HET ELFDE CAPITTEL.

Hoe Koning Carel zag het nieuwe kasteel, dat gemaakt

was op Rotsenland, als hij tot St. Jacob reisde, en

dede vrage wie dat toebehoorde, en hoe zij zeiden

"Reinout" en hoe hij dat kasteel belegde.

Het gebeurde dat Koning Carel in bedevaart reizen zoû na St. Jacob.

Roelant was bij hem; en gekomen zijnde in Yweins land, zag Koning Carel

het kasteel en dat het schoon en sterk was. "Neve," zeide hij tot

Roelant, "ziet dat kasteel! Wie mag 'et sints zoo korten tijd hebben

doen timmeren? in al Gascongiën en staat geen zoo sterk noch zoo

schoon."--"Wie 't gemaakt heeft is mij onbekend," zeide Roelant; "maar

zoo veel is zeker, dat het sterk, ja, ik zoû schier zeggen onwinlijk

is; want ziet eens, hoe hoog van muren en torens; en hoe wel gebouwd ter

verdediging: 't is in ieder geval een rijk man, die 't heeft doen

maken." Hiermede lieten Koning Carel Roeland het gesprek, en deden zich

over 't water zetten.

Toen kwamen zij in 't land, dat Ywein--Reinout met zijn dochter gegeven

had. Als zij óver waren, liet Koning Carel door Roelant vragen, 'wie dat

schoone kasteel had doen timmeren in zoo korten tijd?'

Roelant zag een akkerman aan den ploeg, en reed naar hem heen, en vraagt

hem, 'wien dat kasteel toebehoorde?'

De akkerman zeide: "Ik hoor van de lieden, dat het een Grave heeft doen

timmeren, die hem aldaar onthouden wil, tegen zijn vijanden: want zoo

men zeî heeft hij groote oorlog en twist tegen den Koning van Vrankrijk;

hij is uit zijn land verdreven."

--"Vriend, hoe heet die Grave?" zeide Roelant. Hij antwoordde: "Reinout.

Hij heeft nog drie schoone jongelingen tot broeders. Het kasteel heet

Montalbaen; ook heeft hij gesticht een schoone stad." Als Roelant van

den akkerman de waarheid wist van den kasteele, keerde hij tot Koning

Carel en zeide: "Dit kasteel heeft doen timmeren Reinout met zijn

broeders, en 'et heet Montalbaen: ook heeft hij, onder de schutse der

burcht, aangelegd een schoone stad."

--"Hoe?" zeide de Koning, "Haymijns kinderen? Gaat tot Reinout; zegt

hem, dat hij mij geve 't kasteel Montalbaen en de stede, en zich-zelven

met zijn broeders en al zijne poorters en onderzaten in mijne macht

stelle, dat ik ze naar Vrankrijk voere: zoo mag hij vrede hebben en

tegen mij verzoenen van zijn misdaad. Maar wil hij dit niet, dan zal hem

kwaad geschiên; ik zal met macht komen in zijn land, verbranden en

verderven al dat er is, en doen hem en zijn broeders hangen."

Als Roelant den Koning wel verstaan had, ging hij tot Montalbaen; en als

hij in den zale kwam, groette hij Reinout met zijn huisgezin minlijk en

zijn broeders even zoo. Daarop zeide hij tot Reinout: "Mij heeft tot u

gezonden Koning Carel van Vrankrijk, opdat gij met uw broeders en al uw

onderzaten u komt geven in zijn macht en tot zijnen wille; opdat gij hem

gevet Montalbaen, en valt hem te voet met uw leenmannen, en smeeket

genade: en hij zal ze u doen."

Als Reinout de boodschap van Koning Carel verstaan had, zeide hij tot

Roelant: "Ik zeg u, neve, ik en gaf den Koning den ellendigsten man niet

ten zoene, die in al mijn land is! Koning Carel belegere mij liever

zeven jaar eer ik er een pluim om gaf."--"Wilt gij u dan tegen Koning

Carel zetten?" zeide Roelant; "gij sloegt immers zijn zone

Lodewijk!"--"Daar vraag ik niet naar," zeide Reinout, "den grooten

manslag, dien men mij herinnert, kan ik niet vergeten. Het ga met mij

als het moge! Wil mij de Koning tegen hem laten verzoenen--ik wil hem

Montalbaen opgeven, en mijn land van hem te leen ontvangen en dienen hem

als een trouw vazal mijn leven lang ... Roelant-neve, wildy hem dit

zeggen?--Maar zijn gevangene wil ik niet zijn; en hij beginne niet met

mij te dreigen."

Roelant zeide: "Reinout, doet wel, en gaat in banden!" Reinout zeide:

"Neen ik: in zijne gevangenis koom ik niet; maar ik bid u, Roelant, doet

mijn boodschap aan den Koning."

Met die woorden keerde Roelant weder tot den Koning en heeft hem gezeid

Reinouts meeninge; en de Koning was verstoord, en zond Koning Ywein een

scherpen brief, dat hij toornig op hem was, om dat hij zijn doodvijanden

in zijn land herbergde en hun burg en goed gegeven had en groote eer

gedaan.'

Koning Carel volbracht met haaste zijne pelgrimaadje naar St Jacob, en

keerde weder in Vrankrijk. Toen vergaderde hij groot volk, en toog in

Reinouts land, en belegde Montalbaen zeer sterkelijk. En Reinout,

verwittigd van 's Konings aantocht, ontbood al zijn vrienden, om hem te

helpen.

Koning Carel lag in Reinouts land, verbrandde en verdierf al dat hij

kon, maar leed groote schade aan zijn volk. En Reinout handhaafde

Montalbaen krachtig tegen den Koning en zijn volk een gantsch jaar lang.

En als Koning Carel een jaar voor Montalbaen gelegen had, verdroot 'et

hem; want hij zag wel, hij mochte 't niet winnen: dus gaf hij zijn

Heeren oorlof t'huis te varen, en brak zijn heir op voor Reinouts

burcht; 't welk luttel tot zijn eere was.

Karolingsche Verhalen · 第 23 / 45 题