Hoe Koning Carel zijn zone Lodewijk woû doen kroonen
Koning van Vrankrijk, en hoe Bisschop Tulpijn des niet
wilde toelaten, 't en ware, dat de Grave Haymijn mede
ten Hove kwame; en hoe om den Grave gezonden werd; en
hoe den Grave Haymijn van zijn vrouw gezeid werd, dat
hij vier Kinderen hadde--'t welk hem zeer
verwonderde--en hoe hij hem bereidde ze Ridder te
slaan.
Het is gebeurd, dat 'et ging tegen Pinxteren, en dat Koning Carel Hof
hield als hij gewoon was, en had ontboden alle de Edelste, Geestelijke
en Waereldlijk; als den Paus, de Patriarchen, Bisschoppen, Koningen,
Hertogen, Graven en in zonderheid de Twaalf Genoten. En als zij bij hem
in de burchtzaal waren gekomen, zoo heeft Koning Carel eene stilte doen
gebieden, en is opgestaan, zeggende: "Gij, Edele Vorsten en Baroenen, u
is kennelijk, dat ik zeer oud van dage worde--alzoo dat ik voortaan de
wapenen niet wel gebruiken kan; noch de groote heerschappije daar ik in
ben, niet berechten, overmids de zware lasten daaraan verbonden. Daarom
wil en begeer ik, dat gij toestemt en helpt volbrengen, dat ik mijn zone
Lodewijk overgeve mijn kroone en land, en dat gij hem kroonet en zettet
als machtig Koning: want hij is een vroom jongeling."
Toen sprak Bisschop Tulpijn en alle de Heeren, en zeiden: "Heer Koning,
het is waar: maar voor heden wederzeg ik uwen wensch: want al is
Lodewijk jong en schoon, en tot redelijken leeftijd--'t en kan nochtans
niet geschieden, want uw Hof is niet volmaakt."
Toen sprak Koning Carel met haastige moede: "Wie is hier ontbrekende! Ik
hebbe hier binnen mijnen Hove de vermaardste, Geestelijk en Waereldlijk,
van heel Christenrijk!"
Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heere Koning, ik zegge u voorwaar, hier
ontbreekt een der aanzienlijkste, edelste mannen van der waereld; van
den hoogsten geslachte; een vrij heerschend man: want hij houdt zijn
goed van niemand ter leen. Hij werd van u gebannen vijftien jaren en zes
weken: 't was daarom, dat hij menige--overmoedige krijgstocht tegen uw
volk deed, met hevige feiten van wapenen: hij sloeg al dood (en roofde
en brandde in uw land) wat geestelijk of waereldlijk was; en het goud
daar men Gode mede diende op den autaar daar besloeg hij zijn paerden de
voeten mede."
En als Bisschop Tulpijn zijn woorden geëindigd had, sprak Koning Carel:
"Dat is Haymijn: hij heeft mij dikwijls groot verdriet gedaan; ook enne
en weet ik, dat hij met schendige hand de doornekroone onzes Heeren
geroofd heeft, die hem op zijn gezegend hoofd gedrukt was, ook stal hij
de nagelen daar onze Heer aan het Cruis mede genageld was; ik weet
voorwaar, dat hij mij den dood gezworen heeft, en al dat van mij gekomen
is. Ik zegge u en beloof 'et God, kende ik iemant van mijn vrienden,
magen, of Heeren, die Haymijn eenige hulp of bijstand deden, ik zoû ze
doen sterven. Maar wist ik een bode zoo stout, ik zoû hem zenden om
Haymijn. Ik bidde van uw liefde, Bisschop Tulpijn, wilt mij hierin raden
wat best is; gij weet toch hoe het met mij staat."
Bisschop Tulpijn andwoordde: "Heer Koning, de beste raad, dien ik weet,
is, dat gij uw feest en Hof doet verlengen veertien dagen, en zendt
terstond om Haymijn een bode met een brief, inhoudende, dat gij hem
zweert vrede en vast geleide, op St. Dionysius' lichaam, en stelt tot
borge twaalf mannen, de beste van Uw Rijk. Valt het wat zwaar en
verdrietig, 't is nochtans met eere gedaan."
Als nu Koning Carel dezen raad van Bisschop Tulpijn gehoord had, dacht
die hem goed, en zeî hij tot den Bisschop: "Waar zoude ik iemant vinden
zoo koen, die de boodschap durft aanvaarden?"
Toen deed Bisschop Tulpijn voor den Koning komen den stouten Roelant,
Willem van Orangiën[1], Bertram, en Bernaert. Als zij voor den Koning
stonden, vraagde hun de Bisschop 'of zij de boodschap aannemen wilden?'
't Welk zij gaerne deden. Men gaf hun elk een treflijk paerd met
kostelijke tuigen van goud en zijde.
Deze vier Heeren bereidden zich tot vertrekken, en zaten op hunne
paerden, die hun Koning Carel gegeven had, en goed waren. Als zij nu te
paerd zaten, met een cierlijk golvenden mantel, en met olijftakken in de
hand, zoo reden deze vier Heeren met blijden moed en vrolijker herte,
zonder eenig toeven, zoo langen tijd, dat zij kwamen in Haymijns land,
en zagen Piërlepont, waar Haymijn weder Hof hield met al zijn vrienden:
daar waren twee-en-dertig vrome Ridders.
En Haymijn had, te dezen feesten, acht-honderd mannen binnen zijn
kasteel, die altijd gewapend waren en voorzien van harnassen: de
uitgelezene van zijn volk bewaakten het kasteel van Haymijn, tegen
verraad en oploop.
Na de maaltijd stond Vrouwe Aye voor een venster van de zale; zij hield
den middenspijl omvangen, en zag ginds in het dal deze vier Ridders
komen aanrijden. "Den voorste," zeide zij, "herken ik wel: dat is mijn
Heer, de Grave Roelant; en waarlijk is de andere niet de Grave Willem
van Orangiën? de derde schijnt Bertram, de stoute en roemrijke Ridder;
de vierde is Heer Bernaert. Mij dunkt zij komen herwaards; bij God die
mij ten leven riep! ik vreeze, dat zij in hunnen dood rijden. In dit
oogenblik wilde ik wel, dat zij waren honderd mijlen ver.--Zij moeten
iets gewichtigs te boodschappen hebben."
Toen riep zij den poortier tot zich: "Ga haastelijk, en met Gods hulpe,"
zei zij, "en neem deze vier hoofdbanden, en geef den beste aan mijn Heer
Roelant, en zeg hem, dat zijn moei hem die zond, die hier Vrouwe is; doe
de paerden wèl verzorgen, en leid de Ridders in de zaal; zij komen voor
den overmoedigsten man der waereld."
Op die tijd zat Haymijn, de oude, onder zijne Baroenen; ieder had op
zijn schoot een zwaerd met scherpe snede. Haymijn droeg een schoonen en
kostelijken blioud[2] van groene zijde, vercierd met edelgesteente. Hij
hield de beenen gekruist over elkaar, leunde met de elbogen op de
knieën, en zat daar, of hij Heer over gantsch Christenrijk ware; hij
hield het Hof ook dus in bedwang, dat er niemant en was, geen zoo rijke
Landsvorst, die spreken durfde, 't en ware met zijn toestemmen.
De vier Ridders dan zijn te gader gekomen in de zale, en bij het
binnentreden groetten zij Haymijn heuschelijk, en even zoo de Ridders,
Vrouwen en Jonkvrouwen die zij daar vonden. Maar daar was niemant zoo
stout in de zale, die zeggen dorst: "Weest wellekom!" Daarna bogen de
vier Heeren weder op hunne knieën voor Haymijn; die zich niet
verwaerdigde op hen af te zien. Toen zeide Graaf Roelant met zoete
woorden: "Wij komen als boden, u gezonden door Koning Carel, die u
noodigt, dat gij tot hem komt en kroont zijn zone Lodewijk. Hij kent
niemant zoo edel en aanzienlijk als u, die hem de kroone spannen moge;
hij heeft daarom zijn hof doen verlengen veertig dagen en veertig
nachten. Hij zweert u vrede bij de twaalf beste borgen van
Christenrijk."
Haymijn hoorde wel het gesprokene--maar andwoordde niet. Als hij zijne
vijanden, in zijn eigen land, daar vóór zich zag, ontging hem al zijn
verwe, en zat hij bleek en sprakeloos. Hadde hij ze, met behoud zijner
eere, mogen nêerslaan--ze zouden hem niet ontkomen zijn.
Andermaal zeide Roelant: "Spréékt tot ons, Heer Haymijn! dat bidden wij
u op genade, en zegt ons of gij het u welgevallig laat zijn Lodewijk te
kroonen.--Een dief of gevonnisten moordenaar, zoudt ge, ondanks zijne
veroordeeling, toch andwoord geven!"
Haymijn en andwoordde niet. Toen zagen de Ridders elkander ernstig aan.
Vrouw Aye, de schoone vrouw, die heusch was en edel, stond nu op, en nam
eene gouden schale en goot ze vol van den besten wijn, en zeide:
"Drinkt, Heer Roelant, dezen frisschen, koelen wijn; ik wil heden uw
schenker wezen en ook mijns Heeren Willems!"
Toen gaf zij, uit de gouden schale, te drinken al dezen Ridders, en
heetten ze welkom. Dit vergramde den Grave Haymijn zeer.
Toen zeide Vrouw Aye tot hem: "Spreekt, Edel Heere! en, om uw eigen eer,
wilt mijnen magen en den uwen andwoord geven: ze zijn de besten van
Christenrijk. Dat gij zoo lange zwijgt--is dorperheid...." En eer zij
het woord voleindigd hadde, verhief Haymijn, in toorne ontstoken, de
hand en sloeg haar, dat ze ter aarde viel, en niet meer en hoorde en
zag. En niemant had durven roepen: "Laat af!" noch er een woord tusschen
spreken--schoon haar het roode bloed ten monde en ter neuze was
uitgebroken.
En hierbij stonden de vier ridders--Grave Roelant en Bertram de
krijgsman, Heer Willem, en Bernaert, en vloekten hunne zwaerden, en
zeiden "het was des Duivels bestier, dat zij daar ongewapend
binnenkwamen." En zij hieven de schoone vrouw op van den grond. Zoo
gaerne zoude de Gravinne een eind aan deze groote veete maken, en
haastig riep zij: "Gij Heeren! ik en hebbe geen nood!" De heusche
Vrouwe, de zachtmoedige, wischte zich het bloed af, en ging met een
vrolijk aangezicht tot Haymijn en kuste hem aan zijnen mond, en omhelsde
hem minnelijk, en zeide: "Spreekt, Edel Heere, welbeminde! en geef dezen
antwoord!"
En Haymijns gramschap was gekoeld, en hij sprak tot haar: "Wat heb ik te
zeggen, beminde vrouwe? Voorwaar, dit getuig ik u: ik ben de
ongelukkigste man, die ooit ziele ontving of leven; en gij de
ongelukkigste vrouw ter waereld."--"Waarom, mijn welbeminde?" zeide zij.
"Ik zal het u zeggen, Vrouw Gravinnen!" reide Haymijn. "Meer dan twintig
jaren heb ik u gehad, en God verleende mij nooit de gratie, dat ik een
kind aan u hadde gewonnen, dat nu ter wapene goed zoude zijn en mijn
land na mijn dood bezitten mocht. Nu zal mijn goed voor mijnen
doodvijand blijven: want ik weet wel, dat hij 'et mijn magen ontweldigen
zal. En nu willen zij dat ik hem de kroon zal spannen! dat zeggen zij
mij aan! Maar ik haat hem nog meer dan den vader, en dien ik van
hunnentwege meester kon worden, dien zoude ik verslaan: en werd ik van
hen gegrepen--God weet, dat zij ook mij zonder uitstel zouden dooden.
Dies is mijn herte ontrust, en heeft een afschuw van die krooning;...
liever offerde ik alles op, dan dat mijn goed hun blijven zoû."
Toen antwoordde de Gravinne: "Grave," zegt ze, "ware 't, dat gij
kinderen hadt, luttel of vele--zoudt gij ze dooden?"--"Voorwaar," zegt
hij, "ik zweer u bij mijn trouw, dat ik ze allen zoû grootbrengen en
behoeden, gelijk een vader schuldig is te doen--zijn lieven kroost, dat
hij voor al de waereld bemint!"--"Zoo waren het dan verloren eeden, die
gij zwoert, voor vele jaren; waarbij gij verzekerdet, dat gij dooden
zoudt alle de kinderen, die wij zouden hebben!"--"Woorden, hetzij door
dwang of in verbolgenheid gesproken," zeide Haymijn, "hebben geen
waerde. Hadde ik kinderen, zoo kon ik gelukkig wezen: maar neen ik--God
betere 't!"
--"Zweer mij bij uw Ridderschap," sprak de edele Vrouwe, "dat gij uw
kinderen vreedzaam bejegenen zult--wilde 't geval, dat gij er vondt."
Haymijn verbaasde dit: "Vrouwe!" zeide hij, "dat wil ik gaerne doen;
maar gij onderstelt iets, dat ik kwalijk kan aannemen--want ik weet
niet, dat mij ooit kinders geschonken zijn."
Toen nam de Edelvrouwe den Grave Haymijn bij de hand en zeide: "Gaat met
mij--gij zult ze zien!"
Haymijn, verblijdde zich innig bij die woorden; hij stond op, en ging
met haar. En toen hij de vier Gezanten voorbijging, groette hij elk bij
name, en heette ze welkom. Hij zeide, 'hij zoû dra te-rugkomen in de
zale: maar hij moeste gaan zien zijn Kinderen--daar hem zeer naar
verlangde.'
Daarop leidde hem de Vrouwe voor eene steenen kamer, waar de Kinderen
waren. Haymijn bleef een weinig voor de deur staan, eer hij binnenging.
Terwijl hij voor de kamer stond en de jongelingen die er in zaten, hier
niets af wisten, zeide Reinout, met een overmoedigen zin, daar hij zeer
stout en onvervaerd was: "Ondank moet hebben die hier Hofmeester is en
Drossaart, en dient ter tafele van eten en drinken!... want wat
gerechten dat hij hier brengt, ze hebben alle eerst op andere tafels
geweest, en de schotels zijn er half ledig afgenomen; ook hebben wij
noch krijgen geenen wijn die goed is.... Ik zegge voorwaar! had ik hier
den Bottelier en Schenker, ik zoû ze slaan dat ze er nimmermeer van
opstonden!"
Daarop andwoordde Adelaert en zeide: "Broeder, ik bid u, dat gij die
tale staakt."--"Wij zeggen hetgeen ons gelieft...." andwoordde Reinout
trotsch. "Gij weet wel," sprak Adelaert, "dat onze moeder ons bevolen
heeft, dat wij stille wezen zouden. Wij weten wie onze moeder is; maar
wie onze vader is, weten wij niet, want onze moeder wil het ons niet
zeggen; zij vreest Heere Haymijn, en ik zegge u voorwaar, sloegt gij
Haymijns Drossaart, Bottelier en Schenker--hij is zoo wreed en
hoogmoedig van zinnen, hij zoû u de hardste dood doen sterven: gewapend
volk heeft hij altijd op der zale en in den hof."
Als Reinout deze woorden van zijn broeder hoorde, sprak hij met
toornigen moede: "Zoude hij mij doen dooden--Haymijn--die ellendige? des
zoude de Duivel hem richten. Ik en geve om zijn gewapende lieden niet
een kaf;... ik zoû ze mijn vuisten doen voelen, dat ze neêrduizelden--en
dien Haymijn het eerst!"
Deze woorden hoorde de stoute Haymijn, daar hij voor de deure stond, en
zijn herte werd verblijd, en hij zeide tot zijne vrouwe: "Voorwaar ik
zegge u, dat Kind is het mijne, dat hoor ik aan zijn fiere taal!"
--"En van de anderen twijfelt gij?"
Toen sprak Haymijn: "Ik wil beproeven hunnen moed of ze vroom zijn van
herten."
Daarop heeft hij met zijnen voet op de deur gestooten met zulke kracht,
dat zij uit de harren brak, en viel neder op den vloer der kamer.
Reinout sprong driftig op, en met dat Haymijn binnenkwam, wierp hij hem
over een bank, dat hij ter aarde viel, zeggende tot Haymijn: "Wat doet
gij hier, oude! ik zegge u voorwaar, wij hebben gegeten: waar gij hier
eer gekomen, gij mocht van den afval van onzen disch genomen hebben."
Toen kwamen de andere broeders toeloopen. Als dat Haymijn zag, vervaerde
hij hem, daar hij ter aarde lag, en Reinout bij hem overeinde stond met
een dreigend aangezichte. Toen riep Haymijn haastelijk en zeide: "Edel
jonkman, en wil mij niet slaan--ik ben dijn Vader; van dezen avond zal
ik dy Ridder maken." Toen sprak Reinout: "Zijt gij onze Vader?----zoo
ware mij leed, dat ik had geslagen."
Het eerste kuste Haymijn--Writsaert aan zijnen mond, daarna Adelaert en
Ritsaert; en als hij Reinout kuste drukte hij Reinouts aangezicht hard
aan e't zijne, zoodat Reinouts lippen bloedden.
"Wat doet ge!" sprak deze; "waart gij mijn vader niet, zoo zoude 't u
euvel bekomen, dat ge mij kwetstet."
Toen sprak Haymijn: "Lieve zone, des ben ik blijde, dat gij der eere
waerd zijt Ridder te worden."--"Edel Heere," zeide Vrouw Aye; "wat zij
behoeven van Ridderlijke wapenen, dat heb ik doen maken cierlijk en
sterk--zoo moget gij rijden met de Kinderen tot mijnen broeder ten
Hove."
[1] _Willem van Orangiën_: deze Paladijn, uit het Huis van Narbonne, en
Bisschop Tulpijn, die over den Doop van Ritsaert stonden, dienden dus
toch den Koning. Verg. boven: "Vrouwe Aye was dragende, maar hield het
geheim, dat het niemand konde weten, behalve eene Jonkvrouwe....
[2] _blioud_: cierlijk opperkleed, met of zonder mouwen. Zie Viollet le
Duc, op het woord _Bliaut_ (Dict. du mob., III, I, 38--60).