Hoe Ogier te Parijs kwam, en vertelde Koning Carel, hoe
de reize vergaan was; hoe hem Roelant verradenis
opleide, en hij daarom eenen kamp vocht tegen Wouter,
dien hij in 't perk versloeg.
Toen Ogier van Reinout en zijn broeders gescheiden was, reed hij met
haaste te Parijs, en ging bij Koning Carel, dien hij minlijk groette. De
Koning was blijde als hij Ogier zag en heette hem wellekom. Daarop
vraagde hem de Koning, hoe de reize vergaan was te Vaucoloen, "brengt
gij mij Reinout gevangen?"--"Neen wij, Heer Koning!" zeide Ogier;
"kwalijk hebdy uw geld besteed, dat gij Ywein gaaft, opdat hij u Reinout
met zijn broeders gevangen leveren zoude. Ik zeg u, Reinout heeft
verslagen den Graaf Calon, Fouke van Morlioen, en Werrijn zijn zwager;
hun meeste volk is gebleven, en ik mijn lijf mede kwalijk ontdragen
mocht, want ik ben zeer gewond. Mijn gereide moest ik daar laten, of 'et
mij leed of lief was. Dat dede Madelgijs, de toovenaar; want hij bracht
Reinoude sterke hulp: wel 3000 man."
Roelant zeide: "Dat geloof ik wel, Heer Ogier! want zoo ik vernomen heb,
zijdy een verrader, die Madelgijs te Montalbaen boodschap zondt."
--"Gij liegt als een boef," riep Ogier vertoornd: "God moet mij helpen,
zoo waar als ik nooit verrader en was van al mijn leven!" Roelant
herhaalde de betichting. "Ik wil 'et loochenen in een kamp!" zeide
Ogier. Toen bood hij den handschoen, en Roelant vooruittredende, zoude
den kamp aangenomen hebben, maar Koning Carel zeide: "Niet aldus, neve
Roelant: ik zal Wouter, mijnen kampioen, tegen Ogier doen vechten. Gaat
Wouter; ontvangt den handschoen, en doet Ogier belijden, dat hij een
verrader is."
Wouter zeide: "Heer Koning, dat zij zoo!" en hij aanvaerdde den
handschoen. Dus gingen deze twee Heeren daar zij hunnen eed doen zouden.
"Komt herwaards, gij Heeren!" zeide Naymes, "gij moet op 'et Heilige
zweeren."
--"Ik moet 'et eerst den eed doen," zeide Wouter, "want ik aanlegger
ben;" en hij leîde zijn rechter hand op 'et Cruis en knielde: "Gij
Heeren! wilt verstaan wat ik zegge! Ik zeg Ogier aan, dat hij verradenis
gepleegd heeft te Vaucoloen; den eed, dien ik zweer, weet ik wel
waarachtig: want Reinout is Ogiers bloedverwant. Zoo wil mij God eere
geven, door 'et Heilige Cruis, daar ik op zweer." Toen zeide Naymes:
"Staat op, Heer Wouter! uw eed is wel gedaan."
En hij stond op, sloeg 'et hoofd neder, want hij wilde Ogier niet
aanzien; hij boog niet eenmaal voor den Heiligen Cruice, zoo luttel
vreesde hij Ogier. Toen trad Ogier nader, om zijn eed te doen, hij
zeide: "Gij Heeren! wilt na mij hooren, zoo moogt gij verstaan wat ik
zweere: Ik zweere bij Jesus van Nazareth, dat ik nooit verradenis en
dede: maar ze zijn mijne neven: dus en dorst ik hen helpen noch deren.
Maar ik zegge: Madelgijs stond hen krachtelijk bij; hij bracht daar met
zich 1500 man, die deden wonder met den wapenen. De grave Calon bleef er
dood, Fouke van Morlioen en Werrijn, en meest allen, die de Heeren met
hen brachten. Als ik zag dat er al verslagen was, moest ik vliên, door
'et groot volk dat Madelgijs daar bracht; mijn gereide mocht ik niet
medenemen van haaste. En dat 'et zoo geschied is, dat zweere ik!"
Naymes zeide: "Heer Ogier, staat op! uw eed is welgedaan." Ogier
opstaande, kuste 't Cruis. Toen werden de Heeren naar het perk geleid.
"Wilt ge nog schuld belijden, Heer Ogier?" sprak de weêrpartij, "dan
moogt gij onverslagen blijven, en ik zal u ten zoene helpen bij Carel,
den hoogen Koning. Wilt gij de euveldaad niet bekennen, dan zal 't u
slecht vergaan: ik neem u 'et leven."--"'k En vrees u niet, Wouter!"
antwoordde de Grave Ogier. "God straffe mij, zoo ik om uw roemen den
slechtsten bloemknop gaf, die ooit gewassen is. Geen bies[1] vrees ik u.
Laat uw dreigen achter en doet wat gij kunt: zoo pleegt gij eer en
deugd." Daarop ontvlamde Wouters gramschap, hij gaf zijn ros de sporen,
en zij renden te gader. Wouter was mild van slagen, en bij den derden
slag op het schild van Ogier, heeft deze zijn zwaerd verheven en gaf
Wouter een slag, die hem op de dood stond. Hij raakte hem boven de
schouders, dat het hoofd er af vloog. Zoo versloeg Ogier--Koning Carels
kampvechter, die hem de verradenis zoû doen bekennen, te Vaucoloen door
hem gepleegd. Met zijne bovenmatige kracht greep Ogier het lichaam en
wierp 'et uit den krijte.
"Heb ik gedaan al dat ik schuldig te doen heb?" sprak de stoute held.
"Ja gij," andwoordde de Hertog Samsoen. Zoo zullen de Heeren weder tot
den Koning gaan!
En als ze voor den Koning kwamen, groeten zij hem oodmoedelijk, en Carel
sprak aanstonds: "Naymes, hoe is 't er vergaan?" Toen andwoordde de
fiere Hertog: "Gedood is uw kamper Wouter, door Ogier den koenen man.
God en Sint-Jan helpe mij--Ogier heeft zich eerlijk gekweten; ten
eersten slage sloeg hij hem dood!"
"Heer!" zeide Ogier, de roemrijke held, "hoe zoudt ge mij nu verradenis
bewijzen? Bij den Heere van Nazareth--ik en dede er nimmer! Maar uit
Yweins land, die uw goud aanvaerdde, kwam den dapperen hulpe toe. Had
ik, eer Reinout bijstand gewerd, den lofzamen Ridder willen helpen? Neen
ik, Heere--ik mocht het niet om uwent-wille; al was 't mij leed."
Toen zwoer Roelant hij zoû Ywein in hechtenisse nemen; en waar hij hem
vond, hij zoude hem doen hangen. Toen sprak Naymes tot Roelant: "Ik
verzei u alom met 1200 mijner beste mannen." Toen sprak Ogier van
Ardennen: "Ook ik zal met stoute en sterke Ridders u bijstaan; met 800
Ridders zal ik u volgen--waar gij heentrekt." Toen sprak Olivier, de
koene krijgsman: "Roelant! ik en begeve u niet; ik moge steeds met u, en
neven u rijden!" Toen sprak de Hertog van Lioen: "Ik vare mede, bij
Sint-Simon! met 700 mijner Baroenen, die alle moedig en vaerdig zijn!"
Toen sprak Diederic van Ardennen: "Ik en 500 mijner mannen, die van
groote krachte zijn, varen mede." Kortom: de Twaalf Genoten van
Vrankrijk zeiden alle op die stond, dat zij met Roelant varen willen in
Gascongiën, en rooven, en branden, en verwoesten Koning Yweins land, en
maken den Koning hun gevangene en doen hem hangen.
Zoo reedden zij zich toe en trokken naar Gascongiën. En als zij in het
land kwamen, vraagden zij 'wat daar al gaande was en waar Koning Ywein
zich bevond.' En het volk andwoordde: "Hij heeft het Rijk opgegeven, en
is in het klooster te Beurepaer gegaan, en wil er wezen zijn leven
lang." Toen zwoeren de Genoten, dat zij hem halen zouden te Beurepaer,
en trekken derwaarts en het klooster belegeren: Dat meldt ons de
Historie.
En Roelant is te Beurepaer gekomen met de Twaalf Genoten van Vrankrijk.
Als Ywein, de monnik, ontwaar werd, dat Roelant voor het klooster lag,
deed hij zijnen zwageling[2] Reinoude, door een goeden bode, vragen,
'dat hij hem te hulpe kwame tegen Roelant, den koenen krijgsman, die
Beurepaer belegerd hield; de Twaalf Genoten hadden eenparig gezworen,
dat zij hem zouden hangen bij de keel, des bad hij hem oodmoedig, om
ons' Heeren wille, dat hij hem uit der nood hielpe tegenover Roelant.
Gevangene van Reinout wilde hij zijn--ja, want hij hadde zelfs, door
zijne verradenisse, eene gruwzame dood aan hem verdiend.
De bode voer dan aanstonds te Montalbaen en meldde den held geheel de
zake, die hem opgedragen was--maar Reinout andwoordde straks: "Wat gaat
het mij aan! 't Is mij gevallig: laat hem hangen, den vuilen dief!"
Toen Clarisse dit hoorde, werd zij droef te moede. Haar oudste kind
heeft zij genomen bij der hand, en, voor Reinout staande, kuste zij het
kind bij herhaling. "Adelaert, mijn zone!" zeide zij toen, "deze oneere,
waarin wij staan, deze schande en dit leed, komen wij nimmermeer te
boven; want men zal zeggen, dat uw grootvader als een booswicht is
terechtgesteld. Bij God! dat zult gij u hierna te schamen hebben, als
men het u, overal waar gij komt, zal verwijten." Toen de vrouwe deze
woorden zeide, braken haar de tranen ten oogen uit en zij weende uit der
mate, voor Reinout haren Heer. Maar toen Reinout, de Ridder goed, zijne
vrouwe zag weenen en hare handen te gader slaan, toen jammerde 't hem al
spoedig. Adelaert, zijn schoone kind, dat hij met al zijn herte liefhad,
omving hij met zijne armen, en sprak tot haar, zeggende: "Vrouwe, houdt
op van schreyen. Ik zal te Beurepaer trekken, en den valschen man met
zijn volk tegen de Genoten van Vrankrijk bijspringen. En mag ik hem
levend vangen, ik breng hem te Montalbaen: of wil er om dood blijven."
De Vrouwe was edel'en goed; zij zeeg aan 's Graven voeten en dankte hem
oodmoedig. Toen riep Reinout haastelijk te wapen al zijne Baroenen.
Daar wapende zich menig wakker held. Twaalf Ridders wapenden zich
zonder vertragen. Ze zullen hunne rossen beschrijven, en met Reinout hun
Heere te kloosterwaart gaan in het veld. En toen zij buiten het woud
gereden kwamen, sprak Reinout tot hen: "Doet nu wel en luistert naar
mij. Blijf gij hier; ik zal aanstonds te Beurepaer rijden en bidden
mijnen neve Roelant, dat hij mij Ywein uitlevere. Wil hij hem mij
goedschiks geven: ik neem hem met de voorwaarde, dat ik Ywein te
Montalbaen in mijn kerker gevangen houde, en hem een zoodanig leed
bestemme, dat hij mij nimmermeer verrade. En wil hij hem mij niet in
vriendschap uitleveren," ging Reinout de moedige voort, "zoo zal ik 'et
u doen weten: en als ik mijn horen blaas, snelt mij dan dapperlijk
nader."
Toen andwoordden de Ridders: "Dit en staat ons niet te doen. Wij kennen
de Françoisen te goed: zij zijn boos en fel: alléén zult gij er niet
heengaan; Ritsaert en Adelaert zullen met u rijden."
--"Dat nooit!" zeide Reinout; "dat zal God verhoeden. Ik zal alleen en
aanstonds te Beurepaer rijden." Reinout noopte krachtig zijn Ros, met
gouden sporen en reed onbevreesd naar het klooster.
Maar eer hij te Beurepaer kwam, verhaalt ons het Lied, dat Roelant het
klooster op de Monniken gewonnen had, en dat Ywein zich Roelande heeft
overgegeven. Roelant heeft Ywein de beide handen gebonden, en deed hem
zonder moeite een koord om den hals, en leidde hem naar het woud, waar
hij hem op staande voet zoû hangen.
Reeds zag Roelant hem Reinout te gemoet komen. Reinout riep: "Lieve
neve! zuldy mij den verrader uitleveren? Ik voer hem gevangen naar mijn
kasteel te Montalbaen, en bestemme hem dusdanig leed, dat hij ons
nimmermeer verrade."
--"Reinout, laat staan dit spreken!" andwoordde Roelant; "zoo waarlijk
God mij vergeve, zal ik den dief bij zijner kele doen hangen!"
--"Dat waar te veel," zeide Reinout: "'t Is mijner kinderen grootvader.
Op hen zoude de schande komen. Maar wildy hem mij geven, Roelant, ik
zweer hem levenslang gevangen te houden in mijne kerkermuren--waar men
hem nimmer uit weêrziet!"--"Reinout! wat overkomt u! Al uw vragen is om
niet. Gaat haastelijk wech; ik kan niet langer toeven: ik moet Ywein
hangen aan dezen boom. Dat zeg ik u in waarheid!"--"Gij en zult niet,
Heer Roelant! Ik heb hier Florenberge, mijn goed zwaerd; eer zal ik
daarmede u bevechten, en Ywein mijn zweer verlossen, eer ik hem aldus
liet ombrengen."
--"Lage bastert, wilt gij u tegen mij zetten?" riep Roelant: "Ik zal hem
aanstonds hangen, wien het lief of te ondank zij!"--"Bij Sint-Jan,"
sprak Reinout, "ik vind heden zoo stouten man niet, die mijnen zweer zal
ophangen! 't Kwame hem te schande."
--"Bij mijn geloof, dat zal ik zien!" met deze woorden steeg Roelant van
'et paerd, wierp spoedig het koord om een boomtak, en wilde Ywein
hangen. Reinout, ziende dat hij Roelant niet verbidden mocht, gaf
Beyaert de sporen, en verhief zijn zwaerd. Grave Roelant trok 't koord
aan; Reinout rukte 't los, dat Ywein ter aarde viel. Toen greep 'em
Reinout, sprong met hem op Beyaert en vloog er meê wech. Ook de Grave
Roelant sprong dadelijk te paerde en volgde den uitgelezen held. Groot
leed was 'et hem, dat Reinout, de jongeling, hem den Koning ontnomen
had. Des riep hij: "Gij zijt verrader, Heer Reinout!" Deze antwoordde:
"Ik ben het niet."
--"Gij zijt 'et, bij God! dat wil ik u bewijzen." Toen sprak Reinout
"Ongelijk zoû deze kamp zijn! Ik ben hier maar alleen; gij zijt met
Ridderen vele: wilden ze mij gezamentlijk slaan, hoe zoû ik er 'et leven
afbrengen! Maar, Sint-Amant[3] helpe mij! durft ge hier toeven, tot ik
keeren moog: zoo zal ik gewapend weerkomen, als Yweins kampvechter."
--"Ja ik," zeide Roelant; "bij Sint-Jan! Zweert ge 't mij--ge zult hier
ter stede mij vinden."--"Dat doe ik," zeide de jongeling. Toen zett'e
hij den Koning ter aarde, keerde tot Roelant, en gaf hem zijn trouw dat
hij spoedig weer zal komen (zoo God en 'et geval hem niet verhinderen)
om daar een kamp jegens hem te vechten.
Roelant keert zóo met eere tot de Genoten.
[1] _bloemknop--bies_, zoo veel als niets.
[2] _zwageling_: aangehuwde verwant, (hier) schoonzoon.
[3] _Sint-Amant_: Apostel der Zuidelijke Nederlanden, Bisschop van
Maastricht (VIIe Eeuw)