Hoe Haymijns Kinderen tot Piërlepont en van daar in
Spanje kwamen, daar zij geroepen werden bij den Koning
Saforet die Heidensch was; en hoe hem Reinout strafte,
om dat hij hem zijnen schat onthield, en valt op 's
Konings Volk, die hun Koning wreken wilden.
Als Reinout met zijn broeders des Konings heir ontkomen waren, overmids
de snelheid Van Beyaert, reden zij met haaste, tot dat zij in 't kasteel
te Piërlepont kwamen. En als zij afstegen, vraagden de genen die daar
gebleven waren, 'hoe 't vergaan was met hen? en waar hun vader en moeder
waren?' Zij zeiden zij wisten niet of hun vader dood of gevangen was,
"want toen wij van hem scheidden, stond hij te voet en vocht."
Toen zij dat hoorden, die in de zale waren, bedreven zij groote rouw. Op
dat oogenblik kwam daar een Jonkvrouwe binnen, die zeer behaaglijk was,
en was een broedersdochter van Haymijn; deze vraagde den Heeren 'wat
hun te Hove overkomen was?' Reinout andwoordde somber: ''t was des
Duivels bestel, dat ze derwaart gingen,' "want wij hebben Koning Carels
zoon Lodewijk verslagen." Als de Jonkvrouw dit hoorde, was zij zeer
bedroefd, en treurde steeds inniger, dat haar neven zouden gebannen
blijven uit den lande. Ook om haren oom Haymijn had zij veel leeds, want
zij en dachte hem nimmermeer te zien, en bad onze Lieve Vrouwe, dat hij
spoedig t'huis keeren mocht en verdingen tegen Koning Carel.
De Heeren gingen ten disch en als de maaltijd gedaan was, begeerden zij
dat men hen voorzag van het gene dat zij behoeven zouden. Voor de nood
wilden zij een schat van goud en juweelen medenemen; en de Jonkvrouwe,
de meening van de Heeren verstaan hebbende, gebood den Dienaren, dat ze
doen zouden wat Haymijns Kinderen begeerden. Zij laadden een lastdier
met goud en juweelen, en maakten een pak, daar zij in deden wat van
noode wezen zoû: en als dat gereed was, berieden zich de Heeren
werwaards zij hunnen weg zouden nemen.
Toen kwamen zij over-een, dat zij trekken zouden in Spangiën tot Koning
Saforet; en namen oorlof aan allen, die op het slot waren. En allen
schreiden om hun wechreizen.
Haymijns kinderen reden dan, tot dat zij in Spangiën kwamen, daar zij
den Koning vonden, die hun bekend was; want hun vader had bij den Koning
verblijf gehouden zeven jaren. Toen de Koning deze Vier broeders zag
komen, kende hij ze aan hun wapenteekens, en zeide tot die bij hem
waren: "Die daar komen zijn Haymijns Kinderen: begeeren ze bij mij te
blijven, ik zal ze houden; hebben ze den aard van hun vader, zoo zullen
ze mijn vijanden spoedig verdreven hebben." Toen gaf de Koning bevel
dat men de valbrug nederliete.
De Ridders stegen dan van hunne paerden en gingen den Koning te gemoet.
Zij groetten den Koning met zoete woorden, en de Koning hun weder; en
hij vraagde hun 'wat zij begeerden.' Toen zeide Reinout: "Ik en mijn
broeders zouden u gaerne dienen, en verblijf hebben bij u."--"Wildy
gelooven aan onze leer en onze goden?" vroeg de Koning. "Dede ik dat,
Heer Koning," zeide Reinout, "zoo ware ik een dwaas. Ik geloove in God
Almachtig, die Hemel en aarde gemaakt heeft, en ons verloste met zijn
kostelijk bloed aan het hout des Cruices. Ik houde de Christen
Godsdienst; maar wil u gaerne dienen in den oorlog om soldije." Toen
zeide de Koning: "Bij Mahomet, koene Ridders, ik gunne 't u wel: ik en
zal u niets laten gebreken. Op het kasteel dat ginder staat, neemt daar
uw intrek; dat kasteel geef ik u in leen. Breng mij den schat, dien gij
bij u hebt; ik zal hem bewaren tot uwen beste; zoo 't u gelieft zal ik
hem u wedergeven, als gij van mij scheiden wilt. En wildy bij mij
blijven zoo lang ik leve, zoo vindy hier herberg." Reinout, deze woorden
van den Koning hoorende, was blijde. Zij gaven den Koning hunnen schat,
dat hij dien bewaren zoude; Reinout met zijn broeders reden op 't
kasteel, 'twelk sterk en schoon was; en vonden daar al dat ze behoefden.
Zoo waren zij met den Koning van Spangiën, genaamd Saforet, drie jaar,
en dienden hem in alle oorlogen. Inmiddels, dat zij den Koning dienden,
vergingen hun kleederen, zoo dat ze gebrek hadden, en niet meer geacht
noch geëerd en werden van des Konings volk. Nu bad Reinout den Koning,
dat men hem zijn goed gave. De Koning zeide, dat hij 't doen zoude, en
dat Reinout daarvoor terug had te komen; maar toen hij te-rug-kwam, gaf
men hem niet. Reinout, ziende dat hij misleid werd, ontstak in toorn en
zeide: "Ik beloof het voor God! geeft hij onze schat niet, ik zal hem
het zelfde doen, dat ik Lodewijk dede!" Adelaert zag Reinout onrustig
aan: "Broeder," zeide hij zacht, "sloegdy dezen Koning dood, zoo en
wisten wij niet, waar ons te onthouden."--"Wat is ons aan dit verblijf
gelegen!" zeide Reinout? "wij zijn ongelukkigen: hadden wij goud, het
zoude onder onze handen koper worden."
Reinout riep echter zijn knape en zeide: "Ga tot den Koning, en zeg hem,
dat hij ons kleede, of onzen schat geve: en doet hij het niet--het zal
hem te laat berouwen; versta de woorden wel, die de Koning zal zeggen."
De knape was geheeten Wendelijn, en dede dat hem zijn meester beval; en
als hij voor den Koning kwam, groette hij hem, en zeide: "Heer Koning,
mijn Heeren doen u bidden, dat gij ze beter kleeden wilt, ofte geven
hunne schat." De Koning hoorde den knape met ongeduld aan, en zeide:
"Zeg uw Heeren--inkomelingen en tafelschuimers als ze zijn!--dat ik ze
noode dulde.... zij doen als valsche Ridders en hebben hun neve
vermoord.... zoo zij méér geruchts maken dan mij lief is, dat ik ze zal
doen hangen!" Toen zeide de knape: "Heer, dat ware onrecht!" Toen wenkte
de Koning zijnen Drossaart, dat hij den knape zoude slaan. En de
Drossaart sloeg den knape, dat hem neus en lippen bloedden, schopte hem
met den voet, dat hij op de brandende haardstede viel, en sleurde hem
daarover voort, zoo dat de knape zeer mishandeld en mismaakt was, en
liep wech als hij best mocht, en kwam al bloedende tot zijn Heeren.
Reinout, zijn knaap in dien toestand ziende, vroeg ontzet: "Wie heeft dy
dus geslagen?" De knape zeide: "De Drossaart van den Koning." Reinout
hernam: "Waarom sloeg hij dy?" De knape zeide: "Ik en wete 't niet,
Heer!"--"Zeg het, knape," sprak Reinout, "sloeg hij dy om dat du onze
have[1] eischtet?"--"Ja hij, Heer! De Koning zeide, hij en gaf u niet
meer een penning."--"Zeide hij dat?" riep Reinout.--"Ja hij, Heere! en
hij zeide gij waart inkomelingen en tafelschuimers, en dedet als valsche
ridders, want gij had uwen neve vermoord; en hij wenkte zijnen Drossaart
dat hij mij zoude slaan, en sloeg mij voor mijne neus en mond, en stiet
mij in 'et vuur."
Reinout gloeide van gramschap en riep zijn broeder Ritsaert, en zeide:
"Ik beveel u en Writsaert--Beyaert aan; dat gij 't leidet uit den stal
en optuiget. Wapent moede heimelijk u-zelven en Adelaert, gij moet mét
mij: wij zullen onze zwaerden nemen, en over onze wapenen onze mantels
slaan. Wij gaan tot den Koning: ik zeg u in waarheid, ontzeit hij mij
ons goed, ik zal hem 'et zelve doen, dat ik Lodewijk dede: en nemen zijn
hoofd voor onzen schat, en voeren 'et mede, door en uit den lande."
--"Dat waar kwaad pand voor onzen schat," zeide Adelaert, "ik nam wat
beters!"--"Maar koel ik dan mijn moed en wreek ik mijn gekrenkte eere
daar niet mede!" riep Reinout. Zij gingen ten Hove; Ritsaert en
Writsaert maakten Beyaert gereed, en wapenden zich.
Na de etensstonde verscheen Reinout voor den Koning. Reinout en Adelaert
vielen op hun kniën, en groetten hem. De Koning zag ze aan, maar zweeg.
"Heer Koning!" zeide Reinout op fieren toon, "'t is wel drie jaar sints
wij u trouwelijk dienen, en in den krijg het leven voor u op 'et spel
hebben gezet: menig hebben wij verslagen, en gij schonkt ons nooit een
spoor aan onze voeten; al had ik goud in mijne hand, het werd koper eer
het daaruit kwam. Wij smeeken u dan, Heer Koning, voorziet in onze
nooddruft!" en hij toonde zijn bloedige armen en zijn kleederen, die
slecht waren. De Koning boog wrevelig het hoofd, en wilde op de Ridders
niet afzien. Reinout liepen, intusschen tranen van de wangen; de stem
stikte hem schier in de keel; hij zeide: "Heer Koning, wilt gij ons niet
kleeden--geeft onzen schat, dien wij u gaven toen wij 't eerst bij u
kwamen; wij zullen gaerne oorlof hebben, en ruimen uw land, en varen
daar 't God belieft. Ik zeg u, Heer Koning, ik en ben niet wel te vrede,
dat mijn knecht zoo geslagen is; die gene die hem sloeg, zal 't nog
berouwen!"
De Koning knarstandde en zeide: "Gij maakt uw klagen zeer groot: ik
zegge u, bij Mahomet! al stond gij hier tot in de eeuwigheid, ik en gave
u kleederen noch schat."
Toen schimpte daar de Markgrave: "Waarom zoude men uw schat geven, om
dat gij inkomelingen zijt? Het is onlangs, dat gij u schendig vergrepen
hebt. Gij sloegt uw ooms zone dood!--Maakt u des wech--men geeft u niet
een mijte!"
--"Wat!" zeide Reinout, "gij zult! of de Duivel zij uw richter!" Met die
woorden toog hij zijn zwaerd, en zeide: "Gij zult alle uwe
trouweloosheid duur bekoopen!" De Koning, die ziende, riep genade en
zeide: "Ik zal u kleederen en schat geven t' uwen wille!....--
"Neen!" sprak Reinout, "gij ontzeidet mij, toen ik u bad; heet ons
inkomelingen: ik zal 't u vergelden!" Reinout sloeg hem 'et hoofd af en
gaf 'et zijn broeder Adelaert, en zeide: "Aan ons paerd zullen wij het
binden, en namen 'et te pande voor onzen schat." Toen was er in 't Hof
groot gedruisch. De stad heet Aquitaniën: men sloeg de klok; al wat
geweer had wapende zich, om de dood van hunnen Koning te wreken. Maar
Reinout en zijn broeders hebben zich door de menigte geslagen, en zijn
gekomen bij Beyaert. En de Vier gebroeders zijn gezeten op Beyaert, en
'et heir hebben zij van verre gezien, dat op hem aankwam met groote
felheid.
Reyant, 's Konings broeder, had 'et beleid van het heir, en zag Reinout
te paerd gezeten--en Reynout hem. Reyant bad zijn volk, dat zij hem met
machte volgden, want 'et heir was groot. Reyant reed op Reinout aan, en
Reinout vierde Beyaert den toom, en stak Reyant door den schilde in den
buik, dat hij dood ter aarde viel en het ros in-éen-zakte. Nog liet hij
Beyaert loopen en zeide: "Beyaert, wil mij heden helpen!" Het Ros
verstond de woorden zijns meesters. Daar wrochten de Vier Ridders
wonderen met den zwaerde en bij hulpe van Beyaert. Het heir was groot,
zoo dat de Vier Haymijnskinderen tegelijk bevochten werden, hoewel dat
zij veel volks versloegen.
Op eens kwam daar een sterke Heiden aanrijden, en meende Reinout te
dooden, want hij sloeg Reinout op het gulden schild dat er een stuk af
sprong; wat zeer geprezen werd van die het zagen. Maar toen hij voorbij
Adelaert rijden zoû, verhief deze zijn zwaerd en sloeg hem 'et hoofd in
stukken, dat hij dood ter aarde viel. De Ridders sloegen vreeslijk om
zich rond, maar telkens kwamen hun nieuwe vijanden op de handen--en
hadde 't Beyaert niet gedaan, zij zouden gebléven zijn: maar Beyaert
sloeg en beet doodlijk op de manschap in: zoo dat 'et Ros zeer gevreesd
was. Dus vochten zij zoo lange, dat zij de scharen doorbraken. Zij waren
moê en met bloede overdekt, en Beyaert te meniger stede gewond. Dus
reden zij zoo verre, dat zij buiten vreeze waren van den heire. Zij
stegen af en wilden elkanders wonden verbinden. Maar inmiddels vervolgde
hen 'et heir en waren hen al spoedig nabij.
"Was ik een raad schuldig," zeide Adelaert, "en hadde 't Ros in mijn
bedwang--nu zoû ik liever den nood ontvlieden dan dûs te
sneven."--"Broeder!" sprak Reinout, de onvertsaagde, terstond: "dat kan
niet zijn!"
Daarop renden zij weêr met Beyaert op de scharen in, en vochten zoo
lang, dat men een mijl in dien tijd hadde afgelegd. Zóo vele dooden
vielen, dat men den heire den moed ontzinken zag. De sterke Ridders (de
goede!) braken nogmaals stoutmoedig door de omringende vijanden heen, en
konden nu rijden werwaards hun goeddacht. Hun helmen en schilden waren
zoodanig doorhouwen en vernield, dat er hun het derde deel niet van
overbleef.
"Nu weet ik niet, waar wij om een veilig verblijf hebben te gaan!" sprak
Adelaert. "Ik even min," zeide Reinout. "Dit weet ik uitermate goed,"
zeide Writsaert, "dat, bij mijn trouw! de waereld ons te klein is."
--"Broeder Reinout," zeide Ritsaert: "ik weet nog een goed en zeker
verblijf."--"Waar is 'et?" vroeg de stoute Ridder.--"Bij Ywein van
Dordone. Saforet, de felle krijger, was steeds zijn grootste vijand,
daar hij Yweins vader en beide zijn broeders doodsloeg, en in het beste
van Yweins land drie kasteelen met krijgsvolk bezet heeft. Zoo dan,"
ging Ritsaert voort, "zullen wij als koene Ridders hem welkom zijn, en
er een goed verblijf vinden."
"Zoo trekken wij derwaards!" zeide Reinout.
"Zoo laten wij gaan!" sprak Ritsaert.
Zij maakten zich op, en leîden binnen drie dagen zoo veel weegs af, dat
zij Iweins burcht in het oog kregen, die rijk en goed was.
In het kasteel van Vaucloen aan de Dordone woonde Koning Ywein. Ritsaert
zag de burcht het eerst, en riep: "Nu ben ik zonder zorge: ginds staat
Yweins slot."--"Welk is 'et?" zeide Reinout. --"Naast aan de rotsen; bij
dat woud: dat hooge kasteel--daarginds --met dien breeden ringmuur en
die wijde grachten: daarheen, daarheen gereden!"
--"Laat ons hier wat rusten," zei Adelaert; "want we zijn moê; en
elkanders wonden verbinden." Met-een stegen zij af, de goede Ridders;
legden de hoofden op hunne schilden en sliepen tot der ure, dat zij
elkanders wonden verbinden mochten. Velerlei was toen hun gesprek; zij
namen eenig voedsel, en reden toen met snelheid verder.
Zij spoedden zich onverpoosd voort.
Zij namen 'et hoofd van Saforet, staken het op een lans, boven de
wapprende banier, en Reinout bond er des Konings kroone bij. Zoo reden
zij tot voor Koning Yweins burcht. Ywein stond op de tinne, en werd de
Ridders gewaar. "Ik zie iets vreemds en wonderlijks daarbuiten," zeide
hij: "Vier Ridders, rank en kloek van leden, rijden daar gewapend
nader, en zitten op éen zelfde ros. Zij schijnen van edele leefwijs. Bij
God mijn Schepper! hoe groot en sterk is het ros!"
Toen liepen Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, die op het huis waren, naar
de plaatse, waar de vreemde ruiters aan kwamen rijden --om hen te zien
en het Ros met de schoone gestalte.
Ywein, de Koning, trok derwaarts in het dal, en was verheugd, dat hij de
Ridders ten zijnent zag komen. Zij stegen voor den Koning af, gingen hem
te gemoet en groetten hem met vollen eerbied. Zij leiden hem het hoofd
voor, met de daarop gebonden kroone, en knielden oodmoedig voor hem
neder.
"Machtige Koning!" zeiden zij, "wij willen u trouwelijk dienen, nacht en
dag, en u uit ál ons vermogen helpen."
Toen zeide Ywein, de moedige Koning: "Gij zijt mij zeer wellekom ten
mijnent! Ik geve u verblijf, en brood en wijn."--"Dat loone u God!"
sprak Reinout: "ik wil uwe bevelen steeds gehoorzamen." --"Zoo 't u
gelieft," zeide Ywein, "wiste ik gaerne uwen name."--"Al-te-gader,"
zeide Reinout, "zullen wij onze namen u zeggen. Onze vader is Haymijn,
de roemrijke krijgsman; mijn oudste broeder heet Ritsaert, de andere
Adelaert, Writsaert heet de derde; en mij noemt men Reinout, een snel
ridder. Nu kent gij onze namen."
[1] _have_: goed.