HET NEGENDE CAPITTEL.

Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in

Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning

Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,

om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's

Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.

Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids

de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel

te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar

gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder

waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,

"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."

Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op

dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,

en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat

hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des

Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels

zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer

bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen

blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want

zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij

spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.

De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij

dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood

wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,

de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze

doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier

met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van

noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren

werwaards zij hunnen weg zouden nemen.

Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning

Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen

schreiden om hun wechreizen.

Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij

den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning

verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag

komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem

waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te

blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen

ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel

dat men de valbrug nederliete.

De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.

Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en

hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn

broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy

gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,

Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God

Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn

kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen

Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen

zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en

zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar

uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij

bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik

hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij

blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden

van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,

dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't

kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.

Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,

en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,

vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht

noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,

dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en

dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf

men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en

zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem

het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig

aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en

wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf

gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het

zoude onder onze handen koper worden."

Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,

dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal

hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."

De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en

als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,

mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven

hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:

"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze

noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve

vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal

doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte

de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de

Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem

met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem

daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en

liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.

Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy

dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout

hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,

Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze

have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet

meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en

hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche

ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart

dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet

mij in 'et vuur."

Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:

"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal

en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét

mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels

slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij

ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn

hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."

--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat

beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere

daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en

Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.

Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert

vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.

"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints

wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel

hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een

spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer

het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze

nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die

slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders

niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem

stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet

kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u

kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen

daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,

dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog

berouwen!"

De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik

zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave

u kleederen noch schat."

Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om

dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen

hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet

een mijte!"

--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die

woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe

trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en

zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....--

"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons

inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en

gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het

binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof

groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat

geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar

Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn

gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en

'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote

felheid.

Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout

te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met

machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en

Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den

buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij

Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros

verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders

wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,

zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat

zij veel volks versloegen.

Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te

dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af

sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij

Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in

stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om

zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en

hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert

sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd

was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren

moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus

reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij

stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde

hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.

"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn

bedwang--nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te

sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan

niet zijn!"

Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo

lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden

vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de

goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en

konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren

zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van

overbleef.

"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak

Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"

zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."

--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker

verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van

Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,

daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste

van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"

ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en

er een goed verblijf vinden."

"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.

"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.

Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat

zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.

In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert

zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat

Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij

dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en

die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"

--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en

elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;

legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij

elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij

namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.

Zij spoedden zich onverpoosd voort.

Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de

wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden

zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de

Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide

hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend

nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij

God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"

Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar

de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien

en het Ros met de schoone gestalte.

Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de

Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem

te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd

voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem

neder.

"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en

dag, en u uit ál ons vermogen helpen."

Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten

mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!"

sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u

gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader,"

zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,

de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere

Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel

ridder. Nu kent gij onze namen."

[1] _have_: goed.

Karolingsche Verhalen · 第 21 / 45 题