HET TWEE-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel-Montalbaen beleîde, en hoe Reinout in

eene andere stede toog; welke de Koning mede beleide.

En hoe Vrouw Aye, om Reinout en zijner broeders zoen,

Koning Carel haren broeder te voet valt.

Ander male dede de Koning alom in zijn land vergaderen een groot heir,

en toog na Montalbaen; dat zij sterklijk beleîden. Roelant zond een bode

tot Reinout, hem biddende, 'dat hij hem Durendael, zijn goed zwaerd,

wedergave.' De bode is gegaan tot 'et kasteel, en gaf een teeken dat hij

Reinout spreken wilde; terstond ontdeed men hem de poort en voerde hem

tot Reinout op de zale. "Edel Grave Reinout!" sprak de bode, "u doet

groeten Roelant, uw neve," en hij zeide voords Roelants boodschap. Als

Reinout den bode verstaan had, sprak hij: "zeg aan Roelant, mijnen neve,

dat ik hem gaerne Durendael, zijn goed zwaerd, weder geven zal; zeg hem

verder dat ik den Genoten mede hun zwaerden aanbiede, indien zij mij tot

zoen willen helpen bij Carel den Koning."

Als de Genoten dat verstaan hadden, kwamen zij over-een, dat zij

trachten zouden den Koning te bewegen, dat hij Haymijns Kinderen tegen

hem liet verzoenen.

Zij gingen dan in 's Konings tente, en Bisschop Tulpijn nam het woord:

"Heer Koning! gij ziet wel, Montalbaen staat hier voor ons en wij

belegeren het bij herhaling en sints lang: 't gaat intusschen zeker, dat

zij die daarbinnen zijn geen zorge hebben. Heer Koning, gij moet uwen

neven genadig wezen; wij bidden u dat gij ze in gratie ontvangen wilt:

want ware de peis gemaakt, zoo mochten wij op de Heidenen varen, en

betere zaak vervechten. Daar en zoude dan eenmaal geen Heiden meer

wezen, of zoude zijn land van u moeten te leen houden: want men zoude te

geener tijd tegen Reinout ofte zijn Broeders, zoo zij ons hielpen,

kunnen strijden."--"Willen zij zich overgeven in mijne handen," sprak de

Koning, "zonder eenig voorbehoud, zoo breke ik op van deze muren en doe

met hen wat mijne eere van mij eischt."

--"Heer Koning!" zei de Bisschop, "niemant brenge deze boodschap

Haymijns kinderen en hope te slagen!"

--"Neve," zei de Koning tot Roelant, "ik bidde u dat gij mijn bode

zijt."

--"Heer Koning! Ik zal 'et doen, om dat gij 'et van mij verlangt," zeî

Roelant, en reed naar Montalbaen. Als Roelant bij 'et kasteel kwam, liet

men hem binnen; hij trad van den paerde en ging tot Reinout op de zale.

Haymijns kinderen groette hij en al die daar zaten, ridders en knapen.

Dan sprak hij tot Reinout: "Ik hebbe u een boodschap te doen, van wege

den Koning."--"Wil hij onzen zoen aanvaarden?" vroeg Reinout vurig. "Hij

eischt," sprak Roelant, "dat gij zult uitkomen met uwe broeders, wollen

gaande en barvoets, en dat gij u aldus aan hem overgevet zonder eenig

voorbehoud."

--"Schande treffe den man, die ons eischt dat wij hem opgeven lijf en

goed!" riep Reinout; "des Konings eisch is al te hard!" en na eenig

nadenken sprak hij: "Neve, ik bidde u, zegt den Koning dat ik hem geve

mijn erf en goed; mijn kasteel van Montalbaen wil ik van hem te leen

ontvangen; ik wil hem dienen waar hij gaat en hem nimmer begeven. En mag

hij ons in zijn land niet zien, zoo trekke ik met mijn broeders over zee

en verre op de heidenen." --"Reinout-neve," zei Roelant, "uwe boodschap

wordt gedaan; dat belove ik bij mijn trouwe: want gij zijt mijn bloed."

Wanneer de Koning Reinouts woorden verstaan had, werd hij toornig, en

deed zijn engienen en schutgevaarten tegen 'et kasteel richten.

Reinount, dat ziende, deed wapenen al die zich binnen het kasteel

bevonden; hij zat op Beyaert en viel ter poorte uit onder des Konings

heir, hij zelve voerde den standaart. Als de Koning Reinout komen zag,

wapende hij zich met de Genoten. Zijn volk reed uit, wel tot 10,000

mannen. Aldus toog hij Reinout te gemoet. Reinout reed op den eersten

Francais dien hij ontmoette en stak hem dood met de glavije der baniere;

als de Koning dat zag, riep hij luide: "Gij Heeren, volgt mij, die uw

leen van mij houdt!" en hij reed op Reinout. Als Reinout den Koning

komen zag, week hij: "Reinout," riep de Koning, "waar zijdy!" Toen werd

Reinout toornig, hij sloeg Beyaert met sporen en reed op den Koning met

gevelden spere, dat de Koning van zijn ros viel; hij was er gebleven,

hadde 't Roelant niet gedaan. "Slaat gij Heeren!" galmde Reinout, "de

Françoisen verdoen wij heden!"--"Schande moog u treffen!" riep de

Koning, als hij dat hoorde, en hij reed op Madelgijs en stak diens ros

onder hem dood, zoo dat hij ter aarde viel. Terstond rees Madelgijs weêr

op en sloeg met den zwaerde onder 's Konings volk dat op hem liep, zoo

dat hij er menig velde; ook Ritsaert deed wonder met den zwaerde.

Dan toog Reinout weder tot Montalbaen, en Koning Carel was droevig, dat

Haymijns kinderen hem ontreden waren.

De historie schrijft dat deze oorlog wel zeven jaren duurde.

De Genoten hebben den Koning dan gebeden, dat hij houden zoû een

parlement, met Reinout en zijne broeders, om alzoo tot peis te geraken,

en zij baden het den Koning zoo ernstig en een-stemmig dat hij zich ten

laatste daartoe bewegen liet. In haaste zonden de Genoten dan een bode

tot Reinout, 'dat hij te komen hadde ten parlement dat de Koning houden

zoû, om van den peis te handelen.'

Reinout, dat hoorende, was blijde uit ter mate en bereidde zich en toog

ten parlemente. Als hij voor den Koning kwam, viel hij hem te voet:

"Edel Heer Koning!" sprak hij, "God, die voor ons stierf aan den kruice,

mogen u hoeden."--"Reinout," zeî de Koning, "laat staan de groete; hoe

veel kwaads hebt gij aan mij bedreven!"--"Ik wil 'et boeten, Heer

Koning!" gaf Reinout ten andwoord.

De Koning beval dan dat Reinout met zijne broeders achterwaards gaan

zouden, hij wilde zich beraden met zijne raadslieden, en hij riep tot

zich Griffoen, Alloreyt en Fortsier, deze waren zijne raadslieden; zij

waren het die ook belett'en dat de Genoten te Ronceval bleven. Fortsier

nam dan 'et woord en zeide: "Heer Koning! Reinout is heden ten

parlemente gekomen; gedenkt den dag dat hij Lodewijk uw zone 'et hoofd

afsloeg." Dat hoorde Ogier, de koene man, hij sprong toornig vooruit op

Fortsier: "Laat staan dat spreken!" riep hij, "gij, die 'et toelegt op

's Konings oneere! met geen man van riddertrouwe behoordet gij ten

parlemente te komen."--"Ogier spreekt waarheid:" zei Bisschop Tulpijn,

"menig boozen en snoden raad gaven zij den Koning; nu willen zij hem

raden Reinout met valschheid te vangen.--Heer Koning," sprak hij verder,

"doet naar onzen raad, het moge u baten; laat Reinout en zijne broeders

tegen u verzoend worden."

Koning Carel schudd'e 't hoofd, en zeide, 'dat hij schuldig was, de

moordenaars van zijnen zoon Lodewijk, dien hij voor al de waereld minde,

te doen sterven!' alzoo scheidde Reinout met onminne van de Koning, en

toog naar Montalbaen.

Koning Carel deed het kasteel bestormen aan alle zijden. Reinout kwam

uit met zijn volk: daar begon een hevige strijd. De Heeren reden tegen

malkanderen, dat de paerden op de achterbeenen zaten. Madelgijs had den

Koning bijna verslagen, en hadde hem niet te baat gekomen Roelant,

Olivier en Ogier; deze scheidden de Heeren, en hielpen den Koning te

paerde. Roelant sloeg op Madelgijs zulken slag, dat Madelgijs in onmacht

viel: toen bond hem Roelant handen en voeten, en voerde hem in 's

Konings tente. Moriante van de Rivier reed op Ritsaert, en Ritsaert

weder op hem, met zulker kracht dat hunne speren braken en zij vielen

van hun paerden; maar Ritsaert was 'et eerst op, en sloeg zoo vreeselijk

om zich heen, dat hij weêr te paerde kwam. Toen reed Salomon van

Bretagniën tegen Adelaert, en die weder op hem, en onderstaken malkander

zoo zeer met den spere, dat Salomon in onmacht van den paerde viel. Dit

zag Fortsier, en had angst, dat hij daar blijven zoude; en stak op

Ritsaert, en hij weder, op hem, zoo dat hij Fortsier doorstak; des hadde

Koning Carel groote toorn, en riep zijn krijgsleuze Mont-joye!" Dit

hoorde Reinout, en dacht 'wat zal er geschieden?'

De Genoten reden achter hunnen Heer; Carel reed op Writsaert; dat zag

Reinout en nam zijn sterke spere en reed op Carel, dat de Koning van den

paerde viel. Reinout reed in den meesten strijd, en riep: "Slaat, gij

Heeren van Montalbaen! Zoo helpe mij God! ik zal den Koning verslaan."

Carel hoorde dit en zeide: "God geve u schande!" De Koning sprong op

zijn ros, en verhief zijn zwaerd, en meende Reinout geslagen te hebben,

maar Beyaert ontdroeg hem; hij ware anders verloren geweest! Toen

sloegen de Twaalf Genoten hunne paerden met sporen, en reden op Reinouts

volk en sloegen hem wel 300 mannen af. Als Reinout zag dat zijn volk ten

onder ging, riep hij met haaste: "Gij Heeren van Montalbaen, laten wij

vliên! want des Konings volk is veel!" Toen vlood al Reinouts volk, en

Reinout hield de achterhoede en beschutt'e ze. Zoo werden ze weder in

'et kasteel gedreven.

En Madelgijs lag gevangen in 's Konings tente, en zeide: "Laat mij heden

nog leven, Heer Koning; 'et zal u niet tot schade zijn. Ik zal u

berooven noch bestelen; ik zal u niet ontloopen, of gij moest zelve

medegaan!"--"Hoe? gij truwant[1], zoude ik dan met u gaan?--Beliegt gij

mij weder?" Madelgijs zeide: "Neen ik, Heer Koning! ik zal u leiden te

Montalbaen, daar gij van Reinout wel zult ontvangen worden; maar Edel

Koning, laat verzoenen den koenen Ridder en komen tot Uwer genade. Wilt

daarvan het voordeel wel overwegen: alle die leven op der aarde zouden

voor u, met de hulp van Haymijns Kinderen, moeten wijken."--"Wildy nu

van zoene spreken?" zeide de Koning; "is 'et daarvoor de ure, als ik

gereed ben u te doen hangen: dat gij niet weder ontloopen zult."

Madelgijs andwoordde: "Heer Koning! des en hebt geen angst; ik zal

goeden borge zetten." Toen zeide Koning Carel: "Zoo deedt gij ook te

Parijs, daar de Genoten hunne zwaerden verloren. Maar wie zoude uw borge

zijn?" Madelgijs zeide: "Grave Roelant! komt wat nader: durft gij te

waarborgen dat ik niet ontloope zonder oorlof?" Roelant zeide 'dat hij

'et lichtelijk doen kon'.

Maar omtrent der middernacht toonde Madelgijs zijn konste, en alle de

banden braken, daar hij mede gebonden was. Madelgijs ging voor 's

Konings bedde staan, en zeide: "Heer Koning! ons heeft Reinout doen

aanzeggen, dat wij te Montalbaen komen zouden." De Koning hoorde dit

half droomende, en niet wetende wat te zeggen sprak hij: "Ik wenschte

dat wij reeds op de vaart derwaards waren."--"Gaan wij dan," zei

Madelgijs. "Ik mag niet gaan," was het andwoord. Toen nam Madelgijs den

Koning op zijn hals, en droeg hem te Montalbaen, zonder raad van zijne

magen; en leîde den Koning in een schoon bedde.

En Madelgijs ging daar Reinout lag zeggende: "Staat op, Reinout-neve! ik

geve u Koning Carel gevangen en heb hem in uw kasteel gebracht;" "Hoe is

dat mogelijk," riep Reinout, "dat gij den Koning gevangen hebt; ik

meende dat hij u gevangen hadde." Madelgijs zeide: "Neen hij, God zij

geloofd! ik hebbe den Koning gebracht." Reinout stond, en vond het waar

te zijn: Madelgijs ging en wekte de andere broeders, hun zeggende 'tgene

hij Reinout gezeid hadde; des zij blijde waren, en traden in de kamer,

daar Carel lag. De Koning ontwakende, zag Reinout met zijn broeders voor

zijn bedde staan. Toen werd de Koning droevig en ontrust, zeggende: "Dit

heeft gedaan de boeve Madelgijs: dat hem schande geschiede! ik zie hem

hier niet, nochtans weet ik wel, dat hij hier is." Reinout viel op zijne

kniën, en bad genade: 'twelk de Koning hem weigerde. Ritsaert dit

hoorende werd toornig, en zeide: "Heer Koning! gij moet sterven." Toen

sloeg Ritsaert na den Koning, en verhief zijn zwaerd; maar Reinout

beschutt'e den Koning en zeide tot Ritsaert: "Wat wildy maken? wilt gij

den Koning dooden? Hij is onze Heer, en zal 't zijn leven blijven."

Madelgijs zeide: "Heer Koning! neemt zoen van uw neve; zoo doedy

wel."--"God schende u!" zeide de Koning; "ik en zal 't niet doen. En moet

ik des hier sterven, kwade dief--gij zult er vermaledijd om zijn; want

met uwe konsten uit den Booze hebdy mij gevangen." Madelgijs zeide:

"Heer Koning! beradet u, dat gij uw neve gunstig zijt."

Toen Madelgijs zag, dat alles om niet was, sprak hij: "Nu dan zoo wil ik

u-allen Gode bevelen!" en hij verliet hen.

Nu sprak de Koning: "Reinout! laat mij gaan--ik zal mij beraden met

Roelant, Ogier, Olivier en met al mijn Genoten." "Heer Koning! zoo doet,"

zeide Reinout; "wij en houden u niet gevangen." Zoo scheidde de Koning

van Montalbaen en nam oorlof aan de broeders; en ging tot dat hij in

zijn tente kwam.

Als de Baroenen hunnen Heer zagen, waren zij blijde en ontvingen hem

minnelijk, want zij meenden, dat hem Madelgijs gedood had. De koning

zeide: "Madelgijs had mij gevangen geleverd aan Reipout, en Ritsaert

wilde mij verslaan, maar Reinout beschutt'e mij en wierp zijn broeder

tegen den vloer, liet mij gaan, en leidde mij uit."

Koning Carel riep den Hertoge Naymes, dat hij zoude rijden tot Reinout,

en zeggen hem, dat zij zich gevangen geve. De Hertog dede des Konings

gebod, en reed na Montalbaen. Reinout lag in een venster, en zag Naymes

komen rijden, ging hem tegen, en sprak: "Edel Hertoge, zijt wellekom."

Naymes zeide: "God loon 't u! de Koning van Vrankrijk laat u aanzeggen,

dat gij tot hem komet--gevangen."

Reinout zeide: "Zegt den Koning, wil hij ons lijfsgenade schenken --wij

zullen gevangen afkomen, en brengen den sleutel van 't kasteel."

Hiermede nam Naymes oorlof en reed tot den Koning. "Edel Koning!" zeide

hij: "Reinout doet u aanzeggen: 'wildy hem en zijn broeders het leven

schenken'--zij komen gevangen af."--"Hoe!" zeide Carel; "éischen zij iet

van mij? Ik zal ze met krachte dwingen en het slot doen opgeven: want

zij en hebben geen victualie."

De Koning dede aan alle zijden krijgstuig stellen, om het kasteel te

bestormen. En als die van binnen dit zagen, waren ze zeer droevig.

Reinout ging in den stal tot Beyaert, en trok een mes, en woude Beyaert

dooden, zeggende tot Clarisse: "Beyaert moet nu sterven door den nood

van den honger!" Ritsaert zeide: "Ik bidde u, broeder, en doodt Beyaert

niet!"

--"Jammert mij dan niet ondraaglijk," zeide Reinout, "dat gij alle, door

honger, zult dood blijven?" Adelaert zeide: "Broeder, ik heb een beteren

raad gevonden: wij zullen Beyaert niet dooden, maar ellendig als het met

ons staat, zullen wij doen komen eenen meester, en doen Beyaert

aderlaten, vier koppen bloeds alle dagen, en leven van den bloede."

Naymes, vernemende dat de Heeren niet te eten en hadden, zeide tot de

Genoten: "Reinout moet van honger vergaan, want zij hebben al hun

paerden gegeten, behalve Beyaert." Dit dede Roelant en Bisschop Tulpijn

zeer. "Edele Grave Roelant," zeide de Bisschop, "zullen wij onze magen

laten vergaan van honger?"

Naymes zeide: "Ik zal ons raad geven, wij zullen tot den Koning gaan en

bidden hem, dat hij Roelant te nacht het voorvechten bij de blijden[2]

geve, en zullen dan met werpen de burchtzaten spijzen." Met dezen raad

gingen de Heeren tot den Koning, en baden hem 'dat hij Roelande 't

voorvechten gunde.' De Koning stond dit toe.

De Heeren gingen nu en stelden hun reedschap[3] voor Montalbaen.

En die op de muren stond--zag, dat de Genoten hun engienen[4] sterkelijk

stélden en zeide 't aan Reinout, wien 't rouwde. "Dat staat ons zwaar te

bezuren," zeide hij: "want nu komt de Grave Roelant, Naymes, Ogier,

Tulpijn en Olivier, die lange stil gelegen hebben, tegen ons: willen zij

ons deeren, zoo kunnen wij ons niet meer verdedigen." Onder des begon

Ogier te werpen spek en menigerhand victualie, zoo dat de Ridders voor

langen tijd voorzien waren; als zij genoeg hadden geworpen, gingen zij

tot den Koning, en zeiden hem niet wat zij bedreven.

Reinout met zijn volk waren uit der mate blijde met hetgeen de Genoten

geworpen hadden, en hij gaf Beyaert zoo veel etens, dat hij binnen

veertien dagen zoo sterk was al te voren. Toen zoude Reinout Beyaert om

geen goed gegeven hebben.

Reinout riep op zekeren dag zijn broeders, tot hen zeggende: "Wij kunnen

ons hier niet langer onthouden van honger; laat ons rijden tot Ardennen:

daar zouden wij, als wij spijze genoeg hebben om zoo ver te komen, ons

wel onthouden. Wij moeten aanstonds vluchten op Beyaert en laten hier

alles over aan Gods zorge. Als wij wech zijn, zal Koning Carel het

beleg opbreken en mijne vrouw en burchtzaten zijn gered."

Als Clarisse dit hoorde was zij droevig, om dat Reinout wechrijden

woude. Reinout dede Beyaert zadelen, en nam oorlof aan zijne Vrouwe

Clarisse, die zeer schreide. De Heeren zaten op Beyaert, en reden

heimelijk eene waterpoorte uit, opdat zij hun vlucht zonder zorge doen

mochten. Maar toen de broeders wechdraafden, zag ze Koning Carel, en

zeide: "Gij Heeren ziet ginder de Vier Haymijnskinderen; zij meenen mij

te ontrijden." De Koning riep, 'dat zich elk wapenen zoude,' 't welk de

Heeren terstond deden, springende op hunne rossen, en reden

Haymijnskinderen te gemoet.

Heer Alorijt was de voorste en reed op Reinout met zulker kracht, dat

hij Reinout door den schilde stak, dat er een stuk van de speer in bleef

steken, en Reinout stak hem weder door den schilde, dat de spere door

zijn lijf ging; en viel dood. Als de Koning zag dat Alorijt doorstoken

was, sloeg hij zijn paard met sporen, en reed na Reinout, roepende:

"Mont-joye!" Als Reinout den Koning zag komen, zoo stak hij Beyaert met

sporen, en reed met Beyaert vooruit. Als dit de Koning zag, dede hij

zijn heir opbreken, en vervolgde Reinout met eenen zeer grammen moed.

Reinout met zijn broeders reden zoo lange, tot dat zij aan het kasteel

van Ardennen kwamen. Die op den kasteele waren zagen uit, overmids 'et

dravend dat ze hoorden, van het loopen, dat Beyaert liep. Zij gingen ter

poorte uit, om te zien wat daar was. En toen zij zagen, dat 'et Reinout

was, deden ze de poorte op en lieten hem in. Als Reinout met zijn

broeders binnen het kasteel waren, gingen zij zien wat er voor hen te

eten was.

Hierentusschen is Koning Carel--Reinout met zijn volk onvermoeid

gevolgd, zoo dat ze bij het kasteel kwamen, en hebben 't strengelijk

belegerd. De Koning zeide: "zoo zie ik dan op nieuw, dat als Reinout en

zijn broeders alle de dagen mijns levens verbitteren, en mijn

vervolgingen ontkomen, zij 't Beyaerde te danken hebben, die hen zoo

dikwijls uit der nood geholpen heeft, zoo dan--kan ik dit Ros machtig

worden--ik zal het doen dooden." En de Koning zwoer 'et bij zijner

kroone.

[Illustratie: Ten leste zonk het Ros]

De Koning is dan zelf gereden voor het kasteel, zoo dichte, dat hij

spraak houden mocht, en vraagde Reinout, 'of hij 't kasteel nog tegen

hem houden wilde?' Reinout andwoordde: "Neen ik. Heer Koning! ik en wil

t' niet tegen u houden: maar peinst, hoe dat ik u gevangen had, ende

minlijk liet gaan!"

Terwijl de Koning en Reinout samen spraken, is Vrouwe Aye gekomen in des

Konings heir, en de Koning scheidde van Reinout zonder meerder woorden

met hem te hebben, en reed weder naar het heir.

Vrouw Aye ging den Koning haastig te gemoet, en viel op hare kniën en

bad den Koning vurig, of 't zijner hoogheid gelieven woude, dat hij

Haymijns Kinderen tegen hem liet verzoenen. Den Koning baden daar ook

alle de Genoten, en de Edelste Heeren, opdat hij ze toch eindelijk liet

verzoenen.

En door dezen oodmoedigen voetval van zijn zuster, is Koning Carel tot

genade gestemd geworden, en zeide: "Wil mij Reinout Beyaert leveren, die

hem dikwijls uit groot gevaar verlost heeft--en mij toelaten daarmeê

naar welgevallen te handelen--zoo mag hij tegen mij verzoenen--en anders

niet." Toen zeide Vrouw Aye: "Heer Koning, gelieft u, zoo laat mij

trekken in het kasteel, en ik zal Reinout vragen, of hij zich opgeven

wil in uwer genade." En de Koning antwoordde: "Vaart henen zonder angst;

zegt hun lieden, dat zij met den Koning op geene andere wijze verzoenen

mogen."

Toen voer Vrouw Aye ten kasteelewaart, daar zij Reinout in vond, en met

groote blijdschap ontvangen wierd; en Vrouw Aye vertelde Reinoude des

Konings meeninge. Als Reinout deze woorden van zijn moeder verstaan had,

zeide hij 't zijn broeders, gelijk 'et hem zijn moeder verteld had. De

broeders hoorden dit bericht stilzwijgend aan--maar welhaast barstte

Adelaert uit en zeide tot Reinout: "Broeder, hoe durft gij dusdanige

dingen ons te voren leggen: zijt gij buiten uw zinnen? Eer ik dat dede,

droeg ik liever onvree tegen den Koning mijn leven lang." En de andere

broeders zeiden hun goeddunken insgelijks. Maar Reinout sprak weemoedig:

"Broeders; ter goeder tijd en ter zaliger ure is 't geweest, dat ik

Beyaert won; het goede Ros heeft ons wel en trouw gediend: maar Carel is

onze Koning--en wil hij een Ros nemen in zoene voor onzen manslag--wij

mogen zijn voorstel niet afwijzen. Hoe zwaar 't mij valle: ik zal 'et

Ros den Koning geven. Wij zullen 'et onze laatste redding te danken

hebben." En Reinout ging tot zijn moeder, en zeide haar dat hij den

Koninge Beyaert geven zoude.

Met dezer andwoorde is Vrouw Aye weder gereisd tot den Koning, en heeft

hem gezegd, 'dat Reinout en zijn broeders Beyaert geven zoude, om dat

hij de Koning was; opdat hij er naar welgevallen meê handelen

zoude--maar op voorwaarde, dat hij hun vergeven woude wat zij tegen hem

misdaan hadden, en hen in genade ontvangen.'--"Mij dunkt," zeide de

Koning, "dat zij 'et doen tegen hun dank, want zij hebben zeer lang

gewacht."

[1] _truwant_: lage knaap, bedelaar.

[2] _blijden_: steenwerptuigen.

[3] _reedschap_: instrumenten.

[4] _engienen_: machines, krijgstuigen.

Karolingsche Verhalen · 第 36 / 45 题