Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en
hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat
berijden, dat vele Heeren aanzagen.
Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij
spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem
komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer
kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem
't zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet
op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,
dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele
ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een
vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch
land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen
en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.
Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb
t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij
daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij
op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."
Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,
zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde
hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien
men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden
ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om
Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch
kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij
moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."
Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den
anderen Kinderen gezeid had.
Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede
was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn
in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide
Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een
Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt
hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en
Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te
vechten."
Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor
het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden
ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout
dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg
'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij
zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en
tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van
Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u
voorbracht."
[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is
dood, ziet daar ligt hij.]
Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat
Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude
dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen
bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij
sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,
dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout
op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.
Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,
bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht
van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft
er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een
dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met
nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert
zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen
kunnen korten, in de vlucht."
Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:
"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"
Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,
want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft
een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."
--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware
groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:
"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als
Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met
zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand
eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.
Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout
vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en
Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te
zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men
den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het
Ros, en ik zal het u geven."
Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de
staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg
Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter
aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.
Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:
"Och, mijn kind is dood!"
Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter
dan dy."
De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar
ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en
ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."
Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft
zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch
Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij
zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de
kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op
de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den
toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd
omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus
wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,
dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee
scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen
van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.
Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen
en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En
Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde
grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout
een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was
sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.
Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.
Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.
Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn
goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen
en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan
spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en
breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden
schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.
[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van
_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de
form.
[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak.
[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet
dit laatste _Valkensteyn._
[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast.