HET NEGENTIENDE CAPITTEL.

Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe

de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis

opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,

dien hij in 't perk versloeg.

Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met

haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De

Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop

vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt

gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;

"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout

met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft

verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;

hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen

mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et

mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht

Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."

Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,

zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."

--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,

zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant

herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide

Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude

den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve

Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat

Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een

verrader is."

Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den

handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.

"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige

zweeren."

--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger

ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij

Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis

gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel

waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere

geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:

"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."

En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet

aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel

vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij

zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik

zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en

dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.

Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met

zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er

dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met

hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door

'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet

medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"

Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier

opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.

"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan

moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,

den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u

slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!"

antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den

slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u.

Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en

deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,

en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden

slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf

Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de

schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels

kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door

hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en

wierp 'et uit den krijte.

"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.

"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot

den Koning gaan!

En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel

sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de

fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.

God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten

eersten slage sloeg hij hem dood!"

"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis

bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit

Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had

ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen

ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."

Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem

vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik

verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van

Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800

Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de

koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en

neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij

Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"

Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van

groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van

Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in

Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en

maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.

Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het

land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein

zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en

is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven

lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,

en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de

Historie.

En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.

Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,

deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen,

'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die

Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,

dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om

ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.

Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door

zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.

De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de

zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat

het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"

Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind

heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het

kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,

waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te

boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is

terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als

men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze

woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der

mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne

vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al

spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,

omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt

op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met

zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem

levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."

De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem

oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.

Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich

zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun

Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud

gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar

mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden

mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij

goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te

Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed

bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in

vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et

u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk

nader."

Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen

de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet

heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."

--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en

aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met

gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.

Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het

klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft

overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem

zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar

hij hem op staande voet zoû hangen.

Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve

neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn

kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons

nimmermeer verrade."

--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk

God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"

--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.

Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik

zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men

hem nimmer uit weêrziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om

niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein

hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet,

Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik

daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus

liet ombrengen."

--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem

aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan,"

sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal

ophangen! 't Kwame hem te schande."

--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van

'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein

hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf

Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord

aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em

Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave

Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot

leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen

had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:

"Ik ben het niet."

--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout

"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met

Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven

afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik

keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."

--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier

ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e

hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat

hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)

om daar een kamp jegens hem te vechten.

Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.

[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets.

[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.

[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van

Maastricht (VIIe Eeuw)

Karolingsche Verhalen · 第 32 / 45 题