HET ACHTSTE CAPITTEL.

Hoe Reinout--Lodewijk het hoofd afsloeg, dat het bloed

in Carels aangezicht sprong; en hoe Haymijn gevangen

werd, en Koning Carel hem wilde doen hangen; en hoe

Haymijn zijn Kinders afzweert, en belooft, dat hij ze

Koning Carel gevangen zoû leveren.

Reinout en Adelaert gingen samen tot hunnen vader, en klaagden hem, hoe

Adelaert met Lodewijk gevaren was--van 't begin tot het einde. Toen

Haymijn dat hoorde, werd hij als verwoed, en beval dat elk zich wapende,

en men de paerden heimelijk uit der stad leidde; dat men 't in Hof niet

en vername. En Haymijn toog haastelijk met al zijn volk uit der stad.

Reinout heette Adelaert Beyaert te zadelen en naar buiten te leiden, en

als alles' gereed was, zeide Reinout: "'t Koste wat 'et wil--ik zal 'et

hoofd van Lodewijk, den Koning, hebben." Met deze woorden wapenden zich

Reinout en Adelaert, en togen hunne kleederen over het harnas en sloegen

een mantel om, en hielden in de hand een bloot zwaerd, dat zij

verborgen. Aldus gingen zij ten Hove.

Inmiddels waren Edelen en dienaren meest gekomen uit den boomgaard in

der zale, en Lodewijk stond voor zijn zetel, en gaf elk zijn leen.

Toen kwamen Reinout en Adelaert in de zale; en Koning Carel stond bij

Lodewijk; en ieder schikte zich, om Haymijns kinderen door te laten.

Toen Reinout en Adelaert bij Koning Carel kwamen, groetten ze hém

eerbiedig en minnelijk, en Lodewijk niet. En terstond greep

Reinout--Koning Lodewijk bij den hoofde en sloeg et af, en nam het hoofd

bij de hairen en wierp 'et tegen den muur, dat 'et bloed in Koning

Carels aangezicht sprong.

En zoodra de Koning den schrik van zijn zone zoo deerlijk voor zijne

oogen vermoord te zien, te boven was gekomen, sprong hij voorwaards en

riep in eenen strijd van droefheid en woede: "Op, gij, Edele Baroenen!

die mij nu lief hebt, helpt mij wreken de dood van mijn zone!" En het

geheele Hof was in roere, en alle de Baroenen en Ridders wapenden zich

haastelijk, velen waren Reinout nagevlogen, die het in de ontsteltenis

en verwarring ontkomen was. En met Adelaert ruimde hij de stad, en

reden naar hun vader, daar hij lag met 800 mannen wel voorzien van

wapenen, op een schoone vlakte.

Daar riepen zij met luide stemmen: "Vader, laat ons vliên!"--"Geef mij

Beyaert," zeide Reinout: "want ik heb Lodewijk 'et hoofd afgeslagen; het

vlieden is ons geen schande--want Carel is onze Koning!"--"Dat en zal

niet gebeuren!" riep Haymijn: "Ardennen en Nerboen en plegen niet te

vlieden of te wijken: Ik zal blijven op 'et veld, en verwachten wat mij

overkomen mag. Ik zal strijden tegen Koning Carel; en is 't dat iemant

vliedt, ik zal hem doen hangen bij de keel!"

Daar was elk strijdens reê; Reinout zat op Beyaert--vertrouwen en

blijdschap straalden uit zijn oog, want hij voelde, dat 'et Ros, hem

verstond en liefhad; zijn broeders zaten op andere schoone paerden, en

blaakten en blonken van moed, als mannen die zich verweeren wilden, en

hun vijand klein achtten.

Aldus reden zij den Koning tegen. En Reinout zag den Koning rijden naast

den gene, die den standaart hield: hij gaf Beyaert de sporen, en stak

den Koning met zulke kracht door schild en halsberg, dat hij van den

paerde viel.

Reinouts broeders reden meê in den hoop en deden wonderen met den

zwaerde; nochtans zouden zij reeds in den aanvang gebleven zijn, hadde

Haymijn hun vader hen niet ontzet, die met zijn volk kwam aandraven en

menigen vijand onder den voet reed.

Koning Carel, hersteld van zijn val, gebood, dat men Haymijns volk in

het heir omsluiten zoude. Als Haymijn dit zag, riep hij: "Hier mag

niemant vliên! elk weere hem vromelijk!" En Haymijn vocht zoo lang, dat

hem al zijn volk afgeslagen was, maar hij en zijn Kinderen zaten nog op

hunne paerden. Haymijns paerd werd doodgestoken, zoo dat hij vallen

moest.

Reinout meende, dat zijn broeders gevangen waren, want hij zag ze

nergens; toen stak hij Beyaert met sporen, en het sloeg en beet

vervaerlijk om zich rond, zoo dat 'et menig man om hals bracht. Aldus

doorbrak Reinout de scharen; hij vindt zijn broeders; de overmacht

dringt hen dérmate dat zij vlieden; de overgeblevenen van Haymijns heir

volgen hen; de rossen der broeders bleven dood, zoodat zij te voet

waren. Reinout beval hen op Beyaert te springen; en zij namen hun zadels

en leiden ze op 'et Ros, en sprongen daar op, en namen de vlucht, zoo

snel dat hen het heir niet volgen mocht. Als dat de Koning zag, was 't

hem zeer leed.

Nog stond Haymijn daar en vocht, en weerde hem vromelijk; daar was er

veel aan 's Konings zijde, die het jammerde en hem noode zoû zien

sterven. Eindelijk riep Bisschop Tulpijn hem toe en zeide: "Haymijn!

geeft u gevangen!" Haymijn sprak: "Dat zij zoo, Heer Bisschop, mids het,

met 's Konings wil, in uw geleide mag wezen." Terstond reed de Bisschop

tot den Koning en zeide: "Wil ik Haymijn vangen?" De Koning antwoordde:

"Indien men hem ving--ik dede hem ter dood brengen." Echter ving de

Bisschop Haymijn, en leidde hem in vaste hoede met zich. Als dit gedaan

was, zat de Koning ten richterstoel, bande Haymijns Kinderen uit heel

zijn Rijk, en zwoer, dat hij Haymijn zoû doen hangen en Vrouw Aye doen

verbranden, 'om dat zij den moordenaar van zijn zone Lodewijk gedragen

had'.

Koning Carel gebood Fouke van Parijs, dat hij Haymijn name en hem

terstond 'et hoofd afsloege. "Heer Koning," zeide Bisschop Tulpijn, "dat

waar groote dorperheid, dat men een gevangene dood zoude slaan: eer dit

geschiedde, ik zoude hem helpen met al mijn macht." Toen zeide Roelant:

"Zoo zoû ik mede!" Toen zeide Fouke: "Heer Koning, het waar euvel, zoudy

hem slaan: want hij is gevangen. Laat hem verdingen: hij heeft heden zoo

groote vromigheid[1] gedaan, dat het wonder waar te zeggen." Maar Koning

Carel andwoordde: "Ik zal hem doen hangen, en Vrouw Aye doen verbarnen;

't koste dat 't mag."

Toen zeide Roelant: "Heer Koning, dat ware groote schande, deed gij

Haymijn hangen en uw zuster barnen." Toen fronste de Koning het

voorhoofd: "Zet ook gij u tegen mij, Roelant?"--"Neen ik," zeide

Roelant: "maar uwe Heeren zouden het, om u-zelfs wil niet gedoogen, dat

men Haymijn ombrachte en uw zuster doodde; zij zouden daar liever alle

om sterven en des noods vechten tegen u." Als Fouke deze woorden

verstond, zeide hij tot den Koning, "hier is Bertram, mijn zone: ik heb

hem zeer lief; of hij iet tegen u misdede, zoude ik dat ontgelden? dat

ware immers schande. Al heeft de Grave Reinout en zijn broeders tegen u

misdaan, gij hebt hun schoone goederen gegeven, die ze levenslang gehad

zouden hebben: laat hun die verbeurd hebben: maar wat wilt gij vader en

moeder wijten?"

--"Wil Haymijn," hernam de Koning, "zijne Kinderen afzweren, ik zal hem

kwijtschelden." En toen ried Tulpijn aan Haymijn en zijner vrouwe, dat

zij 'et doen zouden. En Haymijn zwoer zijner Kinderen dood, bij het

hoofd van St Dionijs: 'Ware 't in zijn macht, hij zoude zijn Kinderen

den Koning geven, om naar zijnen wille met hen te doen.' Daarmede schonk

hem de Koning het leven. Toen riep Carel de twaalf Genoten voor zich, en

liet ze zweeren, 'waar dat zij Haymijns Kinderen vonden, dat zij ze den

Koning brengen zouden'; hetwelk zij alle beloofden. Hier wil ik zwijgen

van Haymijn, en verhalen van zijn Kinderen.

[1] _vromigheid: prouesse_.

Karolingsche Verhalen · 第 20 / 45 题