HET ZESDE CAPITTEL.

Hoe de Grave Haymijn zijn Kinderen Ridders maakte, en

hoe hij Reinout 'et Ros Beyaert toonde, en deed hem dat

berijden, dat vele Heeren aanzagen.

Als Haymijn met vrouw Aye in de zaal waren te-rug-gekomen, deed hij

spreiden een groot laken van fluweel, en liet zijn Kinderen vóór hem

komen. Ritsaert kwam eerst. Men bracht hem twee gulden sporen, die zeer

kostelijk waren; die spande men aan zijn voeten. En Haymijn gordde hem

't zwaerd, en deed hem knielen en sloeg hem in den hals, zeggende: "Ziet

op, Ritsaert, weest kloek en vroom, en helpt het bloed Christi wreken,

dat hij voor ons aan het Cruis gestort heeft. Ik hebbe voortijds vele

ongerechte daden bedreven--dat berouwt mij zeer; wees gij altoos een

vroom Ridder, heusch[1] in woorden en Werken. Ik en geve u erf noch

land; gij zult het zelver winnen, met uw welsnijdend zwaerd, op Heidenen

en Turken. Ik zal u het zwaerd geven, dat mijn vader mij gegeven heeft.

Op 't goed, dat ik bezit, durft geen Leenheer aanspraak maken: ik heb

t' met den zwaerde gewonnen op de Turken, Gods vijanden; en wat ook gij

daarop moogt winnen, moge u God in vrijen eigendom laten: maar eer gij

op de Heidenen vaart, moet gij met mij ten Hove."

Toen liet Haymijn--Adelaert komen; hij bracht een zwaerd in de hand,

zijn sporen waren gespannen, die kostelijk en goed waren: Haymijn gordde

hem 't zwaerd en sloeg hem in den hals, zeggende: "Peinst op God, dien

men in den hals sloeg, en hoe hij dat minnelijk verdroeg van de Joden

ter onzer verlossing! Ik zeg u voorwaar, daar behoort veel toe om

Ridderschap eerlijk te dragen. Ik geve u tijdlijk goed, noch borg, noch

kasteel. Wint ze met uw vromigheid op de Heidenen en Turken, maar gij

moet ook ten Hove met mij, eer gij vaart op de Heidenen."

Daarna maakte Haymijn--Writsaert Ridder, en zeide hem 'tgene hij den

anderen Kinderen gezeid had.

Dat gedaan zijnde, liet hij Reinout komen, die stout en van hoogen moede

was; zijn sporen waren hem gespannen. Hij was zoo lang, toen hem Haymijn

in den hals zoude slaan, dat hij op een bank moeste klimmen. Toen zeide

Haymijn: "Reinout! staat op goed Ridder en hebt den moed van een

Espetijn[2]: want hij draagt karbonkelen in zijn hoorn, de zege verbeurt

hij nimmer. Reinout, ik geve-u-alleen Piërlepont, Montagu en

Valencijn[3], maar gij en zult niet laten op de Turken en Heidenen te

vechten."

Toen bracht men daar vier schoone rossen die goed waren, bekoorlijk voor

het oog. 't Beste van de vier gaf men Reinout, daar hij op zoude rijden

ten Hove; want het was een voet hooger dan de andere drie. Toen Reinout

dat ros zag, dacht 'et hem te klein, hij verhief zijne vuist en sloeg

'et ros daarmede tusschen zijne ooren, dat 't dood vóór hem viel. Hij

zeide: "Vader, dit is een kleine gifte: dit ros is veel te krank en

tenger." Toen de Edelvrouwe Aye dit zag, was zij zeer verwonderd van

Reinouts kracht, en zeide: "Gij zoudt ze alle doodslaan, die men u

voorbracht."

[Illustration: De Edel vrouwe Aye riep zeer jammerlijk: Och hij is

dood, ziet daar ligt hij.]

Maar Haymijn zeide verstoord: "Zwijgt, Vrouwe, van deze woorden; laat

Reinout, mijn Kind, zijn kracht toonen! Ik zegge u voorwaar, ik woude

dat men hem er honderd voorbracht, en dat hij ze alle dood sloeg." Toen

bracht men hem er een uit den stal, dat hooger was dan de andere, en hij

sloeg ook dat met de vuist ter neder; daarna bracht men hem een derde,

dat uitermate groot was en grover dan de anderen; daar sprong Reinout

op, en sprong het de lendenen aan stukken, dat 'et stierf.

Als Haymijn dat zag, was hij verblijd van herte en zeide: "Zone,

bedroeft u niet! Ik weet u een Ros, dat heet Beyaert, en heeft de kracht

van tien rossen; in een sterken toren is het opgesloten, niemant durft

er bij komen, om zijn groote kwaadheid. Deze Beyaert is van een

dromedaris gekomen; het is zoo snel van loopen, dat als een sperwer, met

nieuwe veêren, uit zijn wijkplaats af kwam vliegen, hij die op Beyaert

zat, indien hij 't reiken mocht, hij zoû den sperwer zijn vleuglen

kunnen korten, in de vlucht."

Toen Reinout zijnen vader dit Ros hoorde prijzen, zeide hij al lachende:

"Vader, dat eerst zoû mijn paerd zijn!"

Toen sprak Haymijn tot Reinout: "Doet uw wapenen aan; dat rade ik u,

want het is van vreeslijken aard en laat hem niemant genaken, en heeft

een sterk gebit, want hij bijt steen, gelijk andere rossen hooi."

--"Wat!" sprak Reinout, "zal ik mij wapenen tegen een paerd? 't ware

groote schande voor allen die 't hoorden of zagen." En Haymijn sprak:

"Ik rade u, dat gij u wapent, want het Ros is groot, fel en sterk." Als

Reinout die woorden hoorde van zijnen vader, zoo wapende hij zich met

zijn harnas, als of hij ten strijde zoude gaan, en nam in zijn hand

eenen stok van vademslengte, en ging in den toren daar het Ros was.

Hem volgden veel Ridders en Jonkvrouwen, om te zien hoe 't Reinout

vergaan zoude; zijn vader en moeder volgden insgelijks. Vele Ridders en

Jonkvrouwen lagen over den ringmuur, want zij hadden groote begeerte te

zien wat avonture dat er geschieden zoude. Toen gebood Haymijn, 'dat men

den stal ontsloot,' en zeide tot Reinout: "Zone, beheerscht en temt het

Ros, en ik zal het u geven."

Met dat Haymijn die woorden tot Reinout sprak, ontsloot men de

staldeure. Toen zag Reinout het Ros voor hem staan; en het Ros sloeg

Reinout met één der achterhoeven voor het hoofd, dat hij als dood ter

aarde viel, en lange lag eer hij bijkwam.

Vrouw Aye, dat ziende, liep haastig toe en wrong haar handen, zeggende:

"Och, mijn kind is dood!"

Toen zeide Haymijn: "Zone, beheersch het Ros: ik gunne 't niemant beter

dan dy."

De Edelvrouwe Aye riep zeer jammerlijk: "Och, hij is dood, ziet, daar

ligt hij!" Haymijn zeide: "Zwijgt Vrouwe, hij is van mijnen bloede, en

ik hem gewonnen hebbe; twijfelt niet, hij zal genezen."

Ondertusschen verkwam Reinout en schaamde zich daar hij lag: hij heeft

zijn stok verheven, en meende Beyaert daarmede neder te slaan, doch

Beyaert sloeg hem dien uit de hand, en nam Reinout in zijn muil, bij

zijn maliejak, dat het scheurde, en wierp Reinout voor zich in de

kribbe. Reinout sloeg Beyaert met de vuist, en Beyaert wierp Reinout op

de aarde. Hadde 't Reinout zonder schande mogen doen, hij ware uit den

toren geloopen. Toen nam Reinout Beyaert bij den hals, het paerd

omklemde hem met de voorpooten; toen sloeg hij 't Ros met vuisten; aldus

wrocht en vocht hij lang tegen Beyaert; nu boven-, dan onderliggende,

dwong hij het paerd een breidel in den mond, en sprong er op met twee

scherpe sporen. Toen zett'e men de deuren wijd open, en de lieden vlogen

van schrik over elkaar in den eersten loop, bij de sprongen van Beyaert.

Als Reinout en Beyaert kwamen op 'et ruime veld, gaf hij hem de sporen

en den toom, en zat er op of hij er uit gewassen geweest ware. En

Beyaert was sterk, groot en snel, en droeg Reinout door twee wijde

grachten, met eenen sprong van veertig voeten wijdte. Aldus reed Reinout

een langen tijd wech en weder, tot het paerd moê wierd; Beyaert was

sterk bezweet en bloedde van de spoorslagen die hem Reinout gegeven had.

Toen trad Reinout van den Rosse, en veegde 't van zijn bloed en zweet.

Vrouwen en Jonkvrouwen kwamen van den muur om Beyaert te bezien.

Toen sprak Reinout, de koene ridder: "Voor dit Ros gaf ik al mijn

goed!" Beyaert stond voor hem en beefde, en leidde zijn voeten te zamen

en neeg voor Reinout neder, en was zoo tam, dat er een kind op kon gaan

spelen zonder gevaar. Het was geheel zwart, maar vóór was 't wit, en

breed over de heupen. Reinout deed maken een goeden zadel, met zijden

schutbladen[4], die zeer kostelijk waren.

[1] _heusch-, hoofsch-, hoveschheid_ is het tegenovergestelde van

_dorperheid,_ en beteekent al wat edel en goed is in den aard, of in de

form.

[2] _Espetijn (erspentijn, serpent?)_: draak.

[3] _Montagu_ en _Valencijn (Valenciennes)_. In sommige bronnen: heet

dit laatste _Valkensteyn._

[4] _Schutbladen_: zie de noot 2 Carel en Elegast.

Karolingsche Verhalen · 第 18 / 45 题