Hoe Roelant den Genoten zeide, dat hij tegen Reinout
kampen zoude. En hoe zij te velde kwamen om te kampen:
maar de Genoten belett'en 'et.
Ogier zeide tot hem: "Roelant! brengt ge Reinout gevangen, of hebdy 'em
dood geslagen? Licht heeft hij u om genade gesmeekt?"--"Zwijg, God
schenn'dy, Ardenner!" andwoordde Roelant. "Gij Heeren!" vervolgde hij
bedaard, "ik zal in het klooster trekken, en gij gezamendlijk naar
Vrankrijk." Toen zeide Ogier: "Wildy Monnik worden, Roelant! in rouw
over uw misdrijven? Gaat dan en bidt den Abt genade."--"Zwijg,
verwatene!" sprak Roelant. "Nu wil ik zwijgen," andwoordde de Ardenner;
"Roelant is gram."
--"Roelant," sprak nu Bisschop Tulpijn, "laat daar deze rede. Waarom
zouden wij-allen in Vrankrijk keeren en gij blijven te Beurepaer? 't
Eerst, dat wij voor den Koning kwamen, zoû hij naar u vragen: wat
mochten wij hem dan, wegends uw achterblijven melden?"
--"Ik zal 't u zeggen. Heer Tulpijn, 't Is mij dus aangekomen, dat ik
Reinouts trouw te pand genomen heb, wijl hij de verradenisse gepleegd
heeft, mij den dief Ywein te nemen. Dat vertoornde mij, en heb des den
held tot rekening gedaagd."
--"Roelant-neve!" zeide de Bisschop, "hebdy Reinouts dood van Montalbaen
gezworen--zoo zult ge 't boeten met uw leven: dat zeg ik u onverborgen.
Wij weten nochtans alle, dat men u met zwaerde, noch met spere vellen
kan: gij zijt beter dan eenig Ridder: evenwel, ik geef u mijn woord:
wordt Reinout van u verslagen --gij zult 'et geen drie dagen overleven.
Men zal u, waerdig krijgsman, onder de koude aarde begraven."
Dat Bisschop Tulpijn dit zeide, verheugde Ogier, en sprak: "Ai God van
Hemelrijk! geeft thands dat Roelant vechte tegen Reinout van Montalbaen:
zoo zal hij ondervinden wat groote kracht die Jonkman in eiken strijd
betoonen kan!"
--"Bij God, ik zeg u, Heer Ogier!" sprak Roelant, "dat ik om al zijn
doen geen bloemknop geve."
En Ritsaert van Normandië, en Diederic van Ardennen en al de Genoten van
Vrankrijk dreigden Roelant nu met den dood--ware 't dat hij Reinout van
Montalbaen versloeg.
"Hoort naar mijn raad, Roelant!" zeide Naymes. "Naar wat raad zal ik
hooren!" sprak Roelant; "Reinout, de krijgsman, heeft mijn woord, dat ik
tegen hem vechten zal, zoo God of 'et ongeval mij niet verhinderen: ik
liet 'e niet na om gantsch Parijs, eer ik door Reinout in den krijte van
den eed ontslagen ben."
--"Roelant, laat dit zoo zijn. En wilt ge niet naar ons hooren, of ge
moet, wat er van kome, vechten tegen Reinout, onzen neve van
Montalbaen--zoo wil ik, dat ge veilig zult keeren. Zoodra gij in 'et
krijt zult zijn, zoo zullen te zamen de Twaalf Genoten van Vrankrijk met
hun zwaerden op Reinout inrijden; en wijkt Reinout dan te-rugge, zoo
zijt gij, stout Ridder, ontbonden van uwe belofte. En wil hij ons niet
wijken, zoo zal hem euvel geschieden: wij zullen hem vangen en in
Vrankrijk voeren."
Toen zeide Roelant, de koene krijgsman: "Een valsche raad is hier
geslagen--zoo vergeve mij God! Dat en zal men mij niet doen: ik wil den
kamp alleen strijden en mij recht verschaffen in het krijt."
Terwijl de Genoten dus met elkander verbleven, voer Reinout naar
Montalbaen en voerde Ywein den Koning met zich. En Reinout leverde hem
zijner Vrouwe.
Toen Reinout was te Montalbaen, sprak hij, te midden der Edelen:
"Vrouwe, neemt hier uwen vader: den allervalschten man, die ooit ziel en
leven ontving." De Vrouw andwoordde oodmoedig: "Dat loon u God van
Hemelrijk!" Echter was zij zeer gram op haren vader en voer hevig uit:
"Verrader," zeide zij: "schandelijk hebt gij gedaan, dat gij in
Vranclande voert en daar Reinout mijnen Heere en al mijn zwagelingen
verkocht hebt, die u in menigen kamp groote eere en veel land
verwierven."
Toen riep Reinout met luider kele in de zaal, zoo dat alle Heeren
zwegen, en zeide: "Gij Heeren! zult alle hier blijven, en ik vaar, op
staande voet, alleen naar Beurepaer."
--"Reinout!" sprak zijn broeder Adelaert, "dat God u beware! Wat zuldy
doen te Beurepaer?"
--"Adelaert!" zeî Reinout, "ik heb, in aller eere, tegen Roelant een
kamp aangenomen te Beurepaer op het veld!"
--"Hoe!" zeide Adelaert, "hebdy de dood van Roelant gezworen! Daar zal
ons schande van komen: want gij weet wel, dat hij niet verslagen kan
worden--wijl hij der besten éen is, die ooit de zonne bestraalde. Bij
den Heer, die mij ten leven riep! vecht gij tegen hem--gij zijt dood, en
wij verzoenen nimmermeer jegens Carel onzen Heer." Reinout andwoordde:
"Voorwaar, ik zal de tocht bestaan: dat en liet ik om geen gevaar ter
waereld--al dacht ik er dood te blijven."
Toen weende Vrouwe Clarisse bitterlijk, en klaagde luide, wegends
Reinouts lot. "Vrouwe, laat staan uw weenen," zeide nu Heer Madelgijs;
"God behoude en bewaar u--maar Reinout moet te Beurepaer trekken, zal
hij ooit meer eere hebben en zijne trouw kwijten jegens Roelant in het
perk. Verzaakte hij zijn woord in de nood--men zoû er groote schande van
spreken. Ik ook zal er heen varen en hem nabij zijn!"
Adelaert sprak: "Ik zal met Reinout te Beurepaer trekken;" Ritsaert en
de koene Writsaert bereidden zich ook om met Reinout meê te varen.
Toen sprak Reinout, de Heere van Montelbaen, tot zijne broeders: "Ik wil
niet, dat iemant mede trekke; want, bij Gode, Roelant beidt mijner daar
alleen."
Zoo dan voer de Ridder met Beyaert in het aangewezen oord, en toen hij
Roelant zag, wrong hij zijne speer in de aarde en bond er Beyaert aan.
Hij ontwapende zich en leî zijn harnas op zijn schild.
Toen viel Reinout op zijne kniën voor zijnen neve, kuste zijn voeten, en
zeide met oodmoedige woorden: "Roelant, gij zijt immers mijn bloed: ik
bid u vriendelijk, dat het u gelieven wilde, dat gij mij helpen woud in
mijn eere, en ik te zoene kwam tegen Koning Carel. Gaerne gave ik u mijn
Ros Beyaert uit erkentenisse."
--"Staat op, Reinout! en vlied uit mijne oogen," zeide Roelant, "dat ik
u niet en zie noch hoore. Ik ben hier gekomen om tegen u te kampen,
omdat gij mij heden naamt uw zweer; de kamp is aangenomen: en nu wilt
gij spreken van zoen?" Reinout zeide: "Waant niet, neve, dat ik et doe
uit laaghartigheid: ik zeg u voorwaar, ik en ontzage uwer vijven niet."
Roelant zeide: "Gaat en wapent u!" Toen deed Reinout zijne wapens aan en
ging zitten op Beyaert; en hing zijn schild aan den hals, en nam de
spere in de hand.
Als nu Roelant zag, dat Reinout gewapend was, zeide hij: "Ik bid God van
Hemelrijk, dat hij beware mijn neve, dat ik hem niet en doorsteke met
mijner spere!" Daarop lieten zij hunne paerden te gader loopen, en
staken malkander met zulker kracht dat de speren braken; Roelant viel
met zijn paerd ter neder. Hij schaamde zich des en zeide tot Reinout:
"Geroemd moet gij zijn, God helpe mij! zoo zwaren steek ontving ik niet
van al mijn leven."
De Historie zegt, dat Roelant nooit en vocht met zoo sterken man, die
hem dede vallen. Nu nam Roelant zijn zwaerd Durendael in de hand, en
ging na zijn ros en zeide: "Valsch ros! gij zult bekoopen de schande,
die gij mij gedaan hebt; want gij niet en moogt verdragen den steek van
een kind!" Tevens hief Roelant zijn zwaerd op en wilde zijn paerd
Valentijn dooden: maar Reinout zeide: "Wat wildy Valentijn wijten! het
is een stom beest; sloegdy het dood, zoo waart gij een zot. De
Francoysen plegen hunne rossen luttel korens te geven; dat staat hun
dikwijls op groot nadeel: ik zeg u in waarheid, ik doe Beyaert geen
koorn toemeten, maar ik doe hem voorleggen zoo veel hij mag."
--"Zeker, gij zegt waar!" andwoordde Roelant en sprong op Valentijn, en
nam Durendael in de hand, en Reinout toog Florenberge en zij reden te
gader met kracht. Dit zagen de Genoten en snelden toe. Reinout dit
ziende, riep uit: "Kwade bastaart, gij hebt mij verraden: nu moet ik
vliên: God geve u hoon!"
De voorste der Genoten was Ogier; als hij bij Roelant kwam, zeide hij
spottende: "Roelant! uw hovaerdy heeft Reinout groote schaê gedaan, toen
gij hem staakt met uw spere, dat hij van Beyaert vallen moest." Roelant
zeide vertoornd: "Zwijgt kwade schalk![1] opdat ik de schande op u niet
verhale, die mij Reinout in den kamp gedaan heeft." "Nu wil ik zwijgen,"
zeide Ogier; "en inderdaad mij verwondert, hoe Reinout zoo stout was,
dat hij Roelant genaken dorst: want wij kennen Roelant wel, en getuigen,
dat ware hij geweest in Vaucoloen, menig François 'et lijf zoû behouden
hebben." De Genoten overdroegen, dat zij rijden zouden na Parijs; en
Reinout reed naar Montalbaen.
[1] _schalk_: knecht, bijzonder stalknecht; aldus aanduidend wat laag,
vervolgends wat boos, en thans wat ondeugend, oolijk is.