Hoe Reinout met zijn broeders voeren om hun moeder te
zien als Pelgrims, en kwamen te Piërlepont, en hoe hen
de vader vangen woude en brengen ze in Vrankrijk. En
hoe Piërlepont van den Koning belegerd was, en hoe
Reinouts drie broeders gevangen waren, en de Koning ze
wilde doen hangen.
Reinout, in zijne burchtzaal gezeten, riep zijn broeder Adelaert,
zeggende: "Lieve broeder, gij zijt mijn raad en troost. 't Is nu al
zeven jaar, dat wij onze moeder niet meer gezien en hebben: mijn hert is
daardoor gedrukt: ik moet haar zien en hooren spreken, of ik stierf van
rouw."
--"Helaas, broeder," zeide Adelaert, "wat wilt gij ondernemen: gij weet
wel, dat onze vader en moeder in onze dood hebben gestemd. Komen wij
daar, wij zijn verloren." Toen zeide Reinout: "Broeder, dat en acht ik
niet een strooi: want de ouders hebben de kinderen lief! Het ga hoe 't
mag, ik moet mijne moeder zien."
--"Ik weet goed raad," zeide Reinout tot zijne broeders: "wij zullen
gaan in 't bosch van Bordeas[1] en verwachten daar de Pelgrims, en
bidden hen dat zij ons kleêren geven voor de onzen; en zoo gaan wij
onbekend door 't land tot onze moeder!" Deze raad dachte den broeders
goed. Zij gingen uit het kasteel, dat het weinige wisten, en wachtten in
het bosch de Pelgrims. Toen zij een wijl in 't bosch geweest waren,
kwamen daar vier Pelgrims, die het Heilige Land bezocht hadden, en waren
uit Vrankrijk, en kenden Reinout wel. Zij hadden palmen in hunne handen.
En de broeders gingen hen tegen. "Weest gegroet, gij Pelgrims!" zeide
Reinout: "wij bidden u dat gij ons geven wilt uwe kleederen en schoenen
voor de onzen."
Maar de Pelgrims, dit hoorende, werden vervaerd en verstonden niet wat
Reinout zeide. Een hunner sprak: "Zoo zijt gij, Reinout, een roover
geworden? Hoe lang hebdy dit bedrijf bij de hand gehad? Ik zeg u: is 't,
dat ik in Frankrijk keere, ik zal 't den Koning klagen, dat gij een
roover zijt." Dit nam Reinout euvel op, toog zijn zwaerd en vatt'e den
Pelgrim bij den baard: hij zoû hem geslagen hebben --maar een ander
Pelgrim viel op zijn knieën en zeide: "Genade, Heer! ziet toe wat gij
aanvangt: wij zijn Gods Pelgrims, en zijn geweest te Jeruzalem. Als
waren onze kleederen nog wat beter--doet 'er meê dat gij wilt."
Toen zeide Reinout: "Pelgrim, gij zijt wijs; 't is een geluk voor uwen
broeder." De Pelgrims togen hun kleederen uit, en gaven ze Haymijns
Kinderen, die ze aantrokken.
Als zij de Pelgrimskleêren aan hadden, bezagen zij elkander hoe ze
stonden, en als ze gereed waren, gingen zij menige dagvaart, en deden
menigen moeden voetstap eer zij te Piërlepont kwamen.
Zij vonden het kasteel gesloten: zij klopten aan. De portier kwam en
vraagde, 'wat zij begeerden?' Reinout zeide: "Vriend, laat ons, vier
Pelgrims, ingaan; wij hebben tot menige stede geweest en in menig Land,
te Rome, tot St Andries in Schotland, te St Gilles in Provenciën: nu
hebben wij groote honger en dorst, dus bidden wij, om Gods wille! dat
gij ons inlaat."
Maar de portier zeide: "Al badt gij nog zoo lang, ik en zal 't niet
doen."--"Waarom?" zeide Reinout. "Dit zal ik u zeggen," was het
wederwoord: "ons kwam gisteren kwade mare uit Vrankrijk: dat onze Heeren
gevangen zouden zijn, Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout.... Maar
toch, vriend, ware uw baard zoo lang niet, ik zoû zeggen, dat gij waart
de stoute Reinout; ik zag nooit man hem beter gelijken!..."--"Om Gods
wille vriend!" zeide Reinout, "en om de liefde van Haymijns Kinderen!
laat ons in. Ik bidde dat hen God met eere laat leven! en heeft Koning
Carel ze gevangen, dat ze 't gelukkig ontgaan mogen; en zijn ze dood,
God wille zich hunner ziele ontfermen; zijn ze in storm of ongemak, dat
ze God van der dood behoeden wil!"
Als Reinout deze woorden zeide, bevielen ze den portier zoo wel, dat hij
antwoordde: "Ik zal u inlaten tot mijner Vrouwe, die u zal laven en
spijzigen ter liefde der Jonkheeren."--"Dat loon u God!" zeide Reinout.
Met-een ontdede de portier de poort, en zij traden in. Als zij binnen
waren, gingen zij in de zale, daar zij hun moeder het laatst hadden
gezien, en groetten ze, zeggende: "God geve u goeden dag!"
--"God loon u, Pelgrims!" zeide Vrouwe Aye. "Vróuwe!" sprak Reinout,
"wij hebben in menig land geweest, als tot Rome, St Jacob in Galiciën,
en menige andere stede; maar wij en hadden nooit zulke honger en dorst
als thands."
Toen zeide de Edelvrouw: "Pelgrims! weest zonder zorge; ik zal u eten en
drinken geven."
De Vrouwe dede de Pelgrims zitten aan een tafel en deed daarop brengen
spijs en drank: zoo dat de Heeren aten en dronken en zich verzadigen
mochten. De Vrouwe was in den kelder gegaan, en had getapt eene kanne
vol wijn, en bracht ze den Heeren aan de tafel.
Zij nam een gouden schaal en goot ze vol, en gaf ze Reinout. Reinout zag
haar aan, nam de schaal met bevende handen en dronk ze uit, en als hij
ze uit hadde, zeide hij: "Vrouwe, ik ben nog niet gelaafd; mij brandt
het van binnen ...och dat ik meer hadde van dien wijn!"
De Vrouwe nam de schale, en schonk ze weder vol en gaf ze hem, en zeide:
"Pelgrim, hoe smaakt u de wijn? gij drinkt hem met zooveel graagte--ik
duchte, dat hij u miskomen zal." Reinout andwoordde niets, nam de schaal
uit zijns moeders handen, en dronk ze nogmaals ledig. Als de Vrouwe dat
zag, zeide zij: "Mij verwondert van waar gij zijt gekomen, wijl gij,
Pelgrim, onzen sterken wijn zoo drinkt; zes Ridders en zouden zoo veel
wijn niet drinken, als gij alleen doet."
Reinout sprak: "God loon 't u, wat ik uit uw hand mag ontvangen: ...
reikt mij die schale nog éénmaal, geeft nog eens van dien wijn, wilt gij
dat ik u mijn leven lang danken zal!..."
De Vrouwe was verwonderd, maar schonk hem de schale weder vol en gaf ze
hem in de hand; als Reinout de schale in de hand had, dronk hij ze weder
uit. Toen kon de Vrouwe den Pelgrim van bevreemding niet meer aanzien.
Reinouts oogen straalden van een hellen gloed, terwijl hij zijne moeder
aanschouwde, wie hij zich niet bekend mocht maken. "Vrouwe!" zeide hij,
"ik wilde dat ik meer had van dien wijn!--want had ik nog een schale, ik
en ontzage Koning Carel mijnen oom geen stroohalm." Als Adelaert dezen
onvoorzichtigen uitroep hoorde, voer hij verschrikt op, en stiet Reinout
met zijn elleboog, dat hij ter aarde viel, en bewusteloos bleef liggen
van al den wijn, dien hij gedronken hadde. Maar Vrouw Aye hoorde eene
stemme in haar herte; zij nam Reinout in heur armen; en kuste hem menig
werf; men meende, dat ze van blijdschap dood gebleven zoude zijn op
haren Kinde: maar Adelaert nam ze in zijne armen, en voerde ze zachtkens
wech van Reinout.
Intusschen had een bespieder de woorden van Reinout gehoord, en zeide:
"Vrouw! doet Reinout vangen, en zendt hem Koning Carel, want gij hebt
'et gezworen; en wilt gij 't niet doen--zoo zal ik tot den Koning rijden
en zeggen hem, dat gij den moordenaar, uw zoon, in uw kasteel onthaalt."
Als dit de verrader zeide, ontstelde de Vrouwe hevig om die woorden en
zeide: "Valsche knecht! al dede Koning Carel, mijn broeder, ons zweeren
op 'et lichaam van St Dionijs, mijn hert en heeft niet toegestemd mijn
Kinderen kwaad te doen. Zoude ik om leven of om sterven mijn Kinders
begeven!"
Toen ging de verrader tot Haymijn in de vierschaar, en zeide: "Heer! uw
Kinderen zijn al-te-maal in de burcht, die Lodewijk doodsloegen; doet ze
vangen, en zendt ze Koning Carel. Wilt gij 'et niet doen, ik zal tot den
Koning trekken, en zeggen hem, dat ze zijn in uw kasteel: zoo zal hij
komen en vangen u en uw Kinderen, met Vrouwe Aye, en doen u bij uw
Kinderen hangen en Vrouwe Aye barnen." Haymijn, deze woorden hoorende,
werd toornig, greep met der haast een stok, en sloeg den verrader neder.
"Ziedaar voor uwe boodschap!" riep Haymijn verbolgen. Hij stond toen een
oogenblik in beraad, fronste het voorhoofd, en riep somber maar luide:
"Gij Edele Baroenen, wapent u spoedig, en helpt mij: want ik mijn
Kinderen vangen moet, en leveren hen uit aan mijnen gerechten Heere,
Koning Carel, wien ik het gezworen heb."
Toen wapenden zij hen alle; als zij gewapend waren, toog Haymijn met
veel volk naar de burcht. En Adelaert werd dit gewaar, en zeide: "God
en Maria, helpt mij! daar naakt ons groote zorg: ik zie mijn vader komen
over den binnenhof met menig gewapend man. Moeder," zeide hij, "geeft
ons raad! Weet gij ons geen raad te geven--wij zijn verloren; want
Reinout, die de stoutste van allen is, ligt in onmacht." Zij zeide:
"Helpt Reinout in gindsche kamer en verspert de ingang. Ik weet, helaas,
geen anderen raad!"
Zij deden dat hun de moeder zeide, en droegen Reinout in de kamer, en
leiden hem op een steen. Toen gingen de drie gebroeders met hun zwaerden
voor de kamer staan.
Ondertusschen kwam Haymijn, en beval, dat men de Kinderen vinge, want
hij woû ze tot den Koning zenden. "Terug, gij Heeren!" riep Adelaert:
"die éne schrede nader doet, vel ik met mijn zwaerd: gij vangt Haymijns
Kinderen nimmermeer!" Te gelijk werden de Heeren sterklijk
te-rug-geslagen; en wat de broeders met hun zwaerden raekten, dat bleef
dood, of zeer gekwetst.
Aldus werden ze bevochten drie dagen lang. Twee dagen behielden zij de
kamer vechtender hand, dat Reinout nog sliep, en daaraf niet en wiste;
maar als 'et was aan den derden dag, zoo kwam Reinout bij, en sprong op;
hij zag zijn broeders daar staan vechten, of zij zinneloos geweest
waren; matter en matter werden hunne armen; telkens flaauwer hunne
slagen.--Toen nam Reinout zijn zwaerd in de hand, drong naar voren, en
zeide: "Broeders! staat achterwaards, gij zijt moede, uw slagen worden
zwak."
Toen traden de broeders te-rug en Reinout ging staan midden in den
toegang, en riep: "God schende mij zoo ik iemant spare! al ware 't
Haymijn mijn vader, hij zal er de dood om sterven!" Hij wendde zich
werwaards hij 't meeste volk zag, en sloeg zoo vreeselijk, dat elk hem
vluchtte als den dood.
Toen Haymijn dit zag, zeide hij tot zijn volk: "Mijn Kinderen blijven
ongeschaad, want Reinout doet meer vromigheid alleen, dan gij-allen te
zamen; hij heeft 'et beste zwaerd dat men vinden mag; wat hij
geraakt--het blijft er ál dood."
Reinout woedde intusschen voort als een vertoornde leeuw, en Haymijn met
zijn volk werden gedwongen te wijken en te vlieden, ter vlucht wat ellek
loopen mocht. En Reinout volgde zijn vader met groote snelheid achter
na. Dit sneed den anderen broeders door 'et hert, en Adelaert volgde
Reinout. Reinout doorbrak de scharen met kracht tot dat hij zijn vader
vond; hij had zijn zwaerd geheven, en zoude zijn vader gedood hebben,
maar Adelaert weerhield den slag, roepende: "Broeder, wat wilt gij doen!
Sloegt gij onzen vader dood--die vreeselijke misdaad mochten wij
nimmermeer boeten, die schande nimmer verwinnen. Voor God waren wij
verloren, verstooten uit de hoven aller Edelen, en jegens Koning Carel
verworven wij nimmermeer zoen!"
--"Wat zegt gij?" riep Reinout, "is hij onze vader, die zijn Kinderen
vangen wil." Toen nam hij Haymijn, en leidde hem op een bank, bond hem
handen en voeten, en zetted' hem te paerd. Juist kwam daar een lijfknaap
aan: Reinout riep hem: "Vriend!" zeide hij, "neem dezen man en voer hem
haastelijk tot Koning Carel."
De knaap zeide: "Ik en doe 'et niet: dede ik 'et, het ware snood gedaan;
want hij is mijn gerechte Heer: doodt mij liever, eer ik 'et dede."
Reinout dreigde den knape, dat hij hem de rechter hand zoû afslaan,
indien hij zijn last niet volbracht. De knape gaf toe, wetende dat
Koning Carel hier goed recht zoû wijzen.
"Du doest wijs!" zeide Reinout; "vaar haastelijk, zeg Koning Carel, dat
ik hem dezen tot eene gifte zende, en dat hij hem doe, wat hij mij zoude
gedaan hebben."
De knape voer dag en nacht, en vloekte Reinout dikwijls onder wege. Ten
leste kwamen zij te Parijs; en als zij door de poorte reden, zeide de
portier: "Wie mag et zijn, zoo niet de Duivel, die dus misvormd op 't
paerd ligt?"
Zij voeren zoo lang tot voor Carels hof; de garsoen klopte hard aan de
poorte, zoo dat de portier kwam en ontdeed 'et winket[2], vragende den
knape 'vanwaar hij kwam of wat gevangene hij daar had?' De garsoen
zeide: "'t Is de Grave Haymijn van Ardennen." Toen de portier dit
hoorde, ontstelde hij, en zeide: "Heer Haymijn! wie was zoo stout dat
hij u dus binden dorst en zoo schandelijk hier henen zendt, tot 's
Konings hoon?" Haymijn zeide: "Mijn Kinderen hebben 'et mij gedaan;
ontdoe de poorte en laat mij doorrijden, dat ik 'et den Koning klage!"
De portier opende de poorte, en Haymijn voer door, tot hij kwam in 's
Konings burcht. Hij werd van 't paerd gedaan en terstond kwam aan den
Koning tijding, dat Haymijn was gekomen aan handen en voeten gebonden.
Toen ging Carel in de zale, daar hij Haymijn vond, en zeide tot hem:
"Zijt wellekom, Heer Haymijn!"--"Heer Koning!" zeide Haymijn; "ik bid u,
ontferm u mijner!"--"Wie heeft u dit gedaan?" vroeg de Koning. Haymijn
zeide: "Heer Koning! mijn Kinderen zijn gekomen op mijn kasteel; als ik
't vernam, deed ik mijn volk wapenen, meende ze te vangen en herwaards
te zenden: maar, Heere Koning, zij hebben mij 300 mannen afgeslagen...."
--"Ik zal zelf optrekken, en ze gevangen maken," zeide Koning Carel.
Hij gaf oogenblikkelijk last aan zijn Baroenen en volk dat ze zich
wapenen zouden; zoo Edel als onedel.
En als zij gewapend waren, togen zij tot den Koning. Als hij zijn volk
dus reede zag, zat hij op zijn paerd; en reed zoo lang tot dat hij kwam
te Piërlepont. Reinout stond op de tinnen, en zag Carel met een groot
heir daarbeneden, en dat hij 't kasteel belegerde. Hij zag, dat ze daar
tenten begonnen te slaan voor het kasteel.
Reinout ging tot zijne moeder en zeide: "Moeder, het oogenblik der zorge
is gekomen, Koning Carel heeft het kasteel beleid, en is 't dat hij ons
mag vangen, hij doet ons ter dood brengen. Moeder! en weet gij ons
geenen raad?"
Vrouw Aye zag haren zone Reinout smertelijk aan, maar sprak haastig:
"Hier, mijn Kind, neemt deze kleederen, vermomt u, en ik zal u een der
muurpoortjens uitlaten: zoo moogt gij uw leven bergen." Reinout dede als
hem zijn moeder beval, en nam oorlof aan zijn broeders, die zeer
mistroostig waren: want men dorst niet in getale door het poortjen gaan;
hetgeen de vlucht ook van éen enkele had doen mislukken. Dus was hun
scheiden uiterst pijnlijk, en Reinout was zeer bedroefd, dat hij zijn
broeders moest laten.
Zijn moeder en broeders bedreven groote rouwe na het afscheid, en baden
God voor hem.
"Eilaas!" zeide Vrouw Aye en Adelaert, "hoe zeer rouwt mij deze vaart!
nu zijt gij in mijn huis belegerd van den Koning; doch, lieve Kinderen,
doet mijn raad; hij zal u voordeelig zijn. Gaat, in wolle en barvoets,
tot den Koning; en valt hem te voet; uw verwanten zullen u helpen
bidden."
Zij deden dat hun moeder hun ried, en namen malkander bij der hand, en
gingen, wollen en barvoets, na den heire. Zoo haast men ze vernam,
wierden zij gevangen en voor den Koning gebracht: en als zij voor den
Koning kwamen, vielen ze op hunne kniën en baden hem oodmoedelijk, bij
de liefde Gods, dat hij hun genade doen wilde, en zeiden, "wat zij
gedaan hadden zouden zij beteren, zoo veel zij vermochten met ziel en
lijf, opdat zij ter zoene mochten komen."
Koning Carel gaf bevel, dat men ze binden zoude; hetwelk terstond gedaan
werd: want hunne handen en voeten werden 't zamen gebonden, zoo dat 'et
bloed den nagels uitsprong. En als Vrouw Aye dat zag, was haar wee te
moede, en zij viel voor des Konings Voeten op haar kniën en bad hem, met
heete tranen, dat hij haar gave heure Kinderen.
Koning Carel was onverbidbaar, maar zeide, 'dat hij ze houden zoû zoo
lange dat hij Reinout mede had, om ze te zamen de welverdiende straf te
doen ondergaan.' De Koning voer met zijn volk weder naar Parijs, en dede
de broeders zorgvuldig bewaken.
[1] _Bordeas_: Bordeaux.
[2] _winket_--deurtjen in eene poortdeure.