Hoe Reinout van Koning Karei ontvangen werd, en
Adelaert met Galeran kampte, en hoe Reinout zich tot
zwaren arbeid vernederde.
Reinout ging tot Koning Carel, en stond vóór hem als een arme pelgrim.
"Pelgrim!" zeide de Koning, "brengt gij iets nieuws van den Lande van
over Zee en van de stad Jerusalem?"--"Heer Koning!" andwoordde Reinout,
"ik kom daar nu juist van daan; de Christenen hebben de stad Jerusalem
veroverd in het gantsche, en dit is voornamelijk gekomen door toedoen
van twee mannen, uit dit land derwaards heengetrokken." De Koning vroeg
"wie zij geweest waren?" Toen zeide hij: "'t Zijn Madelgijs en Reinout
geweest; die hebben den Turken zoodanigen weêrstand geboden, en der
vijanden zoo menigen verslagen, dat het niet te zeggen en is. Doch
Madelgijs heeft het met de dood bekocht." Toen vroeg hem de Koning: 'of
hij niet wist, waar Reinout was?' Toen andwoordde hij: "Heer Koning!
hij, naar wien gij vraagt, staat vóór u als een arm man."
Toen de Koning dit hoorde, verwelkomde hij hem zeer vriendelijk, en
ieder verheugde zich over Reinouts wederkomst: in zonderheid de Genoten:
maar het meest verheugde zich Adelaert, zijn zone, en de verraders waren
droef en gramstorig. De Koning deed Reinout kostelijke kleederen
aantrekken, en bewees hem groote gunste.
En Reinout ging zich met zijn zone Adelaert wat vermeyen in het veld en
vraagde hem, "waar Haymijn zijn vader, en zijn broeders, en zijn moeder
waren." "Vader! zij dwalen achter lande om u te zoeken; zij hebben zich
voorgenomen niet te rusten, voor zij u gevonden hebben." Toen Reinout
dat hoorde was 't hem zeer leed, en weende hij, om dat hij zijnen vader,
moeder, en zijne broeders niet weêrvond.
Adelaert troostte hem, maar was ontrust wegens den uitslag van den kamp,
dien hij strijden moest. "Mijn lieve zone," zeide Reinout, "vreest niet:
God, die de rechtschapenen nooit verlaten heeft, zal ook u in nood niet
verlaten." Zoo sterkte Reinout zijn zoon en bleef bij hem tot de ure dat
zij kampen zouden.
Daar rustte zich de jonge Ridder Adelaert toe ten strijde, en had een
goed paerd beschreden, waarmee hij in het krijt verscheen buiten de stad
van Parijs.
Intusschen reed ook Galeran gewapend aan, en rende Adelaert, met zijner
spere, recht door het schild. Adelaert, als een jonge, onvertsaagde
held, rende weder op hem toe, dat zij, alle beide, van den paerden
vielen. Beiden sprongen haastig weder op en vingen ten zwaerden.
Adelaert sloeg Galeran 4 maal, eer hem Galeran eenen slag gaf: maar
kwetste Galeran niet.
Daar wrong Reinout zijne handen en gebaarde zich als een diep bedroefde.
"Florenberge!" riep hij tot zijn zwaerd, in 's jongelings handen, "gij
zijt vervallen: mij dunkt, dat ge snijdt of gij een kouter waart uit een
ploeg." Adelaert liet zijne oogen omgaan, en zag zijn lieven vader de
handen samenwringen. Toen ontvlamde de wakkere jonkman en voelde hij
zich aangeprikkeld van schaamte. Met beide handen hief hij het zwaerd,
waar hij toornig en stoutmoedig voor Galeran stond, en sloeg den
strijder den linker arm af, die het schild droeg. Toen sprak Adelaert
stoutelijk: "Wilt gij schuld bekennen, lagen bastert?" Toen andwoordde
Galeran: "Neen ik! bij Sint-Jan-Bâtist niet, Heere!" Met-een heeft hij
het zwaerd opgeheven en geslagen naar Adelaert, en sloeg den Jonkheere
zes maliën af, en meer, en bracht hem een wonde toe aan den voet. Toen
sprong Adelaert achteruit; schielijk hief hij zijn scherpe zwaerd en
sloeg Galeran tot de schouders, dat hij dood viel voor zijne voeten en
het loon kreeg voor zijne valschheid.
En Carel sprak luide: "Gezegend zij zulk een kind, dat dusdanige slagen
slaat!" Toen viel Reinout aanstonds ter aarde en dankte vurig onzen Heer
voor de gunst, die hij hem in den kamp gedaan had. Carel deed Galeran
aanstonds hangen; en alle de verraders deed hij van stonde aan uit
zijnen Raad: zoo dat met niemant van hun geslacht ooit ter waereld meer
in Vrankrijk een Koning te Rade ging, noch ooit meer gaan zoude: ik wil,
dat men dit wel versta!
Nu kon Adelaert Parijs binnentrekken. Carel vermeerderde hem zijn leen,
en gaf hem nieuwe burchten. Op dezen voet bleef de Jonkheere voortaan
met den Koning.
Thans wil ik u verhalen wat Reinout verder deed. Hij leî het scharlaken
af, dat hem de Koning gegeven had; kocht een arbeiderskleed en
schootsvel, en zal zich in grooten arbeid begeven. Stil toog hij van
daar, die zelfde nacht nog, bij den sterren en bij der mane, verre wech
in vreemde landen, waar 't hem onbekend was.
Toen diende daar de fiere held Reinout, gelijk de arbeider achter den
ploeg-os. De stoute Grave won met moeite zijn brood. Bij het maken der
wegen droeg hij hout aan, en mortel[1] en steen, en was de minste onder
de lieden. Zoo won hij met moeite waar hij van leefde: want hij wilde om
geenen nood iets anders dan gerstenbrood eten, en dronk slechts van der
fonteine, die hij in den vreemde vond. Dat deed hem de dood van den
gekroonden Koning Lodewijk, en de dood van Beyaert, zijn goed Ros.
[1] _mortel_: ciment.