Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van
Ardennen, om peis met hem te maken.
De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van
Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,
moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen
over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met
Haymijn en zijn volk.
Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij
Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem
eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de
oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden
u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan
beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten
van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij
hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe
in wat hun goed docht.
Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij
schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn
magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan
had.
Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot
Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,
opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis
mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,
en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den
Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen
aanname over mijn neve!"
Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den
Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot
Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn
neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en
al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij
hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,
noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'
Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had
gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;
hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn
vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van
Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning
Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat
zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen
dochte.
Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene
hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen
aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door
Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem
zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,
alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan
te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere
woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert
kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem
eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en
zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis
en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,
gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'
En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge
Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de
meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden
den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het
andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.
Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij
voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden
en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om
aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen
oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief
bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn
zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn
weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen
zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.
Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze
blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij
cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.
En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis
kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,
met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende
vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met
300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor
Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij
mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde
onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;
ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als
Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap
vereenigd.