Hoe Reinouts Ros Beyaert verloren was, en hoe hij dat
wederkreeg door hulpe van Madelgijs.
Reinout, die den bode had uitgezonden aan Koning Carel, verwonderde zich
waar hij zoo lang toefde, en was in zorge dat hij niet weder keerde,
meenende dat hem Koning Carel had doen hangen. Hij dreef daarover groote
rouw, wringende zijn handen, slaande zijn voorhoofd, en wenschende
dikwijls om zijn dood. En als hij de rouwe dus dreef een lange wijle zoo
kwam in zijn ontrustheid hem de vaak aan; zoo dat hij slapen moest. Hij
reed te Bordeas in het woud, een weinig buiten de gewone paden, en trad
van Beyaert, en nam zijn spere en stak hem in de aarde, en bond er
Beyaert aan, en ging liggen met het hoofd in zijn schild.
Beyaert, die daar zoo gebonden stond aan den spere, begon honger te
krijgen en schudd'e zoo zeer met het hoofd, dat de breidel losging;
daarop ging 'et weiden een eind van daar, want hij 't gras zoo begeerde.
Nu zijn gekomen twaalf knechten om voêr te halen, zoo zij dagelijks
plachten te doen.
En als zij in 't bosch kwamen, zagen zij Beyaert, het goede Ros, en
zeiden, 'dat wij 't krijgen konden, wij zouden het geven den Koning van
Vrankrijk; hij zal ons begiften en maken ons rijk.' Met deze woorden
gingen zij om het Ros te vangen, en omringden het voorzichtig, zoo dat
zij 'et vingen; zij leidden het terstond naar Parijs.
Daar vloog de tijding hun vooruit, dat Beyaert gevangen was; en als zij
binnenkwamen, liep 'et volk om Beyaert te zien, Edel en onedel, Vrouwen
en Jonkvrouwen.
Te dezer tijd was Koning Carel op 't paleis en zag te venster uit. Bij
hem stond Roelant. Als de Koning nederwaarts zag, hoorde hij daar groot
geruchte, zag het volk loopen met menigten bij elkander en zeide tot
Roelant: "Neve, ginder vecht men, laat ons er heen gaan en scheiden ze."
Met-een gingen zij beneden; en als zij beneden waren zag hij, dat twaalf
knechten Beyaert brachten.
Toen zeide de Koning tot Roelant: "Ziet! ginder brengen twaalf knechten
Beyaert gevangen, dat Ros wil ik u geven." "Heere! dat loone u God!"
andwoordde Roelant.
'Ware ik den vromen Grave Reinout nabij geweest,' dacht Roelant, 'de
knechten hadden zich niet onderstaan het Ros van den Edelen Ridder te
vangen: ik woû dat zij er duchtig voor gestraft wierden, en zal er den
raad nog toe geven!' De knechten dan kwamen voor Koning Carel, knielden
neder en zeiden:
"Heer Koning! hier is Beyaert; dat dragen wij u op t' eener eeregifte."
--De Koning zeide: "Kinderen! 't is wel;" en de Koning vraagt, "waar zij
't vingen?"
Zij zeiden: "Heer Koning! te Bordeas in 'et woud; daar ging het weiden."
De Koning vraagde hen: 'of zij Reinout niet zagen?' --zij zeiden 'neen,'
"van hem en weten wij niet."
"Neve!" sprak toen de Koning tot Roelant, "neemt dit Ros, ik geeft het
u; doet er mede dat u gelieft." En de Koning was verheugd dat zij
Beyaert gevangen hadden: "Nu kan Reinout zich nergends meer ophouden,"
zei de oude Koning rustig; "sints hij zijn Ros verloren heeft, doe ik
hem vangen en zal hem straffen voor hetgeen hij tegen mij misdaan
heeft."
--"Heer Koning!" zeide Roelant, "doet, dat ik u raden zal, beveelt den
knechten dit Ros te bewaren; en zoo zij 't uit 'et oog verliezen--doet
ze stokslagen geven."
De Koning zeide tot de knechten: "Ik beveel u dit Ros, op zulke straffe
als Roelant gezeid heeft."
En de knechten bewaarden het Ros, als Roelant gezeid had.
De Koning zeide: "Neemt dit Ros wel waar, en geeft hem genoeg hoois en
koren: ziet toe, dat het u niet ontloope. Zoo ge 't wel bewaart, zal ik
u gifte doen. Ik zeg u voorwaar, ik verloor veel liever 1000 pond, dan
dat er iets aan het Ros miskwame."
Inmiddels ging Roelant in het paleis en kwamen daar twee Jonkvrouwen en
zeiden: "Zegt ons, Edele Grave Roelant! wanneer zult gij Beyaert
berijden? wij zouden gaerne zien zijn snellen loop en sprongen."
Roelant zeide: "Mejonkvrouwen! ik bid u, toeft hier eene wijle, dat ik
het den Koning vrage." Met-een keerde hij uit de zale, en ging tot den
Koning, en zeide: "Heer Koning! mij bidden de Jonkvrouwen, dat ik
Beyaert berijden zoude, buiten Parijs, op de heirbaan, om haar te laten
zien zijn snellen loop en sprongen." Toen zeide de Koning: "Ik geef u de
vrije beschikking over hem."
--"Heer Koning!" zeide Roelant, "God loon u; zoo wil ik terstond gaan en
berijden het op den grooten weg, daar 'et de Vrouwen mogen zien."--"Zoo
doet!" zeide de Koning, "u zal daarvoor eere geschieden, en van Vrouwen
moet ons deze komen."
Roelant ging bij de Jonkvrouwen, en zeide: "Heden of Zondage zal ik het
berijden." Toen andwoordden zij: "Wij bidden u--beidt dan tot Zondag;
hierbinnen zal men et afkondigen door geheel Parijs, dat er velen komen
zullen om Beyaert te zien berijden, en hoe hij zijn loop nemen zal, en
hoe hem Roelant, de onverwonnene, zal bestieren en bedwingen."
Hier wil ik van Roelant zwijgen en verhalen van Reinout, die daar lag en
sliep!
Reinout werd wakker, en bemerkte, dat hij lange geslapen had; en
terstond zag hij naar Beyaert, dat goede Ros, dat verloren was. En als
hij Beyaert niet en zag, sprong hij op met een ontsteld gemoed, en zag
rond, gelijk een mensch, die zijn zinnen verloren heeft.
En als hij 't nergends gewaar werd, begon hij bittere rouw te bedrijven:
hij wrong zijne handen, dat hem 'et bloed ten nagelen uitsprong, en toog
zich bij de hairen, zeggende in hem-zelven: 'O wreed geval en draaiend
rad van avonture, hoe zwaar en hard valt ge mij! O dood, waarom spaart
ge mij: want ongelukkiger man en was er nooit geboren! Ik zie wel! 'et
is de waarheid wat men pleegt te zeggen, het eene ongeluk sleept het
ander achter zich aan: ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren en mijn
broeders zijn gevangen. Ik vermat mij heden in groote verwaandheid en
hovaerdij, dat ik mijn broeders den Koning nemen zoude, of met kracht
hem verslaan!... Ik zie wel, God en wil 'et niet gehengen; hij heeft
den Koning te lief: men kan hem schaden, noch met woorden, noch met
werken: als wel bleek aan Eggheric, die den Koning vermoorden woude,
maar God waarschouwde den Koning door Elegast, den dief, dat dit niet en
geschiedde.' En Reinout voelde zijne rouw verdubbelen, en zeide: "Wat
doen mij die sporen aan de voeten, daar ik Beyaert verloren heb!" en hij
toog in zijn droefheid al zijn harnas van zijnen lijve.
Als Reinout aldus stond in zijne klachte, kwam daar Madelgijs uit het
dichtste van het bosch te voorschijn. Hij verstond de konste van
Nigromantie, waarmede hij menschen en dieren vervormen konde, en maken
ze nu jong, dan oud en krank, voor het oog der lieden. Hij scheen, bij
hulpe van kruiden en steenen, die heimelijk in zijn kleederen genaaid
waren, thands hoogbejaard en gebrekkelijk te wezen, zeer mismaakt van
lichaam; de baard hing hem op de borst, en de wenkbrauwen tot over de
oogen, dat hij door 'et hair heen moest zien: zoo dat hij oud scheen
meer dan honderd jaar; hij kuchte en hoestte zeer, leunde op zijn stok
en ging tot Reinout "God geve u goeden dag!" zeide hij; Reinout groette
hem weder en zeide: "Vriend! voorwaar, ik meen dat ik nooit goeden dag
en had, sints ik geboren ben."
Toen zeide Madelgijs: "Heer, gij zult niet wanhopen: God zal u ten beste
leiden. Als een mensch is in zijn meeste verdriet, zoo is hem Gods hulpe
allernaast."--"Ach!" zeide Reinout, "hoe ware ik te helpen uit het leed,
dat mij vervolgt! Ik heb mijn broeders verloren; Koning Carel heeft ze
gevangen en wil ze ter dood brengen: dat smart mij vreeselijk. En
bovendien nog heb ik verloren Beyaert, mijn goed Ros! Nooit was er man
van kwader avonture dan ik. Ik wilde dat mij de dood verlossen kwame van
de rouw, daar 'k in sta."--"Jonkheere, en zijt niet mistroostig!" sprak
Madelgijs; "bidt God oodmoedig om genade: hij is zoo barmhertig, hij zal
uw verdriet doen keeren in verblijden, en sparen uw broeders van de
dood. Ik ben mijn leven geweest zoo verre als een Pelgrim gaan mag. Ik
ben geweest tot Rome en St. Jacob, tot St. Gilles in Provenciën en tot
St. Andries in Schotland; ik ben ook geweest in 't land van
Jerusalem: nooit kwam ik in eenig land daar ik vond zoo schoonen man,
als gij zijt, bevangen met zoo groote rouwe!"
[Illustratie: Heer, gij zult niet wanhopen: God zal U ten beste
leiden.]
Reinout zeide: "De droefheid, die ik in mijn hert heb, en is niet uit te
spreken. Ik wilde, dat ik dood ware!"
Toen zeide Madelgijs: "Heer ik ben een arm man; hebdy iet, dat gij mij
geven kunt, zoo zal ik gedenken in mijne gebeden u en al uw broeders,
opdat ze God verlossen wil uit Carels handen?"
Toen zeide Reinout: "Ik weet niet, dat ik iets hebbe, om u te geven."
Daarmede viel zijn oog op de sporen, die hij aan zijne voeten had, en
van goude waren; hij deed ze af en schonk ze den Pelgrim, zeggende:
"Neemt deze sporen; ze zijn van fijn goud.... Daar moet mij wel veel aan
uwe gebeden gelegen zijn, want zij waren de eerste gifte, die Vrouw Aye,
mijn moeder, mij deed. God zegene haar! Gij bekomt er tien pond op, is
't dat gij ze verkoopt." Toen nam Madelgijs de sporen van Reinout,
zeggende: "God loon u," en stak ze in zijn reiszak, en scheen blijde te
wezen; hij vervolgde: "Heer! ik bidde u, hadt gij eenige gifte meer, dat
gij ze mij woudt geven: te grooter zal uw loon zijn."
--"Drijft gij den spot met mijn ongeluk?" zeide Reinout: "zoo 't geen
schande ware, een Pelgrim te slaan--ik zoû uw onbeschaamdheid u doen
rouwen."
--"Dan zoude gij zonde doen, Heer!" zeide de spotter; "hadden allen mij
geslagen, dien ik aalmoezen vroeg--ik waar voor vijftig jaar reeds dood:
want ik bedel waar ik kan en de nood het eischt, in kerken en in
kloosters. Heer, zoo ik niet heb, en men mij niet gave--waarvan zoû ik
leven?"
--"'t Is waar," zeide Reinout, "ter nood moet men wel bidden."
--"Nu spreekt gij wijs, Heer," zeide de gewaande Pelgrim, en steende
uitermate pijnlijk. "Edel Heer, ik bid u om Gods wille--hebdy iet meer,
dat gij mij geven wilt--zoo doet gij wel, en God zal u loonen, en redden
uw broeders van de dood, en troosten u in uw verdriet."
--"Neemt dan dien tabbaart," zeide Reinout; "waar gij komt, gij moogt er
wel tien pond op verteeren. Ik offer hem ter eere Gods en zijner Moeder;
St. Jan en alle Heiligen, dat zij mijn broeders beschermen, ze redden
van een smadelijke dood, en God mij geven moog, dat ik des Konings toorn
kunne ontvlieden--want kreeg hij mij in zijne macht, nu ik Beyaert kwijt
ben, hij dede mij hangen."
Madelgijs nam den tabbaart, plooide dien samen, en deed hem in zijn
reiszak. Toen zeide hij weder tot Reinout: "Heer, hebt ge niet iets
behouden? Ik wilde, om de liefde Gods, dat gij het mij gaaft." Toen was
Reinouts geduld ten einde: hij verhief zijn zwaerd en zeide: "Wat! gij
valsche Pelgrim! drijft gij den spot met mijne liefde Gods? Gij zult
weten, dat gij u ten koste van Reinout vermaakt hebt!" De Pelgrim
ontsprong den slag, en schutt'e dien op zijn stok. "Voorwaar, ik zeg u!"
riep Madelgijs, "sloegt ge me nog --het zoû u kwalijk komen; ik zoude
mij weeren!"--"Zoudt gij u weeren!" riep Reinout: "ik zeg u--al waart
gij zoo vele als de boomen in dit woud, daar zoû mij, zoo ik slaan
wilde, géén ontgaan."
--"En ik zeg u," zeide Madelgijs, "gij weet luttel wie ik ben of wat ik
kan." Deze woorden vuurden Reinout aan; hij verhief op nieuw zijn zwaerd
en sloeg naar Madelgijs, die verschrikt ter zijde sprong en den slag
weder schuttede op zijn stok. Toen toonde hij zijne konste, en
veranderde zich van een grijzaart in een jongeling van twintig jaren.
Als Reinout dit zeg, stond hij verbaasd en vervaerd: 'Wee mij,' riep hij
bij zich-zelven, 'wat overkomt mij! Maar keert mij 't goed geluk ook den
rug--daar is niemant zoo kloek, of ik zal met den zwaerde hem te woord
staan. Mijn broeders zijn gevangen en den dood gewijd; mijn Ros heb ik
verloren: de rampen volgen en verdringen elkaar: daar komt nu de Duivel
Beëlzebub, om mij te beproeven: ik zal met Gods hulp weten, of het
bedrog is, of werking van den Booze!' En Reinout sloeg een zoo snellen
en vreeslijken slag, dat Madelgijs meende dood te blijven; toch ontweek
hij het zwaerd, schoon met moeite: "Wat doet gij!" riep hij, "kendy mij
niet, neve Reinout?"
--"Neen ik!" zeide Reinout; "wie zijt gij?"
Toen maakte Madelgijs zich bekend; en als Reinout zijn name gehoord had,
viel hij hem te voet, en zeide: "Ik bid u, oom, vergeeft mij! Schenkt
mij uwe hulpe. God geve, dat gij ze mij verleent, om mijn broederen bij
te staan; ik heb Beyaert, mijn Ros, verloren: en met dezen al mijn
toeverlaat!"
Madelgijs zeî: "Welaan! ik zal u Beyaert te-rug bezorgen; doet, wat ik u
heeten zal." Toen trok Madelgijs Reinout een oude huike aan over zijn
harnas; de huike had geene opening, dan waar men het hoofd door stak.
Toen gaf hem Madelgijs eenen hoed, daar menig teeken aan stond van lood,
en dede hem twee oude hozen aantrekken.
Daarop vermomde Madelgijs zich-zelven in gelijker voege en veranderde
Reinout in de gedaante eens mans van honderd jaar, zeer krank en
mismaakt van lichaam: zijn baard graauw en lang, en de wenkbrauwen over
zijne oogen.
Nu schikten zij hen tot gaan, en allen, die ze tegenkwamen, zagen ze na,
om dat hun dochte, dat zij nooit zoo arme, mismaakte Pelgrims gezien en
hadden. En wanneer zij uit der lieden gezicht raakten, waren zij weder
jongelingen en koene Ridderen.
Zoo gingen zij tot het einde van het woud te Bordeas; toen zaten zij
neder onder een hagedoorn. Niet lang en hadden zij daar gezeten, of
Madelgijs zag vier Monniken komende, rijdende te paerde.
"Blijft hier en wacht mij!" zeide Madelgijs; "ik zal de Monniken te
gemoet gaan, die ginder komen rijden: want ik zoude gaerne biechten."
--"Doet dat, oom," zeide Reinout, "het zal er ons te beter om gaan."
Hiermede ging Madelgijs de Monniken tegen, en zeide: "God geve u goeden
dag!"--"God loon 't u, Pelgrim!" zeiden de Monniken. "Gij hebt al
menigen mensche overleefd," vervolgde éen hunner. --"Ik bid God, dat hij
mij leven laat, zoo lang daar menschen zijn die mij aalmoezen geven,"
sprak Madelgijs; "en dat ik ontbonden worde van mijne zonden: ik bid u
Heeren, dat gij mijne biecht hooren wilt!"
Toen zeide een der monniken: "Gaat tot een Parochiaan hier in de
nabijheid, goede Pelgrim: wij mogen niet toeven."
De Monniken voerden met zich mede een schoonen gouden kop, daar menige
kostelijke steen aan stondy die in de zon zijn heerlijk schijnsel als
schitterende stralen afwierp: de kop was zoo groot als men niet velen
gezien en had; en was gewijd door den Paus van Rome, en was genaamd
"Christelijk", en dusdanig éen als die, welke den Heere met zijn
Jongeren op den Witten Donderdag gediend hadde.
Madelgijs zeide, zijne blikken op den kop gevestigd houdende die met
eerbied door de Monniken gedragen werd: "Heeren gij ziet wel, dat ik een
arm, krank mensch ben, stijgt af, en hoort mijne biechte, opdat ik niet
in mijne zonden sterve en eeuwig verloren ga. Ik bidde u-allen, om den
wille van den goeden roover, die aan den Cruice genade kreeg--dat gij
hier wilt nederknielen in gebede--want ik mij kwalijk bevinde en hebbe
geen halve stonde meer te leven."
En Madelgijs verschoot nog bleeker dan hij te voren was. De Monniken
stegen van hunne paarden, en stonden hem bij. Een tweetal begaf zich in
kniegebeden. "Heeren, ik moet u klagen mijn misval," zeide Madelgijs met
een gebroken stem: "ik hadde mij vergaderd met bedelen wel twintig pond,
en daar kwam tot mij Reinout (die liever hangen moest te Montfaucon!) en
sloeg mij met dezen stok, met ijzer beslagen: het is echter niet mijn
verlies van het goud, en de pijne mijns lichaams, die ik betreur, maar
dat mijn stervensuur verhaast is, en ik het Hemelrijk verliezen zal, en
zal branden in der helle, ten zij dat gij, Heeren, mij den gewijden kop
laat kussen, dien gij daar bij u hebt...."
--"Het is een kostbaar en heilig vat," zeide de Monnik, die er zich bij
Madelgijs meê nederboog, om hem den kop te laten kussen. "Het is lang
verloren geweest, om de zonden des volks...."
--"En mag niet weêr verloren worden," zeide Madelgijs, en rees op in de
gedaante van een koenen Ridder, en den kop met de eene hand ontrukkende
aan den Monnik, sloeg hij hem met den ijzeren puntstok ter neder. Daarop
ontliep hij den anderen met den schat.
Hoewel vervaerd van zijne gedaanteverwisseling, volgden zij hem, zoo zij
best mochten, naar hunne lange kleederen hun toelieten. Toen éen hem
tamelijk nabij was, sloeg hij ook dezen, dat hij duizelend neêrstortte;
en, na elkander, ook de beide laatsten.
Madelgijs en de Monniken waren Reinoude, die onder de hagedoorne zat,
uit 'et gezicht. Toen Madelgijs tot hem terug-keerde, zeide hij: "Neve!
ik heb hier twee van der Monniken paerden, zitten wij haastig op, en
rijden wij tot Parijs, opdat Koning Carel uw broeders niet en hinge,
voor wij aankwamen."--"Ké[1], oom!" zeide Reinout--"ik duchte, dat gij
iets kwaads gemaakt hebt!"--"Laat varen deze tale!" zeide Madelgijs;
"stijgt te paerde, eer gij schuldig wordet aan de dood uwer broeders."
Reinout deed als hem gezegd werd.
De beide Heeren togen haastig naar Parijs, en stelden zich te voet en in
den schijn van Pelgrims, toen zij voor de brugge kwamen. 't Was Zondag
en den tijd, dat Roelant--Beyaert berijden zoude, op de baan buiten de
stad, als vroeger gezegd is.
Madelgijs en Reinout zagen eene schure openstaan, daar veel stroois in
was; daar nam Madelgijs een arm vol van mede, en droeg het op de
stadsbrugge, en ging er op zitten. "O lieve gezel," zeide hij tot
Reinout, dat de lieden het hoorden, "hoe zuldy op dat stroo komen? Ik
weet, dat u het lange staan zeer pijnlijk is: want gij hebt verre
geloopen; dus zuldy u zeer wee doen, eer gij te zitten komt."
Meteen is daar een man bij hen gekomen, die uit de kerke kwam. Madelgijs
riep en zeide: "Ik bidde u, lieve vriend, dat gij doch mijn gezel helpen
wilt, dat hij te zitten kome op dit stroo, opdat hij zich geen wee en
doe." Als de goede gezel dit hoorde van Madelgijs, deed hij 't gaerne,
en hielp Reinout te zitten, ende hij gaf Reinout eenen penning, en
dacht, hij en mochte dien nergends beter besteden. Maar als Reinout den
penning hadde, gaf hij 'em Madelgijs in de hand, en die stak 'em in zijn
tasch.
Toen er maaltijd ten Hove gehouden was, begonnen de Heeren zich naar
buiten te spoeden, ter plaatse, daar Roelant met Beyaert rijden zoude.
Madelgijs, zittende op de brugge met Reinout, bracht van onder zijn
kleederen den kop te voorschijn, dien hij den Monniken genomen had, en
zett'e dien tusschen hem en Reinout, en goot dien vol uit zijne
reisflessche met eenen wijn, dien hij-zelf bereid had. Toen gaf
Madelgijs--Reinout weder zijne sporen van goud, en zeide: "Neve, doet
uwe sporen aan uw voeten."--"Helaas," zeide Reinout, "gij doet kwalijk,
oom, dat gij den spot met mij drijft: wat vermag ik met sporen, sints ik
Beyaert kwijt ben?" Madelgijs zeide: "Reinout-neve, doet ze aan uwe
voeten--'t zal u ten goede komen. Trekt er uw kousen over. Ik zal u
Beyaert te berijden geven. Maar dit zeg ik u: als men er u op helpt,
zuldy twee werf aan de andere zijde er af vallen; maar de derde reize,
als zij er u op zetten, zult gij u in den zadel houden."
En op dat oogenblik verlieten de Heeren het Hof. Eene groote schare van
poorters ging voor de Ridders uit; daarop kwamen twee scharen van
landlieden; en als die voorbij waren, kwam er eene schare van Vrouwen.
Hierna volgden de Edelen, heerlijk gezeten op hunne goede Rossen. En bij
Madelgijs en Reinout stonden op de brugge vele Jonkvrouwen, die 'et volk
zagen voorbijtrekken, zoo Edel als onedel.
"Gespelen," zeide daar eene Jonkvrouw, "welke dunkt u de schoonste der
Ridders, die heden over de brugge gingen en gaan zullen?" Toen zeide er
eene: "'t Is Roelant, die Ferragute[2] versloeg." Eene andere jonkvrouw
zeide: "'t Is Olivier!"--"Neen," zeide eene derde, "het is de Hertog van
Beieren." Als al de Jonkvrouwen hare meening gezegd hadden, en elken
Ridder geprezen om deugden, schoonheid en moed--nam daar éene het woord,
die nog niet gesproken had, en zeide: "Ik zeg u in waarheid: ik weet een
schooner man dan gij er eenig genoemd hebt." De andere Jonkvrouwen
vroegen, wie de Ridder was?--"Kent gij hem niet?" sprak zij: "'t Is een
Ridder, genaamd Reinout, en mag hier in 'et land niet komen. Ware hij
niet gebannen, hij zoû de schoonste man wezen, die van dezen dag over de
brugge gaan zoude."
Deze woorden der Jonkvrouwen hoorde Reinout van waar hij zat, en lachte.
Madelgijs, hoorende dat Reinout loeg, zeide: "Neve wat gij doet--en
lacht niet!"--"Gij hebt gelijk!" sprak Reinout:
"Ik was mijne kleeding vergeten, door het zoet gesnap der Jonkvrouwen."
Intusschen waren de meeste Heeren voorbij Madelgijs en Reinout en over
de brugge gereden; Koning Carel begon te naderen, Roelant ging bezijden
hem, en Beyaert werd vooruitgeleid; de twaalf knechten, wien hij bevolen
was, hadden 'et elk aan een koord.
Toen Koning Carel over de brugge reed, zag hij Madelgijs en Reinout en
den gulden kop, die tusschen hen-beiden stond.
"Ziet, neve!" zeide de Koning tot Roelant: "tusschen die twee Pelgrims
staat een kop, zoo schoon dat ik om geen duizend dukaten hem maken
dede." Roelant zeide: "Gij zegt waar, Heer Koning!" De Koning zeide:
"Laat ons den Pelgrims vragen van waar hun de kop gekomen is."
Koning Carel en Roelant reden tot de Pelgrims; toen werd juist Beyaert
tot den Koning geleid; en Beyeart rook aan de Pelgrims, en herkende
zijnen Heere; het Ros toonde dat het blijde was, en draafde zoetelijk op
de brug heen ende weder.
En de Koning vroeg den Pelgrims: "Zegt mij, Pelgrims! van waar kwam u
deze kop?" Madelgijs andwoordde: "Ai, Heere! gij vindt doch overal goeds
genoeg: ik zegge u voorwaar--hadde ik mijnen kop meenen te verliezen
door het volk, dat hier van daag voorbij gereden is of nog komen zal, ik
en had hem niet in gebruik genomen of laten zien. Maar dank heb de
Koning van Vrankrijk, die zoowél der armen luttel goed bewaakt, als dat
der rijken, die veel hebben."
--"Zegt mij," andwoordde de Koning, "van waar gij den kop hebt. Ik wil
'et weten." Madelgijs andwoordde: "Het geld, daar de kop om gemaakt
werd, is gedurende langen tijd uit aalmoezen in kerken, kloosters en
kapellen vergaderd. De kop is een dusdanige, als waaruit onze Heer met
zijne Jongeren gedronken hebben, op Witten Donderdag: hij is gewijd, en
genaamd 'Christelijk'; en de Paus van Rome heeft er de Misse mede
gedaan, en de genade werd er aan verbonden, dat wie uit den kop met een
Godvruchtig herte drinkt, vergiffenis van al zijne zonden bekomt."
Onder dit gesprek, knielde Beyaert voor Reynout neder. Toen zeide de
Koning: "Merkt wel, neve Roelant: ik zegge u, deze zijn uit den Hemel
gezonden, want de stomme dieren doen hun eerbiedenisse." Madelgijs greep
nu zijn stok, en sloeg er Beyaert mede, dat 'et op zijn voeten sprong.
"Waarom slady dat Ros?" zei de Koning. "Heer!" antwoordde Madelgijs,
"had ik uw Ros niet gekastijd, het hadde mijn gezel geslagen: daarom bid
ik u, dat gij 't wat achterwaarts laat leiden, dat wij 't mogen
ontkomen: want wij vreezen 'et zeer."