Hoe dat de Grave Haymijn met deze Kinderen ten Hove
kwam, en ontvangen werd van Koning Carel, en hoe
Lodewijk, Koning Carels Zone, gekroond was Koning van
Vrankrijk, en heette zijnen Drossaart[1] en Kok, dat men
Haymijns Kinders niet te eten en gave, en hoe hij alle
zijn Heeren begifte, zonder Haymijns Kinderen; dien gaf
hij niet.
De Grave Haymijn met zijn Kinderen bereidden zich om ten Hove te varen,
en wapenden hen of zij zouden ten strijde gaan, en voorzagen zich van al
wat van noode was; menig mensche verwonderde hem, dat Heyman en zijn
Kinderen met zijn volk zoo gewapend gingen, want man-en-paerden waren
voorzien van eene volledige uitrusting.
Daar reed mede de Graaf Roelant, Willem, Bernaert en Bertram, en reden
ten Hove. Zij reden zoo lange, dat zij tot Senlis kwamen, en van daar
kwamen zij te Parijs[2].
Reinout en zijn broeders zaten op Beyaert, de aarde beefde, en 't vuur
sprong uit de steenen, daar Reinout en zijn broeders over reden; en zij
hadden banieren ontwonden, en droegen ze cierlijk ten toon. Aldus
genaakten zij ten Hove.
Toen Koning Carel vernam, dat Haymijn Parijs naderde, en dat zijn volk
gewapend was, zoo zond hij hem een bode, die zeide: 'dat hem Koning
Carel bade, dat hij zich met zijn volk ontwapende'; hetwelk Haymijn
alzoo gedaan heeft.
Koning Carel bereidde zich met zijn volk om Haymijn te gemoet te
trekken, en vriendelijk te ontvangen. Dit wekte Lodewijks misnoegen, en
hij zeide tot zijnen vader: "Zult gij nu tegentrekken den gene, die u
haat en die u doodvijand is?"--"Zwijgt zone!" zeide Koning Carel; "ik
wil dat men dien twist gezoend beschouwe. Bereidt u zonder toeven; gij
moet medevaren, en zien uwe neven, en groeten ze minnelijk."
Koning Carel bad alle zijne Edele Baroenen, Vrouwen en Jonkvrouwen, dat
ze met hem togen tot Haymijn, om hem eervol te ontvangen. Zij
andwoordden den Koning, dat zij 't gaerne deden. Dus gingen zij, met den
Koning, Haymijn te gemoet, heerlijk opgezeten en in prachtigen dos, en
zoo cierlijk als ieder konde, beide van Heeren en Vrouwen.
Toen Haymijn bij Koning Carel kwam, zoo ontving hem de Koning
blijdelijk, en heette hem welkom met zijn Kinders en al zijn volk. Des
dankte Haymijn den Koning met zoete woorden; maar Lodewijk sprak noch
Haymijn noch zijnen Kinderen toe; hij zweeg stille. Dit was het eerste
in dertig jaren, dat de Koning--Haymijn ongewapend had gezien. Roelant
bad den Koning, dat hij Haymijn naar zijn staat ontvinge, en hij bad
Lodewijk mede; waar Lodewijk trotschelijk op andwoordde: 'hij en had met
Haymijn en zijn Kinderen niets gemeens.'
En de Baroenen en Jonkvrouwen zeiden tot melkander, 'dit is de Ridder
Reinout, Haymans zone; het is een der mannelijkste en schoonste
jongelingen die in Christenrijk zijn.' En dit hoorde Lodewijk en het
verstoorde hem zeer; want hij placht de schoonste te wezen. Maar naast
hem, was Reinout eenen voet langer, had moediger opslag, was schooner
van huid, en zat op het beste Ros, dat in de waereld was.
Hoort, hoe dwaselijk dat Lodewijk sprak: "Waar," zeide hij, "hoorde men
ooit, dat Haymijn kinderen had? van waar zijn zij gekomen? heeft hij ze
gehuurd? Ik zal beproeven, in korten tijd of Reinout mijn neve is of
niet."
Lodewijk reed nu tot Reinout en groette hem, zeggende: "Neve! God groete
u goeden dag!" Reinout zeide: "Neve, des moet u God loonen!" En als zij
malkanderen gegroet hadden, zeide Lodewijk tot Reinout: "Neve, geeft mij
dit Ros, daar gij op zit; ik zal u danken."--"Voorwaar!" zeide Reinout:
"zoude ik dit Ros aan iemand geven, ik gave 't û. Gaerne wil ik u dienen
met mijn lijf--maar dit paerd en verlaat mij niet meer! 't Is mij zuur
genoeg gevallen eer ik 'et beheerschte, en nog en mag hij geen ander
Ridder dan mij en mijne broeders dragen." Als Lodewijk dit hoorde was
hij toornig, en zeide: "Hij is van grooten geslachte; hij is gewoon
landen in leen en te gifte te ontvangen ... maar ik zegge uw" vervolgde
hij overluid, "als ik zitte in mijn Majesteit, en gekroond zal zijn, en
ik élk begiftigen zal--zoo zal ik u niet geven!"
Reinout wendde smadend het hoofd af: "Geef uw giften, dien 't u lust; ik
heb ze niet van doen: mijn vader heeft goed genoeg!"
Na dit gesprek gingen zij in een lustigen boomgaard, waar Koning Carel
zich met spel en zang placht te vermaken. Daar was alles wat tot
uitspanning dienen kon: men schaakte, men schermde; men speelde met
kegels, met werpschijven, en dobbelsteenen; daar zaten Vrouwen en
Jonkvrouwen onder het geboomte, met wie de Ridderen in minnelijk
onderhoud waren; elk verloor den tijd eer hij 'et wist.
Als het maaltijd was, en men zoude gaan eten, beval Lodewijk, dat men
Haymijns kinderen geen eten voorzettede. Deze woorden hoorde menig
Edelman. Men gaf water tot handwasschinge, zoo als betaamde. Toen werd
de Paus en Patriarch, daarna de Koning en Koninginne, elk na zijner
waerde ter tafel gesteld; Haymijns kinderen zett'e men in een hoek, daar
de honden meest liggen--zoodat ze hun dikwijls hinderlijk waren. Een
ieder werd gediend van spijs en drank--maar Haymijns kinderen gaf men
niet.
Zij zagen malkander aan, inwendig verstoord. Op eens stond Reinout op en
zwoer, 'dat hij eten halen zoude, wien 't lief of leed ware!' en liep
met vlammend oog ter zale uit, in de keuken, en stiet de deur met den
voet dat ze opensprong, en nam zeven schotelen met spijs. De Kok dit
ziende, wilde ze Reinout ontnemen, en zeide: "Laat staan, in Duivels
name!" Reinouts gramschap brak los; hij stiet den Kok met den voet, dat
hij in 't vuur viel. De Kok hield Reinout nochtans bij zijne kleederen,
en wilde hem niet laten gaan. Toen hief Reinout zijn vuist, en sloeg den
Kok daarmede op het hoofd, dat hij duizelend ter aarde viel. Reinout
liep met de spijze daar zijn broeders zaten, en zeide: "Broeders! hier
is genoeg van alles."
Toen kwam er klachte voor den Koning, dat zijn Kok doodgeslagen was; hij
vraagde, 'wie 't gedaan hadde?' Zij zeiden 'Haymijns zone, Reinout.'
Toen zeide Koning Carel: "Dat hij den Kok dood sloeg, is geen wonder;
daar die zelve wel zag, dat zij niet te eten en hadden. Waarom hun niets
gebracht? hier eet zoo menig man! God bezware de ziel van den Kok: maar
sints hij daartegen was, dat Reinout de spijze nam, heeft hij zijn
rechte loon. Deze jongelingen zijn mijn magen: ik en wil ze niet
verdrijven, en trekken vreemde lieden hun voor. 't Komt mij op een kok
niet aan; wil ik er éen, mij komen er tien. Wat er meê misdaan zij--het
blijve zoo!" Als zij, die over Reinout klaagden, dit hoorden van den
Koning, zwegen zij en gingen heen.
Toen kwam de Bakker, en gaf Reinout van alles genoeg. Toen kwam de
Wijnschenker, en zeide tot Reinout: "Heer, wilt gij van den wijn, ik zal
hem u geven!" aldus diende men Haymijns Kinderen met eere; maar het
stoorde Lodewijk zeer. Hierop kwam de Drossaart binnen, die stond over
de gerechten, glimlachte en zeide tot Reinout: "Jonkman, gij hebt
misdaan, bestond de Kok mij in den bloede of in vriendschap--ik zegge u
voorwaar, ik zoude hem wreeken; het zoude u kwalijk bekomen." Reinout
zag neer op den Drossaart en zeide: "Gij zijt zwak: gij dreigt zonder
misdoen; sloegt gij mij--uw doodsuur lag daaraan."
Toen werd de Drossaart gram, en zeide: "Dat worde beproefd, al zijt gij
nog zoo stout!" En hij greep een stok en sloeg naar Reinout. Reinout
schoot op, schutt'e den slag op zijn arm, verhief zijn vuist, en sloeg
den Drossaart, dat hij dood ter aarde viel. Toen stiet hij het doode
lichaam met den voet, dat het een stuk weegs in de zaal vloog.
Koning Carel zag dit, van waar hij zat, en zeide: "Ik zie wel, dat hij,
die daar overdaad doet toornig is." Lodewijk sprak: "Heer vader! ik
beroep mij op u; gij zijt Heer van den lande: straft gij dit niet, het
zal u tot oneer zijn." Toen kwamen daar klachten tot den Koning, wijl
het zelfs nu den Drossaart had moeten gelden: nochtans gebood de Koning
weder, dat 'er niemant zoo koen ware, die Reinout misdede: en daar was
niemant, die zich tegen Reinout dorst verzetten.
Men liet komen de dichters en speellieden, om te zingen en te spelen en
allen te verheugen, die daar aan tafel zaten.
Als men zoude gaan slapen, beval Lodewijk zijnen Kamerling, dat men elk
voorzage van bedden; maar Haymijns kinderen niet: "dezen mocht men een
bank wijzen, daar zij op slapen zouden"; en de Kamerling deed alzoo.
Reinout, dit ziende, zeide tot zijn broeders: "Ik zeg u, dat wij hier
nog t' avond de beste bedden zullen hebben." Toen de Heeren en knechten
alle te ruste lagen, naam Reinout in zijn handen een krijgstok van
ijzeren maliën, en sloeg daarmede zoo heftig de gasten die te bedde
waren, dat zij niet wisten hoe spoedig maar wech te komen; zoo dat zij
vielen over malkanderen, het kind over den vader, den vriend over den
vriend, wie 'et eerste naar buiten kon geraken was er 't beste aan
toe--zoodat Reinout welhaast ledig vond dertig bedden, en leidde zijn
broeders op het beste bed, dat hij in den Hove vond.
Zij, die van hun bed verdreven waren, sommigen half gekleed, sommigen
bijna naakt, klaagden den Koning hoe zij gevaren waren en wie 't hun
gedaan hadde, en baden hem dat hij 't straffen zoude. Als de Koning dit
hoorde, zeide hij met wrevel: "Gij doet kwalijk, dat gij alle klaagt
over dien éenen man; ik wijs in deze zaak geen recht." Als zij dit
hoorden trokken zij af, en lagen waar zij konden.
Reinout en zijn broeders sliepen met vrijer herte tot de morgen heerlijk
aanbrak. Toen stonden zij op en kleedden hen; en als zij gekleed waren,
gingen zij tot 's Konings zale, en de Koning kwam hun te gemoet met
menig Edelman, en wilde gaan tot zijn zone Lodewijk.
De Koning was omgeven van dertig Bisschoppen, zes gekroonde Koningen, en
twaalf Hertogen; hij ging tot Lodewijk; en Haymijns kinderen voegden
zich bij hen.
Toen Koning Carel tot Lodewijks slaapkamer kwam, zeide hij: "Zone, staat
op, 't is tijd, want u zal heden groote eere geschieden!" Met-een
richtte zich Lodewijk op, en zeide: "Zijt welkom, Heer vader! en gij
Heeren al-te-gaêr." En Koning Carel zeide tot zijn zoon, met een bleek
gelaat: "Zone! ik zal u nog heden mijn kroone geven, en maken u Heer
over heel Christenrijk." Lodewijk sprak: "Heer vader! het zij ter goeder
tijd!"
De Grave Haymijn hielp Lodewijk kleeden, en Tulpijn, de Aartsbisschop,
insgelijks; daarenboven bediende hem menig edele man, want twee Koningen
regen hem zijne mouwen vast.
Koning Carel droeg Grave Haymijn op, dat hij zijn Kinderen vraagde, of
zij eenig ambt bedienen wilde, elk naar zijn vermogen ofte verlangen,
opdat zij daarvoor dank en eere bewezen den Koning zeer hooglijk. Toen
heette Carel, dat men Reinout maakte Bottelier, en Adelaert--Drossaart,
Ritsaert, dat hij den Koning diende, Witsaert de Bisschoppen.
Als de te kroonen Koning Lodewijk gereed was, leidde men hem in de
kerke, Witsaert ging voor hem, met Adelaert, als Markgraven[3], opdat
hem niemant en mochte genaken; bezijden ging Reinout, die was een voet
langer dan Lodewijk, Ritsaert ging achter hem; aldus leidde men Lodewijk
ter kerke.
Deze Vier Gebroeders droegen een groen zijden hemd, dien men Lodewijk
boven zijn hoofd hield, opdat hem de wind niet en deerde.
Als Lodewijk in de kerke kwam, leidde men hem in 'et choor, dat cierlijk
getooid was; de Koning ging bij hem, en de Heeren gingen alle staan naar
hun waerde. Haymijn stond daar met zijne Kinderen bij Koning Carel.
Men vind beschreven in de Chronijk van Vrankrijk, dat niemant gerechte
Koning van Frankrijk mag worden, of hij moet een echt kind zijn, en men
mag misse zingen over zijn lichaam, en het wijden ter eere Gods.
Ook moet men hebben, tot eene zalige krooninge, balsem, kaerse, en
vuur: want ontbrak dit, men mocht hem geen Koning maken. Lodewijk werd
geleid van Ste Mariaas autaar; Bisschop Tulpijn zong de Misse, en de
Patriarch van Jerusalem diende als Diaken ter misse.
Als 't zoo verre kwam, dat men offeren zoude, offerde Lodewijk een
bezant[4] van goude, ter eere Gods; toen offerde Reinout twee bezanten;
toen dacht Lodewijk in zich-zelven, dat zijn gift te klein was, en
offerde twee bezanten; toen offerde Reinout er drie.
Als dit Haymijn zag, zeide hij tot zijne zone: "Ter goeder tijd werd gij
geboren; ik wenschte dat ik mijn goed verkocht hadde in bezanten, en
hier gebracht, en dat gij ze offeren kost!" Toen zag Lodewijk op den
autaar; daar kwam geen balsem noch kaerse voor hem; toen bad Carel met
vuriger herte, dat zijn zone hebben zoude wat een Koning toebehoort. En
ziet, de schijne van twee Duiven bracht daar balsem, kaers en vuur.
Toen deed men hem groote eer en hulde, en men consacreerde op zijn
lichaam; en als de Misse zoo verre was, dat men 'Pater noster' zong,
bracht men een kostelijke kroone; daar stonden drie robijnen aan, groot
en schoon van stuk, en ontallijke andere steenen.
Nu werd ze hem op 't hoofd gezet: en toen hij de kroone op 'et hoofd
had, was hij in zich-zelven opgeblazen van hovaerdije. Hij raakte
beurtelings al de Edelen aan, die daar waren, ten teeken hunner
onderdanigheid. In den oogenblik, dat men hem de kroone spande, verhief
zich daar speelgeluid van trompetten en bazuinen, velerlei instrumenten,
zoo dat er nooit heerlijker Feeste eens Konings gezien was. Een bloot
zwaerd zonder scheede werd hem op zijde gegord, tot een teeken, dat hij
t' recht t' allen tijde beschermen zoude en rechtvaerdig vonnis zoû
spreken.
Als Lodewijk gekroond was, voerde men hem ten paleize: aan zijne éene
zijde ging de Paus, en aan de andere zijde de Patriarch van Jerusalem,
en daarna kwam Koning Carel met de twaalf Genoten van Vrankrijk, daarna
groote menigte van Bisschoppen; achter deze volgde de Grave Haymijn met
zijne Ridders. Een heerlijke staatsie! en iegelijk ging manierlijk en
hoofsch in den sleep, tot dat men ten paleize kwam.
Haymijns Kinderen, Reinout en zijn broeders, waren vooruit ten Hove
gegaan, om hunne ambten te aanvaerden. Als Lodewijk en de Heeren ten
Hove gekomen waren, ging men ter tafel zitten, naar rang en geboorte.
Haymijn zat meê aan Konings Carels tafel. Zijne Kinderen waren trouw in
de bediening van hun ambt: Ritsaert diende den Koning; Writsaert twee
Bisschoppen; Adelaert was werkzaam in de zale; Reinout kweet zich met
zoo veel ijver, dat men van zijnen dienste wist te zeggen: "dat alle
ding daar overvloedig was, van spijze en drank." Na de maaltijd ging men
dansen en spelen, en daar was groote vreugde: want daar waren ten Hove
vele edele Jonkvrouwen, die zeer schoon en aanminnig waren. Men schonk
er den wijn overvloedig in gouden en zilveren vaten. Daar waren
speellieden en menigerhande spel; elk toonde zijn konste zoo hij best
mochte; in goeder geneuchte was ieder der feestgenoten; zoodat niemant
de tijd verdroot.
Het gastmaal gedaan zijnde, vertrok Koning Carel met zijn Heeren en
Vorsten.
Lodewijk, de jonge Koning, dede roepen overluid: "Dat zij, die giften of
leenen ontvangen wilden, hem volgden--hij zoude elk na zijnen staat
mildelijk beschenken."
Lodewijk ging in een schoonen boomgaard en als hij nederzat op een
bloeyend veld, dat er bereid was, dede hij de Heeren voor hem komen, en
gaf hun schoone giften, na dat hem dachte dat ze waerdig waren, of na
dat hij ze liefhad, en zij aan hem verdienen zouden. Daar en was niemant
of hij ontving eenige gifte, hoe nederig dat ze van geboorte waren;
luttel of veel: alleen des Graven Haymijns kinderen gaf hij niet.
Toen Haymijns Kinderen dat zagen: dat het al begiftigd was in den Hove,
zonder zij alleen--en dat Lodewijk hun zoo kwalijk gezind was, gingen
zij tot hunnen vader en klaagden hem hoe zij gevaren waren. En Grave
Haymijn de klachte van zijn Kinderen gehoord hebbende, wierd toornig, en
ging haastelijk tot Koning Carel, daar hij in zijn kamer op 't bedde
lag. Als hij bij den Koning kwam, groette hij hem eerbiedig; en als hij
hem gegroet had, zeide hij: "Heere Koning! Lodewijk, uw zone, heeft
gegeven allen den Heeren, die zijn Hof volgen, schoone leenen en giften;
en zij zijn alle begift, zonder mijne Kinderen alleen; dien wil hij
niets geven; nochtans hebben zij hem gevolgd en hulde bewezen, meer dan
de anderen, die in zijnen Hove waren. Ik en weet niet, dat mijne Kinders
hem iets misdaan hebben."
Als Koning Carel deze woorden van Haymijn hoorde, had hij deernis met
hem, en zeide: "Haalt mij uwe Kinderen; ik wil ze niet verstooten of
geminacht hebben; ik zal ze zelver begiften en geven hun gaven zoo
eervol als eenigen Heeren in mijn Rijk." Haymijn ging nu tot zijne
Kinderen en bracht ze voor den Koning.
En als ze voor des Konings bedde kwamen, vielen zij op hun kniën en
groetten Koning Carel; hij heette ze wellekom, zeggende tot hen-lieden:
"Ik wil u begaven en schoone giften doen. Ritsaert, gij zijt de oudste
van uw broederen--het is mij gezegd, dat gij de eerstgeborene zijt: ik
zal u geven schat en gave: ik make u in Spangiën Markgraaf; dat zult gij
van mij ontvangen uw leven lang. Adelaert, ik make u Markgrave in
Poelgiën[5]; dat rijke land zult gij bedienen uw leven lang. Writsaert,
derde broeder! ik geve u 't beste leen tusschen Parijs en Leuven: het is
schoon goed; gij moogt uwen staat daar eerlijk meê ophouden." Toen zeide
hij tot Reinout: "Gij moet mede wél begift zijn; u geve ik het land van
Artezië, Angrico[6] en Blois."
Als deze Vier Gebroeders aldus hooglijk begift waren van den Edelen
Koning Carel, zoo vielen zij op hun kniën voor Konings Carels bedde, en
kusten zijn voeten, dankten hem zeer, en ontvingen blijdelijk het leen.
Als zij het leen ontvangen hadden, namen zij oorlof aan den Koning, en
gingen in den boomgaard. En Lodewijk werd geboodschapt, dat Haymijns
kinderen van den Koning begift waren: des hadde hij groote nijd.
Toen Haymijn en zijn Kinderen kwamen in den boomgaard, sprak Haymijn
tot Lodewijk in schimpende zegepraal: "Dank hebt, Heer Koning, van uw
giften!" Lodewijk antwoordde: "Ik heb wel gehoord, hoe dat mijn Vader uw
Kinderen schoone giften gegeven heeft; maar voorwaar ik en zal 'et niet
toelaten, want het is wel het tweede deel van mijn rijk; ik zal 'et hun
binnen kort weder nemen!"
Na deze woorden, trad Lodewijk voort en zeide: "Ik moet zien, of mijn
Heeren kracht hebben, en waerd zijn om wapenen te dragen. Hier ligt een
steen in den boomgaard: ik vermete mij, dat ik de sterkste ben, die nu
ter waereld leeft, en niemant is van zoo hoogen geslachte als ik ben."
Zijne Heeren deze woorden hoorende, zwegen alle stille. En hij zeide nog
eens de zelfde woorden. Nu kon Haymijn zijn vermetelheid niet langer
verdragen, en zeide tot Lodewijk: "Zijdy sterk en edel--'t zal zich-zelf
openbaren! Wat wilt gij u beroemen! Ik weet een jongeling van twintig
jaar--wilde hij zijn kracht doen, hij wierp den steen zoo verre als
gij." Koning Lodewijk werd gram op het hooren van deze woorden, en
sprak: "Gij, oude dwaas! God moge u bezoeken! Ik zeg u voorwaar, liet ik
't niet om mijn eigen eer--ik zoû u met vuisten slaan, dat gij 't nimmer
vergat!... Laat ze hier komen uw Kinderen, en proeven hun macht met den
steen!"
Lodewijk toog zijnen mantel uit met drift, smeet hem neder, nam den
steen op, en wierp dien twintig voetstappen verre. Daar stond menig
Edelman bij, die 't aanzag: toen wierpen de beste en sterkste van heel
Vrankrijk: maar daar was niemand zoo sterk en machtig of Lodewijk
ontwierp hem een voet[7]; daar was niemant of zij gaven Lodewijk den
prijs.
Als Lodewijk aldus den prijs van den steenworp hadde boven allen, zoo
zeide hij tot Haymijn met hoogmoedige tale: "Wat zegdy nu, gij stugge
grijskop? Waarom haalt gij nu niet uwen zone Reinout? gij zegt, hij
zoude mij den steen ontwerpen! Die u recht deed--hij zoû u trekken bij
den baard, dat u de oogen verkeerden in het hoofd. Waarom haalt gij nu
Reinout, uw zone niet? waar wacht gij op! Uwe woorden zullen u
beschamen, om dat gij uw zone geprezen hebt boven alle de Heeren van het
land." Deze honende tale verwarmde Haymijns bloed: "Ik zegge u, Koning
Lodewijk!" sprak hij, "gij zijt niet zoo koen, dat gij uw hand zoudt
slaan aan mijnen baard: want nimmer trokt gij uw hand en arm weder tót
u."--"Grijze dief!" zeide Koning Lodewijk, "loopt henen tot uw zone
Reinout, en doet wat gij gezegd hebt! laat hem den steen om het verst
met mij werpen."
Toen Haymijn van Lodewijk aldus smadelijk toegesproken werd, barstten
hem de tranen uit de oogen. En hij kwam in den boomgaard bij zijne
kinderen, die er zaten met Vrouwen en Jonkvrouwen, en blijde waren. Toen
Reinout zijn vader bedroefd zag en dat de tranen hem over de wangen
liepen, liet hij aanstonds zijne vreugde, kwam tot zijn vader, en zeide:
"Vader! wat is u misdaan?--ik zal 't wreken, als zoû ik lijf en goed
verliezen."
Haymijn, de Grave, andwoordde zijn zone Reinout met doffe stem: "Ik
stond in den boomgaard bij Lodewijk, en daar begon hij vermetelijk te
spreken, en zwetste, dat niemant zijns gelijk en was in kracht,
schoonheid en edele geboorte, en des beroemde hij zich ten tweeden male.
Ten leste mocht ik dit niet meer verdragen, en zeide tot hem, 'dat er
nóg een was van twintig jaren, die, wilde hij zijn kracht doen, den
steen zoo ver zoude werpen als hij. Toen deed hij zijn mantel in arren
moede af, en ontwierp de genen, die er waren, een voet. Daarop sprak hij
mij smaadlijk toe, en schold mij 'grijzen dief: is 't, dat gij dit niet
wreekt, en den steen om het verste werpt met hem---ik zal het besterven.
Dies bid ik u, zone, doet mijn wensch, en laat mij geen leugenaar
blijven."
--"Vader," andwoordde Reinout: "dat ware niet behoorlijk. Lodewijk is
onze Koning; de trotsche woorden, die hij sprak, en zijn hovaerdige
daden komen toch uit zijne jonkheid voort: en wat hij misdoet, zijner
jonkheid wege, dat betert ons zijn vader."
"Zal ik dan een leugenaar blijven?" riep Haymijn met hartstochtelijke
droefheid; "mij waar liever, dat ik storve! Ik zeg u, zone! wilt gij den
steen werpen, ik zal u Beyaert in eigendom geven."
Ten laatste werd Reinout geschokt en vertederd door het lijden zijns
vaders: "Welnu," riep hij, met ontwaakte drift: "Vader! ik zal met hem
in wedstrijd gaan, en hem den steen verwerpen, al ware hij de Duivel!"
Met deze woorden sprong Reinout op, en ging met zijn vader waar Lodewijk
was. Zijne broeders volgden hem en menig Edelman met Vrouwen ende
Jonkvrouwen, om het werpen van den steen te zien.
En Haymijn met zijne Kinderen kwamen ter plaatse daar de steen lag.
Reinout nam den steen op, en wierp hem een halven voetstap verder dan
Lodewijk. Deze werd toornig toen hij met eigen oogen gezien had van
Reinout, wat geen der andere Edelen had bestaan; hij liet Reinout zijn
worp overdoen--en zag nu dat Haymijns zone den steen verder wierp dan
hij!
Haymijn zeide tot Reinout: "Zone, ik bid u, denkt om uwe eer." Lodewijk
wierp zijn mantel in grammen moede daarheen, zett'e zijn kroon van het
hoofd, en beval, dat men hem den steen brengen zoude; 't welk terstond
gedaan werd: hij nam het zeer euvel, dat Reinout hem den steen ontworpen
had.
Lodewijk nam toen den steen en wierp verder dan Reinout.
Reinout nam den steen en wierp dien nog verder dan Lodewijk.
En Lodewijk nam den steen nog éen maal--en konde hem zoo ver niet werpen
als Reinout; hoewel hij zulke kracht deed, dat hem het bloed te neuze en
monde uitsprong.
Haymijn zag naar Reinout--dat hij zijn krachten aan den steen zoude
toonen.
Toen deed Reinout zijn mantel af en bad Ritsaert dat hij hem den steen
langde: hetwelk hij dede. Als Haymijn, de oude, zijnen jongsten zone den
steen zag aanbrengen, stond hij op, en lachte.
En Reinout nam den steen, en wierp hem met zulke kracht, dat hij den
steen wierp drie voetstappen verder dan hij te voren gedaan had, hetgeen
menig Edelman verwonderde. En Haymijn strekte de handen uit en riep:
"Wees gezegend, mijn Kind Reinout!"
En alle die daar waren, jong en oud, Vrouwen en Jonkvrouwen, gaven
Reinout den prijs.
En Lodewijk stond daar met grooten nijd in het harte en zeide: "Dwazen,
die ge zijt! dwazen, die een huurling--die om geld gehuurd is (deze hier
geve hem al uit voor zijn zoon!)--dus lofprijst! Een grove dorper zij
soms zoo sterk als een Edeling--des is hij nog geen prijzens waerd."
Hiermede keerde zich Lodewijk om, en ging van daar. En Haymijn zeide tot
Reinout: "Mijn zone, nu is Beyaert uw eigen."--Toen lachte Reinout en
zeide: "Vader, ik dank u innig, dezer gifte!"--"Zegt mij, zone!" sprak
Haymijn toen, "hoe kost gij uw kracht nog zoo inhouden? Hadt gij ze ten
volle getoond--ge hadt Lodewijk dan steen nog een voetstap méér
ontworpen."
En Lodewijk hoorde deze woorden, en schaamde zich dieper; en spoedde
zich voort, met rouw en bitterheid in 't harte.
Toen kwam hem in 't gemoet Guweloen, Heredriet, Macharis, en Fouke; dat
waren trouweloze Ridders en Lodewijks naaste raadslieden; den Koning
groetende, vraagden zij hem wie meester was gebleven aan den steen?
Lodewijk zweeg, en andwoordde niet. Toen zeide Macharis: "Ik zie wel wat
u deert: Reinout heeft u leed gedaan; maar ik weet goed raad voor u.
Wilt gij uwe eere herwinnen, zóo dat elk u prijzen zal--gaat dan in den
boomgaard, neemt Haymijn in uw armen, dat 't al de Edelen zien, Vrouwen
en Jonkvrouwen; en zegt met loosheid en luider stemme: 'God en zijne
Lieve Moeder zij dank, Haymijn! die u verleend heeft zulken schoonen en
moedigen zoon, dat hij alle Edelingen te boven gaat in schoonheid en
kracht; als hij wel betoond heeft aan den steen.' Als gij dit gedaan
hebt, zal elk u prijzen en tot uwe eere spreken; dan zult gij zeggen tot
Adelaert, dat hij u volge in een kamer der burcht; als gij hem daar bij
u hebt, zult gij tot hem zeggen, dat hij met u schaken zal. Wil hij het
niet doen, zoo zegt, dat hij zich beroemd heeft het beter te kunnen dan
gij. En wil hij dan daartegen opkomen--zoo zult gij zeggen, dat drie van
ons het gehoord hebben; en is 't van noode--wij zullen er nog wel meer
toe krijgen, die het zelfde zullen zeggen. En dan zult gij maken eene
over-een-komst, dat hij, die op den andere wint vijf spelen na elkaêr,
zal hebben gewonnen des anderen hoofd, en dat dit niet te verdingen zal
zijn met eenig goed. Zoo haast gij de vijf spelen op Adelaert gewonnen
hebt, zoo zult gij hem 'et hoofd afslaan en niet laten verdingen[8]. En
aldus moogt gij dan van de schande, die u gedaan is, baat ontvangen, en
dan zal, daardoor, niemand meer zoo vermetel zijn, die iets tegen u zal
durven doen."
Lodewijk deze woorden hoorende van Macharis, dacht 'et hem goede raad,
en zeide: "Macharis, gij hebt wijs gesproken: want daar is niemant, die
't schaakbord beter verstaat dan ik."
Lodewijk deed gelijk hem de trouwloze geraden had. Hij stond voor een
venster en wenkte Adelaert met een handschoen. Als Adelaert (de
Drossaart) dit zag, dat hem de Koning wenkte, meende hij dat hij wilde
drinken. Adelaert ging in den wijnkelder en tapte van den besten wijn,
en schonk een gouden schale vol en bood ze den Koning Lodewijk,
zeggende: "Heer Koning, drinkt van dien wijn; het is de beste dien gij
van daag gedronken hebt." En Lodewijk fronste 't voorhoofd, en sloeg de
oogen neder en sprak niet.
Als Adelaert zag dat Lodewijk verstoord was, deed 'et hem leed, hij wist
niet wat te doen, en zeide: "Heer Koning, heeft u iemant te kort gedaan,
dat gij wreken wilt, zegt 'et mij?" Als Adelaert deze woorden tot den
Koning zeide, sloeg hem Lodewijk de schale uit de hand, dat ze tegen den
muur sprong.
Toen wilde Adelaert heengaan, als hij den jongen Koning zoo verbolgen
zag; maar Lodewijk sprak met verborgen woede: "Ik meende te hebben
vrienden en magen, die mij getrouwelijk in nood beschermen zouden: maar
mij dunkt het zijn hier alle mijn vijanden! 't Was Ritsaert, Adelaert en
Reinout geen eere genoeg, dat Reinout boven mij had den prijs van den
steen--maar gij, Adelaert, hebt u vermeten, dat gij zijt mijn meester
van den schaakspele; aldus verhieft gij u en vernederde mij. Is het
wonder, dat ik toornig ben?"
Adelaert keerde zich aanstonds weder tot Lodewijk en zeide: "Des neem ik
God tot getuige! dat ik nooit gedachte gehad heb die woorden te spreken:
en, ik zweer 'et bij 't gebeente van St Dionijs, ware er iemant die 't
mij staande wilde houden, ik dede 't hem loochenen in eenen strijd!"
--"Van dat wapenspel kan niets komen," zeide Lodewijk--"maar ik eisch,
dat ge mij volgt in een kamer--daar zullen wij een ander spel beginnen."
Toen nam Macharis Adelaert bij der hand, en gingen samen met Lodewijk in
de kamer; en als zij in de kamer kwamen, zoo was daar Guweloen. Toen
zeiden Macharis en Guweloen, dat Adelaert zich vermeten hadde beter te
kunnen schaken dan Lodewijk. Nog waren daar zeven Graven die des mede
oorkondden, en zeiden dat het waar was.
Adelaert werd daar in de kamer omringd van de Edelen, opdat hij hun niet
ontgaan zoude. Toen ging Adelaert tegen Lodewijk over zitten, en men
bracht een schaakspel, dat kostlijk en kunstrijk was van werk.
Lodewijk zeide tot Adelaert: "Alzóo zullen wij spelen: Wie het eerst
zijn weêrpartij vijf spelen achter-een afwint, zal hebben des anderen
hoofd."
Adelaert stond op: "Heer Koning!" zeide hij, "ik en speel om zoo
kostelijken pand niet; ook ware 't schande dat gij, Koning, uw hoofd
zett'et tegen 't mijne; maar wilt gij spelen om kasteelen of sloten--dat
doe ik gaerne!"
Lodewijk antwoordde: "Ik ben een Koning, en moet mijn woord houden: ik
zweer u bij mijner kroone, dat ik om geen ding ter waereld spele, dan om
uw hoofd en 'et mijne!"
Adelaert werd des droevig, en zeide met zoete woorden: "Wel dan in Gods
Name--moet het zoo zijn!" Toen zeide Guweloen in hem-zelven: "nu hebbe
ik mijn wil, want ware Lodewijk dood--ik droege nog eenmaal de kroon te
Parijs." Lodewijk had den eersten zet--om dat hij des daags Koning
gekroond was. Elk dede zijn beste. Lodewijk nam Adelaert een Ridder[9];
zij namen elkander een Oude[10]. Adelaert zei: "God ontferme zich
mijner! mijn ongeluk is groot."
De Koning won op Adelaert drie spelen ná elkander, en zeî op trotschen
toon: "Had uw broeder den prijs van den steen--hier blijf ik uw meerder:
in waarheid, ik voorzet 'et u--ik zal hier ter stede u 'et hoofd doen
afslaan." Adelaert zuchtte, sloeg de oogen neêr en zeide: "O Koning,
zoo gij mijn hoofd wonnet--en zoude ik 'et niet mogen verdingen?" De
Koning zeide: "Neen gij, Adelaert! al gaaft gij mij al uw goed daarvoor,
ik nam 't niet voor uw hoofd: dat zeg ik u bij mijn trouw!"
Nu sprak Adelaert in zich-zelven, en zeide: "O Heer! ik smeek u, om uw
bitter lijden en dood, dat gij mij de genade geeft, dat ik zonder
schande van mijn neve keeren mag." Zij zett'en hun spel uit alzoo 'et
hun goed dachte. "Ik schake u, en mat u met een Rots[11]," zeide
Adelaert, en nam hem een Ridder. De Koning werd toornig, als hij zag dat
hij het spel verliezen moest. Adelaert zeide: "Men moet van twee kwaden
het beste nemen: beginnen wij op nieuw, en trekt vóór, Heer Koning!"
Adelaert speelde scherpelijk, en matt'e den Koning met een Ridder. Met
de volgende spelen mocht de Koning zijne schade niet beteren. En
Adelaert won vijf spelen achter-een.
Als Adelaert had gewonnen, was hij vrolijk van herte en stond op,
zeggende tot den Koning: "Heer neve, nu weet gij, dat ik uw hoofd heb
gewonnen! maar ik begeere 't niet: alleen bid ik u, dat gij niet meer
speelt om zoo kostelijken pand. Ik zegge u, die dezen raad u gaf, hem
verdroot uw leven."
De Koning nam deze woorden zeer euvel, sloeg Adelaert het schaakbord in
't aangezicht, dat hem neus en mond bloedden en zeide: "Valsche dorper,
zegt gij dat tegen mij?" Adelaert was droevig, en had zich gaerne
verweerd, maar hij en had niet waarmede. Hij nam zijn mouwslip en hield
ze voor zijn neuze, en ging in den stal daar Beyaert stond.
Niet lang was hij daar geweest, of Reinout kwam daar binnen. Als hij
Adelaert bloeden zag, gloeiden zijn wangen van toorn, en zeide hij: "Wie
heeft u geslagen?"
Adelaert andwoordde: "Niemant!"--"Ik hoor u liegen, broeder! Gij zult
'et mij zeggen, of ik tref den eersten dien ik bereiken mag."
--"Broeder!" zeide Adelaert, "ik heb mij neus en mond te bloede
gestooten aan een balk; 't was hier in den stal."
Reinout zeide: "Broeder! 't en is zoo niet!" en toog zijn zwaerd.
Adelaert zag, dat Reinout hevig vergramd werd, hij viel hem aan de borst
en riep: "Om Gods wille betoom dy! Het was aldus: ik kwam in den stal,
om dat ik Beyaert zoude geven koorn en hooi; als ik er bij kwam, sloeg
'et mij onvoorziens voor mijnen mond, dat ik er aarde viel." Reinout dit
hoorende zeide bleek: "Adelaert! gij liegt! of heb ik Beyaert niet zóo
gewend, dat hij mijn broedei niet zal misdoen? Spreek! of ik vergrijp
mij aan u-zelven...." en hij vatte Adelaert bij den haire ende hief het
zwaard op.
Als Adelaert dit zag, wierd hij vervaerd, en riep: "Genade, edel
broeder, ik zal 't u zeggen, al zoû ik er om sterven--maar niet van uwe
hand! Heden, toen gij den prijs hadt van den steen, was Lodewijk
beschaamd en verstoord, en ging in de zale en wenkte mij; en als ik 't
zag, nam ik wijn mede, of de Koning had willen drinken. Toen ik daar
kwam vond ik Guweloen, Macharis en Heredriet; en toen ik den Koning
drinken bood, sloeg hij mij de schale uit der hand. Toen wilde ik gaan;
als ik gaan zoude, klaagde hij over ons en zeide, 'dat ik mij 't
schaakspel vermeten had beter te kunnen dan hij;' ik wendde mij toen
weer om, en zeide, dat ik onschuldig was, en wilde 't mij iemant staande
houden--ik dede 't hem loochenen in een perk! Toen nam mij Lodewijk bij
der hand, en leidde mij in een kamer; daar zeiden Macharis, Guweloen, en
Heredriet, dat zij mijn overmoedig woord gehoord hadden; en daar waren
zeven Graven, die 't mede zeiden. Daar ging Lodewijk tegen mij over
zitten, en ik moest een spel met hem beginnen. Daar werd gebracht een
schaakbord, en Lodewijk zwoer bij zijn Kroone, dat hij om geen ding
spelen en zoude, dan om de kans, dat wie van beiden den andere vijf
spelen achter-een zoû afwinnen, hebben zoude des anders hoofd. Ik won op
Lodewijk het eerst vijf spelen achter-een, en ik zeide, dat hij niet
meer spelen en moest om zoo dieren pand, en dat hij kwalijk dede, die 't
hem ried. Daarover werd Lodewijk toornig, en sloeg mij met het
schaakbord in 't aangezicht. Des was ik droevig, en ging van daar."
Reinout sloot de tanden op elkander, en zeide tot zijn broeder: "Zulke
dieren pand als 'et hoofd eens Konings wil ik hier achterlaten."
[1] _Drossaart_:(hier) huismeyer, spijsverzorger, scbotelschikker.
[2] Deze tocht van de Vier Heemskinderen naar Parijs wordt gewoonlijk
voorgesteld op den titel van het oude verhaal. 't Is jammer, dat Dr.
J.C. Matthes, alleen Reinout op Beyaert laat zitten: bl. 23.
[3] _Markgrave_ beteekent eigenlijk een Graaf, die grensbewaker is; hier
zoû het zijn--bewaker van den afstand tusschen Lodewijk en het volk.
[4] _bezant: een_ muntstuk.
[5] _Poelgiën_, Apulië.
[6] _Angrico_, Angers.
[7] _ontwierp hem een voet_: wierp een voet verder dan hij.
[8] _te verdingen_: af te kopen.
[9] _Ridder_: paard.
[10] _Oude_: raadsheer.
[11] _Rots_: kasteel.