Hoe Haymijns Kinderen Koning Carele Beyaert aanboden en
hem gaven, en de Koning het deed verdrinken, en hoe
Reinout een heremijt werd.
Als 't verdrag van den zoene gesloten was, tusschen Carel en Reinout met
zijn broeders, kwamen ze hand aan hand, en Beyaert door hen geleid, tot
de Koning; zij deden een oodmoedigen voetval voor den Koning: toen deed
hen de Koning opstaan en ontving ze in gratie. Hoe menigen Edele
verblijdde dit, en zonderlinge Vrouw Aye, hunne moeder! Toen heeft
Reinout--Beyaert genomen en hem den Koning gegeven, zeggende: "Heer
Koning, doet er mede naar uw welgevallen."
En de Koning volbracht zijne gelofte, want hij dede Beyaert twee
molensteenen binden om den hals, en 'et leiden op de brug van der Oyse,
en werpen in de rivier.
Beyaert zonk met de molensteenen, toen 'et pas ingeworpen was; maar
terstond kwam 'et weder boven en begon te zwemmen. Beyaert zag Reinout;
toen verhief hij zijn voeten, sloeg tegen de steenen, dat de koorden
braken, en zwom te lande. Zoo haast als hij te lande kwam, liep hij
naar Reinout. "Reinout!" zeide Koning Carel, "Reinout, geeft mij Beyaert
wederom! of ik zal u doen vangen." Reinout gaf Beyaert weder. De Koning
dede aan elken voet van Beyaert een molensteen binden, en aan den hals
twee, en liet hem zoo werpen in de riviere; nog kwam Beyaert boven en
liep na Reinout en brieschte zeer. Adelaert kuste Beyaert voor zijn
muil.
De bijstanders verwonderden zich over de kracht van 'et paerd. Carel
zeide tegen Reinout: "'t En zij ge mij Beyaert wedergeeft, zal ik u doen
vangen." Adelaert zeide: "Vermaledijd moet gij zijn, Reinout--geeft gij
den Koninge Beyaert weder!" Reinout zeide: "Zwijgt, broeder! zal ik om
een Ros des Konings toorne hebben? neen ik waarlijk, broeder! alzoo
helpe mij God." Toen zeide Adelaert: "Beyaert, wat valschen Heere hebdy
gehad; met slechten loon wordt gij beloond!"
Reinout heeft Beyaert weder gevangen, en den Koning gegeven, zeggende:
"Heer Koning, dit is de derde reize, dat ik mijn trouw Ros geleverd
hebbe; is 't dat het u thands ontgaat, ik vange het niet weder, want het
gaat mijner herte te na." De Koning ontving 'et ros, en zeide: "Reinout
wendt u af: want zoo lang uw Ros u ziet, zoude 't niet mogen
verdrinken." Toen moest Reinout voor de Heeren zweeren, dat hij niet
omzien zoude na Beyaert.
Toen dede de Koning Beyaerde aan elken voet binden twee groote
molensteenen, en aan den hals ook twee, en alzoo werpen in de riviere;
toen moest het Ros te gronde gaan. Een wijle daarna kwam het weder
boven, en stak 'et hoofd omhoog, neigende na zijnen Heer, alsof 't een
mensch geweest hadde, die na zijn lieven vriend bitterlijk geschreid
hadde. Ten leste zonk het Ros en verdronk: 't is nochtans, naar 't
gemeene zeggen, sedert, vele malen gezien in het woud van Ardennen.
Reinout was, na zijn aldus volbrachte offer, in de ziel geroerd en als
sprakeloos. Zijne broeders liet hij bij den Koning en voer alleen te
Montalbaen.
Als Vrouwe Clarisse hem zag, zeide zij: "Reinout, waar is Beyaert, en
waar zijn uw broeders?" Reinout zeide somber: "Mijn broeders zijn nog
bij den Koning, en de Koning heeft Beyaert gedood." Als de Vrouw dit
hoorde veranderde haar verwe, en zij viel in onmacht. Reinout hief ze
van der aarde en droeg ze in een kamer; de Vrouw kwam tot haar-zelve, en
was zoo droevig, dat haar de tranen uit de oogen liepen. Reinout zeide:
"Lieve Vrouwe, troost u! Toen wij van hier reden, zag ons de Koning en
volgde ons sterkelijk, en brak zijn heir op, beleîde ons in Ardennen, en
vraagde mij of ik 't kasteel tegen hem houden wilde of strijden. Toen
zeide ik neen. Daar kwam mijne moeder, die het tractaat van den zoene
zóo maakte, dat ik den Koning Beyaert geven zoude....'t welk ik dede;
aldus kregen wij gratie van den Koning: toen dede de Koning Beyaert
verdrinken."
De Vrouw zeide: "Heer, 't is mij onbeschrijflijk leed, dat wij Beyaert
zoo verloren hebben: maar des Konings toorn was ons te zwaar, wij en
mochten hem en zijner machte niet wederstaan."
Reinout riep nu heimelijk zijne kinderen voor hem, sloeg zijn oudsten
zoon Adelaert tot Ridder, en deelde zijne goederen onder allen uit. Als
hij dit gedaan hadde, ontbood hij een snijder, en dede een kappe maken
tot den voeten. Geen Ros, zoû hij na Beyaerts doode meer beschrijden;
geen zwaerd, ter boete voor den grooten manslag, meer gorden!
Als de kappe gemaakt was, ging hij heimelijk des nachts uit Montalbaen,
door dorpen en steden, zoo lange, dat hij in vreemde landen kwam, daar
hem niemant en kende.
Reinout ontmoette op deze zwerftocht een Heremijt, die in vijftien jaar
nooit menschen gezien hadde; deze verwonderde zich zeer, en zeide:
"Helpe God! van waar komt gij, mensche, dat gij hier geraakt zijt? en
wat is uw begeerte?" Reinout andwoordde: "Heer ik ben een, de droefste
man, die ooit van moedere geboren is, want ik heb mij in twee-en-twintig
jaar niet mogen verblijden: sints dat ik des Koning zone van Vrankrijk
doodsloeg, geheeten Lodewijk. Nu heb ik maar éenen wensch: dat ik mijn
zonde konde biechten en boeten--want mijne misdrijven benauwen mij
onlijdelijk."
De Heremijt zeide: "Lieve vriend, ik hoore wel, dat gij God kwalijk
gediend hebt, en veel zonden binnen uwen leven gedaan. Maar wilt gij de
zonden laten en niet meer doen--zoo valt dan op uw kniën en bidt God
oodmoedelijk, dat Hij u gratie verleene, dat gij uw leven tot een zalig
einde moogt brengen."
Aldus bleef Reinout in de woestijne drie jaren lang, en leerde van den
Heremijt menig schoon gebed, en dede zware boete, en kastijdde zich, zoo
zelfs, dat hij zeer krank werd van lichaam. Toen ging Reinout met moeite
tot den Heremijt, en klaagde hem zijn verdriet, zeggende: "Heere, ik
blijve dood van koude en van honger, want mijne kleêren zijn aan
stukken, en ik kan mijn lichaam daarmede niet langer bedekken."
Als de Heremijt dit hoorde, zoo had hij medelijden met hem, en zeide:
"Lieve vriend, troost u en hoopt op God, hij zal in uwe nood voorzien."
Maar Reinout begon te schreyen en riep: "O God, moet ik nu sterven van
koude en honger!" De Heremijt nu dede zijn gebed tot den Almogenden God.
Toen hoorde de Heremijt een stemme, gezonden van Gode, die hem zeide,
dat hij zijnen gezellen bevelen zoude, "zonder vertoeven te trekken na
den Heiligen Lande, en vechten tegen de Heidenen." Als de Heremijt dit
hoorde, was hij zeer blijde, en riep zijn gezelle tot hem, zeggende:
"Lieve vriend, mij is bevolen van Gode, dat gij zonder toeven trekken
zoudet over zee, ten Heilige Lande, en helpen de Kerstenen, dat zij 't
Land weder winnen: want het lang geleden is, dat 'et de Kerstenen
verloren hebben."--"Dat zij zoo in den name Gods!" riep Reinout; "want
wat God belieft wil ik gaerne doen, en ik bidde u, Heere, dat gij Gode
voor mij bidden wilt." De Heremijt beloofde 't hem.
Alzoo nam Reinout oorlof aan den Heremijt en scheidde van hem met
weenenden oogen. En toen hij hem verlaten had, ging hij en kwam ten
derden dage bij eenen pijnboom, die groot en schoon was, en hem dachte
dat hij daar wél op rusten zoû; want de nacht overviel hem. En als 't
begost te dage klom Reinout weder van den boom, en ging zoo lange dat
hij kwam in Sinte Jores' Braes[1]; daar vond hij schepen en voer in het
land van den Islamme[2]. Dus voer Reinout met grooter begeerte tot dat
hij kwam in de haven van Tripoly.
[1] _Sinte Joris' Braes_: Bras de St George, de Dardanellen.
[2] _Islamme_: lezing van Dr Matthes. Het holl. volksb. heet Stamme, het
duitsche Sclavonien, het vlaamsche Buda.