Hoe Reinout en zijn broeders, tot Koning Ywein gegaan
met Saforets hoofd, daar hun verblijf hielden, en hoe
Reinout van den Koning begiftigd werd, en zich
versterkte tegen den grooten Koning Carel van
Frankrijk.
Ywein onthaalde ze of hij hun vader geweest ware. Hij deed hun kleederen
maken, gedeeld in groen fluweel tegen rood scharlaat, en Reinout zorgde,
dat Beyaert wel voorzien werd. Ywein had hun ook meesters gegeven, ter
genezing hunner wonden met heelenden drank. Hij diende hen met vollen
wille aldus, dat Ridders en Ros in zeven weken gezond en van hunne
wonden genezen waren.
Toen deed de goede Koning Ywein hun schoone nieuwe schilden maken; hun
knijven en zwaerden vervegen[1]: hunne harnasplaten waren mede
vernieuwd. Zij kregen ook het volkomen paerdendek van éne stoffe,
prijkend met een passend wapenteeken. Spoedig waren zij, die Ywein in
den strijd zouden helpen, gereed; zij deden de wapens aan; hun Ros
Beyaert werd uitgeleid en in het veld gezadeld. Het was bekleed, en de
goede Ridders zaten moedig op.
Ywein vergaderde haastig in zijn eigen rijk een groot heir, trok daar
het land meê in naar de kasteden, die Saforet had doen maken, en waaruit
Ywein groote schade gedaan werd.
Zij vulden de grachten, braken de muren, en sloegen al dood wat zij
binnen de kasteelen vonden, behalve vrouwen en kinderen.
Toen togen zij aanstonds Saforets Koninkrijk binnen, legerden zich in
zijn land; roofden en brandden; en voerden er krijg weinig minder dan
drie jaren.
Ywein, de goede Koning, deed nu sloten bouwen waar hij wilde; en
heerschte op het vreemd gebied, of 't hem alles van zijn vader bij
erfschap gekomen ware.
De Vier Ridders streden fel, en Ywein was recht blijde, dat hunner
steeds de zege bleef, aan wat strijd zij ook deelnamen. Zij waren hem
dan ook van harte genegen en trouw; en hij begiftigde hen rijkelijk met
goud en edelsteenen. Vier jaren vertoefden daar de Ridders.
Intusschen kreeg op zekere tijd Carel, de Koning van Vrankrijk, daar
kennis van, door een verspieder, die toevallig de Heeren gezien had. Nu
zond Carel aanstonds een bode tot Ywein, en deed met een brief hem
aanzeggen, "dat hij, ter zijner liefde, hem de moordenaars van zijnen
zone Lodewijk zoû uitleveren."
Toen de bode in Gascongiën kwam, vroeg hij naar den Landskoning --en
spoedig bracht men hem voor Ywein.
"Koning!" zeide hij, "God behoede u! Vriendelijk laat u groeten Carel,
de Koning van Vrankrijk, en is 't u welgevallig, leest dan dezen brief."
De Koning aanvaerdde dien uit handen van den knaap, ontwond[2] hem en
las aanstonds Carels tijding, die hij er in geschreven vond: 'dat hij
hem de moordenaren zenden zoû, die in Vrankrijk zijn zone Lodewijk
hadden doodgeslagen.'
Toen Ywein deze boodschap verstond, werd hij droef in zijn gemoed, en
riep dadelijk te rade al zijne leenmannen, die in 't geheim vergaderden,
opdat het de Vier Ridders niet weten zouden.
"Gij Heeren!" sprak Ywein de Koning, "wat radet gij mij in deze zaak?
Carel, de dappere, eischt Haymijns Kinderen van Ardennen op: zend ik ze
den Koning niet--zoo haal ik zijn toorn over mij. Gij Heeren! wat raad
geeft gij mij in deze, dat ik mijne eere behoude? Van Reinout heb ik
toch groote diensten ontvangen en groote voordeden in der Heidenen
land."
Toen sprak Anceel van Ribemont, in den raad: "Wij hebben herhaaldelijk
voor waarheid gehoord, dat zij den Koning groote schande deden, en, in
zijn eigen zale, den Koning Lodewijk jammerlijk doodsloegen. Naar mijn
oordeel, zult gij ze, behoudens lijf en goed, uitleveren. Doet gij 't
ook niet--u zal kwaad geschieden; Carel zal in uw land komen, roof en
brand stichten, en, krijgt hij u in handen, u doen ophangen bij de
keel."
Hugo van Averne[3] sprak vervolgends: "Die raad zij afgewezen, Heer
Koning! Voorwaar, zult gij deze Ridders alzoo uitleveren, men zal u
verrader heeten: nog duizend jaar na dezen. Zij deden u zoo menigen
dienst--zoudt gij ze dús beloonen? Zoo menigen Heiden hebben zij
verslagen, zoo menigen uit den zadel doen storten! Adelaert is uw
vaandrager; een goed Ridder is Ritsaert; en Writsaert--uw huismeyer[4].
Verriedt gij ze--'t ware een wandaad."
[Illustratie: Vier Ridders, rank en kloek van leden rijden daar
gewapend nader.]
Toen sprak Hertog Ysoreit: "Heer Hugo, gij hebt wél gezegd!" Daarop
sprak Reinier van Gascongiën, een Ridder fier en stout:
"Verloochendet gij deze Vier Heeren, gij zoudt onteerd zijn; o Koning!
En wildet gij ze ook, dat God verhoede! door verraad uitleveren, ze zijn
van zoo hoogen geslachte, ge zoudt overal geschandvlekt wezen: 't zij ge
kwaamt in Poelgiën, of in Toscanen, of in Calabren--daar is alom menig
Ridder, die 't zich aantrekken zoû. Gij zoudt den voet niet op Ceciliën
kunnen zetten zonder groote schade. Kwaam gij in Grieken of Hongarije,
in Engeland of in Normandiën, of in Vrankrijk--de hoogsten van het land
zouden u haten; ge kunt jegens hunne hooge magen geen veete volhouden.
Durft gij ze niet, ondanks Carel, herbergen, en wilt gij hunner magen
gramschap ontgaan, zoo laat hen aanstonds in een ander Koninkrijk
trekken, daar ze Carel niet te vreezen en hebben."
Mijn Heere Lambert nam het woord: "Heer Koning, zoo waar ik met eere
leven moge! mijn Ancelijn hoorde ik goeden raad geven en wijze woorden
spreken! Indien gij den Koning weigert en de Ridders wilt houden, hem
ten spijt--ik zeg u voorwaar! dat gij er dan zooveel bij winnen zult als
Jan van Lacwide, die weleer ook ter kwader ure strijd bestond jegens
Carel."
Pas had Lambert deze woorden gesproken, of Ysoreit trad naar voren en
zeide: "Die dezen raad gegeven heeft, hem ligt geen kaf[5] aan uw eer
gelegen. Want ik zeg u," sprak de hoofsche held, "een Koning mag tot geen
prijs verrader zijn. Gaaft ge Reinout en zijn broeders over aan wie ze
zoû doen folteren en dooden--dan hadt gij ze kwalijk overgegeven. Maar
volgt ge mijn raad, Heere--gij zult ze in Poelgiën of een ander land
laten trekken, daar zij ongedeerd mogen blijven."
Ywein besloot dezen raad te volgen, maar 't was hem zeer leed, dat hij
Reinout, den edelen Jonkheer, en zijn broeders toch zoû moeten zien
vertrekken: "zoo menige dienst van hen ontvangen te hebben, en niet te
kunnen helpen!... Maar de gramschap van Koning Carel zoû mij te zwaar
vallen."
Heer Hugo van Averne andwoordde oogenblikkelijk: "Heer Koning--ik had
'et u wel voorzeid, dat geen goed man den raad gehoor zoû leenen van
Anceel en Lambert, twee neven uit een huis, dat, zoo help mij Sint-Jan!
nooit goeden raad aanbracht: maar, Koning! wilt gij den glans uwer eer
bewaren--zoo geeft Jonkheere Reinout uwe dochter Clarisse, en geeft hem
de rots aan de Gironde[6]: hij zal er aanstonds een vaste burcht op
bouwen, en, bij den Heer van Paradijze! heeft Reinout het geluk kinderen
bij uw dochter te verwekken--dan is hij op het innigst aan u verbonden,
en hij is van zoo hoogen geslachte, dat ge door hem de veete teegen den
geweldigen Carel, Pippijns zoon van Vrankrijk, staande kunt houden."
--"Avernees, gij zegt wél," sprak Ywein: "het lacht mij vriendelijk aan,
dat Reinout, de koene krijger, bij mij in mijn land bleve."
De Koning ontbood Reinout en zijn broeders.
"Koning, wat gebiedt gij?" vroeg Reinout.
"Reinout," andwoordde Ywein, "Carel de Koning van Vrankrijk, heeft mij
met gezegelde brieven doen aanzeggen, dat ik, ter zijner liefde, u en uw
broeders gevangen in Vrankrijk zenden zal: maar," voegde hij er
aanstonds bij, "ik wil geen verrader zijn. Echter, ik moet het u bekend
maken, zijn gramschap zoû mij te zwaar vallen. Wilt gij nu, Reinout! in
Poelgiën of Calabren trekken, of naar genen kant van de Zuidzee[7]--ik
zal u nimmer aan uw lot overlaten; u steeds van schatten en goederen
voorzien.... Nu zegt mij--wilt ge handelen als de wijzen, en mijn
voorstel aanvaerden?"
--"Edel Heere," andwoordde Reinout, "het neemt, helaas! alles voor ons
een zorgelijken keer. Tegen Carel van Vrankrijk mogen wij ter waereld
niet strijden, noch in dit land, noch over zee. Maar.... aan de Gironde
staat een rots--wilt ge mij die geven: ik zal het mij, mijn leven lang,
waerd maken. Ik zal er een huis op doen bouwen, zoo sterk, dat ik Carel
en zijn magen geen stroohalm meer te vreezen had."
Ywein andwoordde: "Gaf ik u de rots, koene strijder! dan zoudt gij er
mijn gantsche land en al de steden van Gascongiën meê overheerschen."
--"Ik zoû 't niet doen, Heer! in waarheid niet! Ik geef er u mijn trouw
op: zoo waarlijk helpe mij Onze Vrouwe! Daar woont geen zoo hooge man in
dit land, of, misdoet hij u, hij zal mij ten vijand hebben, en hij zal
met zijn knechten geene nacht meer rustig slapen, noch 's morgens veilig
opstaan, noch eten, noch drinken. Mijn leven lang zal ik met mijn
broeders u dienen, of gij mijn vader waart. Reeds acht ik mij uw
zone--zoo zeer min ik uwe blonde dochter Clarisse, de schoonste
Jonkvrouwe van Christenrijk!"
Ywein sprak haastig, "hij zoû zich beraden," en riep zijne Heeren weder
bij-een. Des gevraagd zijnde, andwoordde Ysoreit uit aller naam: "Bij
mijn geloof, Heere! gij moet Reinout, den krijgsman, de vaste rotse
geven, en tevens uwe dochter Clarisse. Zoo zal men u eerlang wijd en
zijd over de grenzen ontzien, en gij zult u eere verwerven."
Ywein gaf toe: 'God helpe mij, dat ik aan Reinout mijne dochter geve, en
ik schenke hem de rots aan de Gironde!' Reinout werd door Ywein
geroepen.
"Edel Grave Reinout! wilt gij mij hou en trouw zijn, en al uw broederen
mede, zoo schenk ik u plechtig de rots aan de Gironde en de schoone
Clarisse, mijn blonde dochter, ter vrouwe. Bovendien geef ik u de helft
van mijn goed, dat gij u naar hartelust een sterk huis doet maken,
opdat, kwame Carel, de wijdvermaarde, daar vóór met heel zijn heir, hij
u in honderd jaren het minste leed niet doen konde!"
--"Dat loone u God, Heer!" zeide Reinout: "uwe dochter, de schoone,
roemwaardige Jonkvrouw, neem ik met blijdschap; en de rots neem ik er
bij."
Zoo gaf Ywein de Koning Reinoude in waarheid zijn dochter ter vrouwe.
Wat baatte 't of ik breed ophaalde van de bruiloft, die daar gehouden
werd! 't Ware tijdverlies. Daar was vermaak en blijdschap; 't was, met
éen woord, een groote, goede bruiloft.
Toen deed Reinout al de timmerlieden en metselaars uit het gantsche
land, al die goud wilden winnen, bij-een-komen, en een aanvang maken met
zijn kasteel op de rots aan de Gironde. Die den roep vernamen, en als
goede meesters aangenomen werden, kwamen op de rots, en begonnen
aanstonds het huis te vesten.
Ik lees, dat Reinout wel 1000 timmerliên en 700 metselaars bij-een-had.
Nu moesten de sterkten worden aangebracht: vaste muren; hooge tinnen;
twee paar muren gingen er om rond.
Nu riep Reinout door het landschap velen op om tot de rots te komen: hij
zoû ze verblijf geven en onderhouden hun leven lang. En de geroepenen,
vrouwen en mannen, kwamen naar de rots: zoo dat Reinout spoedig 1500
personen vergaderde, die allen eenigen arbeid verstonden. Deze kweekten
wijngaarden; geen werkten in akker, bosch of boomgaard; andere wonnen
koren en vele veldvruchten: spoedig was daar een uitermate schoone stede
gesticht.
En Reinout noodigde thands zijn schoonvader den Koning om bij hem te
komen; en toen Ywein op de rots kwam en alles gezien had, zeide hij:
"Reinout! voorwaar gij hebt een schoon huis gemaakt, en een sterk
kasteel. Welken naam gaaft gij 'et?"
--"'t Staat op een rotse van wit marmer," zeide Reinout, "daarvan is 't
Montalbaen [of Blankensteen] genoemd."
--"Blankensteen moge het heeten," zeide Ywein, "en geen vlek er op
kleven! Gij geeft het een goeden en gerechten naam."
[1] _vervegen_: op zwaardvegerswijze herstellen.
[2] _ontwond_: ontdeed van het zegelkoord.
[3] _Averne_: Auvergne.
[4] _huismeyer_: hofmeester.
[5] _geen kaf_: zooveel als niets.
[6] _Gironde_: mond van Dordogne en Garonne.
[7] _Zuidzee_: Middellandsche Zee.