HET EEN-EN-TWINTIGSTE CAPITTEL.

Hoe Madelgijs gevangen werd en gebracht voor Koning

Carel, hoe de Koning hem hangen wilde en hoe Madelgijs

uit den kerker brak en den Genoten hun zwaerden

ontvoerde.

Het is gebeurd dat Olivier ter jacht reed in het woud, en als hij 'et

wild zocht op een berg, zag hij in het dal beneden zich een man komen

dien hem dacht Madelgijs te wezen; hij stond dan lang in twijfel, of het

Madelgijs ware of niet, ten laatste werd hij hem kennende; hij liet daar

de jacht en reed ten berg af, wat zijn paard loopen mocht, en Madelgijs

nabij komende, greep hij hem bij den mantel: "Sta toveraar!" riep hij,

"zoo helpe mij Sint-Vitus, ik neme u gevangen en levere u Koning

Caerle!" Madelgijs echter sprong onvervaard achteruit, zoo hij mocht, en

toog 'et zwaerd: Olivier toog 'et zijne en sloeg een feilen slag naar

Madelgijs, de koene krijger ontweek het zwaerd en sloeg met toorn naar

Olivier, en Olivier stuitte de slag, dat Madelgijs 'et zwaerd uit 'er

hand vloog.

Als de koene Ridder dus weerloos voor zijn vijand stond, werd hij

droevig van binnen: "Wee mijner!" sprak hij, "dat ik dus met ledige

handen staan moet, die zoo menig zwaren slag sloeg; 'et ware mij beter

nooit zwaerd gedragen te hebben!" en Olivier heeft anderwerf naar

Madelgijs geslagen; deze echter ontsprong den slag nogmaals: "Heer

ridder!" riep hij, "ik geve mij gevangen!"

Zoo voerde Olivier--Madelgijs gevangen met zich, en reed zoo-lang tot

hij kwam binnen de stad van Parijs, voor Koning Carels zale. Wanneer de

Koning Olivier komen zag, sprak hij tot Alloreyt: "Ginds komt Olivier,

mij dunkt hij voert Madelgijs gevangen herwaards." Olivier was inmiddels

ter zale opgegaan en groette eerbiedig: "Brengt gij mij Madelgijs

gevangen?" vroeg de Koning hem met zoete woorden. "Ja ik, Edel Heer

Koning!" sprak Olivier, "ik lever Madelgijs in uwe handen." Dan keerde

de Koning zich met gramme blikken tot Madelgijs: "Snode man!" sprak hij,

"hoeveel leed hebt gij mij gedaan! Haymijns kinderen, die mijn zoon

Lodewijk moordden, hebt gij bij tooverij mijner gerechtigheid

onttogen!"--"Heer Koning!" zei Madelgijs, "het zal de laatste maal

geweest zijn dat ik mij tegen u stelde!"--"Gij zegt waar," sprak de

Koning, "en nochtans toont gij weinig rouw of zorge!"

De Koning zat dan neder en sloeg met Allereyt en Fortsier den raad, dat

men nog voor den avond Madelgijs hangen zoude. "Heer Koning!" smeekte

Madelgijs, "laat mij leven tot morgen!" "Dat geschiede niet," zei de

Koning, "voor den dage waart gij mij ontvloden." "Edel Heer Koning,"

hernam Madelgijs, "ik zal u des borg stellen; laat mij leven."--"Wie zoû

zich voor u borge willen stellen," zeî de Koning, "wie mijner Edelen

voor u!"

Dan keerde Madelglijs zich tot Olivier: "Edele Heere!" sprak hij, "wilt

gij mij borge wezen tot morgen!"--"Ja ik," zei Olivier, "ik doe 'et

willig."--"Ik begeere meerder borge," zei de Koning, "Olivier alleen en

mag u niet verborgen," Dan sprak Madelgijs tot Naymes: "Edel Hertog!

wilt gij naast Olivier mij borge wezen bij den Koning?" en Naymes stemde

mede in zijn verzoek. "Heer Naymes!" zei de Koning, "ziet toe dat u dit

niet tot oneer gedije." --"Heer Koning!" sprak Naymes, "en zorgt niet;

met Olivier blijf ik u borge, dat hij u niet ontga voor den dage."

Karolingsche Verhalen · 第 34 / 45 题