HET DERDE CAPITTEL

Hoe Koning Carel Ambassaten zond tot Haymijn van

Ardennen, om peis met hem te maken.

De oorlog aldus zeer lang durende, viel ten leste den Genoten van

Vrankrijk zwaar te voeren en verdrietelijk; want als Haymijn wilde,

moesten ze ten strijde. Zij gingen des te rade met malkander, en kwamen

over-een, dat zij den Koning bidden zouden dat hij vrede maakte met

Haymijn en zijn volk.

Als zij dus gezamendlijk besloten hadden, zijn ze gekomen daar zij

Koning Carel vonden, en hebben hem oodmoedig gegroet; en als zij hem

eere hadden gedaan, zeiden zij: "Heer Koning, u is bekend, hoe dat de

oorlog lang gestaan heeft tusschen u en Haymijn van Ardennen; wij bidden

u zeer, dat gij doch vrede met hem wilt maken, want 'et land daarvan

beschadigd en geschonden wordt." Koning Carel, deze woorden en begeerten

van zijn Heeren hoorende, was des niet gunstig gezind: nochtans bij

hem-zelven overwegende dat de Genoten alle hem baden, zoo stemde hij toe

in wat hun goed docht.

Daar bespraken de Genoten en stelden Koning Carel voor, dat hij

schrijven zoû een minnelijke groete en een brief aan Haymijn en zijn

magen, dat hij beteren wilde, wat hij tegen hem en zijn vrienden misdaan

had.

Hierop zond Koning Carel Ambassaten met een brief tot Haymijn die tot

Piërlepont lag, inhoudende dat hij hem Huyge, zijnen neve, den doode,

opwegen zoude met gouden negen werf, opdat hij daarmede zijnen peis

mocht krijgen. Als Haymijn dezen brief gelezen had, verachtte hij dien,

en zeide met toornigen moede tot de drie Ambassaten: "Zegt Carel den

Koning, dat ik de oorloge nog hadde liever te houden, dan ik zulken zoen

aanname over mijn neve!"

Deze drie Ambassaten zijn wederom gekeerd, en hebben deze woorden den

Koning gezeid. Toen zond ze Koning Carel wederom met eenen brief tot

Heymijn, inhoudende: 'ware het, dat hij hem de dood kwijtschold van zijn

neve, dat hij hem geven wilde zijn zuster, Vrouw Aye, tot gemalinne; en

al het goed, dat hij hem ofte zijn vrienden genomen had, dat zoude hij

hem vrij wedergeven, zoo dat zij 't van niemant te leen hielden, zij,

noch hun erfgenamen, die na hen komen zouden.'

Als Haymijn dezen brief overlezen hadde, dien hem Koning Carel had

gezonden, heeft hij de drie Ambassaten geheeten dat ze toeven zouden;

hij wilde hem met zijn vrienden beraden. Daarop, heeft Haymijn zijn

vrienden tot hem doen komen, als Aymerijn van Nerboen, Willem van

Orangiën, en menig Edel Baanderheer, en zeide e't gene, dat hem Koning

Carel bij zijnen brief geschreven en gemeld hadde, en bad hen alle, dat

zij hem wouden helpen raden wat hier best in gedaan ware en hun-allen

dochte.

Eenparig was hun uitspraak: 'wilde Koning Carel houden en doen hetgene

hij hun aangezegd en geschreven had--zij waren des goedwillig den zoen

aan te gaan.' Haymijn zond dan eenen brief aan Koning Carel door

Adelbert en Madelgijs, zijn verwanten, inhoudende: 'Ware 't dat hij hem

zijn zuster geven wilde tot vrouwe, en voords nakomen het tractaat,

alzoo hij hem bij brieven gemeld had--dat hij te vrede waar den peis aan

te gaan, en dien te onderhouden al zijn leven lang; met nog veel andere

woorden, die in den brief geschreven stonden. Madelgijs en Adelbert

kwamen dan naar Parijs, en gingen tot den Koning en deden hem

eerbiedenis. Dit gedaan zijnde, gaven zij hem den brief in der hand, en

zeiden "dat hij hun daarop een andwoord zoude doen hebben, want de peis

en mochte niet gemaakt, noch de dood van Heer Huygen, hunnen neve,

gezoend worden, 't en ware dat hij voldede den inhoud des briefs.'

En Koning Carel ontving den brief, en dede dien voor zijn magen en hooge

Baroenen lezen. Als zij den inhoud gehoord hadden, en wel staan de

meeninge van Haymijn en zijn magen, zoo waren zij alle blijde, en baden

den Koning, dat hij zijn woord getrouw bleve, en dan terstond het

andwoord aan Haymijn berichtte; hetwelk Koning Carel gaerne dede.

Daar werd ontboden voor den Koning--Adelbert en Madelgijs: en toen zij

voor den Koning stonden zeide hij tot hen, 'dat zij huiswaards keerden

en Haymijn zouden zeggen, dat hij kwame met zijn magen te Senlis, om

aldaar een vast tractaat van den zoene te maken,' "want ik wil geen

oorloge tegen hem voeren, en ik wil volkomen doen, hetgene dat de brief

bevat." Met dezer andwoorde zijn zij van den Koning gescheiden, en zijn

zoo lange gereisd tot dat ze kwamen in Piërlepont, en hebben Haymijn

weêromgezegd des Konings meeninge; en dat Haymijn en zijn magen komen

zouden tot Senlis, om aldaar peis te maken.

Als Haymijn en zijn magen verstaan hadden des Konings meeninge, zijn ze

blijde geweest, en hebben hen bereid naar Senlis te trekken, elk zoo hij

cierlijkst en heerlijkst mocht, met al hun macht.

En toen Koning Carel hoorde, dat Heymijn en zijn vrienden bij Senlis

kwamen, is hij hun te gemoet getogen met zijne magen en menig Edelman,

met Vrouwen en Jonkvrouwen, en dede zijn tente slaan in eene bloeyende

vlakte, daar men den peis maken zoude; en hij is Haymijn genaderd met

300 Ridders, die in wolle gekleed en barrevoets waren, en hij is voor

Haymijns voeten gevallen, zeggende: "Ik heb misdaan: ik bidde u, dat gij

mij vergeeft de dood van uwen neve, om Gods wille, die ter onzer liefde

onschuldelijk zijn kostbaar bloed voor ons aan den Cruice gestort heeft;

ik wil het aan u en uw magen vergoeden en u helpen wat ik mag!" Als

Haymijn deze woorden hadde gehoord, zoo werden zij in vriendschap

vereenigd.

Karolingsche Verhalen · 第 15 / 45 题