HET TWEEDE KAPITTEL.

Hoe Heer Huygens dood gewroken wierd van beide zijn

ooms en hun helpers, en hoe ze Koning Carel in den

Rijksban deed.

Heer Huyge, aldus deerlijk verslagen zijnde, zoo verkeerde de

blijdschap, die daar was, in groote bittere rouwe. Haymijn van Ardennen

en Aymerijn van Nerboen, en alle Heer Huygens vrienden sprongen

verbolgen op, als brieschende leeuwen en wierpen de tafels om verre, dat

de gouden schotels en krystallen vaten onder de voet raakten. Bedroefd

en vergramd om de dood van hun neve, zeiden zij met woedende blikken:

"Wij willen den val van onzen neve wreken, dat men daaraf spreken zal,

zoo lang als de waereld staat--al zouden wij alle dood blijven!"

Haymijn wapende hem en zijn volk, en had tot zijn hulp 1000 Ridders,

uitgelezen van al zijn land. Koning Carel wapende hem met al zijn magen

en vrienden; hij had spoedig zijn batalië in orde gesteld en had

ontwonden zijn standaart, daar hij onder had 10000 mannen, wel gewapend

en van harnas voorzien. Daar kwamen van Lauwen[1] Koning Carel veel te

hulpe. Die van Rome en Milanen kwamen ook met eene geduchte macht van

volk, want zij stonden onder de grootdadige heerschappije van Koning

Carel; hij hadde tot zijner hulpe Vlamingen, Brabanders, Allemanniërs en

Vriezen, zoodat Koning Carel een strijdbaar leger op de been bracht uit

verscheidene oorden--meer dan ik schrijven kan.

Toen toog Koning Carel op, met heel deze menigte van mannen, om Haymijn

en zijne vrienden[2] te dooden en te verslaan, hun land te verbranden en

te niet te maken.

En Haymijn hadde in zijn hulpe, met al dat hij vergaderen mocht, 30000

mannen, onder welke vele groote Heeren, als Hertogen, Graven en Ridders,

edel van geboorte; en zij reden met ontwonden banieren ter poorte uit,

met luid geblaas van hoornen en trompetten. Daar was het geroep groot

'Nerboen! Nerboen!'

Als Haymijn met zijn volk kwamen, daar Koning Carel zijn krijgsmacht in

orde gezet had, zoo vielen de twee scharen met groote felheid samen uit,

zoo dat in 'et vergaderen menige spere gebroken, en menige Ridder van

den paerde ter aarde gedragen wierd.

Haymijn riep met luider stemme, en zeide: "Edele Baroenen en vrome

mannen! helpt mij wreken de dood van Heer Huygen, mijne neve; ik en

vrage daar niet na, of ik het met mijn eigen bloed bekoopen zal."

Aymerijn zeide: "Dat zal ik doen, mijn lijf en goed zal ik daarvoor op

het spel en in gevaar stellen."

Toen renden de Edelen op elkander aan, en vochten zoo lange, dat hun

zwaerden en geweer ontbrak; zoo dat zij ten laatste sloegen met den

appel van de zwaerden. En Haymijns volk weerden hen zeer vromelijk[3],

tot uitputtens toe, maar sloegen Koning Carel talrijke mannen af, en

velden ze met grooter kracht ter aarde: alzoo dat over beide zijden

groote slachting geschiedde van Ridders en knechten. Daar was menig man

bedekt met bloede, en hadde liever gerust, dan langer gevochten: men zag

daar de paerden, met twintig of dertig teffens, zonder Heer: want de

strijd was hevig en fel.

Die van Ardennen verweerden zich en vochten alle met eenen stouten moed,

alsof Haymijn hun vader ware geweest; zij streden tot dat het donkere

nacht werd, alzoo dat zij uit nood scheiden moesten. Koning Carel

verloor toen veel van de zijnen, want hij hadde op die tijd de meeste

schade, zoo dat hij verloren had van zijn volk, binnen dien dage,

duizend mans ofte meer, en aan Grave Haymijns zijde bleven maar weinige

mannen.

Nu moeste Haymijn wijken, overmids de donkere nacht. Heer Huygens dood

had menig Edelman 'et lijf gekost en schier alleen door den overmoed van

Koning Carel en Haymijn: menig schoon kasteel en sterke muur werd daarom

geveld en verbrand--om de dood van Heer Huygen.

Toen sprak Koning Carel met grammen moede: "Ik beloof 'et: God en zijne

kracht heeft ons te dezer nacht gescheiden--maar ik duld ze hier niet

langer: uit den lande wil ze ik verdrijven, en bannen ze met hun

vrienden uit mijn Rijk, en nemen hun al hunne goederen." Toen riep

Koning Carel zijn hoogste Baroenen en Raadsheeren te zame--zoo Koningen,

Hertogen, als Graven; en dede ze zitten ter vierschare, elk na zijner

waerde. Daar dingde Koning Carel, en maakten Maymijns geslachte balling

over al zijn Rijk. Dit gedaan wezende, vernam Haymijn en zijne vrienden

met hun helpers, dat zij door een vonnis der hooger vierschare het land

moesten ruimen, hetwelk zij met grooter haaste gedaan hebben.

Grave Haymijn hadde met hem 800 Ridders, die alle vrome en uitgelezen

mannen waren ter wapen; en zij namen ieder mede van hun goed dat zij

bergen mochten, want zij wisten wel, dat zij des Keizers en Konings

macht niet wederstaan en konden. De Koning nam het goed, dat zij gelaten

hadden, en begiftigde die 't hem beliefde. Dat was Grave Haymijns volk

verdrietelijk te lijden, want Haymijn en allen, die met hem verdreven

waren, moesten zich des daags onthouden in het dichtste der woestijnen.

Nu zult gij hooren van 's Graven Haymijns verder bedrijf. Des nachts

ging hij met zijn volk branden en rooven al dat hij buiten vaste mure

besloten wist of konde vinden; alzoo dat hij niet en spaarde Geestelijk

nog Waereldlijk, waar hij ze mocht berijden ofte begaan. Veel kloosteren

en kerken verwoestte hij, en sloeg veel geestelijke lieden--Monniken,

Priesters, Klerken, Nonnen--ook leeke-lieden, en roofde en vernielde tót

onder de muren van Parijs. Hij hadde bij hem zijns vaders broeder,

Madelgijs geheeten, een stout Ridder, was geleerd in de kunsten van

Nigromantie[4], daar hij groote schade meê dede. En het goud, dat zij

roofden in de kerken, dat sloegen zij den paerden onder de voeten. Deze

oorlog duurde zestien jaar.[5]

[1] _Lauiven_--Loan, in Picardië.

[2] _vrienden_--zoowel bevriende vreemden als bloedverwanten.

[3] _vromelijk_--dapper.

[4] _Nigromantie_--zwarte kunst, tooverij. (Verbasterd uit [Greek:

Nekromanteia])

[5] _Genoten_--het kollegie der XII _Pairs_, die met Karei te recht

zaten; zijn staf in den oorlog.

Karolingsche Verhalen · 第 14 / 45 题