaan is dood!"

Dit was Reinout genoeg, hij sprong met haaste toe en sloeg de hand aan

hem, zeggende: "Heer Soudaan, geeft u gevangen; of ik sla u dood met

mijn staf!" De Soudaan zeide: "Genadige Jonkheer! ik en wil tegen u niet

vechten; ik wil 'et gaerne opgeven in uwe handen." En Reinout ging met

den Soudaan daar de Christenen vochten, en als zij daar bij kwamen riep

de Soudaan tot zijn volk: "dat zij zouden afstaan en hun vechten laten,"

't welk zij terstond deden: en Reinout beval den Christenen, dat zij

mede achterstaan zouden, 't welk terstond gedaan wierd. Toen riep

Reinout de Edelsten van het Christenheir en leverde hun den Soudaan,

dien zij in de stad brachten, en de andere gevangenen ook, en leidden ze

in zekerheid.

Alzoo wonnen de Christenen Jerusalem.

En als de Soudaan dus gevangen was, bad hij den Heeren, dat zij zijn

lieden wilden laten t'huis varen zonder misdoen: hij wilde voor allen

gevangen blijven, en beteren al de schade, die hij Christenrijk gedaan

hadde. Als de Soudaan dit beloofde, riep men Reinout, en zeide hem des

Soudaans meeninge, en vraagde 'wat hem hier af dachte?'--"Wat mij

betreft, Heeren! gij moogt mijn gevangene gunstig zijn!" zeide Reinout.

Toen lieten zij de Sarazijnen, op de gezegde voorwaarde, gaan en hielden

den Soudaan gevangen.

Nu dacht Reinout te volbrengen, dat hem de Heremijt bevolen had; van

wederom te komen als de oorloge gedaan was tusschen de Christenen en

Heidenen. Met dit voornemen is Reinout gegaan tot den Patriarch van

Jerusalem, en viel voor hem op zijn kniën, en bad hem, dat hij hem zijn

zonden vergeven wilde: de Patriarch ontbond hem in den name Gods, en gaf

hem oorlof. "Lieve Heere!" zeide Reinout, "ik moet wederkeeren tot

mijnen lande over zee, om te houden mijn belofte:" en in 'et scheiden

van den vromen krijgsman waren allen bedroefd, die in den Hove waren.

Reinout ging te schepe, en hem geleidde de Patriarch met alle de

Edelsten van den lande.

Toen hij te schepe was, haalden de schippers de zeilen op, voeren voor

wind op Gods genade, zoo lang tot dat ze kwamen tot Marsiliën. En als

zij in de haven waren, bad Reinout den schipper, dat hij hem te lande

zetten woude, 't welk de schipper dede; Reinout nam oorlof aan allen,

die in den schepe waren en beval ze God. Een boot werd bereid, Reinout

aan land gevoerd; en Reinout nam oorlof aan de knechten en dankte ze, en

ging in de stad; en de knechten roeiden met den boote weder aan 't

schip.

Reinout in de stede wezende, hoorde dat er een kamp was aangenomen voor

Koning Carel in der stede tot Parijs. Als Reinout dit hoorde, vraagde

hij naerstelijk 'wie de kampioen wezen zoude, die den kamp beroepen

hadde?' Toen werd hem gezegd, dat 'et wezen zoude Guweloen tegen

Reinouts zone Adelaert, want Guweloen hem beticht had van verradenis

voor den Koning; dat hij getuigen wilde met Macharis, Galeran, Henderic

van den Lieve, en Pinabel. Reinout ontzett'e op dit bericht: want hij

wist wel, dat het alle verraders waren, en nochtans had ze de Koning

lief, want zij bedekten hun boosheid listig, en gaven den Koning nooit

goeden raad.

Reinout, dit overdenkende in zijn herte, besloot naar Parijs te gaan, en

zeide in hem-zelven: 'Ik bid u, genadige God! dat gij mijnen zone wilt

bewaken!' Met die gedachte ging Reinout, tot dat hij te Parijs kwam,

waar hem niemant en kende: maar hij had een goeden vriend, daar hij ging

en dien hij vraagde, 'of hij niet vernomen en had hoe alle ding te werk

gegaan was.' Deze vriend was veeltijds bij de Heeren van den Hove, en

zeide: "ja ik, het opzet van de verradenis heb ik gehoord. 't Is

gebeurd," zeide hij 'dat de Koning uwen zone ontboden heeft, geheeten

Adelaert, en heeft hem al 't leen dat hij had in vrijen eigendom

gegeven; en hij is voords bij den Koning gebleven. Dit benijdden deze

verraders, en vergaderden bij-een, en zij sloten eenen valschen raad.

Guweloen zeide: "Gij Heeren weet wel, dat wij dikwijls groote schade

gehad hebben, en onze magen verloren, bij Reinout, zijn vader: en daarom

willen wij den zone het leven nemen. Ik weet ons raad: ik zal voor den

Koning gaan en zeggen hem, hoe ik gehoord heb, dat Adelaert hem vermeten

heeft, dat hij zijn vader wreken zal en het goede Ros Beyaert, dat hij

van zijn vader zoû gehad hebben--daarom willen wij den Koning zeggen,

dat hij zich wachte en wel toezie. Als ik dit gezeid hebbe, zult gij

mijn woorden staven, en zeggen zoo mede.' Dit dachte hun-allen goed, en

Guweloen is gegaan tot voor den Koning, en heeft hem gezegd als zij

over-een-gekomen waren. Toen zeide de Koning: 'Heeft dat niemant méér

gehoord?'--'Ja, Heer Koning: bij mijner trouwe, het hoorden nog vijf

lieden: d'eene is Macharis van Losane, en Galeran van Brittanniën,

Madras, de stoute Ridder, Pinabel en Herelijn[3].' Toen Koning Carel dit

hoorde, was hij zeer toornig, en zwoer dat hij Adelaert zoû doen vangen.

Dus dede de Koning Adelaert ontbieden te Parijs om hem te spreken.

Adelaert kwam bij den Koning en groette hem vriendelijk, en vraagde hem

'of hij iet beliefde van hem gedaan te hebben.' De Koning zeide hem

verradenis aan. Als de jongeling dit hoorde, verwonderde hij zich uit

der mate en zeide: 'Heer Koning! mij veroordeele God, zoo ik dat mijn

leven ooit gedacht heb!' Toen Adelaert zijn onschuld aldus tegen den

Koning gedaan had, zoo stond daar de verrader Guweloen bij, en zeide:

'Gij, slechte verrader! ik hoorde u spreken; niet alleen ik, maar ook

alle deze Heeren, die hier in de zale staan; en zoo gij hiertegen zeggen

wilt, zoo zal ik 'et u doen bekennen en belijden in een kamp,' en

met-een bood hij Adelaert den handschoen, dien hij gewillig ontving.

Toen zeide Pinabel: 'Dezen kamp zal vechten Galeran.'--'Ik stem daarin,'

zeide Guweloen."

Reinout hadde verstaan wie tegen zijn zone den kamp zoude vechten. Hij

was te-vrede, en scheidde van zijnen vriend.

[1] _quareel_: geschutpijl; pijl uit een katapult geschoten.

[2] Mahomet en Apolijn stelden de Christenen zich als Sarazijnsche

afgoden voor.

[3] Dr. Mannes leest _Herclijn_; de vl. uitg. heeft _Hebron._

Karolingsche Verhalen · 第 38 / 45 题