HET DERTIENDE CAPITTEL.

Hoe Reinout bij Parijs kwam met Beyaert om zijn

broeders te verlossen, en zond een bode aan Carel of

men de zoene mocht treffen. En wat zoen hij den Koning

dede bieden met den bode.

Met groote droefheid en onrust in het herte, was Reinout weêrgekomen te

Montalbaen; hij beklaagde zeer zijn lot, dat hij zoo van zijn broeders

had moeten scheiden. Hij had ook gehoord, dat Koning Carel ze gevangen

had, en zich voorgenomen ze ter dood te brengen. Het was al in rouwe om

de Heeren, al dat te Montalbaen was.

Reinout wapende zich en dede Beyaert bekleeden en zadelen, en zat op

het Ros. Hij vertrok van Montalbaen en reed naar Parijs, zeer beklagende

zijn ongeluk en zeggende in zich-zelven: 'wáar dat hij mijn broeders

brenge om ze te dooden, ik zal ze nemen, of zelf 'et leven laten!'

Als hij aldus peinzende voortreed, kwam daar een knecht loopen, die

sterk en snel was, en had een staf op zijn schouderen met ijzer

beslagen. Reinout zeide bij zich-zelf: 'Komt deze licht om mij te volgen

en bespieden? ik zoû noch arm, noch zwaerd, noch Beyaert, het goede Ros,

moeten hebben, zoo ik 'et niet aanstonds te weten kwame!'

Toen reed Reinout den knape tegen en sprak tot hem: "Volgst du in

euvelen moede, om mij hinderlijk te zijn? Spreek op! ik wil 'et weten!"

De man zeide: "Zoû ik u volgen met een inzicht ten kwade?--dat waar niet

welgedaan: want gij zijt mijn Heer, en ik ben uw knecht. Uw vader gaf

mij, op uw moeders kasteel, 400 pond vele jaren te rente; die mag ik

verbruiken." Reinout, van den bode dit hoorende, zeide tot hem: "Zeg mij

dijn name?" Hij zeide: "Ik ben geheeten Rignant van Napels." Toen zeide

Reinout: "Zoo moogst du een boodschap doen bij den Koning van Vrankrijk:

maar alvorens dijn boodschap te doen--begeer eenen borg tot zekerheid en

vast gelei, dat du moogst gaan end' komen ongeschend aan het leven. Dan,

doe dijne boodschap."

--"Ik wil 'et gaerne, Heer!" zeide Rignant; "het is wel recht: want ik

ben uw knape. En als ik mijn boodschap doe, en daar spreekt iemant in

mijn rede, voorwaar ik zeg u, ik sla hem met mijn staf, dat hij

nimmermeer op en stond."

Toen zeide Reinout tot den bode: "Zeg den Koning in het openbaar voor

zijne Baroenen, dat ik hem bidde dat hij mijn broeders spare; en zeg

hem, dat ik gaerne zijne genade inriepe, wollen en barvoets, en geve de

meeste zoene, die ooit voor man gegeven is. Ik wil Lodewijk negen werf

opwegen met goude, en geven het den armen, dat het kome te bate zijner

ziel. Ik wil maken een beeld van goud zoo groot als Lodewijk was, ter

zijner gedenkenis; en stichten een kerke tot eere van Onzer Vrouwe, en

voeden de Priesters met mijn eigen goed, dat men daar zinge alle dagen

de zeven getijden. Noch wil ik hem geven ... ja, ik geve hem Beyaert,

mijn goed Ros!... Ik wil mijn vrijheid ten offer brengen, en mijn

kasteel Montalbaen wil ik ontvangen van hem te leen. Dit alles zal ik

doen, wil mij de Koning laten verdingen mijn leven, en het leven mijner

broeders; want hij de Koning is. Ware 't ook, dat hij mij hier in 't

land niet zien mochte, ik en mijn broeders willen gaan over zee. En is

't, dat de Koning daarintusschen over zee komt, wij willen hem dienen

met ziel en lichaam, en dat zoo getrouwelijk, dat hij niemant in zijn

Hof ons gelijk vinden zal: want wij hem niet begeven zullen om leven

noch om dood.

"Maar is 't, dat de Koning niet stemt in mijn aanbod--zeg hem dan, dat

ik zal komen in 'et land en verbranden dat ik kan: ik zal sparen

klooster noch kerke, en nemen 'et goud en zilver, dat ik er in vinde en

betalen mijne Ridders en zoudeniers daarmede. En ik zal den Koning het

zelve doen, dat ik Lodewijk deed; want ik heb gehoord van hem, dat hij

des nachts gaat te mettene[1]: dan zal ik hem waarnemen, 't zij in de

kerke of elders, en slaan hem met mijnen zwaerde dood.... Zóo--zóo, zal

ik mij over den Koning wreken; of hij zal mijn broeders los laten en

peis geven."

Toen Reinout dit gezegd had, overpeinsde hij zijn opzet, en zeide

zuchtende: 'God behoede mij voor zulk een onheil, dat ik den Koning,

mijn oom, slaan zoude: ik heb hem zoo veel misdaan, dat ik 't niet meer

kan goedmaken.' Toen zeide hij tot den bode: "Doe mij deze boodschap

eerlijk en trouw, dat bid ik dy; en als du koomst in des konings zale,

zoo groet wel hoofdzakelijk de twaalf Genoten; in zonderheid Bisschop

Tulpijn, en zeg hun, dat ik mijn broeders beveel in hun geleide, opdat

zij, zoo de Koning ze ter dood wil brengen, hen beschermen. Dit zelve

bid ik ook al mijnen magen: dat zij voor 't minst er nog raad en daad

toe doen, en naar de strafplaats rijden: want blijft de Koning

onverzettelijk, en wil hij mijn broeders doen hangen--ik zal het

oogenblik waarnemen als zij onder de galge komen, en mijne kracht

proeven, en slaan dat ik mag: en het zal er dus toegaan, dat mijne

broeders daar niet sterven zullen!--Maar, ik zegge dy," vervolgde

Reinout, "eer du de boodschap doest, neem immer goeden borg en vast

geleide, dat du wel ontzien en ongeschend moogst gaan en keeren."

De bode zeide: "Heer Reinout, wees gerust: ik zal uwe boodschap doen:

het verga er mede als 'et mag." Met deze woorden nam de bode van Reinout

oorlof en liep met der haast naar Parijs in 's Konings zale.

En als hij daar kwam, zag hij den Koning komen uit de kamer: toen begon

de bode zich te schamen, dat hij voor zulken Heer zoude staan met een

staf, nochtans en woû hij ze niet uit der hand zetten. Ten laatste

besloot hij den staf onder zijn voeten te leggen, en viel voor den

Koning op zijn kniën, en dede hem grooten eerbied. Daarop stond hij op,

en zag stoutelijk naar den Koning heen, zeggende: "Edel Heer Koning, ik

brenge u eene goede boodschap!"

De Koning zeide: "Goede boodschap moet mij altijd welkom zijn: nu zegt

ons met wat boodschap gij beladen zijt."

De bode zeide tot den Koning: "Eer gij mijne boodschap hooren zult,

begeer ik van u de gunst van vaste vrede en goed gelei: dat ik wel

ontzien en ongeschend moog gaan en keeren: anders en zeg ik u mijn

boodschap niet; want, Heer Koning, zoude men oneer of schade beloopen,

zoo ware men dikwijls ongereed om menige boodschap te doen."

--"Gij zegt waar, bode!" andwoordde de Koning; "ik belove u vrede: en

zweer u dat niemant u misdoen en zal, of uw leven nemen; neemt er

Roelant tot een borge voor, die daar in den kring staat: hij is een der

sterkste van de waereld: des moogt gij zonder vreeze zijn."

De bode andwoordde den Koning: "Roelant moge hem niet belgen: ik name

liever een borge door wien ik zonder vreeze ware."

De Koning zeide: "Olivier! weest mede mijn borge: vriend, willen u deze

twee Edelen geleiden, gij zult gaan en keeren wel ontzien en ongeschend:

niemant ter waereld durft u tegengaan."

Toen zeide de bode: "Heer Koning, deze Heeren en mogen hen niet belgen,

ik had gaerne andere borgen."

Toen zeide de Koning: "Geleid dezen bode ten Bisschop Tulpijn: --ik

zegge u, bode, willen u deze drie Heeren geleiden in gaan en keeren, gij

moogt veilig zonder vreeze zijn."

De bode zeide tot den Koning: "Deze Heeren zijn goed, maar nog had ik

liever andere borgen, die mij beter genoegen zouden."

Dit wekte des Konings bevreemding, maar meer nog zijn ongeduld: "Wijst

hem Ogier!" zeide hij; "bode!" ging hij voort: "willen u deze geleiden,

zoo kan niemant u te lijve dan God-alleen."

De bode zeide: "Heer Koning, zij mogen mij niet genoegen, ik kenne

eenen, dien ik nog liever ten vaste borge hadde dan deze allen."

Toen de Koning den bode deze woorden hoorde spreken, werd hij gram en

zeide: "Bist du de Duivel, die ons hier alle durft trotseeren, en waagt

te zeggen, dat de beste borgen dy niet naar den zin zijn? Nog

éénmaal--en ten laatste!"

Toen zeide de bode vrijmoedig: "Heer Koning! geeft gij mij oorlof te

kiezen geleide--zoo en wilt u niet belgen; gij moet zeiver mijn borge

wezen!"

De Koning zeide: "God loone u, bode! dat gij mij eere doet: ik zal u in

gerechte hoede nemen en verweeren tegen allen en alles dat u schaden

mocht!" en dat zwoer hij bij zijner kroone.

"Heer Koning!" zeide de bode, "gij zijt Koning en moogt uw woord niet

herroepen: dus zal ik mijn boodschap doen. Wilt na mij hooren! Heer

Koning, dat God u lange spare! U groet één, de bedroefdste man die in de

waereld is; een Ridder, de beste, dien ooit de zon bescheen, en de

Edelste, die ooit van moeder leven ontving: Heer Koning, het is uw

zusters kind, Reinout. Vriendelijk doet hij bidden, of gij u tot genade

wilt verwaerdigen, en sparen zijn drie broeders, die gij gevangen houdt.

Is 'et, dat het u gelieven mag hem en zijn broeders, in genade aan te

nemen--hij wil gaerne beteren, wat hij en zijn broeders misdaan hebben:

zij willen u te voet vallen, wollen en barvoets, en geven de meeste zoen

die ooit over man gedaan is; hij wil Lodewijk negen werf opwegen met

goud, en wil u maken een beeld van goude zoo groot en schoon als

Lodewijk was, en geven het wegens Lodewijks dood. Hij wil doen maken ter

eer van Onzer Vrouwe een schoone kerke, en voeden de Priesters met zijn

eigen goed; hij zal houden de zeven getijden alle dagen, en elk

Priester alle dagen doen een misse; Montalbaen wil hij te leen

ontvangen, of u laten doen met dat kasteel dat u gelieft; in alle kerken

of kloosteren van Christenrijk zal hij een maand lang doen zingen alle

dagen eene dienst voor Lodewijks ziele, en Beyaert, dat goede Ros, zal

hij mede u geven: en is 't, dat gij hem in dezen lande niet zien of

gedoogen wilt, zoo zal hij trekken met zijn broeders over zee; en ware

't dat gij bij hem kwaamt, zij zouden u bijstaan en in geener nood

begeven. Zoo dan, Heer Koning! vermag 'et uw Edelheid--wilt hem en zijn

broeders genadig zijn!"

Toen zeide de Koning tot den bode: "Bericht mij Reinout iet meer?" Toen

zeide de bode: "Heer Koning, ja! hij zegt u aan: is 't, dat u dit niet

en genoegt, en gij de vrede tegen hem niet houden wilt--zoo zal hij

komen en uw land verbranden, rooven en verwoesten dorpen, kloosters,

kerken en al dat hij buiten muren berijden kan. Het goud, dat hij in de

kerken vindt, daar zal hij mede betalen, die hem dienen."

Toen zeide Koning Carel: "Bericht mij neve Reinout mij iet meer?" De

bode zeide: "Ja hij, Heer Koning! hij zegt u aan: is 't dat gij hem en

zijn broeders niet in genade ontvangen wilt--hij zal u doen 'et zelve

dat hij uwen zone Lodewijk gedaan heeft, want hij heeft vernomen de

mare, dat gij des nachts gaerne getijden leest en gaat ter mettene; hij

zal u éénmaal waarnemen in de kerke of elders, daar hij u vinden kan, en

slaan u dood; aldus zal hij zich aan u wreken."--"Bij God!" riep de

Koning, "deze boodschap, die gij mij brengt, is verre van goed: ik wilde

dat gij achtergebleven en tot mij niet gekomen en waart, want de mare,

die ik van u verneem is mij grootelijks leed. Gij waart wijs, dat gij

goed geleide naamt: want hadt gij dusdanige woorden gezeid in mijne

zale, zonder goed geleide--ik zeg u, in der waarheid! ik had den

schaamtelozen boodschapper het hoofd doen afslaan."

"Bericht mij mijn neve Reinout iet meer?" ging de Koning voort. "Neen

hij, Heer Koning: maar hij doet zeer groeten de twaalf Genoten van

Vrankrijk, in 't bizonder Bisschop Tulpijn, en bezweert den Bisschop op

zijn eere, dat hij zijn broeders in zijn geleide neme: hij bidt al zijn

magen, dat zij zich hunner ontfermen willen, en dat ze niet van den

Hove wijken, noch op reis en gaan, noch raad geven dat men zijn broeders

oordeele. En is 't, Heer Koning, dat gij zijn broeders ter galge doet

brengen met macht van volk om ze te doen hangen, zoo zuldy Reinout daar

bereid vinden, en zal zijn broeders daar met kracht ontvoeren, of er 'et

leven laten; en kan hij ook u daar vinden, hij zal u met den zwaerde

beproeven, zoodanig, dat gij u nimmermeer zijner broederen dood zult

voornemen."

Als Koning Carel deze woorden van den bode verstond, zeide hij: "Bericht

mij dit mijn neve Reinout? Wij zullen zien, wie zoo stout wezen zal, die

Reinout erkennen durf en tot maagschap trekken of zeggen dat hij hem

bestaat? Wie het doet--hij zal 'et ten duurste boeten binnen drie

dagen." Als de Koning dit zeide, had de bode leed in 't herte, maar nam

zijnen staf in zijn hand, en ging tot Roelant, en zeide: "Roelant, Edel

Grave! bestaat hij u--of niet?"

Toen zeide Roelant: "Ja hij, bode! ik en verzake hem niet, om niemants

wil." De bode zeide tot Roelant, "ik zeg u, voorwaar, had gij den Jonker

geloochend, ik had u geslagen met mijn staf." Toen ging de bode tot

Bisschop Tulpijn, zeggende: "Heer Bisschop! meldt mij doch, wat ik u

vrage: of Reinout u iet bestaat?" De Bisschop zeide: "Ja hij: zijn

vriend wil ik altijd wezen."

Als dit de Koning zag, zeide hij: "Wie heeft ons dezen bode gebracht,

die zich zoo wel van zijn boodschap kwijt? hij is vaerdig, slim en

stout. Wanneer zaagt gij Reinout?" vroeg de Koning den bode. Hij zeide:

"Heer Koning! nog gisteren."

Toen zeide de Koning weder: "Waar zaagt gij hem? te voet of te paerde?"

De bode zeide: "Heer Koning! toen ik hem zag, had hij dat goede Ros

Beyaert beschreden." Dit was den Koning leed, dat hij Beyaert nog had.

--"Als het dan waar is, dat gij Reinout gezien hebt," zeide de Koning,

"zoo wijst hem mij, en ik zal u geven duizend gulden, en zal u

beschermen tegen alle Reinouts magen, en al die u deren mogen." De bode

antwoordde: "Heer Koning! ik zeg u bij mijner trouwe, kwam ik daar gij

Reinout woudt vangen, ik zoude u met mijn staf slaan dat gij 't nimmer

vergeten zoudt; of arm en staf moest mij ontbreken." De Koning

grimlachte, ondanks zijn misnoegen, en zeide: "Vriend! hij waar een

zot, die zulke stoute woorden sprak als gij en Reinout--ware 't niet,

dat ik u mijn geleide had toegezegd. Gij zijt vermetel--want nooit heb

ik boden zulke tale hooren voeren."

[1] _Te mettene gaan_: in de kerk de getijden van middernacht gaan

bidden.

Karolingsche Verhalen · 第 25 / 45 题