HET TWAALFDE CAPITTEL.

Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te

zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen

de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En

hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe

Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze

wilde doen hangen.

Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,

zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al

zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is

daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van

rouw."

--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet

wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij

daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik

niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't

mag, ik moet mijne moeder zien."

--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen

gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en

bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij

onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders

goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in

het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,

kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren

uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.

En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide

Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen

voor de onzen."

Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat

Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover

geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,

dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een

roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den

Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander

Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij

aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als

waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt."

Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen

broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns

Kinderen, die ze aantrokken.

Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze

stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden

menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.

Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en

vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier

Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,

te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu

hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat

gij ons inlaat."

Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet

doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het

wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren

gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar

toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart

de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods

wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!

laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning

Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,

God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat

ze God van der dood behoeden wil!"

Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij

antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en

spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout.

Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen

waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden

gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"

--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,

"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,

en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst

als thands."

Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en

drinken geven."

De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen

spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen

mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne

vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.

Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag

haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij

ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt

het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"

De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:

"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik

duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal

uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat

zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,

Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel

wijn niet drinken, als gij alleen doet."

Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...

reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij

dat ik u mijn leven lang danken zal!..."

De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze

hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder

uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.

Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder

aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,

"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik

en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen

onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout

met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen

van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene

stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig

werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op

haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens

wech van Reinout.

Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:

"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt

'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden

en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."

Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en

zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren

op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn

Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders

begeven!"

Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw

Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze

vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den

Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij

komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw

Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,

werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.

"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een

oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:

"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn

Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,

Koning Carel, wien ik het gezworen heb."

Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met

veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God

en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen

over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft

ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want

Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:

"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,

geen anderen raad!"

Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en

leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden

voor de kamer staan.

Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want

hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:

"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns

Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk

te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef

dood, of zeer gekwetst.

Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de

kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;

maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;

hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest

waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne

slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en

zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden

zwak."

Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den

toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't

Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich

werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem

vluchtte als den dood.

Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven

ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te

zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij

geraakt--het blijft er ál dood."

Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met

zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek

loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter

na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde

Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader

vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,

maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!

Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij

nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij

verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel

verworven wij nimmermeer zoen!"

--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen

vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem

handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap

aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem

haastelijk tot Koning Carel."

De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;

want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."

Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,

indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat

Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.

"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat

ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude

gedaan hebben."

De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten

leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de

portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't

paerd ligt?"

Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de

poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den

knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen

zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit

hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat

hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's

Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;

ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"

De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's

Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den

Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.

Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:

"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,

ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn

zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik

't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards

te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."

--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.

Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich

wapenen zouden; zoo Edel als onedel.

En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk

dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam

te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot

heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar

tenten begonnen te slaan voor het kasteel.

Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge

is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons

mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons

geenen raad?"

Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:

"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der

muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als

hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer

mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;

hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun

scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn

broeders moest laten.

Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden

God voor hem.

"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!

nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,

doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,

tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen

bidden."

Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en

gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,

wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den

Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij

de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij

gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en

lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."

Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan

werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et

bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te

moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met

heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.

Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo

lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te

doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede

de broeders zorgvuldig bewaken.

[1] _Bordeas_: Bordeaux.

[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.

Karolingsche Verhalen · 第 24 / 45 题