--"Heere! hij is een dusdanige, als waaruit onze Heer met zijne Jongeren
gedronken hebben op Witten Donderdag; hij is gewijd, en de Paus van Rome
heeft er Misse mede gedaan...."
--"Al is hij gewijd, Pelgrim!" zeide de Koning, "waant daarom niet, dat
ik er een dukaat te meer om geven zoude: God behoede u en mij, dat er
hier simonie[3] gepleegd zoude worden! Wat prijs vraagt gij voor den
kop, dat hoog kostelijk gulden drinkvat?"
--"Heer, mij en staat niet den kop u te geven; gij moest mij veeleer den
Koning wijzen." Koning Carel zeide: "Men zegt, dat ik de Koning
ben."--"Zoo en belgt u niet," zeide Madelgijs, "dat ik zoo oneerbiedig
tot u gesproken heb."--"Neen ik, vriend!" andwoordde de Koning; "wel
moet gij varen! gij en kendet mij niet, wat wilde ik u dan wijten? Maar
geeft mij den kop--ik zal u geven duizend dukaten en een vruchtbaar land
in levenslang gebruik."
--"Heer Koning! dit en staat mij niet te doen--ten zij ge vergeeft al
den genen, die u misdaan hebben. Gij weet, dat God allen vergaf, die Hem
den dood aandeden, toen hij hing aan de galge des Cruices...."
De Koning zeide: "Vriend! gij zegt waar: doch Reinout heeft mijn zone
Lodewijk, den gekroonden Koning, vermoord, en zijne straffe mag ik hem
niet kwijtschelden. Ook is daar éen, geheeten Madelgijs, een snoode
toovenaar, dien haat ik nog veel meer. Ik wenschte, dat ik hem gevangen
hadde.... Zegt mij, Pelgrim! wat man is 'et, die hier bij u ligt?"
--"Eilaas, Heere!" zeide Madelgijs: "'t is mijns vaders broeder, en kan
niet zien noch hooren; des heb ik groot verdriet."
Toen zeide de Koning: "Pelgrim! geeft mij den heiligen kop, en ik zal
God bidden, dat Hij uwen gezel geneze."
"Hier ligt hij," ging Madelgijs voort, "hier ligt hij, die in vijftig
dagen niet hoorde noch en zag; en kan ook niet spreken. 't Geschiedde
t'eener nacht, dat hij verstand, memorie, krachten en wetenschap
verloor, waar wij geherbergd waren. En eergisteren vonden wij eene wijze
vrouwe, die zeide 'mocht hij komen tot de stad, waar hij Beyaert
berijden kon--hij zoû genezen van al zijne kwalen.'"
-"Zoo dit waar was," zeide de Koning, "dan kwaamt gij hier ter goeder
tijd."
Madelgijs zuchtte en sprak: "Men moet een ding beproeven, eer men weet
wat het uitwerken kan."
--"Pelgrim!" zeide de Koning; "geeft mij den kop tot den aangeboden
prijs, en ik zal uwen gezel het Ros Beyaert laten berijden!"
Madelgijs, deze woorden hoorende, zeide: "Koning, in Gods name! en om
dat gij de Koning zijt, moge dit alzoo gebeuren!"
De Koning nam den kop in de hand, en zich tot Roelant keerende, zeide
hij: "Edel Grave Roelant! ik draag u op, den Pelgrim te geven wat ik heb
toegezegd, en bidde u, dat gij zijnen gezelle--Beyaert bestijgen laat!"
Toen liet de Koning Beyaert brengen op de heirbaan buiten Parijs, en ook
de Pelgrims kwamen daar met groote moeite.
En als zij op de baan waren, zeide Koning Carel tot Roelant: "Edel
Grave, ik bidde u, doet dezen armen Pelgrim rijden op Beyaert, dat 'et
aan zijn herstel bevorderlijk zij!"
Roelant stemde hier gaerne in toe, nam hem in zijn armen en zett'e hem
niet zonder inspanning op het paerd. Als hij hem op Beyaert geholpen
had, viel er de Pelgrim aan d' andere zijde weder af. Roelant had er
deernis meê, hielp er hem aan genen kant weder op; maar de Pelgrim zakte
er weêr af aan dezen.
"Heer!" zeide Madelgijs tot Roelant, "gij doet zware zonde, dat gij
aldus u vermaekt met mijn armen gezel: uw Ros is groot; valt hij er
weder af--hij zal 'et besterven."
Koning Carel zeide tot Roelant: "Ik bidde u, houdt den Pelgrim zoo vast,
dat hij niet en valle." Roelant nam den Pelgrim weder, hielp hem op
Beyaert, en hield hem zoo vast, dat hij niet vallen en mochte.
Toen Reinout nu weder op Beyaert gezeten was, zat hij stevig in den
zadel, en zett'e zijne voeten in de gouden stijgbeugels.
Eilaas, daarmeê waren de twaalf knechten, die Beyaert bewaarden, het
goud en de eere kwijt, hun door Koning Carel toegezegd!
"Ik zoude gaerne alleen rijden!" sprak Reinout. "Laat den Pelgrim alléén
rijden," zeide de Koning.
"God heb lof, lieve gezelle, dat gij spreekt!" riep Madelgijs: "kunt gij
ook zien en hooren?"--"Ja ik," zeide Reinout, "ik ben al mijn leed te
boven!"
--"Hoe!" riep de Koning, "is hier mirakel geschiedt?--Heer Bisschop!
doet ons halen kruicen en vanen ten omgange: want God heeft ons groote
gunst gedaan."
Madelgijs had met zijner konste Reinout zijn kracht hergeven. En
Reinout, op Beyaert gezeten, ziende dat men op hun niet en achtte, gaf
het goede Ros de sporen.
Beyaert voelde naauw, dat hij zijn lieven meester droeg, of hij zett'e
zich te loopen en zijn eerste sprong mat wel elf schreden. De knechten,
dien 'et Ros bevolen was, hielden kwalijk de koorden. Madelgijs, die
ziende, hinkte pijnlijk heen end' weder, roepende: "Heer Koning, wat zal
'et wezen! mijn gezel is op uw Ros gezeten--voorwaar het zal hem den
hals breken...." En de bedrieger wrong zijne handen, trok zijne haren
uit, en scheen groote rouwe te bedrijven.
Toen de Koning Madelgijs aldus gebaren zag, had hij deernis met hem,
riep de Twaalf Genoten tot zich, en bad hun, "dat zij Beyaert wilden
vangen en den mensche die op Beyaert zat, en brengen ze te-rug."
En aanstonds gaven de Genoten hun paerden de sporen: de voorste waren
Roelant en Ogier; daarna de Hertog van Beieren en Samsoen van
Borgondiën; voords alle de anderen; zij renden wat hun rossen loopen
mochten, en achterhaalden Reinout, die op Beyaert zat, tot op een
boogscheut afstands.
Reinout had al herhaaldelijk omgezien, of men hem ook volgde: ten
laatste zag hij de Genoten.
'Hoe gaerne wist ik,' sprak hij, voortrijdende, 'of het ten goede of ten
kwade is, dat mijn magen mij volgen. Wist ik, dat 'et ten kwade ware--ik
zoude mij liever wreken over hen, dan over een vreemd.' Met deze woorden
trok hij zijn zwaerd, en hield Beyaert staande tot dat ze hem nader
kwamen; en als ze zoo dicht in zijn nabijheid waren, dat ze Reinout
hooren mochten, riep hij tot de Genoten: "Gij Heeren! hebt gij mijn dood
gezworen? Zegt 'et mij!" Toen zeiden ze: "Reinout! neen wij, Ridder
koen!"
--"Reinout-neve!" zeide Roelant, "wij en dachten niet dat wij ü hier
vinden zouden."
--"Zijdy daar, neve Reinout?" vroeg Bisschop Tulpijn. "Ja ik!" andwoordde
de Ridder. Toen zeide Ogier: "Reinout-neve! mij verwondert van u, dat
gij hier zijt." Olivier zeide: "Zegt mij doch, neve! wie is de Pelgrim,
die bij den Koning stond?"--"'t Is mijn oom Madelgijs!" was het
antwoord, "'t Is, die 'et wezen zoude," merkte Roelant aan: "hij en doet
niet dan met den Koning spotten." Toen zeide Reinout: "Ik bid u, neve
Roelant! dat gij hem niet willet aanklagen!" Roelant zeide: "Neen, neve!
om uwent-wille!"
--"Heer Bisschop!" sprak Reinout nu, "ik bidde u, bij al de vriendschap,
die ik u te-rug moog bewijzen, dat gij mijn broeders in uw geleide
nemet, die de Koning gevangen houdt. En gij, Baroenen! u bid ik mede,
dat gij mijn broeders tegen Koning Carel wilt verdingen, en niet en
gehengt dat men ze ter galge leid om ze te verdoen."
Met dat Reinout dit gezeid hadde, sprak daar Foukens zone: "Ik zegge u,
Reinout! dat ik u gevangen leveren zal aan den Koning, die u en uw
broeders morgen, zal doen hangen." Reinout hoorende deze woorden van den
Schildknaap, wierd hij toornig, zeggende: "God behoede mijn broeders
voor alzulke dood! ik hoop dat gij liegen zult ... en komdy nader--ik
zal et u vergelden." De ruiter nu kwam nader om hem te vangen; Reinout
verhief zijn zwaerd, en sloeg hem 'et hoofd van het lichaam.
"Reinout-neve, dank hebt!" zeide Roelant: "gij gaaft hem zijn sinds lang
verdienden loon!"
Toen zeide Reinout: "Gij Edele Baroenen, blijft alle met Gode! die moge
u in zijn hoede ontvangen; ik bevele God mijn broeders en reken voor hen
op uw geleide: mijn oom Madelgijs moge God barmhertig zijn. En hiermede
neem ik oorlof aan u, en scheide van hier." Zoo nam Reinout afscheid van
de Heeren en reed haastelijk naar Montalbaen.
[1] _Ké_--een uitroep.
[2] _Ferragute_: een reus.
[3] _Simonie_: een handel, door de Kerk ten strengste verboden, waarbij
voor eenig voorwerp, om de geestelijke kracht die er aan verbonden is,
méér gelds gegeven wordt dan de stoffelijke of kunst-waarde; het
_verkoopen_ van al wat slechts geestelijke waarde heeft, wordt als
zondig door de Kerk veroordeeld. Verg. _Hand. der Apost_., Hoofdst.
VIII, v. 18--20.