Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning
Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs
uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden
ontvoerde.
Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et
wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen
dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het
Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar
de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs
nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,
"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning
Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en
toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar
Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar
Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er
hand vloog.
Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij
droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige
handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter
nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar
Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer
ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"
Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot
hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de
Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,
mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels
ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs
gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer
Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde
de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,
"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon
Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid
onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal
geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de
Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"
De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat
men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte
Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de
Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"
hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zoû
zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen
voor u!"
Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt
gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et
willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en
mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!
wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde
mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit
niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;
met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."