HET VIERDE CAPITTEL.

Hoe Haymijn trouwde met Koning Carels zuster, en bij

haar won Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Reinout; dat

hij 't niet en wiste: en hoe zij ze heimelijk opvoedde.

Toen de peis gemaakt was, en men bruiloft zoude houden, werd de Bruid

ter kerke geleid; aan de eene zijde leidde ze de Bisschop, aan de andere

zijde ging Roelant[1].

Daar trouwde Haymijn haar met groote staatsie; en Koning Carel dede

Haymijns neve, den doode, negen werf opwegen met goud, en dat goud gaf

hij Haymijn wegens zijns neven dood. Als Haymijn het goud van den Koning

ontvangen had, dacht hij in zich-zelven, 'hoewel de Koning peis maakte

over zijn neve, hij zoû hem wel noodzaken den doodslag met mansbloed te

betalen.'

Intusschen kende Koning Carel--Haymijn en zijnen magen toe wat zij

zouden winnen op de Heidenen[2], dat ze 't vrij houden mochten, zonder

van iemant te leen te ontvangen. Als dit gedaan was en Haymijn met zijn

vrienden te vreden gesteld waren, ontvangen hebbende wat hun in den

zoene beloofd was, ging Haymijn tot Koning Carel, en bad hem vriendelijk

'of 't hem beliefde, dat de Koning bij hem ten Hove bleve en deelname

aan zijne bruiloft?' Maar Koning Carel zeide, 'dat hij des niet en

dede.' Nu wierp Haymijn zijnen haat op den Koning, nam zijne vrouw met

hem, en toog met haastigen en grammen moede van Koning Carel wech, naar

Piërlepont; en Koning Carel toog met zijn volk voort van Senlis, en tot

Parijs.

En als Haymijn met zijn vrouw en vrienden gekomen was te Piërlepont,

toen zeide hij tot zijne Heeren: "Ik zal Hof houden met al mijn vrienden

en magen, veertig dagen lang: laat Carel zich dan daarover belgen! en

wat zoen hij mij en mijn magen gedaan heeft, ik en houde dien van geener

waerde; noch ik en begeer geen vrede, want waar ik iemand van Carels

zijde, 't zij vrienden ofte vreemden, kan bereiken, zal ik dien krenken

waar ik mag aan lijf en goed!"

Als Haymijn deze woorden sprak, was daar menig Edelman bij, dien 't zeer

leed was: maar daar was niemant zoo koen, die er tegen dorst opkomen. En

Vrouw Aye viel het zoo hard, dat zij noch eten noch drinken konde.

Toen ging Haymijn zitten ter tafele met zijn vrienden en Heeren. Daar

werd elk naar zijn waerde eervol gediend; daar was groote blijdschap en

geneucht, zoo dat ieder zijn rouw vergat--maar Vrouwe Aye niet; zij was

zoo droevig; dat ze niet in de feestvreugde deelen kon.

Deze Feest duurde tot den avond toe; de Grave begiftigde elk naar zijne

waardigheid en verdienste. En dit gedaan zijnde, begaf de Grave zich ter

rust. En als hij in de slaapkamer was, trok hij zijn zwaerd in toorne,

en leîde zijn vinger op 't kruis van het zwaerd, zweerende, dat hij

dooden zoude al de kinderen die van Carels zuster kwamen, en slaan alle

Carels magen, daar hij 't mochte. Vrouw Aye, hoorende deze woorden, was

zeer droevig, maar zij gedroeg zich als of zij daarom niet en gaf en

ging bij haren man te bedde en bewees hem groote vriendschap.

Haymijn en was niet lange op het huis, en toog in de oorloge, daar hij

ze wist, naar zijn gewoonte. Vrouwe Aye was dragende, maar hield het

geheim, dat het niemant konde weten, behalve eene Jonkvrouwe, die zij

het te kennen gaf, en beval daarvan niet te spreken.

Toen zij haar tijd nabij zag, zoo ried haar de Jonkvrouw dat ze in een

klooster trekken zoude, en blijven daar tot dat zij bevallen ware van

kinde, en dat zij zeggen zoude, dat zij in pelgrimaadje wilde gaan.

Dit gedaan hebbende en in 't klooster wezende, zoo werd zij verblijd van

een jongen zone. Men deed dat kind doopen, en werd geheeten Ritsaert; de

gevaders waren Bisschop Tulpijn[3] en Grave Willem[4]; en het kind werd

heimelijk opgevoed, maar 't hadde brieven bij hem, dat het echtelijk

gewonnen was en van edeler geboorte. Men wist echter niet wien 't

toebehoorde: want de moeder vreesde Haymijn zeer, en kende zijne

wreedheid; zij duchtte, dat hij 't zoude dooden, ware 't, dat hij 't

vernam.

Inmiddels is Haymijn t'huis gekeerd en had gevochten op de Heidenen; hij

was eigenwillig uitgetogen, en door niemants bede noch bedwang. Op den

zelven dag als Hayman, kwam Vrouw Aye mede op het huis en hadde haar

kerkgang gedaan.

En later heeft zij nóg een zone gekregen, en dien droeg zij zeer in 't

verborgen en lag weder in 'et klooster, zoodat 'et niemant wiste; en dat

kind werd gedoopt en Writsaert genaamd en heimelijk opgevoed.

Daarna ontving zij den derden zone; hem werd gedaan als den anderen, en

Adelaert werd hij genaamd.

Toen is Haymijn weder in de oorloge getrokken, daar hij zeven jaar

bleef. Dies had Vrouwe Aye groote rouwe, want daar was tijdinge gekomen

dat Haymijn dood was.

Ter wijlen dat zij de rouwe dreef, kwam Haymijn th'uis, op zijn gewapend

paard, zijn schild aan den hals, zijn baniere ontploken. Als de Vrouw

hoorde dat Haymijn kwam, ging zij hem tegen met een vrolijk aangezichte,

en nam hem in haar armen, en kuste hem vriendelijk, en heette hem

wellekom. En als Haymijn zijn vrouwe zag, was hij, hoe gewond ook,

blijde in zijn gemoed, en steeg van den paerde, en ging met haar in de

zale.

En Vrouw Aye droeg Reinout, die zij mede heimelijk opvoedde. Aldus had

Haymijn vier kinderen dat hij 't niet en wist; de jongste van de Vier

was groot en sterk boven al de andere, gelijk een valk boven den

sperwer.

Te dezer tijd had Koning Carel een zone, geheeten Lodewijk. Deze zone en

Reinout waren van éenen ouderdom, en éener grootte; maar toen zij

vijftien jaar oud waren, ontwies Reinout Lodewijk een voet.

Deze Lodewijk werd naar huis ontboden, om oorzaken die ik thands

verklaren zal; hier wil ik van Reinout zwijgen en schrijven van Koning

Carel.

[1] _Roeland_:'s Konings neef, zijn beroemdste Paladijn.

[2] _Heidenen_: Sarrazijnen, Saxers en Lombardiërs.

[3] _Bisschop Tulpijn_: mede een van Carels Pairs of Genoten, die den

Rijksraad uitmaakten.

[4] _Willem_: Willem van Oranje, in de Legende de H. Willem van Gellone.

Karolingsche Verhalen · 第 16 / 45 题