huwelijk de verbindende schakel vormt tusschen 't geslacht van Prins
Willem en van Jan den Ouden; door hen toch stamt onze Koningin ook in
rechte lijn van den Vader des Vaderlands af.
Kon de praalwagen, die het Muiderslot voorstelt, alle dichters en
kunstenaars niet herbergen; al evenmin kon de oorlogsbodem allen
zeehelden, plaats verleenen, die Neêrlands waterleeuw op zeeën en
stroomen deden eerbiedigen.
Staatslieden en Amsterdamsche burgers, volgen den wagen, die
Aan d' Amstel en aan 't IJ,
Daar doet zich heerlijk ope
De Koningin der aard,
Het sieraad van Europe
zinnebeeldig vertoont, de Friesche stadhouder met zijn Maykemoe, toen
even bemind als Us-Heit weleer, voorafgegaan door den Koning-Stadhouder
met zijn vrome gemalin, Maria II Stuart, hij die Europa's evenwicht
handhaafde tegen de staatkundige en godsdienstige dwinglandij van een
Lodewijk XIV; zij allen roepen ons het grootsch verleden van ons land
voor den geest.
Hoe jammer, dat de Scheveningsche bom, zoo eigenaardig van pas hier,
moest achterblijven; en Koning Willem I en de dappere Prins van Oranje,
de held van Quatre-Bras en Waterloo, niet tot hun recht komen, zoo
zelfs dat aan het einde van den stoet een gevoel van teleurstelling zich
van velen meester maakt.
* * * * *
Precies half twee komt de stoet op den Dam. Prins Hendrik aan de
achterzijde van het paleis bespiedt vooraf den rijken aanblik; en komt
nu met 't Prinsesje op den arm van freule V. d. Poll en H. H. M. M. op
't balcon, want heden morgen, na 't bezoek aan de collectie Drucker,
hebben onder een toeloop van duizenden en nogmaals duizenden de Koningin
en de Prins aan het Centraal-Station Koningin Emma afgehaald.
Toen was er weer gejuicht en gejubeld voor het paleis, Koningin Emma met
Haar Kleinkind op Haar arm kwam met het Koninklijk Echtpaar op het
balcon. Het gansche Koninklijk Huis bijeen! Moge God nog vele takken aan
den dierbaren, alouden Oranjestam doen uitspruiten!
Een der vendels van den optocht heft plechtig het Wilhelmus aan en de
pages der Oranjevorsten en -vorstinnen leggen groote bloemkransen als
hulde neer, terwijl de voorstellers van Hr. Ms. voorgeslacht een rij
vormen en zoo dicht mogelijk naderen om hun eerbiedigen groet te
brengen.
Rondom het gedenkteeken van Neêrlands volksgeest in 1831 zijn de
muziekcorpsen en vendels geschaard en daar omheen, in groote haag van de
Nieuwe kerk tot de Groote club, de geheele stoet met de praalwagens en
hun begeleiders.
De stoet vormt zich opnieuw en trekt onder het spelen van vroolijke
marschen of het zingen van Geuzenliederen verder. Die geuzenliedekens
hebben in gansch andere tijden weerklonken, toen de maker, drukker,
verkooper, of zanger vaak zijn vermetelheid met zijn leven boette.
Prins Hendrik vindt het geheel zoo mooi, dat Z. K. H. den optocht nog
eens wil zien, daartoe spoedt de Prins-Gemaal zich naar den heer Van
Loon-Egidius, uit wiens rijk versierd huis het prachtige schouwspel op
nieuw door den Prins bewonderd wordt.
»Waar zullen we van avond heengaan voor de illuminatie Ferdinand,« zoo
vraagt zijn vrouw voor zich en de zusters, toen men een beetje
uitgepraat raakte over den optocht.
»We gaan de Nederlandsche Bank zien, de Gekroonde Valk, de Heemskerck,
de Hooge Sluis, het Museum-Kwartier en al het voornaamste daar tusschen
gelegen. De trams rijden, dus we zullen in een uur of drie misschien
vier dien tocht wel zonder al te groote vermoeienis volbrengen. Vader is
kras genoeg om mee te gaan, maar die houdt Moeder gezelschap, die hier
van avond op Mientje komt passen; zóó heeft Vader het met mij
afgesproken, wat dunkt jullie daarvan?«
»Het is opperbest, mooi geschikt en Vader en Moeder denken, als altijd,
eerst aan de kinderen!«
»Net zoo Margreet,« vulde Marie aan.
Een jaarlijksch koninklijk bezoek duurt gewoonlijk slechts 5 dagen,
ditmaal blijven de hooge gasten langer; en, nadat H. H. M. M. en
Z. K. H. van de illuminatie hadden genoten, waarbij ook die binnenshuis
niet onopgemerkt bleven, de Westertoren doofde bij derzelver komst, maar
door het zoeklicht van de Heemskerck opgespoord, spreidde hij weldra
weder zijn stillen luister ten toon, kreeg Arti Dinsdag een bezoek.
Het bestuur van dit genootschap had uitvoering gegeven aan het lieve
denkbeeld om een tentoonstelling van kinderportretten te openen.
Tweemaal zou de schoone Amstel op dienzelfden dag de doorluchtige
bezoekers aan zijn oevers zien neergezeten en zelfs op zijn golfjes
medevoeren.
»Anton, jij hebt van middag maar heel mooi alles kunnen zien en wij
zagen niets!« zoo verklaarde de keukenmaagd des avonds laat, onder een
kopje koffie.
»Ja, alles heb 'k gezien en heel mooi ook; maar ik had het toch druk
met het bedienen van alle genoodigden op mijnheers plezierboot. De
veranda van »De Hoop« leek een echte serre, met 3 vergulde stoelen,
dus enkel voor de Koninginnen en den Prins, begrijp jullie? Dan hoorde
ik vertellen dat de zaal veranderd, of ze zeggen dan omgetooverd was,
in een Oud-Hollandsch woonvertrek, dan kon H. M. daar even uitrusten,
want de Koningin had de sport op 't IJsclub-terrein ook al bijgewoond.
Van het terras, daar je zoo'n mooi gezicht op den Amstel hebt, hadden
ze het dek van een mailboot gemaakt, en daar zag je de trap naar den
aanlegsteiger. Een havenbootje lag gemeerd en leek op 'n plezierjacht,
het wachtte alleen op de deftige bezoekers.
Het woei aardig, maar de Koningin schijnt overal tegen te kunnen,
trouwens je moet zeggen, wel een beetje moe, maar uitstekend ziet de
Koningin er uit; en zoo echt gelukkig als men Haar met Haar Kindje
ziet, dat vertelden ze allemaal aan elkaar. 'k Hoorde van dames die
Zondagmorgen door het Vondelpark naar de kerk gingen, en het juist
troffen, toen de Koningin zelve, vóór Zij naar de Nieuwe Kerk moest,
even het Prinsesje naar dat stukje park voor het Kleintje bestemd,
wegbracht.
Vandaag voeren Ze tot vlak bij het Kalfje, een paar mooie bochten langs,
hè? Allebei de kanten stonden stikvol menschen, en voor alle ramen en op
de daken stonden of zaten ze.«
»Op een dak zie je toch niks,« meende Greta.
»Net mis, je ziet de gezichten van de lui niet, maar de booten en de
versieringen zie je opperbest en zoo ver weg kan je kijken. De Amstel,
niet de Hoop, heeft de Julianabeker gewonnen, ze moesten bijna 5000 M.
roeien. Zulk roeien! Zoo gelijk gaan die riemen op en neer, 't lijkt of
't er maar één is; en toen de Koningin terugkwam, gingen de versierde
schuitjes, een 60, voorbij; met 2 dames en 2 heeren er in, die groetten
ook allemaal.«
»Hoe doen ze dat Anton, wuiven de dames?«
»Wel neen! Net als de matrozen in de sloepen, trekken ze de riemen in en
die houden ze in eens steil rechtop in de hoogte. Als je het nooit zag,
kijk je er eerst beduusd van.«
»Van avond woei het veel te hard voor de illuminatie en het vuurwerk;
maar ze kunnen de dingen niet uitstellen of afzeggen, dat begrijpen
jullie ook wel. 't Was echt jammer van het geld voor het vuurwerk. Van
het groote, het mooie stuk was bijna niets te zien door de rook die
niet optrok; en van de versierde en geïllumineerde bootjes en schuitjes
woeien de lichtjes uit; aan »De Hoop« konden zelfs de vetpotjes niet
branden.
Maar dat schip veroveren, dat was toch zóó mooi, dat ging zoo goed; 't
verbeeldde een echt gevecht uit den Spaanschen tijd.«
»Wie gaven dat, Anton?«
»De vereeniging Volksweerbaarheid; gisteren vroeg ik den
jongejuffrouwtjes er naar en die vertelden mij, hoe dat al in 1573
gebeurd was, verbeeldt je. Maar we moeten naar bed.«
»Kom, vertel het nog effentjes, morgen is er weer wat anders, 't is nu
toch laat.«
De knecht liet zich niet lang bidden en ging voort. »Juffrouw Ida zei:
Alva had Haarlem ingenomen en schandelijk was daar gemoord en geplunderd
en ze hadden vast en zeker beloofd, dat ze den menschen niets zouden
doen. Toen hebben ze Alkmaar willen nemen, maar dat lukte niet zoo gauw,
als ze gedacht hadden; en ik weet niet krek meer hoe, maar ze hoorden
dat Oranje ze allemaal zou laten verdrinken en toen zijn ze aan den loop
gegaan, 't was in October.
Onder de hand had Alva een vloot in de Zuiderzee laten komen, groote,
flinke schepen met soldaten en kanonnen er op bij de vleet; de
Hollanders hadden maar kleine scheepjes, maar die durfden toch maar van
alles in dien tijd.
De admiraal van die vloot van den Spanjool was een Hollandsche graaf,
wat 'n schande hè? en zijn schip heette de Inquisitie, dat was de naam
van de rechtbank, die in dien tijd de menschen, die niet Roomsch wilden
blijven of weer wilden worden, liet gevangen nemen en dooden. Nu 't
leek wel, zei Ida, of Alva voor temptatie dien naam aan dat schip
gegeven had. Toen die vloot uit Amsterdam, (daar hielpen ze toen die
Spanjaarden) zeilde en op de Zuiderzee kwam, probeerden 3 scheepjes om
die Inquisitie te nemen en vechten, dat ze er op deden, dat was dan
maar raak. Maar die graaf van Bossu (ja, zoo heette hij) wou zich niet
overgeven. Toen dreven ze, aldoor maar aan 't vechten, rond, tot dicht
bij Hoorn en daarvandaan kwamen toen vletten en schuitjes met nieuwe
geweren en kogels en mannen, die nog niets moe waren en toen moest hij
zich laten gevangen nemen, bijna al zijn soldaten waren gewond of dood,
en toen hebben ze dien graaf in het weeshuis in Hoorn gevangen gezet;
maar later heeft hij zich gebeterd en Oranje trouw geholpen. Maar nu zou
ik haast vergeten, dat hij eigenlijk al lang zich had moeten overgeven;
want een man, Jan Haring heet die, was tusschen die Spanjaards
doorgeslopen, en rukte de vlag van den grooten mast; dit beteekent dat
je overwonnen bent, begrijp je? Die arme kerel viel met de vlag in zijn
hand dood op het dek, ze schoten zoo op hem.
»Nu van avond hebben ze ook zoo gedaan bij de Hooge Sluis; het leek
zoo precies op echt schieten en alles werd zoo mooi verlicht door de
Heemskercks zoeklichten; toen die man (die Jan Haring verbeelden moest)
de vlag er afrukte, hadt je dat Hoera! eens moeten hooren.«
»Ze schoten hem toch niet dood, Anton!«
»Wel, neen, Anna! 't Verbeeldde immers maar wat die Watergeuzen vroeger
deden. En ze heschen er meteen een vlag op Oranje, wit en blauw, dat was
de vlag van Prins Willem I, toen werd er nog veel harder hoera! geroepen
en meteen zongen ze Wilhelmus naar den kant van »De Hoop« en aan den wal
deden ze hard mee. Jongens, jongens! dit was niet nog mooier, maar toch
begrijpelijker dan die prachtige optocht; daar moest je zooveel voor
weten, zeiden de juffertjes. Ik heb dit mooi gevonden en heel mooi
ook, omdat ik het zoo goed begreep. Maar meisjes, naar bed hoor! en
stilletjes ook, kijk me die klok eens!«
* * * * *
Met het water heeft H. M. nog niet afgedaan, het grootste schip ooit in
Nederland gebouwd zou 1 Juni van stapel loopen; daar zullen de Koningin
met den Prins bij tegenwoordig wezen en zoo doende rijdt H. M. met
Z. K. H. 's Woensdags om even één uur uit naar de Conradstraat.
Op het J. D. Meyerplein wacht H. M. een verrassing. Voor de Ned. Isr.
hoofdsynagoge bevinden zich 300 kinderen en 100 zangers. De deuren staan
wijd open, alle lichten branden, de rabijnen staan op den drempel;
zoodra het koninklijke rijtuig stilstaat heffen de kristalheldere
kinderstemmen met de zware mannenstemmen te zamen een Hebreeuwsche
aubade aan. Het fraaie gedicht, vervaardigd door den heer Woudhuyzen
en op muziek gebracht door den heer Schlesinger klinkt indrukwekkend
plechtig.
Voor het heil van H. M. zoowel als voor dat der teere telg van
Oranje-Nassau klimt de bede ten hemel, in de taal van den Koning-Dichter
van Israël.
H. M. en Z. K. H. ontvingen de aubade in het Hebreeuwsch en Nederlandsch
fraai gecalligrafeerd, en ook onzen E.A. heer burgemeester en den
hoofd-commissaris van politie werden afschriften aangeboden.
Beiden heeren werd door H. M. in vleiende bewoordingen dank gezegd voor
die lieflijke hulde; terwijl twee peuzels H. M. een bouquet mochten
overhandigen, waarbij de eene haar witte rozen »voor Ons Prinsesje«
bestemde.
»Hoe heerlijk vol is het hier! Wat mooie bloemen en planten in het
kantoor! Wat hooge tribune! Moet de Koningin die oploopen?«
Zulke en dergelijke uitroepen hoort men niet alleen van onze Dora maar
van menig ander kind en als H. M. en de Prins naar de aanspraak van
Jhr. Op ten Noort luisteren, is er ademlooze stilte om toch, als H. M.
antwoorden gaat, geen woord te missen. De heer Op ten Noort »dankt voor
de eer die H. M. de Stoomvaartmaatschappij Nederland en de Nederlandsche
Scheepsbouwmaatschappij bewijst en dankt Z. K. H. voor de zijden vlag,
(die op hetzelfde oogenblik geheschen wordt,) welke voor de Maatschappij
een blijvend aandenken aan deze plechtige gebeurtenis zal zijn; hierbij
voegt Z. H. W. G. den wensch dat het S.S. »Prinses Juliana« op alle
zeeën, welke het zal bevaren, den naam van Hare Koninklijke naamgeefster
eere zal aandoen en een sieraad zal zijn der Nederlandsche
koopvaardijvloot.«
De heer Goedkoop, directeur der Ned. Scheepsbouwmaatschappij noodigt
H. M. uit het schip te willen doopen en te water laten.
Hierop antwoordt H. M.:
»Het was mij zeer aangenaam gevolg te kunnen geven aan de uitnoodiging
van de besturen der »Stoomvaartmaatschappij Nederland,« en der »Ned.
Scheepsbouwmaatschappij« om het schroefstoomschip »Prinses Juliana« te
water te laten, en gaarne geef ik u de verzekering dat ik hoogelijk
waardeer de gevoelens, die u geleid hebben tot het kiezen van dezen naam
voor het grootste schip tot heden in ons vaderland gebouwd.
Moge het S.S. »Prinses Juliana« tot eer strekken van de Nederlandsche
industrie en er toe bijdragen dat de Stoomvaartmaatschappij »Nederland«
haar roeping ten allen tijde hoog houde.«
Met verheffing van Haar klankrijke stem:
»Stoomschip »Prinses Juliana« moge God u met uwe opvarenden steeds
veilig geleiden over den oceaan!«
Niet alleen blanke, ook bruine onderdanen begroeten H. M. hier; een
aantal Javanen in dienst op de booten der Mij. Nederland maken hun
»sembah« (Javaansche groet) voor hun blanke Vorstin.
Zondag in Artis bevonden zich in den Hollandschen tuin aldaar ook een
12-tal Javanen en Maleiers, naar Europa ontboden om werkzaamheden der
Indische nijverheid op de tentoonstelling te Brussel te verrichten. Zij
en hun hoofd waren slechts voor deze reis te vinden geweest, als men
beloofde de Radjah Blanda hun te laten zien, de groote gebiedster van
hun land. Op het gras neergehurkt maakten zij driemaal hun sembah en
daarna oogden zij schuchter die vorstelijke gestalte na, die zoo
vriendelijk voor hen neeg.
Doch H. M. drukt op een electrischen knop, de klinken worden
weggeslagen, de flesch champagne door de Koninklijke hand tegen de
stalen huid verbrijzeld spat schuimend op en.... het trotsche zeekasteel
zet zich in beweging, glijdt in steeds sneller vaart de helling af,
terwijl de Koningin op het uiteinde der tribune gaat staan om
onbelemmerd het schouwspel gade te slaan.
Onder luide toejuichingen keerde het Koninklijke Echtpaar naar den Dam
terug om.... voor de eerste maal mèt Prinses Juliana een rijtoer te
maken.
Langs den heelen, langen weg ziet men honderden en nogmaals honderden:
vrouwen, moeders, jongens en meisjes! Al wie maar even kan, wacht op het
Koninklijke gezin in de roode gala-koets. De kleuters worden opgetild,
de grooteren klimmen op stoepen en karren, in lantaarnpalen, in boomen
om toch maar goed dat lieve Kindje in haar witte jurkje en hoedje te
zien. Ons dierbaar Prinsesje! De gansche stad jubelde nogmaals. Geen
zanghulde, maar een onafgebroken gejuich van heel een bevolking klonk
den gelukkigen Ouders tegen.
Weesjes in de Tesselschadestraat, vereenzaamde kinderen uit de toevlucht
van den heer Jonker, allen verheugen zich, als het kleine handje alleen,
of met een zakdoekje wuift; doch liefst, dat merkt men wel, kijkt ze
naar Haar Koninklijke Moeder, of ze beproeft zich op te heffen om naar
de gouden epauletten van Haar Prinselijken Vader te grijpen!
En Prins Hendrik hield zijn belofte, aan de bemanning van de Heemskerck
op zee gedaan; n.l. dat Z. K. H. hen in staat zou stellen de jonge
Prinses te huldigen. En daar stonden ze nu, onze Janmaats, van Hr. Ms.
oorlogsbodem 350 koppen vóór het paleis geschaard bij de thuiskomst
van dezen rijtoer, uiterst langzaam reed de koets hen voorbij, een
uitnemende gelegenheid werd hun zóó geboden om het Koninklijke Kind te
zien.
Ging vroeger de Koninklijke Familie altijd Zaterdags naar den
Stads-Schouwburg, dit jaar woonde H.H. M.M. en Z. K. H. de
gala-voorstelling van »De Stedendwinger« door J. Huf van Buren, op den
laatsten avond van het verblijf (1 Juni) bij. Op den heen- en terugweg
weer hartelijk door de menigte begroet.
Talloos velen begaven zich naar den Dam en het Damrak om bij het vertrek
den geliefden, hoogen bezoekers een laatsten groet te brengen en een
laatsten blik op Prinses Juliana te vestigen! Tusschen dichte drommen
reed het Koninklijk gezin naar het Centraal-Station. Ons lief Prinsesje,
weder op den schoot Harer beminde Moeder gezeten, wuifde gedurig met
Haar handje en zag zich even hartelijk uitgeleiden als binnenhalen.
In het Koninklijk paviljoen verzoekt H. M. den burgemeester, Haar dank
aan de burgerij wel te willen overbrengen, daar Zij zeer getroffen
was door de hartelijke ontvangst Haar en Prinses Juliana in 's Rijks
hoofdstad bereid en gaf in de meest vriendschappelijke bewoordingen
uiting aan Haar gevoelens.
En Donderdag 2 Juni 10 uur behoorde het onvergetelijk eerste bezoek van
Prinses Juliana tot het verleden!
De woorden van afscheid door H. M. gesproken, vormen een naklank van
die, geuit bij Hr. Ms. heildronk op Amsterdam aan den disch ten paleize
op 31 Mei; aan het gastmaal door H. M. den gemeenteraad en den leden van
het bureau der feest-commissie aangeboden:
Mijnheer de Burgemeester,
»Ik gevoel mij gedrongen bij gelegenheid van ons eerste bezoek met ons
innig geliefd Kind aan de hoofdstad des Rijks aan dezen feestdisch een
enkel woord te spreken ook voor den Prins, ofschoon ik mij wel bewust
ben, dat het moeilijk is weer te geven, wat op dit oogenblik in ons
omgaat. Wij zijn diep bewogen, zoowel door de indrukwekkende uiting van
blijdschap, welke aan de schoone en welgeslaagde feesten ten grondslag
ligt, als door de geestdrift, die er de bezieling aan gaf, bovenal stemt
het ons ouderhart tot groote dankbaarheid getuige te hebben mogen zijn
van de liefde, waarmede Zij, die wij zoo gaarne ons »_zonneschijntje_«
noemen, allerwege is ontvangen en begroet.
Er is in deze korte spanne tijds meer dan één band voor geheel het leven
gevlochten.
Wij stellen ons voor, Haar later dikwijls van haar eerste verblijf
alhier te vertellen en wij koesteren de hoop, dat Zij, ouder geworden
zijnde, zal toonen te beseffen, welk een groote plicht der dankbaarheid
op Haar rust. God geve Haar daartoe overvloedige gelegenheid!
Als wij nu weldra Amsterdam gaan verlaten, dan zal het zijn met een
gevoel van bijzondere erkentelijkheid voor de dagen, welke de bevolking
zoo gelukkig en onvergetelijk voor ons heeft gemaakt en dan zal mijn
afscheidsgroet een innig gevoelde wensch zijn voor den toenemenden bloei
en voorspoed van de hoofdstad, wier belangen Mij zoo na ter harte gaan
en waaraan wij door vele historische en enge persoonlijke banden
gehecht zijn.
Mede namens Mijne Moeder en Mijn Gemaal stel ik dezen heildronk in op
het geluk en het welzijn van Amsterdam!«
De burgemeester, Jhr. Mr. Dr. A. Roëll, antwoordde het volgende:
Mevrouw! Koninklijke Hoogheid!
»Wilt mij veroorloven U. M. eerbiedig dank te zeggen voor den heildronk,
mede namens H. M. de Koningin-Moeder en Z. K. H. den Prins der
Nederlanden uitgebracht op het welzijn van Amsterdam, maar bovenal
voor de treffende woorden, die H. M. aan dien dronk heeft willen doen
voorafgaan. Woorden, die voorzeker zullen gegrift blijven in het gemoed
van allen, die ze hoorden, en die voor stad en ingezetenen juist daarom
van zooveel beteekenis zijn, omdat zij worden uitgesproken aan den
disch, die U. M. heeft bereid aan de vertegenwoordigers van de burgerij.
Dat U. M. en Z. K. H. de Prins der Nederlanden tot dezen disch
ook--andermaal--de leden van het dagelijksch bestuur der gemeente en
een deputatie uit de feestcommissie noodden, is voor hen een reden van
groote erkentelijkheid, die het mij vergund zij tevens te vertolken.
U. M. heeft in bewoordingen, die door ons allen niet genoegzaam
kunnen worden gewaardeerd, uitdrukking gegeven aan de gevoelens, die
de geestdrift dezer dagen in Uwe harten, Koninklijke Ouders van de
aanvallige Prinses heeft opgewekt. Laat mij wederkeerig aan U. M. de
eerbiedige verzekering mogen geven, dat die geestdrift slechts de
onbedwingbare uiting was van de aloude, maar toch altijd jeugdige en
frissche verknochtheid aan U. M. en Haar Huis en dat die geestdrift wel
haar toppunt moest bereiken, nu die nieuwe loot aan den Oranjestam »Het
Zonneschijntje« is het zonnetje in het Koninklijk Gezin, maar waarvan de
stralen in deze dagen zoo talloos velen hebben verwarmd en gekoesterd.
Het koninklijk bezoek aan de hoofdstad staat dit jaar in het teeken van
het kind en het zal aan U. M. niet zijn ontgaan, hoe ditmaal, vooral
aan de Kinderen, aan de kleine en misdeelden niet het minst, bij de
feestviering eene plaats is ingeruimd. Als U. M. dan later aan de
Prinses zal verhalen van Haar eerste verblijf te Amsterdam en van het
gejubel, dat Hare komst daar te weeg bracht, moge het dan vooral ook
zijn van de liefde en van de bewondering, die het Koningskind in de
harten der kinderen heeft doen ontbranden. Zij toch zijn de mannen
en vrouwen van straks, de toekomst der natie, op wier hou en trou de
Prinses, als zij ouder zal zijn geworden, onder alle omstandigheden zal
moeten bouwen.
En wij ouderen, kunnen slechts de vurigste wenschen stamelen voor het
voorspoedig opgroeien van Uw Kind, dat, 't zij met allen eerbied gezegd,
door het vertrouwen, waarmede U. M. het onder de burgerij heeft laten
verkeeren, ook eenigermate _ons_ kind geworden is, en de bede opzenden,
dat God aan de Prinses het leven en de gezondheid spare, Haar alles
schenke wat Uw ouderhart slechts verlangen kan, Haar in één woord in
lengte van jaren krone met de keur Zijner zegeningen.
Amsterdam is U. M. en den Prins der Nederlanden innig dankbaar voor dit
eerste bezoek met de Prinses; het zal met gulden letteren geboekstaafd
blijven in de stadshistoriebladen.
Vergunne mij dan U. M. deze dankbaarheid te bezegelen met den heildronk
van de Amsterdamsche burgerij op het gansche Koninklijke Huis.
Lang leve onze geliefde Koningin met onzen hoog vereerden Prins der
Nederlanden! Leve H. M. de Koningin-Moeder! Leve, groeie en gedije
Prinses Juliana!«
Heel Amsterdam gaf in die woorden van zijn burgervader uiting aan wat in
ieders gemoed leeft.
* * * * *
»De stad begint er weer gewoon uit te zien na die drukke dagen; hoe
aangenaam ook, het gewone werken is toch beter vol te houden dan
feestvieren, vindt u dat ook niet, Vader?« vroeg Ferdinand Gladschaaf.
»Ja, jongen! de arbeid is een zegen Gods, Wee! die niet werken _wil_,
als hij _kan_. Allen zijn diep te beklagen, die om werk vragen en het
niet kunnen krijgen; maar Ferdinand, zulke dagen van algemeene vreugde
door het verblijf der Koningin en dan nu zoo geheel anders nog door de
komst van ons Prinsesje, o, zulke dagen doen mijn hart zoo recht goed.«
»Hoe bedoel je dat, Man?«
»Wel, de vreugde over het aanschouwen van onze Vorstin, de blijde
juichkreten als Zij in ons midden is, de blijdschap van jullie jongeren
vooral, dat je zóó en zóó dikwijls de Koningin, den Prins en Prinses
Juliana gezien hebt, dat doet me telkens denken aan wat mijn vader me
vertelde. Hij ging juist eens den Dam over, toen Koning Willem II op het
balcon kwam. De held van Waterloo en van den Tiendaagschen Veldtocht
werd zeer bemind en gevierd. Vader staat stil en juicht hartelijk mede
en wil daarna (hij was op weg naar een klant,) verder gaan, toen een
buitenman tot hem zegt: »Wat een gejuich.« »Ja,« zegt mijn vader, »als
de koning zich vertoont, is het volk verheugd!« En de buitenman zegt:
»Wat zal het zijn als de hoogste Koning komt!«
»Dan is er eeuwige vreugde en blijdschap op hunne hoofden,« luidt vaders
antwoord.
Die twee onbekenden zien elkaar blijde aan en drukken elkander de hand;
wel bewust dat zij eenmaal dien Koning in Zijne schoonheid zien zullen.«
* * * * *