HET EERSTE CAPITTEL.

In de oude geschiedenissen vinden wij beschreven, alzoo gij zult hooren,

hoe de Keizeren, en de Koningen en andere groote Heeren eene gewoonte

hadden, dat zij eens des jaars Feest hielden met groote triumphe en

vrolijkheid.

Deze zelfde gewoonte had de edele Koning van Vrankrijk, dat hij alle

jaren met groote glorie feest placht te houden binnen de stad van

Parijs. En daar wierden ontboden en genood alle de Edelste van de

waereld, van Vrankrijk en van alle Koninkrijken; en elk wierd daar

ontvangen na zijner waerde. Om nu te komen tot ons verhaal, zoo was

Koning Carel houdende een zeer rijkelijk Hof, na ouder gewoonte, ter

gedenkenisse, dat hij gekozen en gekroond was Koning van Vrankrijk; zoo

dat er gekomen waren, tot zijner eere en waerdigheid, en om zijne glorie

te vermeeren, de Edelste der uitgenomenste van het

Keizerrijk--Geestelijk en Waereldlijk.

Daar waren: onze aardsche Vader--de Paus van Rome, de Patriarch van

Jerusalem, de Cardinalen, Bisschoppen, Legaten en andere hooge

Kerkvoogden, en 12 gekroonde Koningen, 22 Hertogen, 33 Graven, 1000

Ridders, 5000 Schildknapen en Jonkers, welgeboren, vroom[1] ter wapen in

oorloge en tornooyen; daar waren vele schoone Vrouwen ende Jonkvrouwen,

alle van Adelijken geslachte, die zeer kostelijk en sierlijk toegereed

waren; en voords van anderen volke was daar eene menigte zonder getal:

want deze Feest was des Dinsdaags na Pinxter, in het schoonste en

geneuchlijkste van den jare.

En al wat men ter Feeste behoeven mocht, was daar overvloedig, meer dan

men kon denken; daar ontbrak niet wat tot vermaak en verkwikking konde

strekken. Elk was ter tafel gezeten na zijner waerde. Er tusschen twee

Ridders zat een schoone Jonkvrouwe: zoodat er vreugde lag op aller

aangezicht en blijdschap was aan den disch. En diende ter tafele menig

Edelman, en diende zeer naerstig met groote hoffelijkheid: dat er niet

ontbreken en zoude van spijze en drank.

Dus zat Koning Carel, Keizer van Rome, met zijner kroone, in

zegepralende fierheid; bezijden hem zat zijne Vrouwe de Keizerinne, en

in de zale zat tot een der tafelen Heere Haymijn, Grave van Ardennen, en

Aymerijn van Nerboen; daar was ook Heer Huyge van Ardennen, een zusters

zone van Haymijn, en was een schoon jonkman, met blonde haren, en zeer

wel ter sprake. Deze Heer Huyge stond op van de tafel daar hij zat, en

ging voor Koning Carels tafel, waar deze troonde, naast zijne

Keizerinne, in groote luister en glorie.

En als hij voor de tafel stond, heeft hij zich ter aarde gebogen, en

groette den Koning en zijner Vrouwe, en alle de Baroenen en Edelingen

die daar gezeten waren, en zeide tot Koning Carel met bitterzoete

woorden: "Heer Koning, u is wel kundig, dat hier thands mede in der zale

zijn mijn beide oomen: Grave Haymijn, een Ridder goed en stout; en de

tweede, Heer Aymerijn van Nerboen: zij hebben u trouwelijk gediend in

Turkije, als goede Capiteinen hunnen Heere schuldig zijn te dienen, en

hebben menig Heiden verslagen, en in menig doodsgevaar om uwent wille

geweest; dat zij willig en gaerne gedaan hebben. En echter, Edel Heer

Koning, wel zijt gij des bewust, dat gij hun nooit zoo veel gegeven

hebt, om zich een paar sporen er van te kunnen koopen. Dus, Edel Heer

Koning, hebben zij mij tot u gezonden, begeerende vriendelijk dat gij ze

begiften wilt, dat zij eerlijk hunnen staat mogen ophouden."

Als Koning Carel deze vrije woorden hadde gehoord, sprak hij tot Heer

Huygen op strengen toon, en zeide: "Gij eischtet te vergeefs voor

hen-lieden: want zij hebben 't zelve mij menig keer geëischt, en ik

hebbe hun nooit iet willen geven noch en zal hun noch niet geven: zij

doen daartoe dat zij mogen!"

En Heer Huyge, toen hij den Koning dit besluit hoorde uitspreken, werd

zeer ontzet van binnen en antwoordde met hovaerdige tale, zeggende:

"Heer Koning, en wilt gij mijn oomen niet begiften, die u zoo langen

tijd eerlijk en ridderlijk gediend hebben--men zal groote schande van u

spreken in andere Heeren-Hoven, en uw groote name en fame, die gij hebt,

zal daarin óndergaan en uitgedaan worden; en smaadheid wordt uw deel."

Pas had Koning Carel deze overmoedige woorden gehoord van Heer Huygen,

of hij werd zeer met toorne ontstoken, toog met haaste zijn zwaard uit,

en sloeg Heer Huyge, dat hij dood ter aarde viel voor Koning Carels

tafel, dat de vloer van der zale nat werd van zijnen bloede. En daar

wierd een groot gerucht en geschrei onder de Edelen en Jonkvrouwen

vernomen.

[1] _vroom_--moedig.

Karolingsche Verhalen · 第 13 / 45 题