Inmiddels was het uur van den noen gekomen en men droeg de spijze op. De
Koning deed de Genoten twee en twee ieder aan eene tafel zitten,
hij-zelf zat aan eene tafel alleen. Madelgijs had men gebonden aan den
haard laten liggen. Als de maaltijd dan begonnen was, sprak Madelgijs:
"Heer Koning! al de Genoten zijn gezeten, mij echter heeft men geene
spijze aangeboden, sinds ik ten Hove was." De Koning dat van hem
hoorende zweeg in toorne; dan nam Roelant 'et woord: "Madelgijs,
ridder!" zei hij, "komt herwaards, gij zult met mij eten." Madelgijs zat
dan met Roelant ter tafel, en als de maaltijd afgeloopen was hief hij
aan een vrolijk liedeken te zingen, met zoeter kele. De Heeren zeiden:
"Hoe mach 'et hem lusten te zingen!"--"Geen blijder man dan ik!" zei
Madelgijs, "omdat ik leven zal tot morgen." De Koning echter beval
zijnen knechten dat men Madelgijs ten kerker voeren zoû; men sloot hem
in een sterken toren en deed hem boeyen aan handen en voeten; "t Is hier
kwaad herbergen," zei Madelgijs, "ik moge mij dien last kwijt maken eer
de nacht verloopen is."
Als de avond kwam legde zich de Koning op zijn bedde en sliep, en de
Genoten gingen allen met Naymes, en Olivier tot den toren, waar
Madelgijs gevangen lag; zij zaten neder voor de met ijzer beslagen deur
en haalden menig ridderlijk feit op, om zich voor den vaak te bewaren.
Eer middernacht kwam toonde Madelgijs zijne konste; de boeyen vielen hem
af van voeten en handen; hij deed de Genoten vast slapen en ontsloot de
deur des kerkers; hij ging tot de Genoten en legde ze in den toren en
nam hun alle hunne zwaerden. Dan liep hij tot des Drossaerts kamer, en
nam Koning Carels drinkkop van, fijnen goude, en--vlood naar Montalbaen.
Op dien tijd was Reinout op zijn kasteel van Montalbaen en wist niet van
al wat zijn oom overkomen was; als hij dan te bedde lag en sliep,
overkwam hem een droom, en hem dacht dat men Madelgijs hangen wilde aan
eenen boom. Van vreeze ontschoot hij uit den slaap, hij stond op en
kleedde zich; dan ging hij zich wapenen en zuchtte in zijn herte: "Help,
moeder Gods, Maria! ik bidde u dat gij mijn oom behoedt voor een
schandigen dood!"
Hij zadelde Beyaert, zat op 'et goede Ros en reed in den nacht tot
Madelgijs' kasteel; aan de poorte klopte hij en als poortier hem gehoord
had sprong hij op en vroeg, wat zijner begeerte was. "Zeg mij, waar is
dijn Heere?" zei Reinout. "Ik en weet niet, des zijt zeker, edel Grave
Reinout!" andwoordde de man. Dan werd Reinout droevig en sloeg den weg
in naar de stad van Parijs; als hij tot Montfaucon kwam, sloeg hij zijns
ondanks de oogen op naar de galge, en hij dankte God, als hij zag dat
niemant daaraan gehangen was. Toen hoorde hij iemant komen langs den
weg, die steende als of hij dadelijk sterven moest. Reinout, dat
hoorende, hield Beyaert in en riep: "Bistu uit God die daar komt? zegt
mij wie du bist, of zoo helpe mij God!--ik slaag die met den zwaerde dat
du voortaan niemant meer kwellen zulst!" Dan riep Madelgijs, die Beyaert
reeds herkend had: "Ik ben Madelgijs uw oom! ik zag in trouwe, Reinout,
hoe weinig u aan mij gelegen was!" "Zijt gij 'et Madelgijs, oom!" riep
Reinout verblijd, "ik en wist niet dat u onheil overkomen was; ik bidde
u zegt mij wat gij daar draagt, dat gij dus kreunt onder het wicht." Dan
spotlachte Madelgijs: "Olivier had mij gevangen" zeide hij, "en den
Koning geleverd, die mij wilde doen hangen nog voor den avond; ik bad
den Koning, dat hij mij leven liet tot den morgen en dit werd mij
toegestaan; toen was ik blij, want ik wist wat mij te doen stond; men
legde mij in den kerker, met kluisters beladen, en de Genoten bewaakten
de deure: toch ben ik ontkomen! den Genoten nam ik hun zwaerden en in
des Drossaerts kamer 's Konings gulden drinkschale; die ik hier drage
onder den mantel."
--"Oom, naamdy ook Ogiers zwaerd?" vroeg Reinout. "Ja ik, neve!"
andwoordde Madelgijs, "niemant liet ik iet."--"Oom!" zei Reinout, "dat
is niet wèl gedaan; hadt Ogier zijn zwaerd gelaten!"
--"Had ik Ogier zijn zwaerd gelaten," riep Madelgijs, "dan had men hem
voor Koning Carel beschuldigd, dat ik bij zijn toedoen ontkomen was!"
Dan dede Reinout--Madelgijs bij zich op Beyaert zitten en reed tot
Montalbaen.
Als het begon te dagen ontwaakte Koning Carel en kleedde zich
haastelijk; met dat hij tot den kerker gaan wilde, ontmoette hij zijn
Drossaert, die hem klaagde dat des Konings gulden kop gestolen was en
dat de Genoten in den toren lagen; dan dacht Carel wel dat Madelgijs hem
ontvlucht was en ging in haast tot den toren. "Roelant, neve!" riep de
Koning, "staat op, Madelgijs hebben wij verloren!" Roelant ontschoot uit
den slaap en tastte naar Durendael, zijn goed zwaerd; als hij 'et niet
meer vond werd hij droevig; ook de andere Genoten zagen dat hun
zwaerden hun ontvoerd waren: "Dat deed Madelgijs, de snode tooveraar,"
spraken zij, "God geef hem schande!"
De Koning dat hoorende zwoer, 'dat hij Madelgijs geen rust zoû laten zoo
lang hij leefde, en geen toevluchtsoord, in wat land hij zich begeven
mocht.'