Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed
in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen
werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe
Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze
Koning Carel gevangen zoû leveren.
Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe
Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen
Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,
en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet
en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.
Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en
als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et
hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich
Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen
een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij
verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.
Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in
der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.
Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij
Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.
Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém
eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep
Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd
bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning
Carels aangezicht sprong.
En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne
oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en
riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!
die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het
geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich
haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis
en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en
reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van
wapenen, op een schoone vlakte.
Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij
Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het
vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal
niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te
vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij
overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant
vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"
Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en
blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem
verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en
blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en
hun vijand klein achtten.
Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast
den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak
den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den
paerde viel.
Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den
zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde
Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en
menigen vijand onder den voet reed.
Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in
het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag
niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat
hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op
hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen
moest.
Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze
nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet
vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus
doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht
dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir
volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet
waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels
en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo
snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't
hem zeer leed.
Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er
veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien
sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!
geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,
met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop
tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:
"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de
Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan
was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel
zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen
verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen
had'.
Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem
terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat
waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit
geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:
"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy
hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo
groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning
Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;
't koste dat 't mag."
Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij
Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het
voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide
Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat
men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle
om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden
verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb
hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat
ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u
misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad
zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en
moeder wijten?"
--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem
kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat
zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het
hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen
den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk
hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en
liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den
Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen
van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.
[1] _vromigheid: prouesse_.